De Wedergeboorte van Nederland

Part 11

Chapter 113,409 wordsPublic domain

Nadat de Vorst den 15den bespeurd had dat Hogendorp ongeduldig werd, zal hij de studie der _Schets_, thans van Elout terug, hebben hervat. Den 19den zendt hij Hogendorp zijne aanmerkingen in geschrifte toe.[197] Hij schrapt daarin de woorden Koning en Kroonprins en vervangt ze door Souvereinen Vorst en Erfprins; hij verlangt dat de Vorst verbonden zal kunnen bekrachtigen zonder voorafgaande goedkeuring der Staten-Generaal, die alleen de beschikking houden over de middelen, om de ingegane voorwaarden te vervullen; hij wil het getal der ministerieele departementen (door Hogendorp op zes gesteld) onbepaald laten; hij brengt de civiele lijst van een millioen op vijf à zes ton terug, en wil de andere helft liever uit de terug te geven oude domeinen van het huis genieten; hij wil een algemeenen rijksadel in plaats van de voorgeslagen provinciale ridderschappen; hij verlangt het tweekamerstelsel; hij wil onderscheid gemaakt hebben tusschen permanente uitgaven, die aan het begrootingsrecht der Staten-Generaal onttrokken zullen worden, en tijdelijke, die er aan onderworpen zullen zijn; hij verlangt in elke provincie een stadhouder als zijn vertegenwoordiger en in Holland twee (Amsterdam bij het Noorderkwartier, als onder Lodewijk Napoleon); en eischt, als een regaal, de munt voor zich op. Den volgenden avond kwam hij dit alles met Hogendorp bespreken tot drie uur in den nacht[198]. Alle voorgeslagen wijzigingen werden door Hogendorp overgenomen op twee na: rijksadel en hoogerhuis; twee zaken die met elkander samenhingen. Hogendorp had, naast de provinciale ridderschappen, bestemd ter vertegenwoordiging van het platteland in de Provinciale Staten, een stand van rijksgraven en pairs voorgesteld, met zitting in de Staten-Generaal krachtens geboorterecht en voor hun leven; zij zouden door den Vorst tot die waardigheid worden verheven, in iedere provincie op de honderdduizend zielen één[199]. De Vorst »had geen zin in zoo groote heeren"[200]. Hij wilde een rijksadel, waarin om te beginnen alle bestaande edelen zouden worden opgenomen (onder welken de Gelderschen en Overijselaars de groote meerderheid uitmaakten), en die door verleening van adeldom van 's Vorsten wege zou kunnen worden aangevuld; uit dezen adel wilde hij een hoogerhuis trekken, en het lagerhuis doen bestaan uit afgevaardigden òf door de Provinciale Staten te benoemen (als bij Hogendorp), òf wel door de gewezen stemhebbende steden onmiddellijk, waarbij dan de Provinciale Staten nog eenige afgevaardigden zouden voegen, men moet verstaan voor het platteland. Hogendorp wierp tegen, dat op die wijze de algemeene belangen voortdurend onderworpen zouden kunnen zijn aan het behagen van eenige jonkers uit de landprovinciën. Het eind was dat hij zijn pairs, de Vorst zijn »adel der Vereenigde Nederlanden" en zijn hoogerhuis opofferde.

[196] _Ontstaan_ I, 504.

[197] _Ontstaan_ I, 32.

[198] _Br. en Ged._ V, 82.

[199] En zouden dus één vierde hebben uitgemaakt van het aantal leden, door iedere provincie naar de Staten-Generaal af te vaardigen.

[200] _Br. en Ged._ V, 82.

Tegelijk werd afgesproken, dat de naar 's Vorsten opmerkingen omgewerkte _Schets_ aan de commissie als leidraad zou dienen, en dat het resultaat harer beraadslaging, zoo mogelijk in Januari 1814, ter goed- of afkeuring zou worden onderworpen aan eene vergadering van 5 à 600 notabelen, welke zich na aanneming der grondwet constitueeren zou tot eene »algemeene groote Statenvergadering," om den eed des Vorsten te ontvangen en hem in staat te stellen tot invoering der grondwet, en vervolgens »na weinige dagen" heen te gaan, waarop de eerste constitutioneele vergadering van Staten-Generaal geopend zou worden op 1 Nov. 1814[201].

