De Wedergeboorte van Nederland
Part 13
of op de 10,000 zielen: Protestanten 1,544,888 5,911 Katholieken 1,019,108 3,899 Israëlieten 46,397 178 Onbekend 3,094 12 ---------- ------- 2,613,487 10,000
[235] In de door Röell voorgestelde redactie betrekkelijk dit onderwerp had deze in plaats van: _godsdiensten_, wat in Hogendorp's schets voorkwam, het woord _kerkgenootschappen_ gebruikt. »Dan", zeide hij, »zijn er de Joden niet in en niet uit;--zij sustineeren eene natie, niet kerkgenootschap te zijn". (_Ontstaan_ I, 277; vgl. aldaar, 273).
Dit alles toch was verkondigd in de blijde boodschap van de eerste staatsregeling der Bataafsche Republiek, de staatsregeling van 1798. (Inleiding, art. 19-20.) Wat was daarvan teruggenomen, wat was werkelijkheid geworden in de pijnlijke jaren van 1798-1813? Teruggenomen was, of wil men liever eene doode letter was gebleven het beginsel, dat de godsdienstvrijheid een individueel recht was. Men verviel spoedig weder in de begripsverwarring, waardoor godsdienstvrijheid en vrijheid der kerkgenootschappen als synoniem beschouwd worden, en waarbij men vergeet, dat de vrijheid der laatste kan uitloopen, niet zelden uitloopt op godsdienstigen dwang. Immers in de volgende staatsregelingen wordt niet meer de klemtoon op het individu, maar integendeel op de kerkgenootschappen gelegd; ja de staatsregeling van 1801 (art. 12) schrijft zelfs voor, dat een ieder verplicht is, zich bij een of ander kerkgenootschap te laten inschrijven. En al mocht ook deze laatste bepaling in de constitutie van 1805 en 1806 niet worden overgenomen, ook deze staatsregelingen huldigen de bescherming der _kerkgenootschappen_, niet die der _individu's_ (1805, art. 4, 1806, art. 6). Evenmin vinden wij uitvoering gegeven aan de met het beginsel der individueele godsdienstvrijheid zoo nauw verbonden bepaling, dat de Staat niet voor het onderhoud van de godsdiensten behoort te zorgen. Immers eerst volgens de additioneele artikelen der staatsregeling van 1798, later volgens art. 14 der grondwet van 1801, bleven de politieke kassen voorloopig belast met de uitbetaling der tractementen van de leeraren der voormalige Hervormde kerk. Iets wat echter niet meer als een tijdelijke maatregel kon beschouwd worden, toen koning Lodewijk bij het organiek decreet van 2 Augustus 1808 niet alleen aan die predikanten het behoud hunner tractementen verzekerde, maar tevens, naarmate de financiën het toelieten, ook aan de geestelijken der andere gezindheden bezoldiging van staatswege beloofde. Moge nu al de volledige toepassing van deze regeling onder koning Lodewijk met geldgebrek te kampen hebben gehad[236]; mocht er na de inlijving weinig of niet zijn uitbetaald; het beginsel om de eerediensten van staatswege te ondersteunen, bleef ook onder het Keizerrijk gehuldigd (decreet van 18 October 1810, art. 206-207). Wanneer men dit overweegt, dan is de slotsom deze, dat althans de staatskerk vernietigd bleef, en in de hoofdzaak de gelijkheid tusschen de kerkgenootschappen werd gehandhaafd. Trouwens sloot de heerschappij der Napoleons uit den aard der zaak eene herleving der Hervormde kerk als staatskerk uit. Met behoud van de gelijkheid der kerkgenootschappen, was dan de godsdienst in 't algemeen een voorwerp van staatszorg geworden, iets, dat in harmonie was ook met het regeeringsstelsel van Napoleon, die aan de eene zijde de bedienaren van den godsdienst om hunne aanmatiging vreesde, aan de andere zijde ze beschouwde als werktuigen, bruikbaar om het volk te kneden en met een geest van onderwerping te doordringen. Zoo vond de souvereine vorst den toestand. Geene heerschende kerk meer, maar alle kerkgenootschappen onderworpen aan--gesteund door--ja organen van het staatsgezag.
