De Wedergeboorte van Nederland
Part 12
Mr. Cornelis Theodorus Elout (1767-1841) behoorde tot een der jongste regentenfamiliën van de stad Haarlem. Zijn vader, de eerste van de familie die in de vroedschap kwam (in 1778), werd in 1788 om zijn patriotische gevoelens geremoveerd; de zoon, in hetzelfde jaar gepromoveerd, moest dus zijn eigen weg zoeken en vestigde zich als advocaat te Amsterdam; in 1793 verwierf hij het schoutambt van Texel. De revolutie van '95 leverde voor Elout's vader de benoeming tot hoofdofficier van Haarlem, voor Elout zelven die tot Raad in den Hove van Holland op: in 1799 werd hij lid van de commissie tot samenstelling van een civiel en crimineel wetboek, in 1802 procureur-generaal bij het Nationaal Hoog Gerechtshof; in 1805 benoemde Schimmelpenninck hem tot Commissaris-Generaal naar Bataafsch-Indië, tot invoering der door de bekende staatscommissie van 1803 beraamde hervormingen. Hij nam de reis over Nieuw-York, maar werd, daar zijnde, door koning Lodewijk teruggeroepen die hem in den Staatsraad plaatste; tevens was hij lid van de commissie tot samenstelling van een crimineel wetboek van 1807. Na de inlijving trad hij krachtens benoeming door het Hollandsche Wetgevend Lichaam, als lid op van den door Napoleon tijdelijk naar Parijs geroepen »Conseil pour les affaires de Hollande;" van Maanen bracht hem op de voordracht voor lid van het Hof van Cassatie te Parijs (waarin voor de Hollandsche departementen drie leden zouden zitting nemen), maar Elout werd niet benoemd[221]; hij vestigde zich vervolgens als advocaat in den Haag, waar hij woonde toen de opstand uitbrak. In den loop van 1813 was hij in betrekking gekomen tot van Hogendorp[222], die hem op prijs stelde hoewel zij in denkbeelden vrij wat verschilden. De rol van Elout in de commissie is, evenals die van Röell en van Maanen, hoogst belangrijk geweest. Van deze drie heeft vooral Elout bij den president invloed verkregen, en het werk der in de vergadering van 3 Febr. 1814 benoemde commissie van redactie is voornamelijk op hem neergekomen.
[221] _Ged._ VI, 1593.
[222] _Br. en Ged._ V, 12.--Zij waren beiden vaders van gardes d'honneur.
Toen men de leden rangschikte wist niemand den juisten leeftijd van den afwezigen Mr. D. J. Hondebeek Heerkens op te geven;[223] als hij later aanwezig is stemt hij na Elout en vóór Röell, waaruit blijkt dat hij in 1767 geboren moet zijn. Hij was een volstrekt onbekende persoonlijkheid in de politiek, maar vereenigde de kwaliteiten van Groninger en van Katholiek. Hij was lid van het Hooggerechtshof in den Haag en op het oogenblik zijner benoeming afwezig tot het presideeren der assises te Groningen,[224] zoodat hij eerst 28 Jan. verschenen is en eigenlijk alleen aan de beraadslagingen over den godsdienst heeft deelgenomen.
[223] _Ontstaan_ I, 77.
[224] _Ontstaan_ I, 157.--Denkelijk zal de punctueele van Maanen wel verlangd hebben dat hij eerst die taak afdeed.
