De Wedergeboorte van Nederland
Part 14
Was daarmede het onderscheid der geboorte verdwenen? Niemand zal dit verwachten. Onder gewone omstandigheden zouden zij, die tot dusver boven de anderen hadden uitgeblonken, zij in wier handen de regeering was, ook, voor zoover bruikbaar, deel aan het staatsbestuur hebben blijven nemen; nu kwam er echter eene bijzondere omstandigheid bij, die dit belette. De voorstanders van het oude regeeringstelsel werden uitgesloten door den val van dat stelsel; zij konden, wat van iederen staatsburger geeischt werd, niet _verklaren_ hunnen onveranderlijken afkeer van het _stadhouderlijk bestuur_, het _foederalismus_ en de _aristocratie_ (art. 11 der Staatsregeling van 1798). Daardoor is het ook wellicht gekomen, dat in 't laatst der vorige eeuw het aanbod van ambten de vraag schijnt overtroffen te hebben, zoodat men genoodzaakt was de straf van verbanning voor 5 jaren te bedreigen tegen hen, die, bijaldien 's lands welzijn de aanneming mocht vorderen, een ambt zonder voldoende redenen meenden te moeten weigeren[252]. Een toestand, die echter niet lang duurde. Na de invoering der grondwet van 1801, na die van de grondwet van 1805 en vooral na den dood van Willem V en de troonsbeklimming van koning Lodewijk in 1806, hadden velen van de oude edelen, velen uit de patricische geslachten, zich verzoend met het bestaande regeeringstelsel en waren zij naast de mannen van 1795 weder in de regeering gekomen. Ja, viel hun niet spoedig het leeuwendeel te beurt? Hierbij bleef men echter niet staan. De adel, als instelling, werd hersteld bij de wet van 22 April 1809. Zooals koning Lodewijk later zei, deed hij dit ter belooning van den ouden adel, die hem over het algemeen met getrouwheid diende. De werking dezer wet was echter van korten duur. Zij moest den 18den Februari 1810 reeds worden ingetrokken, ter voldoening aan den eisch van Napoleon, die, evenals in de hollandsche maarschalken, daarin waarschijnlijk zag een caricatuur van de keizerlijke instellingen[253]. Want ook in Frankrijk was de adel herleefd. Niet alleen adellijke titels voor het leven, maar ook met een erfelijk karakter, mits verbonden met een majoraat, werden door den keizer erkend. En zoo verrezen ook hier te lande de _Comtes et Barons de l'Empire_. Men was dus bij ons op den smaak gekomen der uit de wet voortvloeiende onderscheidingen. Niet alleen ridderorden ter belooning van persoonlijke verdiensten bracht ons de heerschappij van Lodewijk en van den keizer, maar ook de wettelijke onderscheiding der geslachten kwam terug. Bij dit alles dient echter éene zaak niet vergeten te worden: de voorrechten, aan het onderscheid van geboorte verbonden, herleefden niet--het revolutionnaire beginsel van gelijkheid bleef ook onder de Napoleons in de hoofdzaak gehuldigd.
[252] Decreet van 19 Jan. 1799. Zie ook art. 14 der staatsregeling van 1798 en art. 8 van het daarbij behoorende reglement B, benevens art. 5 van het reglement C.
[253] _Geschiedkundige Gedenkstukken_, III, 38, 178.