[236] Op de begrooting van 1809 komt voor de Eerediensten voor eene somvan f 1,098,440 (Lod. Nap. _Gedenkschriften_, II, blz. 333). In de door Napoleon na de inlijving bijeengeroepen commissie van eenige Nederlanders wordt de som, in den laatsten tijd voor dit onderwerp jaarlijks besteed, opgegeven te hebben bedragen f 1,127,638, aldus verdeeld: Hervormden f 1,041,788, R.-Katholieken (met Jansenisten) f 76,274, Lutherschen f 9,226, Mennonieten f 350 (_Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis_ van R. Fruin, 2e reeks IX, blz. 109).
Wat zoude de toekomst baren? Welke regeling van staat en godsdienst zoude uit de werkplaats der commissie te voorschijn komen? Hoe zoude de grondwet het onderwerp regelen? Zoude men in haar kunnen lezen, dat de Nederlandsche natie bestond uit Hervormden en andere Protestanten, uit Roomsch-katholieken, uit Joden? Zoude zij meer voorliefde koesteren voor den een dan voor den ander, en zoude de Hervormde kerk weder op den kandelaar worden gezet? Zij, die dit laatste wenschten, konden daarvoor hunne hoop vestigen op de opdracht der souvereiniteit aan het huis van Oranje, dat huis, zoo nauw met de oude staatskerk verbonden. Zij konden grond voor die verwachting putten uit de omstandigheid, dat de grondwet-commissie met éene uitzondering uit leden der hervormde kerk bestond. En wanneer zij bekend mochten zijn met de gevoelens van Hogendorp, zooals hij die in 1799 nog aankleefde, konden zij weten, dat hij toen in zooverre slechts tot de beginselen van gelijkheid bekeerd was, van voor alle christelijke gezindheden den toegang te willen openen tot in de steden op te richten kiezercollegiën, terwijl hij voor het overige den ouden toestand hersteld wilde zien[237]. Ja in 1802 wenschte Hogendorp nog herstel der publieke kerk[238]. Scheen dit alles niet te wijzen op de waarschijnlijkheid eener restauratie, en dit te meer, nu de revolutie in minachting was geraakt en er hier te lande even als elders eene overhelling tot herstel van het oude bestond?
[237] _Br. en Ged._ III, 175, 182.
[238] In de door hem den 8sten Februari 1802 opgestelde _voorwaarden der nationale vereeniging_, waar men leest: »Het is in den aard der zaak gelegen, dat de oude publieke kerk onder ons hersteld worde, maar met alle mogelijke verdraagzaamheid voor alle andere gezindheden. Ondergeschikte ambten en bedieningen, als de militaire ambten, moeten zelfs voor alle gezindheden openstaan" (_Br. en Ged._ III, 208).
Toch was de uitkomst eene andere, dan men naar het voorgaande zoude hebben kunnen verwachten. Het valt niet te ontkennen, dat er in de commissie weinigen waren, die de pen wenschen te halen door al hetgeen sedert de revolutie in dit opzicht was tot stand gekomen. Wellicht kon dit alleen gezegd worden van den zeventigjarigen van Lynden van Blitterswijk, die uit de hoogte nederziende op Mennisten, Remonstranten, Lutherschen en Joden, en vreezende voor het vervolgzieke karakter der Roomsch-katholieke kerk, het veiliger vond van bij de oude constitutie op het stuk van godsdienst te blijven[239]. Zelfs Hogendorp was, zooals wij zien zullen, hiervan verre verwijderd. Wanneer men het zevende hoofdstuk der schets (art. 60-61) leest, dan wenschte hij alle godsdiensten in den lande te beschermen, dan werd aan den christelijk-hervormden godsdienst alleen in zooverre een privilegie toegekend, dat haar onderhoud als van ouds tot last bleef van het gemeene land. Maar ook de Roomsch-katholieke godsdienst zoude worden ondersteund in die provincie of provinciën, waar die godsdienst de meerderheid had. In de commissie zelve wilde men echter nog verder gaan en ook aan de andere gezindten uitzicht op financieele ondersteuning geven. Over deze en andere vraagpunten betrekkelijk den godsdienst ontstond eene lange discussie, die den 21sten Januari 1814 aangevangen, den 1sten, 2den en 3den Februari