De Wedergeboorte van Nederland

Part 1

Chapter 13,438 wordsPublic domain

Produced by André Engels and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net

+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van de | | bijbehorende alinea. De door Colenbrander toegevoegde tekst is | | t.o.v. de linkermarge enkele spaties ingesprongen weergegeven. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. De aan het | | eind van het boek aangegeven drukfouten zijn gecorrigeerd. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven | | als _cursief_. | | | | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als | | »aanhalingstekens". | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De kruisverwijzingen in deze tekst zijn gelinkt bij de | | html-versie van dit e-boek op http://www.gutenberg.org | | | +----------------------------------------------------------------+

Boek- en Kunstdrukkerij S. W. MELCHIOR--Amersfoort.

DE WEDERGEBOORTE VAN NEDERLAND

DOOR

Mr. B. D. H. TELLEGEN HOOGLEERAAR TE GRONINGEN.

TWEEDE (VERMEERDERDE) DRUK

BEZORGD DOOR

Dr. H. T. COLENBRANDER.

[Decoratieve illustratie]

P. NOORDHOFF--1913--GRONINGEN.

INHOUD.

Blz.

Inleiding 1

I. Het Grondgebied 7

II. De Opdracht van de Souvereiniteit der Vereenigde Nederlanden aan den Prins 43

III. De samenstelling der Grondwet 72

IV. De Grondwet en de Maatschappij 112

V. De Regeeringsvorm 153

VI. De vereeniging met België 195

VII. De teruggaaf der koloniën 240

VIII. De invoering der Grondwet 262

IX. De vervanging of wijziging der Fransche wetgeving 324

EEN WOORD VOORAF.

(1884).

.... Wat mij tot deze uitgaaf bewogen heeft, is de omstandigheid dat eene m. i. averechtsche opvatting van het door mij behandelde gedeelte onzer politieke geschiedenis weder meer en meer op den voorgrond schijnt te komen. Men begint weder het verband te miskennen, dat er bestaat tusschen 1813 en volgende jaren en de revolutie van 1795 met hetgeen er op gevolgd is. Men is er weder op uit, de beteekenis dier revolutie in de schaduw te stellen, men sluit de oogen daarvoor, dat met haar de staatseenheid niet alleen maar ook het streven naar staatshervorming hare intrede hebben gedaan in ons vaderland. Daarom vooral scheen het mij plichtmatig tot deze uitgaaf te besluiten. Wijkt mijne voorstelling niet te veel van de waarheid af, dan is het korte tijdvak, door mij beschreven, de schakel van een lange keten, en geenszins de aanvang eener geheel nieuwe orde van zaken. Integendeel zijn 1813 en volgende jaren in vele opzichten de voortzetting van hetgeen 1795 ons had gebracht of had trachten te brengen. Dit te herinneren, dit boven allen twijfel te stellen, was vooral het doel dezer uitgaaf. In hoeverre ik hierin geslaagd ben, moge de deskundige en onbevooroordeelde lezer beslissen.

DE SCHRIJVER.

BIJ DEN TWEEDEN DRUK.

De roem van het werk, waarvan hierbij een nieuwe uitgaaf wordt aangeboden, is sinds lang gevestigd. Met name aan onze hoogescholen heeft het aan beoefenaars van ons staatsrecht en onze geschiedenis groote diensten bewezen. Om het die bij voortduring te laten vervullen scheen meer dan een eenvoudige herdruk noodig. Niet dat Tellegen's beschouwingen verouderd zijn; integendeel, het wil mij voorkomen dat jonger onderzoek het meerendeel er van bevestigen kan. Maar zij kunnen nu gesteund worden (een enkele maal ook herzien) door en uit veel uitgebreider bronnenmateriaal dan hem ten dienste stond. De noten vooral waren te verjongen, daar het voor het practisch nut van het boek zeer ongewenscht zou zijn geweest, zoo een herdruk naar thans door moderner uitgaven op den achtergrond gebrachte publicatiën ware blijven verwijzen. Zoo dikwijls dus in de noot naar een boek verwezen wordt dat in 1884 nog niet bestond, ben ik voor de redactie dier noot of van dat gedeelte der noot aansprakelijk.

Aan den tekst zelf van Tellegen heb ik niets van belang veranderd, doch, in andere letter, achter ieder zijner hoofdstukken eenige bladzijden van mijne hand doen volgen, die de bedoeling hebben den lezer indachtig te maken op hetgeen jongere geschriften of bronnenuitgaven dan hij gebruikte, omtrent de door hem besproken zaken kunnen doen opmerken.