Toen nu met de herwinning onzer onafhankelijkheid de monarchie in het huis van Oranje werd gevestigd, scheen het als van zelf te spreken, dat er daarnevens of daaronder ook een bij de grondwet erkende adel zou zijn. De overhelling tot het oude, de antecedenten onder Lodewijk en den keizer, het besef, dat de adel niet alleen als stoffagie voor het hof, maar ook als steun der monarchie noodzakelijk was, dit alles leidde er toe, dat daarover in den boezem der commissie geen verschil van gevoelen bestond. Evenals andere souvereinen zoude ook de souvereine vorst zijn de bron van eer, niet alleen door het verleenen van orden tot belooning van persoonlijke verdiensten, maar bovendien door het recht om in den adelstand te verheffen. Zelfs een man als van Maanen, die, in tegenstelling met bijna alle leden der commissie, voor zich zelf dit voorrecht nooit schijnt te hebben begeerd, had hierin geen bezwaar. Maar over de strekking, den omvang, de werking dezer instelling bestond wel verschil van gevoelen. Wat was oorspronkelijk het denkbeeld van Hogendorp? »De edelen," zeide hij[254], »willen zij in de ridderschap beschreven worden, moeten eene heerlijkheid bezitten; zij zullen er eene, die in de familie is, op hunnen naam krijgen, of er eene koopen, en zoo doende zal het platte land allengskens van zelf wederom zijne natuurlijke hoofden krijgen". In den adel zag dus Hogendorp het hoofd van het platte land; voerden die denkbeelden van de eene zijde terug tot het oude regime, zoo zoude van de andere zijde de bij de wet erkende adel ook op sociale feiten en niet alleen op het papier berusten, en zoude hiervan een noodwendig gevolg zijn, dat bij het verleenen dezer erfelijke onderscheiding eene zekere soberheid zoude moeten worden in acht genomen. De schets sprak in art. 15 dan ook alleen van graven, burggraven of baronnen, met recht van vererving alleen op den oudsten mannelijken nakomeling, het laatste een uitvloeisel van het gronddenkbeeld: vereeniging van adeldom en heerlijkheid. Dergelijke herstelling van het oude regime werd noch door de meerderheid der commissie, noch door de grondwet beoogd. De souvereine vorst zoude verheffen in den adelstand. Over de titels en de erfelijkheid werd gezwegen--en dit werden dus punten, die aan den souvereinen vorst werden overgelaten. Aan dien adel zoude geen ander politiek voorrecht worden toegekend dan de deelneming in de ridderschap; die ridderschap zoude geen ander recht meer hebben dan het recht om een gedeelte van de leden der provinciale staten te kiezen, terwijl den adel bovendien eenig uitzicht werd geopend op een evenredig aandeel onder het getal der leden van de Staten-Generaal (art. 58 der grondwet), een uitzicht, dat niet is verwezenlijkt. Maar van een herstelling der heerlijkheden in den zin van Hogendorp, zoodat de adel zoude worden het hoofd van het platte land, was, zooals wij straks zien zullen, geen sprake. In de hoofdzaak werd dus door dezen adel het beginsel der gelijkheid inderdaad niet omvergeworpen. Niet alleen de eigenlijke edelen van de republiek, de friesche edelen, de groninger jonkers, de Roomsch-katholieke adellijke familiën door de revolutie van de 16de eeuw van het aandeel in het bestuur beroofd, niet alleen de vertegenwoordigers der patricische familiën van voorheen werden dit voorrecht deelachtig Ook vreemde adel opende den toegang tot dezen stand. Ja zelfs kinderen der revolutie, mits, zooals Schimmelpenninck, niet al te zeer gecompromitteerd, werden daarin opgenomen. De grondwet verdeelde dus de ingezetenen in wettelijk voorname en niet voorname leden der maatschappij.
[254] _Ontstaan_ I, 59.
Voor zoover die gouden regen nederdaalde op de leden der geslachten, die reeds van oudsher in de nederlandsche maatschappij uitstaken, was het niets anders dan door de wet te versterken, wat inderdaad reeds bestond. Maar die gunst daalde ook op anderen neer, die hunne voornaamheid dan uit de wettelijke onderscheiding zelve afleidden. Kan het staatsgezag dus de natuur vervangen? Wanneer men de geschiedenis van ons vaderland sedert 1813 beschouwt, dan kan moeilijk worden ontkend, dat het machtwoord der vorsten in staat is den onderdaan en zijne nakomelingen eene hoogere plaats in de samenleving te verzekeren, ook zonder dat verdiensten jegens het vaderland daarvoor een vereischte zijn.
Uit het oogpunt van den invloed der grondwet op de maatschappij wensch ik nog de aandacht te vestigen op een derde onderscheid, dat zal blijven bestaan, zoolang de koopman zijne pakhuizen niet opricht in het veld en de landman geen graan verbouwt op de marktpleinen. Wat was de positie, die de grondwet innam tegenover het onderscheid van stad en land?