voortgezet, eerst den 1sten Maart 1814 door het machtwoord van den souvereinen vorst tot eene eindbeslissing kwam. Er waren, behalve de vraag der financieele ondersteuning, _twee_ punten die vooral aanleiding tot discussie gaven, en waarover tot tweemaal (2 en 3 Februari) de stemmen staakten. Het eene of de grondwet uitdrukkelijk aan de belijders der onderscheidene gezindheden het recht, om aan de regeering deel te nemen, zou toekennen. Hogendorp die volgens zijne _Aanmerkingen_ op de schets[240] thans voor dit beginsel was, vond echter de uitdrukkelijke vermelding, daar het zulk een teer punt gold, niet wenschelijk, en tevens onnoodig. Immers zoo niemand uitgesloten werd, waren allen toegelaten[241]. Met hem gingen zes leden der commissie, hetzij, zooals van Imhoff, op de door hem aangevoerde gronden, hetzij, zooals waarschijnlijk van Lynden, om nog een deur open te laten voor de herstelling der staatskerk. De andere helft der commissie--waaronder vooral van Maanen, Röell, Elout en Heerkens op den voorgrond traden--vond daarentegen uitdrukkelijke huldiging van dit beginsel wenschelijk en noodzakelijk[242]. Het andere punt van verschil ontstond door een voorstel van Aylva, die in de grondwet wenschte opgenomen te zien de bepaling dat de hervormde godsdienst die was van den souvereinen vorst. Ook hierover staakten tot tweemalen toe de stemmen[243]. Die voor het eerste punt zich verklaard hadden, verklaarden zich hiertegen, behalve dat, terwijl van Zuylen en Humalda beide keeren voor stemden, Hogendorp en met hem van Imhoff zich ook tegen dit tweede punt verklaarden. Dat de souvereine vorst den hervormden godsdienst beleed, was, meende Hogendorp, een gevolg van de gebeurtenissen der 2-1/2 laatste eeuwen: dit behoefde niet uitdrukkelijk te worden vermeld--en waarom dan, zoo dacht hij waarschijnlijk, niet liever over zulk een teeder punt het stilzwijgen bewaard? Bij dien uitslag bleef er niet veel anders over, dan het gevoelen van den souvereinen vorst over dit onderwerp en bepaaldelijk over die beide punten in te winnen. Toen dan den 28sten Februari en den 1sten Maart de eindredactie der grondwet in behandeling was genomen en van Maanen den 1sten Maart er weder op aandrong, de deelneming van allen aan de regeering grondwettig te verzekeren, deelde Hogendorp mede, dat Z. H. dit ook begeerde, mitsgaders dat uitgedrukt werd, dat de souvereine vorst van den hervormden godsdienst was. En daartoe werd dan ook geconcludeerd. Dus werd in het voornaamste der beide punten datgene behouden, wat sedert de revolutie was ingevoerd: de gelijkstelling van de leden der onderscheidene kerkgenootschappen. De definitieve regeling der financieele ondersteuning bewoog zich nog meer in de richting der gelijkheid dan Hogendorp en zelfs de commissie oorspronkelijk gewild had. Terwijl beide slechts aan de Roomsch-katholieken, daar waar zij de meerderheid hadden, ondersteuning hadden toegezegd--de commissie ook nog andere gezindten eenig uitzicht daarop had geopend--werd in de grondwet zelve met behoud van het financieel privilegie der hervormde kerk, aan alle andere gezindten het behoud verzekerd van hetgeen zij tot dusver hadden genoten, en tevens het uitzicht op meerdere ondersteuning aan deze en ook aan andere gezindten geopend. Had ook hier de invloed van den souvereinen vorst gewerkt? Het is waarschijnlijk, zoowel omdat hij, nog voordat dit onderwerp bij de commissie ter tafel kwam, reeds bij besluit van 19 Januari 1814[244] de beginselen in de regeling van koning Lodewijk vervat voorloopig had bekrachtigd, als omdat uit de beraadslagingen der commissie van die veranderde zienswijze niets blijkt, en het dus aan te nemen is, dat eerst de commissie van redactie onder ruggespraak ook met den souvereinen vorst deze wijziging in de grondwet heeft gebracht. Wanneer wij na dit alles de vraag doen, in hoeverre voor het overige