De Wedergeboorte van Nederland

Part 15

Chapter 153,376 wordsPublic domain

Deze bepalingen onderstelden een vermogen tot zelfhervorming bij de onderscheiden kerkgenootschappen, en een mate van onderlinge verdraagzaamheid, die blijkens de ondervinding met de staatsregeling van 1798 opgedaan, in de verste verte niet bestonden. Al dadelijk lieten de additioneele artikelen onbeslist, hoe het voortaan met de beroeping van predikanten zou gaan, en met de velerlei bijzonderheden van kerkelijk bewind, waarbij tot dusver het openbaar gezag een min of meer actieve rol had vervuld. De geest (niet de uitgedrukte letter) der Staatsregeling liet dit alles aan de voormaals heerschende kerk zelve over, die evenwel volstrekt niet in staat bleek, aanstonds op eigen wieken te drijven. Een schromelijke verwarring in de kerkelijke huishouding was het gevolg; ettelijke gemeenten kwamen weder bij den Staat terecht om hulp, maar werden afgewezen bij besluit van het Vertegenwoordigend Lichaam van 8 April 1800, dat »de keuze van kerkelijke ambtenaren, overeenkomstig den geest der Acte van Staatsregeling, ter dispositie van ieder Kerkgenootschap in den zijnen" overliet. De uiterst weinig gepreciseerde bepaling omtrent het verdeelen der kerkgebouwen gaf bijna overal aanleiding tot hoogloopende geschillen; de plaatselijke besturen wisten niet waaraan zich te houden, en meestal handhaafden zich de hervormden in hun bezit[259]. Ook leek het er niet naar dat hunne gemeenten na verloop van drie jaar schikkingen zouden hebben getroffen tot voldoende bezoldiging der predikanten. Om uit het moeras te geraken stelde men bij de staatsregeling van 1801 vast, dat ieder persoon, den ouderdom van veertien jaren bereikt hebbende, zich moest doen inschrijven bij een Kerkgenootschap. »Voor ieder Kerkgenootschap wordt van de alzoo ingeschreven leden tot onderhoud van deszelfs dienaren en eigendommen eene jaarlijksche gift gevorderd, niet te boven gaande een zekere bepaalde som, achtervolgens hetgene aangaande dit een en ander bij de wet nader zal worden vastgesteld" (art. 12). Tot deze wet zal zijn tot stand gekomen, zouden de leeraren der voormaals heerschende kerk, die bij de aanneming der staatsregeling in dienst waren, hunne tractementen nog uit 's lands kas genieten (art. 14). Wat de gebouwen en goederen betreft, bleef ieder kerkgenootschap onherroepelijk in het bezit van wat het op 1 Jan. 1801 had bezeten (art. 13); eene bepaling zeer in het voordeel der hervormden, die, op enkele plaatsen als den Bosch na, ook waar zij ver in de minderheid waren, de gebouwen nog niet aan andersdenkenden hadden afgestaan. Het wederinrichten trouwens van oude kerkgebouwen voor den Katholieken eeredienst was geen geringe zaak, en daar hun bovendien bij overneming een slecht omschreven uitkeeringsplicht boven het hoofd hing, en daarbij de mogelijkheid van allerhande chicanes, werd het nieuwe artikel ook door de Katholieken zonder veel morren aanvaard. Onuitvoerbaar bleek echter de hoofdbepaling van 1801: de invoering eener verplichte kerkelijke belasting. De hervormden waren er vuur vlam tegen, en men had, wilde men de zaak doorzetten, tal van reclames op grond van art. 13 te verwachten, daar het van een aantal kerkelijke goederen en fondsen hoogst twijfelachtig mocht heeten, in welken rechtstoestand zij zich op 1 Jan. 1801 hadden bevonden. En voor de kleinere protestantsche genootschappen en de katholieken was het artikel niet noodig: zij voorzagen immers van oudsher in eigen behoeften, en bleven dit doen zonder dat de Staat er zich mede bemoeide.

[259] Zooals G. K. met welgevallen aanhaalt in zijne _Aanmerkingen_ (_Ontstaan_ I, 61): »De Hervormde Kerk heeft zoo diepe wortelen onder onze natie geschoten dat het misnoegen van andere gezindheden haar niet benadeeld heeft, toen er gelegenheid toe geboren scheen."