Mr. Willem Fredrik Röell (1767-1835), zoon van den laatsten advocaat der West-Indische Compagnie, schoonzoon van den Thesaurier-Generaal Hop, had reeds vóór zijn promotie, die in 1791 plaats had, onder bescherming van den toen almachtigen burgemeester Rendorp de lagere stadsambten van Amsterdam doorloopen, was er in 1793 schepen geworden en in 1794 pensionaris. De omwenteling maakte hem ambteloos, hetgeen hij bleef tot 1802, toen hij, na overleg met den oud-burgemeester Huydecoper van Maarsseveen, die het hem zeer aanried, de benoeming aannam van lid van het gedeputeerd bestuur van het departement Holland. »De algemeene zugt der leden om alle overblijfselen van vroegere partijschap te helpen vernietigen", zegt Röell in zijne autobiographie, in hem zelven kenschetsende woorden,[225] »het uitzigt om nu eenmaal een bestendigen staat van zaken geboren te zien, en niet minder de geregelde loop, dien de aan het bestuur opgedragen werkzaamheden weldra verkregen, waren zoovele omstandigheden welke mij de aanvaarding mijner functiën geenszins deden beklagen". In Mei 1804 volgde hij Mollerus, tot lid van den Aziatischen Raad benoemd, als secretaris van het departementaal bestuur van Holland op; Schimmelpenninck benoemde hem daarenboven tot lid der commissie van superintendentie over den Waterstaat. Lodewijk Napoleon, die zijne bekwaamheden hoog stelde, maakte hem eerst minister secretaris van Staat, vervolgens minister van buitenlandsche zaken. In deze laatste hoedanigheid vergezelde hij den koning op diens pijnlijke reis naar Frankrijk in 1809 en 1810, en gedroeg zich in de moeilijke omstandigheden van dat oogenblik met groote waardigheid. Tijdens de inlijving bleef hij ambteloos, doch nam in 1812, op aandrang van Lebrun, de functie van lid van den arrondissementsraad van Amsterdam op zich. Bij den opstand en de formatie van een provisioneel bestuur te Amsterdam hield hij zich geheel ter zijde en had ook daarna den Vorst nog niet zijn hof gemaakt; maar Falck en van Maanen achtten zijne benoeming in de grondwetcommissie van groot gewicht, en vonden gemakkelijk ingang voor hem toen men, de namen overziende, tot de ontdekking kwam dat men nog geen Amsterdammer had. Röell was een gematigde natuur, wat braaf en afgepast, maar een persoon van karakter en van een bijzondere arbeidzaamheid en nauwkeurigheid. Van afkomst een man van vóór '95, was hij echter van inzicht en ontwikkeling veeleer een man van nà de revolutie. Zijn rol in de commissie is van veel beteekenis geweest. In de hoofdzaken was hij het meest met Elout en van Maanen eens, vooral met Elout.
[225] _Ged._ V, 568.
Mr. Gustaaf Willem baron van Imhoff (1767-1830), kleinzoon van den gouverneur-generaal van Imhoff, gepromoveerd in 1788, had vóór '95 korten tijd voor Groningen in de Staten-Generaal gezeten. In '95 ambteloos geworden, trad hij in 1802 als secretaris van den raad van financiën in het departement Groningen op. Lodewijk maakte hem Staatsraad; tijdens de inlijving was hij lid van het Wetgevend Lichaam te Parijs. Van afkomst een man van vóór '95 evenals Röell, was van Imhoff in nog hoogere mate dan deze in denkbeelden een man van den nieuweren, ja zelfs, evenals van Maanen bij wien hij zich geheel aansloot, van den nieuwsten, keizerlijken tijd. Na de invoering der grondwet is hij de eerste gouverneur van Groningen geweest.
Mr. Cornelis Felix van Maanen (1769-1849), uit een Haagsch juristengeslacht van patriotsche gevoelens, zag zijn fortuin gemaakt door de revolutie van '95. In '93 gepromoveerd en als advocaat in den Haag gevestigd, werd hij in Febr. '95 benoemd tot secretaris van de municipaliteit aldaar, en in April van hetzelfde jaar geroepen tot den post van tweeden advocaat-fiscaal en procureur-generaal van Holland en Zeeland, nevens zijn schoonvader van der Meersch (den nieuwen eersten dito), dien hij in zijn werkzaamheden meestal verving en ook opvolgde. Na als hoofd van het openbaar ministerie in de gewichtigste provincie de opeenvolgende revolutionnaire regeeringen met veel ijver te hebben gediend, werd hij door Lodewijk Napoleon tot staatsraad in buitengewonen dienst benoemd en vervolgens tot minister van justitie. Daar hij evenwel geen vrede had met de inrichting eener geheime politie in het koninkrijk Holland gelijk de koning die verlangde, nog minder met de individu's van welke de koning zich tot dat werk bediende, trad hij in 1809 af. In 1810 lid en sectie-president van den »conseil pour les affaires de Hollande" te Parijs, werd hij tijdens de werkzaamheden van dat lichaam tot staatsraad in buitengewonen dienst van het Keizerrijk, en vervolgens tot eersten president van het keizerlijk gerechtshof in den Haag benoemd, en met de invoering der Fransche rechterlijke organisatie in de Hollandsche departementen belast; een werk dat hij met voorliefde en groote geschiktheid ondernam. Bij den opstand hield hij zich ter zijde en vreesde eene reactie die zou omverwerpen ook wat het Fransche bestuur goeds gebracht had. Het besluit van het Algemeen Bestuur van 1 Dec., »op de administratie der justitie," kwam hem omtrent zijn eigen hooge positie gerust stellen. Op aandrang van van Maanen, vermoedelijk ook van Elout, zal in het besluit van 21 Dec. het vierde artikel opgenomen zijn, dat van de commissie zoodra mogelijk een voorloopig rapport verlangt, in zake de regeling der judicieele administratie. Viel dat rapport tegen van Maanen's zin uit, dan kon hij er nog vertoogen tegen doen eer het te laat was. Van Maanen was in de commissie de tegenvoeter van van Hogendorp. Zijn ideaal was inderdaad, den Souvereinen Vorst in de plaats van den Keizer te stellen en in het bestaande niets dan wat namen te veranderen. Zijn ambtelijke positie en ervaring, groote kennis en even groote vasthoudendheid verzekerden hem in de commissie aanmerkelijken invloed, al zullen de anderen licht gemeesmuild hebben over zijn cassanten toon, welke bij de gemoedelijke wijze van »besogneeren" der oude costumiers scherp afstak.