Het onderscheid van stad en land. Wie schetst ons uit dit oogpunt den toestand van de republiek der Vereenigde Nederlanden? Wie stelt in 't licht wat Tocqueville voor Frankrijk gedaan heeft, hoeveel de landbevolking aan de revolutie te danken heeft? Want dat, al zij het dan niet in die mate als in Frankrijk, ook bij ons de revolutie voor die bevolking veel goeds heeft gewrocht, valt mijns inziens niet te ontkennen. De stad, het stedelijk element was overheerschend in de republiek. Het landvolk zuchtte onder de heerschappij der heeren en waar, zoo als in Groningen, er geene heeren--in den zin van bezitters van heerlijkheden--bestonden, daar was toch langs een omweg door de afscheiding der bestuursrechten van den grond en de samenvoeging er van in enkele handen dezelfde, zoo niet een ergere toestand in 't leven geroepen. Het bestuur en de rechtspraak te platten lande waren onder de republiek bijna overal een recht _in commercio_. Was de toestand er door verbeterd, dat vele dier heerlijkheden in 't bezit waren gekomen der welvarende steden en alzoo het platte land niet zelden opgeofferd werd aan hare bekrompene zelfzuchtige politiek? Ik gis van neen. De staatsregeling van 1798 (art. 24 Inleiding) had de pen gehaald door de heerlijke rechten--en zij waren sedert niet herleefd. Niet dat de belanghebbenden berust hadden in het beginsel van den nieuweren tijd, volgens hetwelk het gezag van den een over den ander alleen mag gegrond zijn in het belang van den laatste, en rechten van bestuur diensvolgens geen privaatrecht kunnen zijn. Immers even vóor de troonsbeklimming van Lodewijk--ja, nadat deze eigenlijk te Parijs reeds de regeering had aanvaard, had het wetgevend lichaam den 9den Juni 1806 eene wet uitgevaardigd, waarbij de heerlijke rechten voor een groot deel werden hersteld. Doch de overgang der regeering op koning Lodewijk en daarna de inlijving van ons vaderland bij Frankrijk deden de gunstige bepalingen dezer wet voor de heeren verloren gaan. De revolutie, en--het moge hard zijn dit te erkennen--de Fransche heerschappij hebben te weeg gebracht de emancipatie der plattelandsbevolking van den druk der heeren en der steden. Zoude die vrucht der revolutie blijven bewaard of zoude Neêrlands vrijheid voor die bevolking worden het sein tot hernieuwde onderdrukking? Het kan, helaas! niet worden geloochend, dat niet alleen een man als van Lynden, maar ook Hogendorp zich in die richting bewoog. Voor hem waren de steden de bron van den rijkdom en was de adel de grondslag van den militairen geest, en voor die beide alleen had hij oog[255]. Immers zouden--zooals het ook in de grondwet (art. 79) bepaald werd--de steden haren eigene regeering erlangen, een uitvloeisel van het door de ingezetenen te vormen kiezerscollegie (art. 40 der schets). En naast die steden stonden de adel en de ridderschappen, (art. 40 der schets.) De ambachtsheerlijkheden zouden worden hersteld (art. 45) en zoo zoude en in het bestuur en in de rechtspraak de adel herleven als hoofd van het platte land. Na overweging en nog eens herhaalde overweging kwam men echter tot het resultaat, dat, wat Hogendorp wilde, niet in te voeren was; dat het niet aanging het platte land geheel en al als een stiefkind te behandelen. Er waren slechts enkelen, die ten slotte het denkbeeld volhielden de gewestelijke vertegenwoordiging uit stad en adel alleen te doen samenstellen. Men wees niet alleen op de geheel veranderde omstandigheden, maar tevens daarop, dat vóor de revolutie niet overal de plattelandsbevolking was uitgesloten. Men wees op Friesland. Ja, men herinnerde aan stad en lande, waar geen adel deel aan het bestuur had gehad. De groote meerderheid was dan ook van oordeel, dat het platte land moest worden vertegenwoordigd. En wanneer men desniettegenstaande met 7 tegen 6 stemmen er voor terugdeinsde de bestanddeelen der provinciale Staten uitdrukkelijk in de grondwet op te nemen, dan was het, omdat men tegen de formuleering van deze zaak opzag; wellicht was een enkele er ook tegen, omdat hij in de grondwet aan den adel niet overal een aandeel in de vertegenwoordiging wenschte te zien toegekend. De slotsom was, dat de regeling van dit punt bij art. 74 der grondwet aan den souvereinen vorst werd overgelaten. Z. K. H. werd echter met de zienswijze der commissie in kennis gesteld[256]. Overeenkomstig hetgeen de meerderheid der commissie wenschte, kon dan ook van Maanen in zijn rede over de grondwet namens den souvereinen vorst aan de notabelen mededeelen, dat naast adel en stad ook de landeigenaren in de Staten zouden worden vertegenwoordigd[257]. En evenmin was de regeling van de besturen ten platten lande een terugkeer tot het oude. De rechtspraak moest blijven wat zij na en door de revolutie geworden was, in alle opzichten een publiek recht, een uitvloeisel van het hoofd van den Staat, van den souverein. En wat het eigenlijke bestuur in engeren zin betreft, de grondwet gaf in art. 81 wel te kennen dat op het verkregen recht der belanghebbenden zoude worde gelet, doch bovendien èn op de bijzondere omstandigheden der heerlijkheden, districten en dorpen, èn op de belangen der ingezetenen; alles ten slotte afhankelijk van de latere regeling door de staten der gewesten te ontwerpen en door den souvereinen vorst te bekrachtigen.