Polemisch over het geheel is de strekking dier invoegsels niet: immers Tellegen's grondgedachte is van de mijne niet ver verwijderd. Ook voor mij is 1813 de uitkomst der ontwikkeling sedert 1795: geen restauratie, maar bevestiging der revolutie in wat zij voor Nederland bruikbaars had opgeleverd. In Hogendorp's opzet komt dit niet sprekend uit; in wat er van werd, wel. Dit heeft niemand ooit zoo klaar betoogd als Tellegen, en ver van mij is alle wensch of pogen, op dit hoofdpunt hem te vertroebelen of te verzwakken. Moge het integendeel blijken dat mijn bijwerk een steun en bevestiging is geweest.

Voor het herdrukken van Tellegen's bijlagen eindelijk is na de jongste en nog ter perse zijnde bronnenuitgaven van mijne hand alle reden vervallen. Zij zijn of worden alle daarin opgenomen in het uitgebreider verband waarin zij behooren.

September 1913. H. T. COLENBRANDER.

INLEIDING.

Het onderwerp, dat ik wensch te behandelen, is de wedergeboorte van Nederland na het ineenstorten der fransche heerschappij in het laatst van 1813. Hoewel dit onderwerp zich niet moge onderscheiden door zijne nieuwheid, zoo vlei ik mij, dat het daarom zijne aantrekkelijkheid nog niet geheel heeft verloren. Het geldt toch ons vaderland. Ons vaderland, dat na de overige volken van Europa in ontwikkeling en welvaart voorbij te zijn gestreefd, in de 18e eeuw, als ware het een gevolg der buitengewone krachtsinspanning, was verslapt en ontzenuwd: dat de prooi was geworden van binnenlandsche partijschappen, wel in staat, land en volk te verscheuren, geenszins bij machte, de instellingen der republiek naar de behoeften en ideeën des tijds te hervormen.