Adam François Jules Armand baron van der Duyn van Maasdam (1771-1848), in 1794 beschreven in de ridderschap van Holland, was op zijn afkomst na geheel en al een man van den nieuweren tijd[226]. Hij was wel sedert 1795 volstrekt buiten alle bewind gebleven, maar, open geest, had hij door lectuur en omgang (als intieme vriend en zwager van een der ministers van koning Lodewijk, van der Capellen), met al het nieuwe even goed kennis gemaakt alsof hij er een werkzaam aandeel aan had genomen. Zijn gedrag tijdens den opstand was bewonderenswaardig geweest: trouw, moedig, geschikt; aan geloof in en eerbied voor het superieure in Gijsbert Karel paarde hij een veel grooter wereldwijsheid dan diens deel was. Geen oogenblik had hij den hoofdman verlaten, en hij was de goede zaak van onberekenbaar nut geweest. Van der Duyn was geheel _grand seigneur_, geen man voor het bureau en ook niet voor eene staatscommissie. Werk gedaan heeft hij daarin dan ook niet veel; gestemd heeft hij meest met van Maanen.
De secretaris der commissie, Mr. Rutger Metelerkamp (1772-1836), zoon van een burgemeester van Gouda, had zich, door de omwenteling van 1795 van het vooruitzicht op spoedige plaatsing verstoken, tot de studie begeven en eenigen naam gemaakt door zijn economisch en statistisch werk, _De Toestand van Nederland_ (1804). Hij was ook secretaris geweest der landbouwcommissie in Zuid-Holland. Van eenigen bijzonderen invloed, door hem op den gang van het werk geoefend, is geen blijk voorhanden. Hij heeft later in zijn _Regeringsvorm der Vereenigde Nederlanden_ (1814) de notabelenvergadering beschreven; de verrichtingen en stukken der commissie zelve bleven geheim[227].
[226] Voor zijn ontwikkelingsgang kan naar zijn merkwaardige _Souvenirs_, uitgegeven door Sirtema van Grovestins (Saint-Germain, 1852) worden verwezen.
[227] Op Hogendorp's memorie van toelichting op de Schets na, die Metelerkamp overnemen kon uit _Staatscourant_ 5 April 1814 waarin zij was geplaatst omdat Hogendorp haar in Engelsche couranten had laten zetten ter bestrijding van de beweringen van Lord Holland c.s. in het parlement (_Ontstaan_ I, bl. IX).
Uit dit overzicht blijkt m.i. dat Tellegen op bl. 75 hiervóór eenzijdig is. Hij had reeds daar iets van de carrière der leden na 1795 moeten zeggen, hetgeen hij pas aan het slot van het volgend hoofdstuk doet. Het verleden van iemand als Elout b.v. wordt al zeer slecht gekenmerkt, door enkel mede te deelen dat hij vóór de revolutie baljuw van Texel is geweest.
* * * * *
_Het is dan ook beweerd_, enz. (hiervóór, bl. 76). De Bosch Kemper, die uit de notulen van van Maanen den strijd der meeningen in de commissie kent, concludeert hieruit tot een strijd over van Maanen's benoeming waarvan uit de voorhanden stukken niets hoegenaamd blijkt. Ik hecht er evenmin geloof aan als Tellegen.