[255] _Ontstaan_ I, 241-'42.
[256] _Ontstaan_ I, 413, 419, 420.
[257] Metelerkamp, 123. D'Ablaing van Giessenburg (_De Ridderschappen in het Koningrijk der Nederlanden van 1814-1850_, den Haag, 1875, blz. 3) vergist zich dus, als hij beweert, dat de derde stand, die der landeigenaren, tegen den oorspronkelijken zin der Grondwet binnengesmokkeld zou zijn.
Men keerde dus slechts ten deele terug tot den ouden toestand. Toch kan men niet ontkennen, dat van allen de plattelandsbevolking de minste redenen van dankbaarheid had voor de herstelling van 's lands onafhankelijkheid, die tot eene zekere hoogte gepaard ging met hare achteruitzetting. Het had erger kunnen zijn; het was toch reeds erg genoeg. En alsof de belanghebbenden vreesden, dat zij op de invoering der grondwet te lang zouden moeten wachten, of dat, hoe meer men tot bezinning kwam, er minder kans op herstel hunner privilegiën zoude zijn,--zij wisten den souvereinen vorst te verleiden, bij besluit van 26 Maart 1814 de heerlijke rechten voor een deel weder te doen herleven. Een besluit, waarbij, in strijd met het beginsel van de vrijheid van den grond, het recht van jacht en visscherij hersteld werd; waarbij, in strijd met de vrijheid van godsdienst, het recht van collatie weder werd in 't leven geroepen: waarbij eindelijk, in strijd met het beginsel dat niemand gezag over een ander mag uitoefenen, dan in 't belang van dezen, de voordracht voor aanzienlijker en de begeving van geringer betrekkingen weder aan de voormalige heeren teruggegeven werd. Wanneer men bedenkt, dat dit besluit door den souvereinen vorst genomen werd in de laatste ure der door den nood van het oogenblik hem opgedragen onbeperkte macht, zoodat het zelfs eerst na de aanneming der grondwet werd afgekondigd, dan gelooven wij niet te overdrijven, wanneer wij dit besluit eene zwarte bladzijde noemen in de geschiedenis van dien vorst, en dan bevreemdt het ons, dat die zaak in die dagen geen aanstoot heeft gegeven; althans schijnt daarvan niets bekend te zijn geworden. Eerst in 1848 konden de bepalingen van dit besluit voor zoover tot het bestuur betrekkelijk weder worden opgeheven; voor het overige wordt het platte land nog door den inhoud van het besluit gedrukt.
Ik besprak den godsdienst, den adel, het platte land. Behoudens eenige door mij aangestipte punten, was men niet teruggekeerd tot den ouden tijd. Ik kan dus ook zwijgen over de Generaliteitslanden. De beslissing over den godsdienst en over het platte land moest van zelf leiden tot de gelijkstelling van de Generaliteitslanden met de overige deelen des Rijks.
De revolutie had dus niet te vergeefs gewerkt.
Wanneer wij naar de verklaring van dit feit zoeken, dan komt ons allereerst de opmerking voor den geest: niet alles is mogelijk wat men zoude wenschen. Ook zij, die de vergaderzaal der commissie als blinde voorstanders eener restauratie waren binnengetreden, zullen die niet hebben verlaten zonder de overtuiging te hebben gekregen, dat in de vervlogen achttien jaren veel te niet was gegaan, wat reeds in 1795 op sterven lag en wat onmogelijk weder kon worden hersteld. Hoe zoude een adel, die door zijne bezittingen het hoofd was van het platte land, kunnen worden geschapen? Maar bovendien waren de leden der commissie, die de geschiedenis van dit tijdvak slechts als toeschouwers hadden doorleefd, niet de meerderheid. Heerdt, van Lynden, van Tuyll van Serooskerken, van der Duyn behoorden daartoe. Ook Hogendorp. Doch deze had toch met zijnen geest de ontwikkeling der gebeurtenissen nauwkeurig gevolgd,--het zoude voor koning Lodewijk zelfs weinig moeite gekost hebben, hem deel te hebben doen nemen aan het bestuur; hij was bovendien te scherpzinnig, om door de beraadslagingen der commissie niet te worden overtuigd, dat veel van het oude, veel van hetgeen ook hij oorspronkelijk nog wilde, moest worden opgeofferd aan de denkbeelden en omstandigheden van den nieuweren tijd. En naast die leden stonden Humalda, van Imhoff, Repelaer, Röell, Elout, die, hoewel niet als Heerkens en van Maanen kinderen der revolutie, toch den lande in dat tijdvak in hoogere en lagere staatsbetrekkingen hadden gediend en de waarde van de nieuwe beginselen van staatsbestuur zoo al niet hadden leeren inzien, althans daaraan waren gewoon geraakt. Vooral zij, die in 1795 op jeugdigen leeftijd waren--zooals Elout, Röell, van Imhoff, van der Duyn, moesten reeds van den aanvang af van het onmogelijke eener volledige restauratie doordrongen zijn.