[201] _Ontstaan_ I, 35-36.

Terzelven dage dat de Vorst Hogendorp zijne aanmerkingen op de _Schets_ toezond, moet hij Falck last gegeven hebben, het besluit tot bijeenroeping der commissie op te maken; hij zal hem de personen genoemd hebben die hij zelf er in wenschte, en andere namen aan Falck hebben gevraagd[202]. Het denkbeeld schijnt daarbij te zijn geopperd ook aan de ministers[203] zitting te verleenen[204]; hiervan is echter afgezien[205]. Van een bezoek van den Vorst aan Hogendorp tusschen 15 en 20 Dec. is niets bekend, en in schrift is er geen bewijs gevonden dat hij over de personen geraadpleegd is. De namen zullen hem 20 Nov. zijn onderworpen bij conversatie; maar alles wijst er dunkt mij op dat de Vorst bij de keus van oud-oranjemannen vooral met zijn eigen herinneringen te rade is gegaan, en voor die van oud-patriotten met het iederen dag meer door hem gewaardeerd inzicht en de ondervinding van Falck[206].

[202] Dit valt af te leiden uit _Ontstaan_ I, 36. Van's Vorsten zijde zullen ongetwijfeld zijn opgegeven Aylva, van Lynden, van Tuyll, groote namen uit de oude Oranjepartij; van Heerdt, jaren lang zijn vertrouwde dienaar; Humalda, Lampsins, Schimmelpenninck, met welke hij in de jaren na '95 gedurig in correspondentie was geweest. Hogendorp sprak natuurlijk vanzelf; ook van der Duyn en Repelaer om de positie die zij toen innamen. Van Maanen en Elout zullen niet het minste bezwaar bij den Vorst ontmoet hebben als representanten van de na '95 tot aanzien gekomen wereld. Falck heeft daarna nog voorgeslagen Röell en Heerkens.

[203] Als zoodanig waren toen in functie (onder den titel van commissaris-generaal) behalve de door van der Duyn vervangen Hogendorp en de niet den titel van commissaris-generaal voerende van Maanen: van Stralen (binnenlandsche zaken), Canneman (financiën), Bentinck van Buckhorst (oorlog). Benoemd, maar nog niet in functie getreden, was van der Hoop (marine).

[204] _Ontstaan_ I, 36.

[205] Het was toen reeds duidelijk dat de Vorst nòch met van Stralen nòch met Canneman veel ophad: Falck's _Gedenkschriften_, 120.--Bentinck had een in die dagen buitengemeen drukken post en was overigens ook geen man voor een dergelijke commissie.

[206] Falck's _Gedenkschriften_, 125.

De personen, 21 Dec. benoemd, waren veertien in getal. Tellegen heeft gemeend ze naar de (toen nog bestaande) Fransche departementen te moeten schikken; er zouden er dan vier komen op de Monden van de Maas, drie op de Zuiderzee, twee op den Boven-IJsel, twee op Friesland, één op de Monden van de Schelde, één op de Monden van den IJsel, één op de Wester-Eems. Ik geloof niet dat dit vermoeden grond heeft: de wanverhouding tusschen het groote departement van de Zuiderzee met drie[207], en het minder bevolkte der Monden van de Maas met vier leden zou te opvallend zijn[208]. Denkt men aan de oude provinciën, dan zouden er zes leden komen op Holland (van der Duyn, Elout, Hogendorp, van Maanen, Repelaer, Röell), twee op Gelderland (van Lynden, Schimmelpenninck), twee op Friesland (Aylva, Humalda), een op Zeeland (Lampsins), Utrecht (van Tuyll), Overijsel (van Heerdt) en Groningen (Heerkens). Doch nòch eene schikking naar departementen, nòch eene naar oude provinciën, is in het besluit genoemd; de leden zijn daar vermeld in alphabetische volgorde. Dit is echter zeker, dat men geen der oude provinciën zonder een lid heeft willen laten[209]. Toen later bleek dat Heerkens, hoewel van Groningsche familie, te Venlo geboren was, heeft men hem voor de Generaliteitslanden laten gelden, en een ander (van Imhoff) voor Groningen er bij benoemd. De ware reden, waarom men oorspronkelijk het oog op Heerkens gevestigd had, was, dat hij katholiek was, en Falck er stellig een katholiek in wenschte te hebben, dien hij alleen had kunnen plaatsen voor Groningen als nog niet van een lid voorzien gewest[210].