* * * * *
_Zooals mij is medegedeeld_, enz. (hiervóór, bl. 77 noot). Dit is onjuist. Blijkens den op bl. 95 hiervóór aangehaalden brief van Jhr. P. J. Elout van Soeterwoude aan Mr. C. F. Th. van Maanen van 21 April 1877 heeft Tellegen zich niet onmiddellijk tot Jhr. Elout gewend, maar heeft Mr. van Maanen dit op Tellegen's verzoek gedaan. Jhr. Elout heeft toen uit de portefeuille zijns vaders gelicht de »algemeene gronden"[228] die Tellegen uit de officieele notulen reeds kende, en voorts Hogendorp's ontwerp van een reglement ter invoering der grondwet[229] en het gedrukte ontwerp van grondwet, 28 Febr. door de commissie van redactie ter tafel gebracht[230], en zond deze drie stukken aan Mr. van Maanen ten behoeve van den Groninger hoogleeraar toe (van de andere stukken uit Elout's portefeuille heeft Tellegen geen inzage bekomen). Mr. van Maanen schijnt den inhoud van Jhr. Elout's briefje niet juist aan Tellegen te hebben medegedeeld: er staat niet in dat van Maanen _door Hogendorp_ van de _Schets_ kennis bekwam (zie de aanhaling hiervóór, bl. 95).
[228] _Ontstaan_ I, 74.
[229] _Ontstaan_ I, 361.
[230] _Ontstaan_ I, 446.
* * * * *
_Voor het departement der Wester-Eems_ (hiervóór, bl. 77). Juister: voor de provincie Groningen (hiervóór, bl. 99).
* * * * *
_In de vergadering_, enz. (hiervóór, bl. 77 noot). Doordat Tellegen de notulen van Röell niet kent, kan hij alleen de omschrijving van Heerkens' brief uit de officieele notulen mededeelen, niet den inhoud zelf, die alleen bij Röell aangeteekend is.
* * * * *
_Schimmelpenninck_ (hiervóór, bl. 78). Vgl. hiervóór, bl. 101.
* * * * *
_De Souvereine Vorst...... deed zijnen invloed gevoelen_ (hiervóór, bl. 79). Zie, behalve _Ontstaan_ I, 32, de verschillende brieven van Hogendorp aan den Vorst, in dat werk afgedrukt, en de stukken _Ontstaan_ I, 212, 221, 278, 385, 400, 433-'34, 438 vv. en 562, en II, bl. CXVIII vv.; zie voorts _Overzicht_ 142 vv. en _Br. en Ged._ V, 86-87.
* * * * *
_Nogmaals herzien en gewijzigd_ (hiervóór, bl. 79). In hoeverre, blijkt uit _Ontstaan_ I, 446 vv., waar ook blijkt, welke de veranderingen zijn in Tellegen's derde noot op bl. 79 bedoeld.
* * * * *
_Reeds eenigen tijd vroeger was opgesteld_ (hiervóór, bl. 81).--Het reglement lag reeds 15 Jan. gereed (_Ontstaan_ I, 221); het is het onmiddellijk uitvloeisel der laatste aanmerkingen van den S. V. van 19 Dec. (_Ontstaan_ I, 35-36). Toen het 4 Febr. in behandeling kwam, moesten enkele artikelen vervallen daar de daarin behandelde stof reeds anders geregeld was; andere punten hebben een plaats gevonden hetzij in de grondwet zelve, hetzij in het voorloopig rapport of in het eindrapport met de daarbij behoorende proclamatie. Zooals Hogendorp in de commissie mededeelde, was het reglement niet voor openbaarmaking bestemd en moest het ontwerp slechts dienen »als een ensemble van pointen om in het finaal rapport, of op een andere wijze, aan Z. H. te worden voorgedragen"[231].
* * * * *
_Besluit tot invoering der grondwet_ (hiervóór, bl. 83).--Art. 1 verklaart: »Het ontwerp van Grondwet wordt aangenomen door de geheele natie om te dienen voor ons en onze nakomelingen". Dit hield niet in, dat de stemming enkel met _ja_ of _neen_ zou geschieden, hetgeen door den Vorst noodig bleek te worden geoordeeld[232], waarop werd besloten het ontwerp voor vervallen te houden, en de punten die tot geen bedenking aanleiding hadden gegeven, in het eindrapport op te nemen.
[231] _Ontstaan_ I, 380.
[232] _Ontstaan_ I, 406.