de beginselen der 18de eeuw werden gehandhaafd of gehuldigd, dan vindt men--wat trouwens te verwachten was--wel eene erkenning der kerkgenootschappen, geenszins eene huldiging van de godsdienstvrijheid van den mensch. Wat in den revolutietijd eene doode letter was gebleven, kon in de dagen der restauratie niet in 't leven treden. Hiermede stond in verband de bescherming van de kerkgenootschappen, die _bestonden_. Hogendorp had in zijne schets die beperking niet opgenomen. Maar op de aanmerking van Aylva, dat het te ver zou gaan, ook nieuwe secten te beschermen, antwoordde Hogendorp, dat hij dit ook geenszins bedoeld had. En zoo werd er in art. 134 der grondwet van _bestaande_ kerkgenootschappen gesproken, niet van _erkende_, zooals door Röell was voorgesteld. Dit woord vond geen genade in de oogen van den man, die van al de leden op dit punt het meest een kind van zijn tijd schijnt geweest te zijn: van Maanen. Hij vreesde dat het vrijzinnig genootschap _Christo Sacrum_ er dan buiten zou vallen. Immers, gaf hij te kennen, het genootschap _Christo Sacrum_ bestaat wel, moet dus beschermd worden, maar het is niet erkend[245]. Men huldigde dus de gelijkheid der _bestaande_ kerkgenootschappen en als uitvloeisel daarvan de gelijkheid hunner leden. Éene omstandigheid is ongetwijfeld op dezen uitslag van grooten invloed geweest. Ik bedoel het ook bij de commissie niet onbekende plan der vereeniging van noord en zuid. Voor van Lynden van Blitterswijk was dit eene reden te meer voor het herstel der heerschende kerk; anders zouden door die vereeniging de gereformeerden het onderspit delven. Niet alzoo echter dachten de overigen. Hogendorp wilde, blijkens zijne _Aanmerkingen_[246], juist ook daarom aan allen den toegang tot de regeering verleenen, omdat andere, zelfs geheel Roomsche provinciën zich met het noorden zouden kunnen vereenigen. Daarom was zijn oorspronkelijk denkbeeld: »Onderhoud van de gereformeerde kerk door den Staat in de zeven Nederlanden, en van den Roomschen godsdienst in de tien Nederlanden"[247]. Niet het minst zal ook bij den souvereinen vorst dit lievelingsdenkbeeld gewogen hebben, toen hij zijnen invloed voor de gelijkheid der kerkgenootschappen in de schaal legde. Diezelfde vorst zal ook waarschijnlijk nog op een ander punt eene wijziging van het oorspronkelijk voorgestelde hebben bewerkt, t. w. de bepaling van art. 139, waarbij aan den vorst het recht van inzage en beschikking omtrent de inrichting der gesubsidieerde of te subsidieeren gezindten werd toegekend. Immers er blijkt niet, dat in de commissie dergelijk voorstel is gedaan, veel min dat het is aangenomen. Ook deze bepaling kwam voor het eerst voor in de eindredactie, den 28 Februari 1814 ter tafel gebracht[248].
[239] _Ontstaan_ I, 271-273.
[240] _Ontstaan_ I, 61.
[241] _Ontstaan_ I, 324, 432.
[242] Vóór stemden: Elout, Heerkens, Röell, van Maanen, van der Duyn, van Zuylen, Humalda.
Tegen » : van Lynden, Aylva, Lampsins, Repelaer, Heerdt, Hogendorp, van Imhoff.
Den 2den Februari waren van Heerdt en van der Duyn niet tegenwoordig; den volgenden dag voegde de een zich bij de voorstemmers, de andere bij de tegenstemmers en staakten dus wederom de stemmen.
[243] _Voór_: van Lynden, Aylva, Lampsins, Repelaer, Heerdt, van Zuylen, Humalda.
_Tegen_: Elout, Heerkens, Röell, van Maanen, van der Duyn, Hogendorp, van Imhoff.
[244] _Ontstaan_ I, 302.
[245] _Ontstaan_ I, 278. Van _Christo Sacrum_ wordt in den Staatsalmanak voor 1815 het volgende gezegd: »Onder de kleine Christen Gemeenten is het genootschap _Christo Sacrum_ te Delft voor weinige jaren opgerigt. Hetzelve heeft geen bezoldigde leeraars, en neemt de belijders van alle Christelijke Godsdiensten, welke de geloofbelijdenis bij het Genootschap vastgesteld willen afleggen, tot leden aan, ook dan wanneer dezelve verkiezen tevens leden van eene andere gezindheid te blijven."
[246] _Ontstaan_ I, 62.
[247] _Ontstaan_ I, 76.
[248] Schets, art. 62: »Alle kerkelijke vergaderingen zijn wettig, mits dezelve verzoeken om commissarissen-politiek door de souvereinen vorst aan te stellen, ten einde toe te zien, dat er niets strijdigs met de wetten en de algemeene rust voorgenomen worde."
Redactie der commissie, vastgesteld 2 Febr. 1814: »De regeering zal altijd zorg dragen, dat de geestelijkheid van geene eene gezindheid zich eenig deel van de wereldlijke macht aanmatige, en daartoe de noodige middelen aanwenden."
Grondwet, art. 139: »Onverminderd het recht en de gehoudenis van den S. V., om zoodanig toezicht over alle de godsdienstige gezindheden uit te oefenen, als voor de belangen van den Staat dienstig zal bevonden worden, heeft Dezelve bovendien in het bijzonder het recht van inzage en beschikking omtrent de inrichtingen van die gezindheden, welke volgens een der voorgaande artikelen eenige betaling of toelage uit 's Lands kas genieten."
Ik vlei mij, geene verschooning te behoeven, omdat ik mij zoo lang heb bezig gehouden met de wijze, waarop de grondwetgever de godsdienstige zijde des volks opvatte. Ik ga nu over tot een ander onderscheid, dat de Republiek der Vereenigde Nederlanden had gekenmerkt, een onderscheid van meer algemeenen aard--men zoude bijna zeggen: van een meer algemeen menschelijk karakter, dan het verschil van godsdienst. Ik bedoel hooge of lage geboorte. Moge nu al het verschil van godsdienst, de afscheiding van nationaliteit en godsdienst, de daardoor te weeg gebrachte klove tusschen de zonen van hetzelfde land, moge dit alles niet alleen eigen zijn aan de christelijke volken, toch schijnt het vast te staan, dat de oude wereld er zoo goed als vreemd aan was. Met de geboorte en hare onderscheidingen is het niet alzoo. Dit verschil heeft zich met zijne gevolgen in de oude zoowel als in de nieuwe wereld doen gevoelen. Hierin zal geene verandering komen, zoolang de familie de grondslag blijft der maatschappij en de luister van het geslacht afstraalt op zijne leden. Zoolang zal een overgeërfde naam in deze wereld veel voor hebben, zoolang zal het voor een _homo novus_ meer krachtsinspanning vereischen om zich hier op aarde eene plaats te veroveren. Het zoude dwaas zijn, de oogen te sluiten voor dit verschijnsel: een verschijnsel dat zich niet alleen vertoont bij hetgeen men gewoon is de aristocratie te noemen, maar waarvan bijna geen klasse der maatschappij bevrijd is. Iets anders is het echter, of de Staat door zijne instellingen nog datgene moet versterken, datgene moet begunstigen, wat reeds van nature meer is bevoorrecht. Ook dit toch ziet men niet zelden gebeuren. Het natuurlijke privilegie wordt dan bovendien een privilegie der wet. Ja, men zoekt zelfs door de wet te scheppen, wat een uitvloeisel behoorde te zijn van natuurlijke omstandigheden. Hoe stond het met dit alles in de Republiek der Vereenigde Nederlanden? Het was eene eer te behooren tot de patricische familiën in de steden; onder de heeren te worden genoemd, die tegenover de burgerij en het gemeen waren geplaatst. Geheel en al gesloten was die kring niet. In buitengewone omstandigheden, zooals b. v. in 1748 te Amsterdam het geval was, werd aan nieuwe geslachten de toegang verleend. Naarmate echter het Staatsgebouw meer verouderde en verviel, des te sterker werkte de kastegeest. Er bleef om in de regeering te komen bijna geen ander middel over dan het aangaan van een huwelijk met eene regentendochter[249]. Vreemd was die geest van uitsluiting niet. Men bedenke toch, dat het niet alleen eene eer was, tot dien bevoorrechten kring te behooren, maar dat ook de stedelijke en provinciale en generaliteitsbetrekkingen de buit waren, die onder de leden van dien kring werd verdeeld. Hiertoe te behooren, was dus niet alleen eene eer, het was bovendien een op geld