Bij dit alles kwam het belang van den souvereinen vorst. Eene herstelling van het oude was, met het oog op zijn lievelingsdenkbeeld, te heerschen over noord en zuid, eene ongerijmdheid. Op het stuk van den godsdienst was dit duidelijk, en dat hij dit aldus inzag, is zeker. Maar ook afgezien van de vereeniging met België, zoude eene herstelling der oude aristocratie met hare heerschappij te platten lande, even als eene restauratie der stedelijke oligarchie, voor hem zijn geweest eene bron van voortdurende tegenkanting en belemmering. Hoewel ik alleen van dezen invloed van den souvereinen vorst op het stuk van den godsdienst het bewijs kan leveren, zoo laat het zich aannemen, dat hij ook op andere punten in den geest der nieuwe beginselen op de leden der commissie heeft gewerkt. Hij was verstandig genoeg, om in te zien dat--nu hij eens souverein was--het voor hem een groot voordeel moest zijn, dat er tusschen zijne onderdanen gelijkheid van rechten bestond, zoodat hij met een krachtige hand, door geene aristocratie of oligarchie gedwarsboomd, over hen kon regeeren.
En dit brengt ons als van zelf tot de beschouwing van den regeeringsvorm der weder opgestane Nederlanden; de hoofdtrekken daarvan moesten worden opgenomen in de grondwet.
* * * * *
_De blijde boodschap_ (hiervóór, bl. 115). De scheiding tusschen Kerk en Staat was uitgesproken bij decreet der eerste Nationale Vergadering van 5 Aug. 1796. Deze gewichtige uitspraak werd eerst langzamerhand in hare gevolgen gekend.
De staatsregeling van 1798 bevat, als poging tot belichaming, het volgende. »Elk burger heeft de vrijheid, God te dienen naar de overtuiging van zijn hart" (art. 19). »Geene burgerlijke voordeelen, of nadeelen, zijn aan de belijdenis van eenig kerkelijk leerstelsel gehecht" (art. 20). »Elk Kerkgenootschap zorgt voor het onderhoud van zijnen eeredienst, deszelfs bedienaren en gestichten" (art. 21). Bij de additioneele artikelen werd bepaald, dat de predikanten der voormaals heerschende Kerk gedurende drie jaren na de aanneming der staatsregeling de gewone tractementen uit 's lands kas zouden blijven genieten, »ten einde de gemeenten in dien tusschentijd de noodige schikkingen maken tot derzelver verdere bezoldiging" (art. 1); dat alle geestelijke goederen en fondsen, waaruit te voren die tractementen waren betaald[258], nationaal werden verklaard, om na verloop van die drie jaren te worden aangelegd »tot een vast fonds voor de nationale opvoeding, en tot verzorging der behoeftigen" (art. 4); dat alle andere goederen, bij gift, erflating, inzameling of aankoop door eenig kerkgenootschap verkregen, aan hetzelve bleven verzekerd (art. 5); dat de kerkgebouwen en pastorieën der voormaals heerschende Kerk ter beschikking werden gesteld van ieder plaatselijk bewind, om deswege binnen de zes maanden na de aanneming der staatsregeling een vergelijk te treffen op dezen voet, dat de onderscheiden kerkgenootschappen, naar verhouding van het aantal harer leden, de voorkeur zouden hebben omtrent de naasting der gebouwen, onder verplichting van een matige uitkeering, in eens of bij termijnen, aan de andere kerkgemeenten (art. 6).
[258] En die sedert de Hervorming in beheer waren bij den Staat. Zie voor een kort overzicht van den rechtstoestand dier goederen Buys' _Grondwet_ II, 523 vv.