* * * * *
_Finaal rapport gesteld door Elout_ (hiervóór, bl. 83).--Daarvóór is er een (11 Febr. ingekomen) ontwerp van finaal rapport van van Hogendorp geweest, dat door den S.V. van kantteekeningen is voorzien en met inachtneming dier kantteekeningen door Elout is omgewerkt: zie _Ontstaan_ I, 430, 434, 562. Een goed overzicht van volgorde en samenhang der stukken wordt gevonden in hoofdstuk X van het geschrift van Tellegen's kleinzoon.
* * * * *
_Lijsten_ (hiervóór bl. 84). De voorstelling, als zouden de leden de lijsten van commissarissen-generaal hebben aangevuld, is niet juist. De verschillende lijsten kwamen onafhankelijk van elkander tot stand; die der leden krachtens verzoek van den president op machtiging van den Vorst (_Ontstaan_ I, 212-'13), die van commissarissen-generaal krachtens aanschrijving van van Stralen van 24 Jan. (_Ontstaan_ I, 279): 1/4 uit den adel, 3/4 uit notabele en aanzienlijke mannen uit de andere standen. »Vooral de oude en ook de latere Regeringen moeten eerst in aanmerking komen; voorts de justitie, koophandel, geleerdheid, wetenschappen, geestelijken en militairen stand, en al wat men verder tot het notabele kan brengen. Geboorte en gegoedheid, maar bijzonder talenten, deugden en verdiensten, houde ik voor hoofdvereischten, en zulks zonder onderscheid van godsdienstige of voormalige politique denkwijze".
* * * * *
_Zoolang de registers niet toegankelijk zijn_ (hiervóór, bl. 87 noot). Ik heb ze noch in het Kabinetsarchief, noch in dat van Binnenlandsche Zaken aangetroffen.
* * * * *
_Bleven er 126 thuis_ (hiervóór, bl. 87).--Met opgave van redenen. De 77 die ziekte of hooge jaren opgeven, schrijven meestal in een toon die aan hunne goedkeuring geen twijfel laat; 12 daarvan drukken die in eene bijgevoegde verklaring van gave aanneming uit. Negen verontschuldigen zich wegens ambtsverrichtingen of commando's, drie wegens sterfgeval in de familie, enz.--Politieke beteekenis schijnt slechts het wegblijven van drie gehad te hebben: Cau omdat hij de souvereiniteit van Zeeland niet wil prijsgeven; de Gijselaar omdat hij niet debatteeren mag; Quarles omdat hij zich niet bevoegd acht te stemmen namens het Nederlandsche volk (_Ontstaan_ I, 571; vgl. voor de Gijselaar ook I, 494).
* * * * *
_Het schijnt toch_ (hiervóór, bl. 91).--Zie de Bosch Kemper _Letterk. Aanteekeningen_ 471, en vgl. _Ontstaan_ I, 497 vv. De meeste stemmen tegen waren van Katholieken.
IV.
DE GRONDWET EN DE MAATSCHAPPIJ.
Twee millioen menschen hadden hunne woonplaats op het Nederlandsche grondgebied[233]. Geen van hen gelijk aan den ander. En toch komt die verzameling van menschen ons, om het geliefkoosde beeld onzer dagen te gebruiken, als een levend organisme te gemoet. Het is een volk; het heeft een eigen taal; het heeft een eigen karakter--door het een en het ander onderscheidt het zich van andere volken. Zou de taak niet aanlokkelijk zijn, in het licht te stellen, hoe onder den invloed der woonplaats en der geschiedenis zich dat volk heeft gevormd en ontwikkeld, de trekken te schilderen, waarin zich zijn karakter openbaart? En bovendien, hoe, niettegenstaande die overeenkomst tusschen de zonen van hetzelfde land, de onderscheidene bestanddeelen der maatschappij weder van elkander verschillen, hoe de eenheid van het geheel de verscheidenheid der deelen niet uitsluit? Rijk en arm, hoog en laag, stad en land en dan--het onderscheid van godsdienst.
[233] De eerste algemeene volkstelling, die van 1795, gaf eene bevolking van 1,880,443 zielen. Wanneer men er bij in aanmerking neemt, wat toen niet, thans wel tot Nederland behoort, dan wordt dit cijfer bij schatting op 2,100,000 gesteld. D'Alphonse's _Aperçu_ geeft voor 1811 het aantal inwoners op als 1,724,896; hierin zijn opgenomen 127.959 inw. voor de Ooster-Eems, maar ontbreken natuurlijk behalve de in 1795 afgestane landen ook Noord-Brabant, en Gelderland tot de Waal. Hogendorp stelde na de verdrijving der Franschen de bevolking in een rond cijfer op twee millioen. De eerste telling na 1813, die van 1829, gaf 2,613,487 zielen (_Algemeene Statistiek van Nederland_, II, blz. 18, 22.)