[207] Welk getal dan nog alleen bereikt wordt door den Hagenaar Elout, wiens familie uit Haarlem was, bij de Zuiderzee te tellen.

[208] D'Alphonse's _Aperçu_ geeft aan de Zuiderzee 500.656 inwoners; aan de Monden van de Maas 389.214.

[209] _Ontstaan_ I, 36 (»wij moeten een Groninger hebben").

[210] _Ontstaan_ I, 37.--Wat Falck daar schrijft dat de Groninger uit de Stad moet zijn, is blijkbaar een gevolg van het levendig beklag door P.G. van Iddekinge bij den S. V. gedaan, dat zijn _beide_ commissarissen in de Wester-Eems (Lewe en Alberda) Ommelanders zijn (_Ged._ VI, Inl. 3e stuk, CLXXXIII).

In de vergaderingen hebben de leden niet naar de alphabetische orde, maar naar die van den leeftijd gestemd. In deze orde gaan wij ze hier bespreken, met uitschakeling van den president van Hogendorp (geb. 1762).

Willem Carel Hendrik baron van Lynden van Blitterswijk (1736-1816) behoorde tot een der aanzienlijkste geslachten van de provincie Gelderland, en had in zeer nauwe betrekking gestaan tot Prins Willem V. In 1758 in de ridderschap van het kwartier van Nijmegen beschreven, had hij van 1760 tot 1772 den post van tweeden secretaris der admiraliteit van Zeeland bekleed; vervolgens naar Gelderland teruggekeerd, was hij voor die provincie in de Staten-Generaal verschenen en is een dergenen geweest die het meest bevorderd hebben dat de Prins zich aan den overwegenden invloed van den hertog van Brunswijk gaandeweg onttrok. In 1778 had de Prins hem een groot bewijs van vertrouwen gegeven door hem te benoemen tot Representant van den Eersten Edele in Zeeland, een post tot 1795 door hem bekleed. Door deze benoeming werd van den regel afgeweken die in deze betrekking een Zeeuw verlangde; maar de provincie was toen zoo door kabalen verscheurd dat het geraden voorkwam er een »buitenlander" van aanzien te plaatsen. Van Lynden toonde zich in Zeeland een omzichtig man; volstrekt geen ultra-oranjeklant naar den Zeeuwschen smaak. Hij behoort tot degenen die altijd voor een vergelijk met de patriotten hebben gewerkt, en toen de, in Zeeland zoo bijzonder hevige, orangistische reactie in '87 de overhand nam, liep zijn positie een tijdlang groot gevaar. In 1795 was hij naar Gelderland teruggekeerd en had daar stil geleefd; den tijd der persoonlijke eerzucht lang te boven, had hij met het nieuwe regime, ook onder koning Lodewijk, nooit iets te doen willen hebben. Hij was daar volstrekt vreemd aan, ten minste aan de practijk daarvan; maar van nature gematigd, was hij niet geheel ontoegankelijk voor andere denkbeelden dan in zijn jeugd hadden gegolden.

Willem René baron van Tuyll van Serooskerken van Zuylen (1743-1839), in 1776 beschreven in de ridderschap der provincie Utrecht, broeder van de in de geschiedenis der Fransche letteren bekende Mevrouw de Charrière, was nog geheel een man van het oude régime. Minder bekwaam dan van Lynden, is hij dezen doorgaans in de beraadslaging gevolgd. Ook hij was sedert 1795 buiten alle bewind gebleven, maar zijn zoon was onder Lodewijk kwartierdrost van Utrecht en onder de Franschen onderprefect aldaar. Den 30sten Nov. was hij opgetreden onder de leden van het 2 Dec. door het Algemeen Bestuur gecasseerde Provinciaal Bestuur van Utrecht.

Willem Anne baron Schimmelpenninck van der Oye (1750-1818), in 1777 beschreven in de ridderschap van de Veluwe, had van 1791 tot 1795 den post bekleed van rigter van Arnhem en in Veluwenzoom; hij stond bij het Oranjehuis in aanzien en was in 1799 een dergenen geweest op wie men het meest rekende voor een tegenomwenteling in Gelderland. Lodewijk Napoleon had hem in 1808 tot staatsraad in buitengewonen dienst benoemd; tijdens de inlijving was hij buiten bewind gebleven. 4 Dec. was hij door het Algemeen Bestuur benoemd tot commissaris-generaal (prefect) in het departement van den Boven-IJsel, welken post hij nu nog bekleedde, te zamen met een collega, W. H. A. C. baron van Heeckeren van Kell[211]. Een van de bewijzen van de haast waarmede de lijst van commissieleden is opgemaakt,[212] is dat men zich blijkbaar niet vergewist heeft of Schimmelpenninck te Arnhem kon worden gemist. Blijkbaar niet, en om redenen die hij aannemelijk heeft weten te maken[213], want hij is nimmer verschenen. Daar er geen ander in zijn plaats is benoemd, vermoed ik dat hij eerst gedacht heeft spoedig te zullen kunnen komen; toen de redenen van verhindering permanent bleken[214] zal men de beraadslaging te ver heen hebben geacht om er nog een ander in te laten vallen.

[211] De prefecturen werden door het Algemeen Bestuur bij voorkeur dubbel bezet.

[212] Andere bewijzen in de correspondentie van Falck en van Maanen over de benoeming van Röell en van Heerkens (_Ontstaan_ I, 36-37).

[213] Zoolang Gorkum en Nijmegen niet over waren, en er nog zooveel vreemde troepen door Gelderland trokken, was het voor de militaire belangen lang niet onverschillig hoe de Arnhemsche prefectuur was bezet.

[214] Nijmegen werd ontruimd 6 Januari, doch Gorkum eerst overgegeven 20 Februari.

Hans Willem baron van Aylva (1751-1827), in 1772 volmacht van Baarderadeel, in 1780 grietman van het Bildt, in 1788 van Baarderadeel, had in den tijd dat de meerderheid der Friesche aristocraten met Willem V overhoop lag, tot de patriotsche partij behoord en zelfs deelgenomen aan de nationale vergaderingen van patriotsche regenten te Amsterdam, maar na eenige jaren evenals de anderen zijn vrede met den Prins gemaakt, bij wien hij vervolgens zeer in de gunst kwam. In de laatste jaren voor '95 zat hij geregeld voor Friesland in de Staten-Generaal en stond als hofmaarschalk in dagelijksch verkeer met de stadhouderlijke familie. Over zijn houding in 1795 en 1799 is reeds gesproken[215]; zij was vrij tegemoetkomend tegenover de nieuwere denkbeelden. Onder Schimmelpenninck en koning Lodewijk was hij lid geweest van het Wetgevend Lichaam; onder Napoleon had hij geen ambten bekleed. Op enkele punten, als de godsdienst van den Souvereinen Vorst, stond Aylva met Friesche hoofdigheid op zijn stuk, maar over het geheel ging hij met de nieuwe opvattingen mede. Op van Heerdt na, was hij van al de leden der commissie degeen dien de Vorst van vroeger het best kende. Deze persoonlijke verhouding in aanmerking nemend, houd ik het voor zeer waarschijnlijk dat de Vorst hem behalve over de _Schets_ in het algemeen, ook over de keuze der commissieleden geraadpleegd heeft.

[215] Hiervóór, bl. 17 noot.

Mr. Apolonius Jan Cornelis Lampsins (1754-1834), uit het bekende oude Zeeuwsche geslacht van dien naam, maar uit een tak die naar Amsterdam was overgeplaatst, was zijn loopbaan begonnen in de groote stad, waar hij in 1780 schepen en in 1784 lid der vroedschap werd. Hij behoorde tot de oranjegezinde fractie in dat college, en werd in April '87 door de patriotten geremoveerd. Hij bevond zich op dat oogenblik te Parijs, half voor zijn genoegen, half om er voor de oranjepartij de gangen van den Rijngraaf van Salm na te gaan. Hij was een man met zin voor politieke intrigue, die zich te Parijs zeer thuis gevoelde; hij is er tot in 1789 gebleven en vervolgens niet naar Amsterdam teruggekeerd, daar hij inmiddels tot baljuw van Vlissingen benoemd was. In 1795 week hij naar Duitschland uit, maar heeft in dat jaar en in '96 onderscheiden inspectiereizen naar de gerevolutionneerde Republiek gedaan, waarover hij merkwaardige verslagen aan den Erfprins uitbracht: zij raden een poging tot gewelddadige tegenomwenteling ten sterkste af, daar het oude nimmer terug zal kunnen keeren. Na deze reizen vestigde hij zich te Brunswijk, verkeerde er aan het hertogelijk hof en beheerde met Tollius een soort agentschap voor de overbrenging van nieuws uit en over de Republiek aan het Oranjehuis en de mogendheden. Later heeft hij te Dessau gewoond en was kamerheer-titulair van den koning van Pruisen; in 1807 is hij naar het vaderland teruggekeerd en is gaan wonen te Utrecht, waar hij ambteloos bleef tot den opstand. Lampsins was een man die begreep waar de tijd heendreef; alleen op het punt van de positie der Hervormde Kerk toonde hij zich zeer aan het oude gehecht, naar het schijnt vooral uit vrees van door de Katholieken te worden overheerd na de vereeniging met België. Overigens geen man die zich in de commissie veel inspanning heeft getroost of er eene rol van beteekenis heeft gespeeld.

Jhr. Idzerd Aebinga van Humalda (1754-1834), vóór '95 grietman van Hennaarderadeel, week in dat jaar naar Oostfriesland uit en zocht in verstandhouding met den Erfprins en de Engelsche regeering een tegenomwenteling in zijne provincie te bewerken. Hij onderhield tot dit doel geregelde betrekkingen met partijgenooten binnenslands, maar werd daarbij het geloovig werktuig van lieden van dubbelzinnig karakter, die meer opgaven dan zij verantwoorden konden, en toen de tijd om te handelen in 1799 gekomen was, liep de geheele zaak op niets uit. Humalda is een dergenen die het langst aan de mogelijkheid van een tegenomwenteling hebben geloofd; nog in 1802 schrijft hij in dien geest aan den in Duitschland aangekomen Willem V, die zelf dan alle hoop reeds lang heeft laten varen. Hij had zich voor de zaak van Oranje bijzonder veel moeite en opofferingen getroost, en zijn benoeming in de commissie, evenals die tot gouverneur van Friesland die er op volgde (29 April 1814), is wellicht als eene erkenning daarvan aan te merken. Hij was meer een karakter dan een capaciteit en is in de commissie niet zeer naar voren getreden. Na 1802 in het land teruggekeerd, had Humalda sindsdien geen posten bekleed dan dien van maire van Wommels (1811).

Mr. Ocker Repelaer van Driel (1759-1832), uit een Dortsch regentengeslacht, in 1787 lid van de vroedschap zijner vaderstad geworden, bekleedde in 1794 den post van commissaris-generaal tot de vivres bij het leger der Republiek, en werd gedurende den winterveldtocht door van de Spiegel gebruikt tot de vruchtelooze onderhandeling met den Franschen volksrepresentant Lacombe St. Michel te 's-Hertogenbosch, en vervolgens met Brantsen naar Parijs gezonden met een vredesvoorstel aan het Comité de Salut Public. Nadat door het wapensucces der Franschen alle kans voor de oude Republiek verkeken was, had hij bij de Comitéleden Pelet de la Lozère en Cambacérès trachten te bewerken dat Nederland althans niet gejacobiniseerd zou worden; dat men er beproeven zou »une réunion des talens et des propriétés,"[216] de reconstructie van 1801 met andere woorden, waarvoor het in '95 nog de tijd niet was. Naar den Haag teruggekeerd, was hij voortgegaan voor dit denkbeeld te werken, sprak er gematigde patriotten over, correspondeerde er over met den uitgeweken Prins. De ontdekking dezer briefwisseling door het Hollandsche Comité van Waakzaamheid leidde tot zijn inhechtenisneming. Na een langdurig proces, waarin zijn vriend van later tijd en medelid van thans, van Maanen, toen procureur-generaal van Holland, zijn hoofd eischte, werd hij in '97 tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld, die hij uitzat op de Voorpoort van den Hove. In 1801 losgekomen associeerde hij zich met den notaris de Bas voor een zaak in fondsen en scheepvaartbelangen, en werd in 1803 lid van den Amerikaanschen Raad, welke functie hij onder Schimmelpenninck behield[217]. Lodewijk Napoleon maakte hem Staatsraad, aan welke benoeming hij zich eerst trachtte te onttrekken; tijdens de inlijving bleef hij ambteloos, en maakte deel uit van Hogendorp's vriendenkring ter voorbereiding aan den opstand. Het was door zijn tusschenkomst en die van zijn zwager Singendonck, tevens zwager van Falck, dat Hogendorp en Falck van elkanders werk vernamen, waarop Hogendorp Falck tot secretaris zijner Staten-Generaal doodverwde, al had hij hem nog niet persoonlijk ontmoet[218]. In de Novemberdagen toonde Repelaer zich niet tegen de taak van revolutieleider opgewassen en ging naar Engeland zonder noodzaak, hoewel zijne plaats aan Gijsbert Karel's zijde geweest ware[219]. Door zijn intieme bekendheid met den Erfprins in 1794, de vermaardheid van zijn proces, en de omstandigheid dat hij te Londen (veel beter dan de minder in de zaken ingewijde Jacob Fagel en de Perponcher) den Prins het eerst van allerlei dingen en omtrent allerlei personen had kunnen inlichten, bekleedde hij thans in 's Vorsten oog eene positie onmiddellijk na Hogendorp en van der Duyn, eene positie uit welke hij later wel wat wegzakken zou. Ook in de grondwetcommissie toonde Repelaer zijn conciliantenaard. Hij stelde bijzonder belang in de zaken van den waterstaat, en werd weldra tot directeur-generaal van dit vak benoemd.

[216] _Ged._ I, 609; vgl. _Ged._ II, 819.

[217] Ten onrechte deelt van der Aa mede (en heeft daaruit Tellegen's eerste druk op bl. 58 noot), dat hij onder het Staatsbewind en onder Schimmelpenninck lid van het Wetgevend Lichaam was.

[218] Falcks _Gedenkschriften_ 77; _Br. en Ged._ IV, 250.

[219] _Br. en Ged._ V, 24; _Ged._ VI, 3e stuk, bl. LXXIII, 1742.

Timon Cornelis baron van Heerdt (1761-1844) was in 1786 in de ridderschap van Overijssel beschreven en maakte in de laatste jaren voor '95 deel uit der prinselijke hofhouding. Hij volgde Willem V in de ballingschap, vergezelde in 1799 als diens gemachtigde de expeditie van Abercromby, en bleef gedurende den ganschen tijd tot 1813 de personen van Willem V en VI trouw ter zijde. Willem VI had hem veel gebruikt in vertrouwelijke zendingen, in 1809 en 1811 naar Engeland en in 1812 naar den Erfprins in Spanje; op den terugweg van de laatste zending was hij te Hamburg door de Fransche politie in hechtenis genomen en naar Parijs gevoerd, waar Napoleon uit zijne papieren kennis kreeg van 's Prinsen verlangen, zijn zoon den Erfprins met Charlotte van Engeland te doen huwen. Op voorspraak van den koning van Pruisen, toen nog Napoleon's bondgenoot, raakte hij vrij en mocht naar zijn meester terugkeeren; de papieren bleven te Parijs en zijn eerst in 1814 teruggegeven[220]. In de commissie heeft Heerdt geen rol van eenige beteekenis vervuld; hij deed zich intusschen geenszins kennen als een blind voorstander van het oude.

[220] _Ged._ VI, 1e Stuk, bl. XXXVII.