waardeerbaar voorrecht. Wat nu de patricische familiën waren in de steden, dat waren in de meeste provinciën de edelen te platten lande. Het is bekend, dat de afzwering van Philips en de invoering van den Republikeinschen regeeringsvorm dien stand langzamerhand zeer hadden doen inkrimpen. De oude familiën stierven uit, en er was geene macht in den Staat, om den adeldom te verleenen. Wat het gevolg hiervan was, blijkt uit niets duidelijker, dan uit de omstandigheid dat in 1794 het getal personen in de Ridderschap van Holland beschreven niet meer bedroeg dan tien, en hieronder waren er vier Wassenaers en twee Boetzelaers; de geheele zaak beperkte zich tot zes geslachten. Alleen in Gelderland en Overijsel had de adel zich weten in stand te houden en een door haar getal aanzienlijke ridderschap kunnen blijven leveren. Maar de menschelijke zucht, om, zij het dan ook alleen door uiterlijke onderscheidingen, boven zijn naasten uit te blinken, zoekt allerlei middelen om dit doel te bereiken. In Friesland rustte de adeldom voor de meesten op verjaring[250] en hadden ook de edelen van dat slag zich een aandeel in het bestuur weten te verwerven. In Groningen lieten zij, die door koop per fas et nefas in 't bezit van de regeeringsrechten waren gekomen, zich _Jonkers_ noemen en werden zij in de wandeling als adel behandeld. Bij die allen echter was de adel òf verbonden met voorrechten òf een uitvloeisel daarvan. Niet alzoo met vele anderen, de zoogenaamde Nobiles diplomatici, waarmede Bijnkershoek den draak steekt. Men trachtte van vreemde souvereinen een adellijken titel te verwerven. Er is tegenwoordig, zeide hij, zulk een overvloed van die soort van baronnen en graven, dat wij daaronder gevaar loopen te stikken. Men heeft dat koopen van vreemden adeldom wel eens trachten te beletten, maar waarom zouden wij die lieden dit genoegen niet gunnen, indien zij er op belust zijn, indien zij zoo dwaas zijn, _emere fumum_?[251] Was het echter wel alleen rook die gekocht werd of opende het in de vorige eeuw ook den toegang tot de hoogere kringen en was het ook eene aanbeveling voor het bekleeden van betrekkingen? Ik durf het niet beslissen.
[249] Men denke aan van de Spiegel en zijn huwelijk met eene burgemeestersdochter. »Haar betrekking", zegt Fruin (_Verspr. Geschr._ V, 217), »tot de Goesche Regenten-families opende den bruidegom eene loopbaan, waarvoor zijn talenten en verworven kennis hem bestemden, maar die hem zonder deze verzwagering toch gesloten zou zijn gebleven".
[250] U. Huber, _Hedend. Rechtsgeleerdheid_, I, c. 4, no. 27-31:
no. 29: »In vrije regeeringen wordt zij (de oorzake van den adel) afgenomen uit een langdurige benaminge van het volk, als bij wijze van _prescriptie_; gelijk bij ons in vele geslachten."
30. »Wij meenen, dat sulk een slach van adel in een vrij land so goed is, als die in andere landen bij speciale vergunningen wordt verkregen, omdat het volk alhier 't selve recht heeft, dan elders de princen, ende dewijl allerhande gerechtigheden door laps van tijd verkregen worden, is er geen reden, waarom de edeldom in dier voege niet soude konnen verkregen worden."
[251] _Questiones Juris publici_, II, c. 25.
Heeft de revolutie van 1795 aan die grootheid van werkelijke en nagemaakte edelen, van edelen met en zonder voorrechten een einde gemaakt? Ja, allen werden nu burgers. Alle leden der maatschappij hebben, zeide de staatsregeling van 1798 (art. 3 der inleiding), zonder onderscheiding van geboorte, bezitting, stand of rang, eene gelijke aanspraak op derzelver voordeelen. De keus van den eenen burger boven den ander (tot ambten en bedieningen) mocht alleenlijk gegrond zijn op meerdere deugd en bekwaamheid (art. 15 der Inleiding). De Bataafsche Republiek kende het instituut van den adel niet, evenmin als het aan de patricische familiën nog voorrechten verzekerde.