Meent echter niet, dat het mijn plan zoude zijn, mijne hand uit te strekken naar eene taak, die hoe aanlokkelijk ook, boven het bereik mijner krachten geplaatst is. Zoowel de verwen als het penseel ontbreken mij om een beeld te kunnen schetsen van het Nederlandsche volk, zoo als het zich voordeed in het begin dezer eeuw. Wat ik beoog, heeft een meer bescheiden omvang. De grondwet van een volk moet vóór alles het antwoord geven op de vraag: hoedanig zal het staatsgebouw zijn, door het volk te bewonen? Hoedanig zal de vorm, de inrichting der regeering zijn? Het is eene wet, die de machten aanwijst, geroepen voor den Staat op te treden, en die hare wederzijdsche bevoegdheid beschrijft. Toch zien wij in den regel die hoogste wet zich niet tot dit hoofdpunt bepalen. De wetgever zal, zoo hij zijne taak goed begrijpt, bij de inrichting van het bestuur de maatschappij voor oogen houden, waarvoor dit bestuur moet dienen; hij zal letten op de behoeften, de inzichten, de vooroordeelen dier maatschappij; hij zal dus staan onder haren invloed. Maar zal die wetgever ook zijnerzijds invloed willen uitoefenen op de maatschappij zelve? Niet zelden zal ook dit het geval zijn. Veelal heeft de grondwetgever, in plaats van onzijdig te blijven tegenover hetgeen het volk onderling onderscheidt en verdeelt, door aanmoediging of belemmering in de eene of andere richting willen werken, ja zelfs meestal het staatsgezag in de schaal geworpen ten gunste van die bestanddeelen, welke uit zich zelve reeds met de grootste kracht waren bezield. Dit is, wat ik bovenal bedoelde, toen ik boven deze bladzijden schreef: _De grondwet en de maatschappij_. Was de grondwet neutraal of was zij het niet tegenover de bestanddeelen, de schakeeringen van het nederlandsche volk?
Wanneer men de maatschappij van die dagen beschouwt, dan was er--evenals vroeger--evenals thans--bovenal een punt van verschil, waardoor die maatschappij in al hare klassen en rangen als 't ware gezuurd was; het verschil van godsdienst. Op dezelfde plek gronds leefden onder--wellicht beter naast elkander: Protestanten, Roomschen, Joden. Indien in 1814 de toestand reeds dezelfde was, als hij later in 1829 bleek te zijn, dan waren zij in de verhouding van 60, 38 en 2 procent over de bevolking verdeeld[234]. Het grootste gedeelte der Protestanten behoorde tot de Hervormde kerk. Mocht het nu ten opzichte der Joden toen[235] nog de vraag zijn, wat zij meer waren, eene afzonderlijke natie dan eene bijzondere secte, tusschen de overige Nederlanders was het onderscheid alleen hierin gegrond, dat zij over de eeuwige dingen verschillend dachten. Welke houding zoude de grondwet aannemen tegenover de godsdienstige zijde des volks? Zoude zij, met terzijdestelling van de geschiedenis der laatste twintig jaren, het voorbeeld volgen van de republiek der Vereenigde Nederlanden, die, hoewel zij in godsdienstige verdraagzaamheid boven andere volken uitmuntte, toch eene kerk als staatskerk erkende? Of zoude zij een kind der revolutie zijn, die met huldiging van de denkbeelden der 18de eeuw aan de Hervormde kerk dat karakter had ontnomen; de revolutie van 1795, die den grond der godsdienstvrijheid zocht in het individu, die geene burgerlijke voor- of nadeelen aan de belijdenis van eenig kerkelijk leerstelsel verbond, ja die de kerkgenootschappen, een uitvloeisel der godsdienstvrijheid, wilde laten zorg dragen voor het onderhoud van den eeredienst, deszelfs bedienaren en gestichten en dus verklaard had: _godsdienst is geen regeeringszaak_.
[234] Volgens de volkstelling van 1829 (_Algemeene Statistiek van Nederland_, II, blz. 466 vlg.) waren er: