De Wedergeboorte van Nederland

Part 10

Chapter 103,508 wordsPublic domain

Onder dit laatste behoorde niet alleen 's vorsten eed en zijne inhuldiging door de groote vergadering, maar tevens de beraadslaging over de vraag: hoe de grondwet zoude ingevoerd worden, hoe in 't bijzonder de leden der Staten-Generaal, der provinciale staten, der stedelijke besturen, der rekenkamer voor de eerste reize zouden worden benoemd. Er heerschte, schreef lord Castlereagh reeds den 8sten Januari 1814, na een met Hogendorp gehouden gesprek, zulk een vertrouwen op den vorst, dat de eerste keuze der Staten-Generaal aan hem zoude worden opgedragen[162]. Hierover, evenmin als over de vervulling der andere collegiën, bestond dan ook tusschen de leden der commissie verschil van gevoelen; men begreep, dat de notabelen namens de natie den souvereinen vorst daartoe moesten machtigen. Eene daartoe strekkende bepaling werd dan ook gevonden in art. 4 van het den 7den Februari in behandeling genomen ontwerp-besluit door de notabelen te nemen. En hoewel--zooals ik gezegd heb--dit besluit als zoodanig ter zijde werd gesteld, zoo bleef toch de commissie dit denkbeeld aankleven. Men kwam echter meer en meer tot de overtuiging, dat over dit punt niet afzonderlijk, maar tegelijk met de constitutie moest gehandeld worden, hetzij dit als additioneel artikel in de grondwet werd opgenomen, of in de akte van opdracht daarvan melding gemaakt werd. De souvereine vorst meende, dat hij deze kwestie het best met den president van de groote vergadering kon overleggen. Het einde van alles was dan ook, dat de commissie in haar finaal rapport van 2 Maart het volgende tot den vorst zeide: »Wij achten het nog belangrijk éen woord te zeggen over de wijze, waarop de grondwet zal kunnen worden ingevoerd. Wij twijfelen geenszins of de groote vergadering zal wel het beste en eenige middel daartoe kiezen, door de invoering en de benoeming der gestelde collegiën voor de eerste reis aan U. K. H. op te dragen".

[161] _Ontstaan_ I, 384.

[162] Brief van 8 Januari 1814 aan Lord Liverpool (_Ged._ VII, 26). Lord Castlereagh bevond zich in die dagen in den Haag op reis naar het hoofdkwartier der geallieerden.

Onder het licht van dit alles wordt veel duidelijk van hetgeen op den 29sten en 30sten Maart 1814 bij de aanneming der grondwet en de beëediging en inhuldiging voorviel. De stem der natie had zich niet verheven tegen de keus der 600 notabelen[163]. Deze kwamen echter niet allen op. Van de 600 bleven er 126 te huis, zoodat hun getal tot 474 werd teruggebracht. De dag van den 29sten Maart 1814 was voor de aanneming der grondwet bepaald. In de Nieuwe Kerk kwamen daarvoor des voormiddags te 9 uur de notabelen bijeen. Aan de commissie van 14 Februari 1814 was opgedragen hen door het lot in 10 afdeelingen te verdeelen. Tot president werd door het eerst benoemde lid der commissie, van Lynden van Hoevelaken, namens den souvereinen vorst uitgeroepen de heer van Nagell van Ampsen, vóor 1795 extra-ordinair ambassadeur in Engeland en sedert ambteloos burger. Heeft hij eene vergadering geleid, die op den naam van ernstige vergadering aanspraak kan maken, of waren het _vele solemnia en weinig zaken_? Tegen half elf uur trad de souvereine vorst met zijne beide zonen, omgeven door de herboren hofhouding, door de hoogste dienaren van den staat, door de commissie van constitutie, de kerk binnen. De souvereine vorst hield »op eene zeer aandoenlijke en plechtige wijze eene aanspraak"[164]. Het lid der commissie voor de constitutie, van Maanen, hield daarop »met de hem eigen welsprekendheid"[165] eene redevoering over de beginselen en den geest der grondwet. Na het vertrek van den vorst volgde het onderzoek of liever de stemming in de afdeelingen. Daar het lot de notabelen had gerangschikt, moeten de meesten elkander vreemd zijn geweest. Toch waren er onder, die bedenkingen wilden voordragen. Dit was echter niet de bedoeling. Men was daar geroepen, niet om te debatteeren, maar om te stemmen. De bedenkingen die men had, konde men schriftelijk indienen, en de president der vergadering zoude die aan den souvereinen vorst overgeven[166]. Er werd dus gestemd, en van de 474 stemden er 448 voor en 26 tegen. In een paar uur was de zaak afgeloopen. De Vereenigde Nederlanden hadden een grondwet. De souvereine vorst kon met die aanneming in kennis worden gesteld, en die aanneming nog bij publicatie van denzelfden dag door hem aan het volk worden verkondigd.

[163] Metelerkamp, blz. 94, spreekt van »bijna algemeene goedkeuring." Zijn er dan nog enkelen geweest, die met sommige personen geen genoegen namen? Men kan op die vraag geen antwoord geven, zoolang de registers niet toegankelijk zijn.

[164] Metelerkamp, 101.

[165] Aldaar, 195.

[166] Aldaar, 197. Reeds den 11den Maart 1814 had het lid der grondwetcommissie, van Aylva, tevens opperhofmaarschalk van den souvereinen vorst, aan zijn medelid in de commissie Röell geschreven, dat de constitutie zonder debat moest worden aangenomen of verworpen (Archief Röell).

»Niet minder luisterrijk en aandoenlijk was de plechtigheid, waartoe"--zegt Metelerkamp[167]--»de volgende dag bestemd was". De vergadering werd door den voorzitter geopend met »eene eerbiedige aanspraak aan den souvereinen vorst", door dezen »op eene treffende en aandoenlijke wijze" beantwoord. Ook werd der vergadering daarbij mededeeling gedaan van het aanstaande huwelijk van den oudsten zoon van den souvereinen vorst met de engelsche prinses Charlotte. Daarop legde de souvereine vorst den eed af, »met eene duidelijke maar getroffen stem". De eed werd gevolgd door de inhuldiging, bestaande in het afleggen van den eed van getrouwheid door den president, onder het uitsteken van de rechterhand door al de leden.

[167] Blz. 205.

En de wapenheraut riep driemaal met luider stemme: »Leve Willem Frederik, souverein vorst der Vereenigde Nederlanden!"

Eindelijk zette eene godsdienstige redevoering van prof. Haack de kroon op dit alles.

_Vele solemnia en weinig zaken._

Toch blijft het opmerkenswaard, dat éen punt, waarover in de commissie zooveel gedebatteerd was, geheel en al ongeregeld bleef. Ik bedoel de invoering der grondwet, de eerste vervulling der collegiën. De grondwet zweeg er over. In de vergadering van 29 Maart werd er geen woord van gerept. In de afdeelingen schijnt hetzelfde het geval te zijn geweest. Ook de zoogenaamde akte van inhuldiging, zijnde het proces-verbaal van het op 30 Maart voorgevallene, zwijgt over dit punt. De eenige omstandigheid, waaruit blijkt, dat dit punt niet vergeten was, is eene zinsnede uit de aanspraak, die de souvereine vorst vóor het afleggen van den eed in antwoord op de rede van den heer van Nagell uitsprak. De souvereine vorst zeide: »Ik weet, M. H.! dat ik uwer aller wenschen te gemoet kome door te zorgen voor de onverwijlde invoering der grondwet, en door te dezen einde alle die maatregelen te nemen en alle die aanstellingen te doen, zonder welke hare werking nog lang onvolledig en gebrekkig blijven zoude"[168]. Diensvolgens werd dan ook in de publicatie over de aanneming der grondwet gezegd, dat de souvereine vorst dadelijk zou overgaan tot het invoeren der grondwet en tot het benoemen van die hooge staats-beambten en collegiën, door welker raad of gezag zij gewild had, dat de macht van den souvereinen vorst zoude worden omschreven en beperkt[169]. Men schijnt ten slotte te hebben begrepen, dat het op deze wijze ook wel kon gaan, en dat een opzettelijk debat over dit onderwerp zijne bedenkelijke zijde had.

[168] Metelerkamp, 217.

[169] Aldaar, 227. Zie ook de aanspraak van den souvereinen vorst in de eerste bijeenkomst der Staten-Generaal den 2den Mei 1814.

Was er inderdaad grond voor het streven der grondwetcommissie, om met het redden van den schijn, tevens te zorgen dat de zaak zonder stoornis of tegenkanting afliep? Men zal het niet licht beamen. In die dagen ontbrak alle zucht naar zelfregeering en politieke vrijheid. Wanneer er iets was, wat in den lande naar publieken geest zweemde, dan was het de algemeene blijdschap over het aftrekken van den vreemden overheerscher, en over de herstelling van het huis van Oranje. Er is veel waars in de woorden van van Assen[170]: »de geestdrift, waarmede de bewoners dezer gewesten den vorst als redder terugontvingen, maakte hen geheel onbezorgd over de voorwaarden der regeering". Ja, men had desnoods de grondwet aan de bekrachtiging van het algemeen stemrecht kunnen onderwerpen, zonder dat de uitkomst anders ware geweest dan nu in de vergadering van die 474 notabelen, meest allen genomen uit den kring der edelen en patriciërs, versterkt met hen, die na 1795 zich op gelijke lijn met genen hadden weten te plaatsen. Wat nog eenige kracht had, wat nog snaren konde doen trillen, was het stuk van den godsdienst. Het schijnt toch, dat de 26 stemmen tegen hoofdzakelijk hieraan toe te schrijven zijn, dat men òf uit een streng hervormd standpunt geen vrede had met het niet weder oprichten der staatskerk, òf uit een roomsch-katholiek standpunt de eenigszins bevoorrechte positie der hervormde kerk niet kon goedkeuren. Slechts een enkele, zooals van Swinden, stemde tegen om constitutioneele beginselen. Hij, een verouderde doctrinair, had onder anderen geen vrede met de bepaling, waarbij het recht van oorlog en vrede in handen van den souvereinen vorst alleen gelegd was.

[170] De Bosch Kemper, _Letterkundige Aanteekeningen_, blz. 462.

Doch ik loop vooruit op de beschouwing over den inhoud der grondwet.

Wat werd er onder die grondwet van de nederlandsche maatschappij, wat van den regeeringsvorm?

* * * * *

Wat ik bij dit en de volgende hoofdstukken van Tellegen heb op te merken, wordt het best gegeven in den vorm van aanteekeningen. Ik maak daarbij, voor die op de hoofdstukken III-V, meer dan eens gebruik van het uitnemend proefschrift, door Mr. B. D. H. Telligen Az., kleinzoon van onzen schrijver, in 1912 te Groningen verdedigd: _Overzicht van het tot stand komen der Grondwet van 1814_.

* * * * *

_Hogendorp's Schets_ (hiervóór, bl. 72).--Tellegen kent deze alleen in de redactie, waarin zij ten grondslag gelegd is aan de beraadslagingen der commissie. Sedert hij schreef zijn er twee andere redacties aan het licht gebracht: de oorspronkelijke in het najaar van 1812 opgesteld, en een gewijzigde, aan den Souvereinen Vorst voorgelegd bij diens terugkeer uit Amsterdam.

Het eerste ontwerp was, in den loop van 1813, door het geheim comité der vrienden van van Hogendorp goedgekeurd.[171] De zeer geringe wijzigingen en bijvoegingen, die men in de tweede redactie aantreft,[172] waren het gevolg van hunne aanmerkingen. De derde redactie vertoont wijzigingen, aangebracht naar aanleiding van opmerkingen van den Souvereinen Vorst, die eveneens aan Tellegen onbekend zijn geweest.

* * * * *

_Hetgeen ook nog in sommige hoofden spookte_ (hiervóór, bl. 73).--Dit houd ik voor geheel onjuist. Rechtskracht aan het nieuwe te doen verleenen door de vertegenwoordigers van het voorbijgegane, had in Hogendorp's hoofd gespookt, doch de eerste poging daartoe was op 18 Nov. zoo geheel te niet geloopen dat niemand zich eene herhaling voorstelde. Er is mij geen letter bekend waaruit blijken zou dat hetzij Hogendorp hetzij eenig ander na 2 Dec. er nog aan gedacht heeft, de vaststelling der grondwet aan oud-regenten als zoodanig te vragen;--en tot mij de letter voorgebracht zal zijn, weiger ik er aan te gelooven.

[171] _Ontstaan_ I, 1; _Br. en Ged._ V, 83.

[172] _Overzicht_ van B. D. H. Tellegen Az., 5.

* * * * *

_Wanneer, zooals waarschijnlijk is_ (hiervóór, bl. 74).--Hogendorp heeft volstrekt geen overwegenden invloed op de samenstelling der commissie gehad; hij is er zelfs niet in het bijzonder over geraadpleegd. De heele maand December en nog daarna kwam hij niet van zijn kamer af,[173] en de Vorst, die overstelpt was met werkzaamheden en zich bovendien tot zijn persoon niet zeer aangetrokken gevoelde, kwam niet druk bij hem. Den 15den December heeft hij over de gansche den Vorst in handen gegeven _Schets_ nog geen woord van dezen vernomen; hij dicteert dan (zijn hand nog niet tot zijn gebruik hebbende) een brief, waarin hij hem bij het heil zijner nakomelingschap bezweert, met de zaak voortgang te maken.[174] Nauwelijks waren deze woorden geschreven of de Vorst zelf trad binnen en onderging voorlezing van den brief.[175] Dat hij die noodig had, is mij niet gebleken.

[173] _Br. en Ged._ V, 43, 46.

[174] _Ontstaan_ I, 31.

[175] _Br. en Ged._ VI, 29.

De Vorst had de _Schets_ ontvangen na zijn terugkeer uit Amsterdam; ik denk 4 December (de terugkeer was 3 Dec. 's avonds). De eerste dagen gingen voorbij met militaire overleggingen (Bülow en Benkendorff in den Haag), die op dat oogenblik ook verreweg van den dringendsten aard waren;--met opdrachten ook aan verschillende personen tot onverwijlde inbezitneming van al wat tot het gebied der Vereenigde Nederlanden behoord had. Dan stroomde het van deputatiën en individuën die hun opwachting kwamen maken; ook viel kennis aan te knoopen met het in den Haag beschikbare regeeringspersoneel, voor een goed deel bestaande uit personen die de Vorst nimmer ontmoet had. Daaronder waren oud-patriotten in een vrij aanzienlijk getal: Falck, Canneman, van Maanen, Piepers. Falck stelde hem Elout voor,[176] die nog geen aanstelling had van het Algemeen Bestuur, maar reeds een groote carrière achter zich had, bij Hogendorp bekend en gezien was, en op den Vorst ook blijkbaar onmiddellijk indruk heeft gemaakt. 's Vorsten eigen oude bekenden kwamen voor en na uit de provinciën opdagen; in den Haag vond hij Aylva, vóór '95 in groot aanzien aan het hof en na '95 een der trouwste correspondenten van het huis gebleven. Onderwijl zag de Vorst ook de _Schets_ in en raadpleegde er dezen en genen over: Hogendorp noemt, in een aanteekening van 1830, Aylva, van Maanen en Elout.[177]

[176] Falck's _Gedenkschriften_, 126.

[177] _Ontstaan_ I, 1.

Dat de oude huisvriend Aylva kennis van het stuk kreeg, kan wel niet anders; een oordeel in schrift schijnt hij niet te hebben gegeven; het is althans niet bewaard.

Ten aanzien van van Maanen moet ik opmerken, dat Tellegen de verhouding tusschen hem en van Hogendorp niet geheel juist weergeeft. Hogendorp was hem vriendelijk gezind, sedert van Maanen hem geraden had hoe zijn klachten in te dienen tegen de aanwijzing van zijn zoon als garde d'honneur. Hij bezoekt hem eenige dagen vóór den 17den en vindt het hoofd der keizerlijke justitie in de beste stemming[178]; wederom na den 21sten: van Maanen is »allervriendelijkst" maar heeft niet den minsten lust openlijk mede te doen voor hij weet waarheen de zaken drijven[179], of zijn unieke positie op te offeren en met zijn Keizerlijk Gerechtshof het veld te ruimen voor »alle de Hoven Provintiaal, zooals dezelve bestonden in de jaren 1794 en 1795"[180]. Hij redt er zich dus uit met het verhaaltje over Filips II; de heeren, zegt hij, moeten inmiddels maar door middelen van politie kracht aan hunne wetten geven. »Volgens mijne gewoonte", schrijft Hogendorp, »liet ik het daarbij; genoegzaam zeker, dat hij zooveel mede zou werken als hij doen kon, zonder zich openlijk bloot te geven". Dit was van Maanen goed beoordeeld: hij was er volstrekt de man niet naar, zich op te offeren voor een verloren zaak, en des Keizers zaak heeft hij verloren beschouwd na de aankomst der bondgenooten te Utrecht en van den Prins in den Haag. Den 1sten Dec. laat hij la Cour impériale de la Haye in allen vrede omdoopen in Hooggerechtshof der Vereenigde Nederlanden. Natuurlijk is het hoofd der justitie onmiddellijk in aanraking gekomen met den Vorst, wien hij reeds te Londen door zijn buurman en huisvriend Repelaer sterk was aanbevolen[181]. Den 7den Dec. werd hij in den kabinetsraad geroepen met de functiën, hoewel nog niet met den titel, van minister van justitie. Is hij ook over de _Schets_ geraadpleegd, en door wien?

[178] _Br. en Ged._ V, 29.

[179] _Ged._ VI, 1740.

[180] _Br. en Ged._ IV, 247.

[181] Falck's _Gedenkschriften_, 122.

In 1836 schrijft van Maanen aan Thorbecke, dat hij geen andere redactie der _Schets_ kent, dan die in de commissie gediend heeft.[182] Nu trekt het de aandacht dat, onmiddellijk na het openen der eerste vergadering, van Maanen een rede houdt die de _Schets_ in het hart treft, en dat hij in zijn eigen aanteekeningen een duidelijk onderscheid maakt tusschen leden die de _Schets_ al, en die ze nog niet gelezen hebben, en zichzelven tot de eerste categorie brengt.[183]

[182] _Ontstaan_ I, 70.

[183] _Ontstaan_ I, 82.

In zijn brief aan Thorbecke heet het, dat de gedrukte _Schets_ aan hem en eenige anderen »vroeger was rondgedeeld", doch _veel_ vroeger kan dit onmogelijk geweest zijn, aangezien volgens Röell de president zijne geschreven analyse juist hierom voordroeg, wijl hij onderstellen moest »dat de leden het pas voor een uur afgedrukt project nog niet geheel mogten gelezen hebben"[184]. Zou van Maanen nu inderdaad zelfs van het algemeen karakter der _Schets_ geen kennis gedragen hebben, eer hij het gedrukte exemplaar in handen kreeg? Het is onmogelijk aan te nemen. Hij verkeerde intiem beide met Falck en met Elout, en deze twee wisten lang vóór de benoeming der commissie van de _Schets_ alles af. Trouwens 20 Dec. deelt van Maanen _sub rosa_ aan Röell mede, dat van Hogendorp eene schets van grondwet gemaakt heeft, en daarom _zeker_ in de commissie zal komen; tevens blijkt dat op den ochtend van dien dag tusschen Falck, Elout en van Maanen geconfereerd is over de keus der in de commissie te benoemen personen, en dat men daar is overeen gekomen een sterke poging te doen bij Röell, om dezen tot het aannemen eener benoeming over te halen[185]. Is het nu denkbaar dat bij dit alles het karakter der _Schets_ van van Hogendorp geheel buiten bespreking is gebleven? Veeleer stel ik mij voor dat juist omdat de _Schets_ zoo was als zij was, Falck, Elout en van Maanen zoo grooten prijs op het lidmaatschap van Röell hebben gesteld, wiens denkbeelden zij kenden en dien zij voor een niet te versmaden bondgenoot moesten houden.

[184] _Ontstaan_ I, 78.

[185] _Ontstaan_ I, 36.--Röell, niet bijzonder meer op posten gesteld, had zich tot dusver op een afstand van de zaken gehouden.

Niet slechts Falck en Elout hebben van Maanen over de _Schets_ en de keuze van commissieleden aangesproken, maar, blijkens zijn brief aan Thorbecke van 1836, de Souvereine Vorst zelf. Wat van Maanen bij die gelegenheid uit of over de _Schets_ vernam, vond hij later alles in het gedrukte stuk terug, zoodat hij aan Thorbecke kon verklaren dat er geen ander stuk was geweest. Dit is natuurlijk niet juist; maar wèl juist is zijne mededeeling, dat de _Schets_ zooals zij in de commissie diende niet was voortgekomen uit de beraadslagingen »eeniger staatsmannen"[186]. De veranderingen in de tweede redactie aangebracht zijn uitsluitend het gevolg van Hogendorp's overleggingen met den Vorst[187], waarvan van Maanen geene kennis heeft gedragen.

[186] Zooals van Hogendorp zich in 1823 had uitgedrukt in het 7de deel zijner _Bijdragen_, bl. 148 (vgl. _Ontstaan_ I, 69).

[187] Men vergelijke slechts de derde redactie met de tweede, en vervolgens met 's Vorsten aanmerkingen (_Ontstaan_ I, 32).

Wat de opinie van van Maanen over de _Schets_ betreft, deze blijkt duidelijk uit de beraadslagingen der commissie. Reeds vóór zij bijeenkwam, moet hij zich in afkeurenden zin hebben uitgelaten. »Ik weet", schrijft 21 April 1877 Elout's zoon aan van Maanen's kleinzoon, »dat de _Schets_ althans aan wijlen den Heer Minister van Maanen daarna[188] ook werd medegedeeld[189] en deze allereerst van oordeel was dat de keizerlijke constitutie met wijziging van namen enz. zouden kunnen voldoen aan het oogmerk".[190] Merkwaardig stemt met deze traditie overeen wat Hogendorp in 1817 schrijft: »van Maanen meende eerst, dat men alles kon behouden zooals het was, en den Prins slegts behoefde in de plaats van den Keizer te stellen".[191] De raad van Fouché aan de Bourbons: »se coucher dans le lit de Napoléon".

[188] Te weten, na de mededeeling aan Elout (zie beneden).

[189] Ik vermoed, naar den inhoud (zie boven).--De wandeling, die het door Hogendorp in folio geschreven exemplaar der tweede redactie (nog onder zijn papieren aanwezig) moet hebben afgelegd, is: 4 Dec. aan den S. V., vervolgens waarschijnlijk Aylva; 9 Dec. of daarvóór in handen van Falck; 9 Dec. naar Elout; vóór 13 Dec. van dezen aan Falck terug (zie _Ontstaan_ I, 504); 19 Dec. van den S. V. aan Hogendorp terug (zie _Ontstaan_ I, 32).

[190] Brief berustende op het Rijksarchief bij de stukken van van Maanen.

[191] _Br. en Ged._ V, 84.

Als derde, die van de _Schets_ in tweede redactie kennis zou hebben gehad, noemt van Hogendorp in 1830 Elout. Zijn oordeel is in geschrifte bewaard. Hij ontving het stuk van Falck, 9 Dec. 1813, en wel »op uitdrukkelijk verlangen van den Heer van Hogendorp,"[192] nam er copie van, en stelde er korte aanteekeningen op voor zichzelf[193] en een uitgebreidere voor van Hogendorp.[194] Met deze laatste was Falck »het bijna onvoorwaardelijk eens."[195] De kern der opmerkingen van Elout is deze: »Kon men zich verplaatsen in het tijdvak van 1787 of vroeger, de ontworpen schets zou zeer groote waarde hebben; maar gedane zaken nemen geen keer, en _nu_ is het bedenkelijk het nieuw op te trekken gebouw te vestigen op gronden welker wederinroeping onmogelijk schijnt." De gewichtigste opmerking van bijzonderen aard: »Is het doelmatig te bepalen, dat de Staten der Provinciën blijven op den ouden voet, dat is zooals voor 1795? Vervalt niet die oude voet alleenlijk daardoor, dat men hun de Souvereiniteit beneemt?"

Vermoedelijk heeft Elout 13 of 14 December zijne bedenkingen bij Hogendorp mondeling toegelicht,[196] maar zekerheid bestaat op dit punt niet. Tot wijzigingen in de _Schets_ hebben zij geen aanleiding gegeven; met een enkele wijziging van détails was er trouwens niet aan te gemoet te komen. De strijd van denkbeelden, thans geopend, zou in de commissie moeten worden uitgevochten.

[192] _Ontstaan_ I, 503.

[193] _Ontstaan_ I, 503.

[194] _Ontstaan_ I, 39.

[195] _Ontstaan_ I, 504.