De staatkundige reactie van 1801 en 1802 bracht personen in het bestuur, die over het geheel de Hervormde Kerk beter gezind waren dan de voorgangers van 1798; men liet dus de kerkelijke belasting rusten, en handhaafde den provisioneelen toestand, die den hervormden het genot der predikantstraktementen verzekerde. Intusschen vond het beginsel der volstrekte scheiding van Kerk en Staat reeds weinig aanhangers meer. Het voor de regeering uit een oogpunt van handhaving der publieke orde nog altijd verreweg gewichtigste kerkgenootschap, het Hervormde, bleek tegen de taak van volledig zelfbestuur in het geheel niet opgewassen, en aan de genootschappen die er wel toe opgewassen waren gunde de Staat toch eigenlijk het volle zelfbestuur niet. Wel desnoods aan de kleinere protestantsche genootschappen, in wier toestand door de Revolutie (afgezien van het verwerven der burgerlijke rechten voor hare leden) eigenlijk weinig verandering gekomen was;--maar, vooral sedert de invoering van het Concordaat in Frankrijk, wekte de tegen de toestanden daarginds zoo sterk afstekende volkomen onafhankelijkheid van het Nederlandsche Katholicisme bedenking.

De Revolutie had in den toestand der Katholieken een inderdaad radicale verandering gebracht. Te voren alleen geduld, aan recognitiën en afpersingen blootstaande, afhankelijk in de toelating hunner priesters, in de plaatsing en inrichting hunner kerkgebouwen, in beginsel onvrij zelfs in de uitoefening van hunnen eeredienst, waren zij op eenmaal in volle vrijheid gesteld; eene vrijheid die zij zich ook volkomen waardig toonden. Echter bleef hunne kerkinrichting zooals die ten tijde der verdrukking was geweest: de geestelijken hadden het karakter van missionarissen, stonden in geen vast geordend plaatselijk verband tot elkander, waren ondergeschikt aan een _superior missionis Batavae_ die buitenslands (tot 1794 te Brussel, thans te Munster) verblijf hield. De regeering, den grooten invloed der geestelijken op hunne kudde, ook in zaken van wereldlijken aard, dagelijks bespeurende, vond niemand om tot te spreken. Met het voorbeeld van Frankrijk voor oogen, kwam zij al spoedig tot het denkbeeld eener door het Staatsgezag te erkennen organisatie der Katholieke kerk in Nederland, eene zaak waartoe van der Palm, als voorzitter van den Raad van Binnenlandsche Zaken onder de staatsregeling van 1801, het eerste ontwerp gevormd heeft,[260] en waarop navolgende regeeringen nog dikwijls terug zouden komen. Hing dus eenige verkorting der nieuw verworven vrijheid den Katholieken boven het hoofd, ook in andere opzichten begonnen de tijden voor hen te veranderen. In de staatkundige lichamen van 1796 en 1798, uit de volkskeuze of liever uit die der patriotsche partij voortgekomen, waren zij ruim vertegenwoordigd geweest, maar bij de benoemingen van 1801 en 1802, van het Staatsbewind uitgaande, ging men hen, althans in de oude zeven provinciën, bijna geheel voorbij, en het eenige Katholieke lid van het Staatsbewind zelf werd bij zijn aftreden in 1803 niet door een geloofsgenoot vervangen.

[260] Hij ontwierp een bisdom Amsterdam dat de geheele Republiek zou omvatten. De bisschop, die resideeren zou te Delft, zou benoemd worden door het Staatsbewind, »mits overeenkomstig de wetten en voorschriften der Roomsch Catholieke Kerk;" te Breda zou de opleidingsschool voor geestelijken worden gevestigd, te subsidieeren door den Staat (_Ged._ IV, bl. LXXIV.)

Tot welk resultaat de praktijk der beginselen van 1798 ten aanzien der verhouding van Kerk en Staat voorloopig leidde, ziet men uit de artikelen betreffende deze zaak in de Staatsregelingen van 1805 en 1806. »De materie zoo gecompliceerd zijnde," schrijft van der Palm kort vóór de Staatsregeling van 1805, »is het onmogelijk deswegens één algemeen werkende maatregel voor te stellen, en moet alleen de weg worden opengelaten, om daaromtrent al datgene door den Staat te doen verrichten, wat het algemeen welzijn vordert." In overeenstemming met deze leer bepaalt de Staatsregeling van 1805, dat »het gouvernement zoodanige maatregelen neemt, welke de bijzondere omstandigheden der Kerkgenootschappen, met betrekking tot de openbare rust en algemeene welvaart, vereischen," en die van 1806 nog strenger: »door het gezag van Koning en Wet wordt bepaald al hetgeen noodzakelijk geoordeeld wordt betreffende de organisatie, de bescherming, en de uitoefening van alle eerediensten."

In 1798 dus volledige vrijheid, aan de Hervormden na ontneming hunner bijzondere voorrechten opgedrongen, aan de anderen gelaten of verleend; in 1801 bedreiging met staatsdwang, om van die vrijheid het door den staat beoogde gebruik te maken; in 1805 en '06 afkondiging eener staatsvoogdij.

Een der doeleinden der regeering van Lodewijk Napoleon was de invoering in Nederland van het Katholiek episcopaat op den Franschen voet. Hij trad al spoedig met zijn minister Mollerus omtrent die zaak in overleg, die hij evenwel behandeld wenschte te zien als onderdeel eener algemeene wetgeving in zake de eerediensten. De aangelegenheid, die heel wat voeten in de aarde bleek te hebben, is niet verder gebracht dan tot het door Tellegen vermelde decreet van 2 Aug. 1808, dat de hervormde predikanten in het genot hunner tractementen handhaaft, doch bepaalt dat ook aan de geestelijken van andere gezindten in het vervolg staatstractement zal worden toegelegd; de kerkelijke goederen en fondsen thans onder publieke beheering, waaruit tot dusver tractementen aan de geestelijken werden betaald, gaan over aan de publieke schatkist; ten aanzien van de kerkgebouwen zullen schikkingen plaats hebben, welke het »meest overeenkomen met de gesteldheid der onderscheidene godsdienstige gezindheden in iedere stad of plaats;" geestelijken kunnen niet benoemd worden tot leden der commissiën van toezicht over het openbaar onderwijs, of van eenig wereldlijk armbestuur.

Met de toepassing van dit een en ander is het tijdens 's Konings regeering niet heel ver meer gekomen. Op de begrootingen van 1809 en 1810 komen inderdaad matige sommen voor ten behoeve van het katholieke en van het luthersche kerkgenootschap[261]; hier en daar is een leegstaand kerkgebouw (als de Sint-Walburg te Arnhem) aan de katholieken ingeruimd; consuleerende commissiën uit de geestelijken der verschillende kerkgenootschappen werden ingesteld om door de regeering bij het ontwerpen der door den Koning aan ieder genootschap te geven organisatie te worden geraadpleegd. De katholieke commissie adviseerde o.a. tot oprichting van staatswege van gymnasia en van een hoogeschool uitsluitend voor katholieke jongelieden bestemd, terwijl de opleiding van aanstaande geestelijken geheel buiten staatsinmenging zou blijven. De opvolgende ministers van eeredienst, Mollerus en van der Capellen, bestreden dit denkbeeld, en laatstgenoemde stelde voor, liever de theologische faculteit aan een der bestaande hoogescholen aan de katholieken in te ruimen, waarbij dan tevens een onder staatstoezicht geplaatst collegium kon worden opgericht voor de hoogere opleiding der aanstaande geestelijken. Deze zaak, die zoo brandend zou worden onder de regeering van Willem I, kwam onder Lodewijk niet tot afdoening; evenmin de in wording zijnde organisatie van het hervormde kerkgenootschap, die later eveneens Willem I zich zou aantrekken.

[261] Vgl. de noot hiervóór, bl. 116.

Al deze inmenging in kerkelijke zaken geschiedde niet zonder eenige bezorgdheid op te wekken, vooral bij hervormden maar ook bij katholieken. Kort na de publicatie van het decreet van 2 Aug. 1808 werd door den predikant te Velzen in bedekte termen 's Hemels straf over den koning ingeroepen; terzelfder tijd verscheen eene »_Brevis disquisitio_ circa constitutionale obedientiae et fidelitatis juramentum regni Hollandici: ik zweer gehoorzaamheid aan de constitutie en getrouwheid aan den Koning", waarin aan het gouvernement de invloed in kerkelijke zaken, waarop het aanspraak maakte, betwist, de gelijke bescherming aan alle godsdiensten verleend als misdadig voorgesteld, en derhalve het afleggen van dezen eed voor katholieken ongeoorloofd genoemd werd. Kleine voorboden van het verzet dat de suprematie welke het staatsgezag zich over de kerk in al haar betrekkingen toegekend had, in de toekomst zou opwekken. Maar de groote meerderheid zag toen in die suprematie volstrekt geen kwaad, en juichte het toe dat de eenige macht die daartoe in staat scheen, orde stellen ging op de sedert 1795 zoo hopeloos in het wilde geloopen kerkelijke zaken.

De Koning verzuimde niet, van tijd tot tijd katholieken in ambten te brengen en daarmede de uitsluiting, die de wet had opgeheven, ook metterdaad te niet te doen. Na eenigen tijd komen katholieken voor in het ministerie, in den staatsraad, in hofbetrekking of bij het kabinet des Konings, in gewestelijke en gemeentelijke bestuursposten ook boven den Moerdijk. Redacteur der _Koninklijke Courant_ werd na eenigen tijd een Jood (J. D. Meyer), referendaris aan het ministerie van eerediensten een andere Jood (C. Asser.) Voor het overgroote deel waren deze benoemingen zoo wel gegrond, dat men er onmogelijk aanstoot aan nemen kon.

De maatschappelijke verheffing der Joden maakte in dezen tijd groote vorderingen. Ook te hunnen aanzien had de Revolutie wel het groote beginsel van gelijkheid uitgesproken,[262] maar was de practijk ver achtergebleven bij de wet. Gedeeltelijk lag dit aan den onwil der Joden zelf, waarvan de meerderheid nog angstvallig aan oude gebruiken vasthield. Het uitverkoren volk mocht niet in de ééne en ondeelbare natie ondergaan. De meer ontwikkelde Joden, die deel verlangden aan het openbare leven, werden aanvankelijk door hunne geloofsgenooten verloochend en uitgestooten. Vooral te Amsterdam was het in de Hoogduitsche synagoge tot groote oneenigheid gekomen; de liberale Joden scheidden zich af en vormden een eigen godsdienstige gemeenschap. Ook in Frankrijk was het vraagstuk van de opneming der Joden in het burgerlijk leven in dezen tijd aan de orde van den dag. Op verlangen van Napoleon kwam te Parijs in December 1806 het Groot Sanhedrin bijeen, gevormd door afgevaardigden van de synagogen in het Fransche keizerrijk en het koninkrijk Italië, en dat ook door drie vertegenwoordigers der liberale Joden te Amsterdam werd bijgewoond. Het Groot Sanhedrin besloot onder meer, dat een Israëliet in Frankrijk of het koninkrijk Italië geboren en opgevoed, godsdienstig verplicht was die rijken als zijn vaderland te beschouwen, ze te helpen verdedigen, en zich in al zijn maatschappelijke betrekkingen naar de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek te gedragen. Tevens werden de geloofsgenooten in andere landen vermaand, zich door dezelfde beginselen te laten leiden en met hunne Christen-medeburgers als broeders te leven. Op uitnoodiging van Koning Lodewijk kwam eerlang tusschen de orthodoxe en de liberale leden der Hoogduitsche synagoge te Amsterdam eene hereeniging tot stand, die door een koninklijk goedgekeurd reglement bevestigd werd. Voorts werd bij een koninklijk besluit van 17 Dec. 1808 een opperbestuur over de gezamenlijke Hoogduitsche Israëlieten van het Koninkrijk ingesteld, waarin de liberale elementen ver de overhand hadden, en dat op velerlei gebied de aansluiting der Joden aan de hen omringende burgermaatschappij krachtig bevorderde.

[262] Decreet der Nationale Vergadering tot inlijving der Joden bij de Bataafsche natie (2 Sept. 1796.)

* * * * *

_De eerediensten onder het Keizerrijk_ (hiervóór, bl. 116). De negende titel van het groote decreet van 18 Oct. 1810 handhaaft den bestaanden toestand. Daarentegen bepaalt een decreet van 29 Oct. 1811: »en 1812 tous les cultes seront organisés en Hollande conformément aux lois de l'Empire". Eene commissie, uit geestelijken van verschillende gezindten bestaande, zal te Amsterdam bijeenkomen onder voorzitterschap van een Keizerlijk commissaris, om de nieuwe organisatie der kerkgenootschappen voor te bereiden en een ontwerp te maken van kerkelijke indeeling. De commissie werd benoemd 24 Jan. 1812; zij bestond uit een katholiek[263], een jansenist[264], twee nederduitsch hervormden[265], een waalsch hervormde[266], een remonstrant[267], twee lutherschen[268] en een doopsgezinde[269]. Keizerlijk commissaris werd de intendant van binnenlandsche zaken d'Alphonse. De Joden liet men er buiten, omdat de Fransche wetten op het Joodsche kerkbestuur reeds in Holland waren afgekondigd en zonder bezwaar bleken te worden toegepast, zoodra men toegegeven had dat de Portugeesche Joden hun eigen synagoge behielden.

[263] Den Amsterdamschen aartspriester Cramer.

[264] Den Amersfoortschen pastoor van Os.

[265] Den oud-minister van eerediensten Mollerus, en den Leidschen hoogleeraar (gewezen predikant) te Water.

[266] Den Haagschen predikant Delprat.

[267] Martinus Stuart, predikant te Amsterdam.

[268] Een uit Holland (Eberbach), en een uit Oost-Friesland (Kniphausen).

[269] Den Amsterdamschen hoogleeraar Koopmans.

Lebrun had de leden uitgezocht en ze zoo meegaand mogelijk genomen; daarom had hij zorg gedragen dat er geen enkel dienstdoend nederduitsch hervormd predikant in kwam: »parmi les ministres réformés hollandais, il n'y en a pas beaucoup avec lesquels ou puisse aisément traiter". Hij wist dat het den Keizer, behalve om de invoering van het Concordaat, vooral om bezuiniging te doen was: de protestanten moesten tot één of ten minste tot weinige genootschappen worden vereenigd onder een centraal bestuur dat geheel van den Staat zou afhangen; hij wist ook, dat het hoogst onstaatkundig zou zijn dit te willen doordrijven. »Les réformés hollandais sont tout hollandais; n'en connaissent que le langage et les moeurs; ils n'ont de communication qu'avec la classe très moyenne de la société, et aucune influence sur le reste. Ils ne voudraient pas être sous la suprématie des wallons: par conséquent, de ce côté, il n'y a que désordre à attendre, et une discorde à laquelle le peuple prendrait part. Le wallon, plus français, se pique d'une éducation plus distinguée, de liaisons plus élevées, d'une façon de vivre et de converser plus élégante: il y a plus de tendance vers notre caractère et nos goûts. Ceux qui se piquent d'esprit et de bien vivre vont à leurs prêches, et à mesure que notre langue se répandra, on ira davantage. Il y a donc politique et avantage à ne pas faire une fusion entière, à laisser les églises séparées, à reconnaître aux uns et aux autres des églises consistoriales".[270] De remonstranten bij de hervormden in te lijven zal den hartstocht der smalle gemeente gaande maken; zij zijn zóó weinig in getal, dat het veel eenvoudiger is hen te laten bestaan: zij zijn voor het gouvernement geheel onschadelijk. Ook de doopsgezinden moet men liever ontzien: »ils ont des principes plus libéraux et plus larges que les calvinistes. Leur nombre va en augmentant, et si on les laisse faire, ils pourront absorber une grande partie du culte protestant." De lutherschen in Holland met die in Oostfriesland (welke Duitsch spreken) onder één bestuur te brengen, zal niet lukken: »l'Ems oriental est mal disposé pour tout ce qui leur vient de la Hollande". Een gedwongen vereeniging der hersteld- met de evangelisch-lutherschen is evenmin raadzaam: »ces gens-là se haïssent cordialement, et je ne crois pas qu'ils se réunissent". Maar de hersteld-lutherschen zijn zóó weinig talrijk, dat zij in het geheel niet van een erkend bestuur behoeven te worden voorzien: »on pourra ne pas reconnaître leur existence". Hetzelfde beveelt Lebrun aan voor de Engelsche en Schotsche gemeenten. Ook voor de Jansenisten: hun bezittingen en seminarie kan men aan de Katholieken geven, hun eenigen bisschop naar Frankrijk verwijderen en op pensioen stellen; »tout le reste serait censé perdu dans le grand troupeau des catholiques, et s'y éteindrait sous la loi du silence. Puisque les jansénistes veulent être des catholiques, il faut qu'ils soient mêlés avec la majorité". Wat de Katholieken zelf betreft, vindt Lebrun het ongeraden, den bisschop of de bisschoppen die Z. M. hun wil geven, in Holland te laten resideeren: »peut-être il en résulterait des inconvéniens. L'évêque de Bois-le-Duc pourrait l'être de la Hollande".[271]

[270] Eene Ȏglise consistoriale" (met een volledige organisatie van predikant[en] en ouderlingen toegeruste kerk) was in Frankrijk slechts toegestaan op elke 6000 hervormden.

[271] Lebrun aan den minister Bigot de Préameneu, 12 en 28 Nov. 1811 (_Ged._ VI, 788 vv.).

Bij de redactie van het decreet van 24 Jan. 1812 was met Lebrun's bezwaren eenigermate rekening gehouden; de keizerlijke commissaris zou, naarmate hij het gewenscht oordeelde, de commissie òf in haar geheel kunnen raadplegen, òf over de zaken van ieder genootschap in het bijzonder slechts de leden die tot dat genootschap behoorden. D'Alphonse verkoos het laatste, en liet aan den ambtenaar J. D. Janssen, gewezen chef van divisie bij het Hollandsche ministerie van eerediensten, het beraad met de afzonderlijke leden geheel over.--Cramer verlangde voor de katholieken bisdommen te Utrecht en Groningen en overdracht van verschillende kerkgebouwen[272].--Van Os, voor het handjevol Jansenisten, kwam met onmogelijke eischen: herstel van alle bisdommen van 1559 (Utrecht (aartsbisdom), Haarlem, Leeuwarden, Groningen, Deventer, Middelburg); de aartsbisschop en bisschoppen door de kapittels te kiezen. Zijn stuk werd zonder meer ter zijde gelegd.--De Remonstranten, Doopsgezinden, Lutherschen, verzochten behoud hunner zelfstandigheid; evenzoo de Waalsch-Hervormden het behoud eener afzonderlijke positie in het Hervormde Kerkgenootschap.--De Nederduitsch-Hervormden deden een poging aan de strenge bepalingen der kerkorde, door den Keizer aan hunne geloofsgenooten in Frankrijk verleend, te ontkomen. Zij verzochten voor Holland één consistoriale kerk per kanton, mits dit kanton 3000 of meer Hervormden telde; er zouden dan toch nog 300 predikantsplaatsen komen te vervallen. Verder verzochten zij verzekering der bestaande tractementen, en behoud van de bestaande inrichting der diaconieën.

[272] B. v. te Amsterdam de Nieuwe Kerk, Noorderkerk en Oudezijdskapel; te Utrecht den Dom of de Buurkerk; te Groningen de Akademiekerk (als voor de Hervormden van geen nut meer, sedert na de inlijving der hoogeschool bij de Fransche Universiteit het ambt van akademieprediker was vervallen).--Dit laatste gebouw is inderdaad aan de katholieken ingeruimd.

D'Alphonse hield in zijn rapport met de geopperde wenschen rekening. Hij achtte één Katholiek bisdom (te Utrecht) voldoende; de meeste eischen der katholieken ten opzichte der kerkgebouwen werden afgewezen. De denkbeelden van het Hervormde rapport nam hij grootendeels over. De tractementen stelde hij voor te bepalen op een som, de in Frankrijk geldende bedragen met 1/5 te boven gaande; de pastoralia zouden op een hoop worden geworpen en daaruit alle tractementen worden voldaan; voor zoover zij daartoe niet toereikend waren zou de Staat de middelen moeten aanwijzen.