Op den inval der Pruisen in 1787 was die der Franschen in 1795 gevolgd: beide gebeurtenissen stuitend voor het vaderlandsch gevoel onzer dagen, daar zoowel bij de eerste als bij de tweede de vreemdeling door onze landgenooten zelven te hulp was geroepen: in 1787 door de oude partij, Oranje in verbond met de oligarchie; in 1795 door hare slachtoffers, de patriotten, de mannen van den nieuwen tijd. Kan men 1795 beschouwen als te zijn geweest eene straf voor 1787, ook de mannen van 1795 hebben zwaar geboet voor hun onvaderlandsch bedrijf, voor het inroepen der fransche hulp. En met hen ook ons vaderland. Nederland de satelliet van het heersch- en baatzuchtige Frankrijk; onze landskinderen het kanonvleesch des keizers; handel en scheepvaart gefnuikt, daar Engeland meester was van de zee; ons koloniaal bezit aan datzelfde Engeland ten prooi. Eindelijk ons volksbestaan geheel uitgewischt, en Amsterdam de derde stad van het fransche keizerrijk. Was het te verwonderen, dat men het tijdvak der revolutie langzamerhand begon te beschouwen als een tijdvak van smaad en schande, van ellende en van rampzaligheid? Was het te verwonderen, dat althans de onnadenkende menigte ééne zaak vergat? Dat zij zich niet meer herinnerde, hoe ook de toestand van vóor 1795 verre van rooskleurig was geweest, dat zij niet meer dacht aan de disharmonie, die er had bestaan tusschen de maatschappij der 18e eeuw en de alleen voor den nood van het oogenblik berekende instellingen der oude republiek? Dat zij niet besefte, hoe de omwenteling van 1795 in vele opzichten een operatie was geweest, die, hoe pijnlijk ook, voor de genezing noodzakelijk was, daar met en na die omwenteling veel van het oude en verouderde was te gronde gegaan en nieuwe beginselen van staatsbestuur waren begonnen wortel te schieten in ons land? Het is waar, het streven naar politieke vrijheid, hetwelk die omwenteling en de eerste staatsregeling, die van 1798 kenmerkte, was spoedig in het zand verloopen; het was onder den franschen invloed verstikt; dit neemt echter niet weg, dat veel van hetgeen naast die politieke vrijheid de revolutie kenmerkte, tot wasdom was gekomen. De eenheid van den staat met zijne algemeene wetten en zijn algemeen gouvernement in de plaats gesteld van het veelhoofdig monster der oude republiek; éen volk dus en in dit volk geen onderscheid van recht meer uit het oogpunt van kerkgeloof, van stand of van woonplaats, met andere woorden: de gelijkstelling der godsdiensten, de afschaffing van de voorrechten der geboorte in adel en patriciërs gevestigd, de emancipatie van het platteland van den druk der edelen en der steden, de gelijkstelling der generaliteitslanden met de overige deelen des rijks. Het beginsel werd gehuldigd, dat de macht van den een over den ander alleen gerechtvaardigd kan worden door de behoefte der geregeerden en niet door het belang der regenten; het in vele opzichten privaatrechtelijk karakter van het bestuur loste zich meer en meer op in een publiek recht, een uitvloeisel van het algemeen belang. Dit alles was de blijvende beteekenis geweest van de omwenteling van 1795. Veel daarvan was onder franschen invloed tot stand gekomen; zelfs het Fransche keizerrijk, hoe afkeerig ook van alles wat naar zelfregeering zweemde, was ten opzichte van eenheid van staatsbestuur en gelijkheid der ingezetenen een kind der revolutie gebleven, en was ook hier te lande aan opruiming van hetgeen daartegen in den weg stond bevorderlijk geweest. Toch werd dit alles door het lijden en de vernedering in de schaduw gesteld. Eene beweging, die uitliep op het verlies van het hoogste goed, hetwelk een volk bezit, op het verlies van zijne onafhankelijkheid, kon niet meer met onpartijdigheid worden beschouwd. De jaren 1795-1813 waren als 't ware door het nederlandsche volk in babylonische ballingschap doorleefd. Dit volk had geboet voor zijne zonden; het was gestraft voor zijne ondankbaarheid jegens het Opperwezen en--het huis van Oranje. En zoo laat het zich verklaren, hoe het hoofd van dat huis bij het betreden van den vaderlandschen bodem tot zijne landgenooten durfde zeggen: »ik ben bereid en vastelijk besloten, al het verledene te vergeven en te vergeten" (proclamatie van 30 November 1813). Zoo laat het zich verklaren, hoe die woorden geen aanstoot gaven, ja zelfs door een man als Falck met ingenomenheid werden begroet[1]. Er ging geene stem uit het volk op, die zeide: zoo het de vraag is van vergeven en vergeten, de behoefte aan vergiffenis is niet aan de eene zijde alleen; ook wij, uwe hoogheid, moeten bij onze verzoening veel uit ons geheugen uitwisschen; ook gij en de uwen zijt niet zonder schuld geweest. Wie heeft het eerst zich bezondigd aan het inroepen van den vreemdeling? Wie heeft in 1795 zijne medewerking verleend om de koloniën Engeland in handen te spelen? Was het niet uw vader Willem V? Wie heeft in 1799 bij den inval der Engelschen en Russen aan hunne zijde gestaan, om met geweld van vreemde wapenen de macht hier te lande te hernemen? Was het niet uwe hoogheid zelf? En wanneer op ons de schuld ligt van in het stof te hebben gekropen voor den vreemdeling, is het ook in uw levensboek geene zwarte bladzijde, tegen afstand van uwe aanspraken op uw vaderland, in 1802 van Bonaparte te hebben afgebedeld een brok duitschen grond[2], waarover hij geen recht had te beschikken, en wat gij niet kondet aannemen zonder de revolutie te huldigen? Doch van dit alles werd geen woord gerept. Evenmin daarvan, dat de laatste stadhouder, in plaats van oog en oor te hebben voor de nooden en ideeën van den nieuweren tijd, in plaats van sympathie te koesteren voor het vooruitstrevende gedeelte des volks, in bondgenootschap met de aristocratie was getreden en ook na 1787 geene poging tot hervorming had gedaan. Waarlijk tegenover het zondenregister van het nederlandsche volk kon ook op menige tekortkoming van het huis van Oranje worden gewezen. Over dit alles echter werd gezwegen. Mogen er al enkelen zijn geweest, in wier geest zoo iets is opgekomen, het was voorzichtig, dit voor zich te houden, dit te verbergen achter den muur hunner tanden. Van de omwenteling van 1795, met de fransche heerschappij als haar gevolg, kon niet te veel kwaads gezegd worden; het was de antichrist, wiens rijk door God te pletter was geslagen. En in zijne plaats zouden de oude tijden herleven met het geliefde huis van Oranje aan het hoofd, en Nederland zoude weder gelukkig worden als voorheen.

[1] _G. K. van Hogendorp in 1813_, bijlage bl. 15.--Zie ook Falck's _Gedenkschriften_, bl. 119.

[2] Het bisdom en de abdij van Fulda, de abdij van Corvey, de abdij van Weingarten, de steden Dortmund, Issny en Buchhorn, bij het tractaat den 23sten Mei 1802 tusschen Frankrijk en Pruisen gesloten, aangewezen als schadevergoeding voor het verlies van het erfstadhouderschap. Zie over deze zaak _Gedenkstukken_ IV, 701.

* * * * *

Aan de bovenstaande bladzijden is weinig toe te voegen; misschien is er wat af te doen. Tellegen verstaat de volksstemming van 1813 verkeerd, indien hij zelfs aan de mogelijkheid gelooft van een requisitoir tegen Oranje, zooals hij het »enkelen" laat verbergen »achter den muur hunner tanden." Hij ziet meen ik voorbij, dat de »vergeven en vergeten"-passus uit de proclamatie van 30 November een _weerklank_ is, weerklank van een geluid uit Nederland zelf opgegaan. De woorden toch komen letterlijk zoo voor in het Oranje-strooibiljet van Gijsbert Karel van 17 November: »al het geledene is vergeten en vergeven." Uit dit ook naar Londen gekomen strooibiljet heeft Hendrik Fagel, die de (in Engeland gedrukte) proclamatie van den Prins opgesteld heeft, ze overgenomen. Dat de natie vergaf, bleek uit het feit der terugroeping; er moest nu bewijs op volgen dat ook de teruggeroepene ouden wrok uit het hart kon bannen. Dit te verzekeren was van de zijde van Oranje geen ongevraagd _durven_, maar door het volk gretig verlangde waarborg. De gewezen patriotten hebben er zich dan ook geenszins door beleedigd, integendeel bevredigd gevoeld; het requisitoir is van een man van 1884, niet van 1813. »Geest en hart," schrijft Falck, »waren open voor alle redeneeringen gegrond op het beginsel van eensgezindheid en verbroedering. De fraaie proclamatie die den Prins voorafgegaan was, het werk van den voormaligen Griffier Fagel, had hiertoe het heugelijke sein gegeven, en Z. M.'s eigene taal, houding en gedrag deden dag aan dag de vrees voor eene terugwerking verminderen, zelfs bij die gemoedelijke patriotten welke zich bij het overwegen der staatkundige denkwijze van van Stirum, van der Duyn en Hogendorp niet van alle wantrouwen hadden kunnen vrij houden"[3].

[3] Zie dat wantrouwen o. a. uitgedrukt in den curieuzen brief van Fennekol aan Wiselius, _Gedenkstukken_ VI, 1756.

Waar aan beide zijden schuld is geweest _en boete_, pleegt men elkander bij het wederzien geen lange lijsten van grieven aan te bieden, maar ziet liever den weg op die voorwaarts leidt.

Zoo is het in 1813 men mag zeggen door het geheele volk begrepen; zelden of nooit is de eenstemmigheid in eenig opzicht in Nederland zóó groot geweest.

I.

HET GRONDGEBIED.

Het denkbeeld, dat het oude Nederland als 't ware herleefde, had in één opzicht althans zijne voordeelige zijde. Het scheen den prins van Oranje, het scheen de hoofden der omwenteling van 1813 eene zaak, die als van zelve sprak, dat door die herleving ook het grondgebied der Vereenigde Nederlanden weder het eigendom werd van den opgestanen Staat. Niet alleen, dat de prins het bestuur op zich nam van hetgeen vóór de inlijving in Frankrijk aan het koninkrijk Holland had behoord. Ook zoodra een gedeelte van het bij tractaat van 16 Maart 1810 afgestane grondgebied van de fransche overheersching was bevrijd geworden, werd dit bij besluit van 15 December 1813 met de Vereenigde Nederlanden vereenigd verklaard. Koning Lodewijk had bij dat tractaat de departementen van Zeeland en Brabant, het land tusschen Maas en Waal, Nijmegen daaronder begrepen, gelijk mede de Bommelerwaard en het land van Altena, aan den keizer moeten afstaan; deze had het kwartier Breda ingedeeld bij het departement der Beide Nethen en van de overige landen de departementen der monden van de Schelde en der monden van den Rijn gemaakt. En hoewel nu de Franschen dit alles op verre na nog niet hadden verlaten--men denke slechts aan Walcheren, eerst in Mei 1814 bevrijd--werden toch die landen reeds toen verklaard, »evenals van ouds" uit te maken een deel van den Staat der Vereenigde Nederlanden en onder het bestuur daarvan geplaatst. Men dacht niet aan de mogelijkheid, dat over deze weder-in-bezitneming bij iemand eenige twijfel konde bestaan. En wanneer de prins vooreerst met stilzwijgen den toestand dier landen voorbijging, die reeds bij tractaat van 16 Mei 1795 met Frankrijk waren vereenigd: Staats-Vlaanderen, Maastricht, Venlo en hetgeen daarbij behoorde, wanneer hij daarover zweeg, zoo meen ik de oorzaak daarvan niet zoo zeer te moeten zoeken in den twijfel, of deze streken wel tot de Vereenigde Nederlanden zouden terugkeeren, als wel daarin, dat zoowel het een als het ander nog geheel in de handen des vijands was.

Door denzelfden geest was Hogendorp bezield, toen hij reeds den 28sten November 1813[4] aan Hendrik Fagel, den vertrouwde van den prins te Londen, en dus nog vóór de aankomst van dezen hier te lande, als zijne meening te kennen gaf, hoe Nederland van Engeland de dadelijke en onvoorwaardelijke teruggaaf der koloniën in de drie werelddeelen verwachtte, koloniën, waarvan Ceilon bij het vredesverdrag, den 17den Mei 1802 te Amiens gesloten, uitdrukkelijk aan Engeland was afgestaan, terwijl de overige koloniën sedert door dat rijk veroverd waren in den oorlog tegen ons gevoerd. Fagel, hoewel het beginsel niet bestrijdende, vond het blijkens zijn antwoord van 1 December 1813[5] wat voorbarig, toen reeds bij Engeland op de vervulling van dien wensch aan te dringen. Holland moest eerst geheel en al zelfstandig zijn, voordat men over die teruggaaf kon onderhandelen. Men zoude anders gevaar loopen, die koloniën, in plaats van aan het bevriende en geallieerde Holland, aan het vijandige Frankrijk terug te geven. Wanneer dit gevaar echter voorbij was, dan, meende ook Fagel, zoude Engeland Holland met broederlijke liefde te gemoet komen en deze zaak zich tot wederzijdsche tevredenheid schikken.

[4] _Br. en Ged._ IV, 269 (de datum is daar misdrukt tot 25 Nov.).

[5] _Br. en Ged._ IV, 274.

Het was gelukkig, dat hetgeen men ten onzent beschouwde als van zelf te spreken, ook door de geallieerden niet als ongerijmd beschouwd werd. Was het ook bij hen alleen de zucht om het onrecht der revolutie uit te wisschen, die hunne gedragslijn bepaalde? Ik zoude het niet durven beweren. Zij waren--evenals Napoleon--zeer afkeerig van zelfregeering en volksvrijheid, en in zoover aan de omwenteling van 1789 vijandig. Zij hadden echter, evenals Napoleon, weinig eerbied voor de zelfstandigheid der volken, en waren in zoover navolgers der revolutie en der Napoleontische heerschappij. Men denke aan Genua, in strijd zelfs met de beloften van Engelands vlootvoogd met Piemont vereenigd; aan Venetië door Oostenrijk ingeslikt; aan de vele duitsche geestelijke en wereldlijke potentaten en potentaatjes, die in en na de fransche omwenteling waren te niet gegaan en het feest der opstanding niet mede zouden vieren; aan België, dat tegen zijn zin zoude dienen ter vergrooting van Noord-Nederland. Maar men denke bovenal aan de verdeeling van Polen, vóór de revolutie door drie der geallieerde mogendheden begonnen en in den revolutietijd voortgezet, tot eene zekere hoogte het voorbeeld en de verontschuldiging tevens van de uitspattingen van Frankrijk. Van de restauratie van Polen kon niets komen. Wat was dan de reden, waarom onze opstanding bij de geallieerden geene tegenspraak ondervond? Was het de verwantschap van het huis van Oranje met het pruisische koningshuis, die eenig gewicht in de schaal legde? Wellicht, hoewel Pruisen de eenige mogendheid was, die (het gold de wederinbezitneming van landen op den rechteroever der Maas) den terugkeer der Vereenigde Nederlanden tot den vroegeren toestand niet als boven alle bedenking verheven beschouwde[6]. Was het de omstandigheid dat er nog vóór de komst der geallieerden in het hart des lands, aldaar eene poging tot zelfbevrijding gedaan was, die geslaagd mocht heeten? Ook dit is voorzeker niet zonder invloed op de wijze van beschouwing der oppermachtige geallieerden. Maar bovenal was het Engeland, dat de herleving der Vereenigde Nederlanden wenschte en wilde, der herleving der Vereenigde Nederlanden, mits vergroot en uitgebreid. Het zoude voor Engeland zijn eene brug naar het vasteland; het zoude beletten, dat de geheele kust van Frankrijk naar Noord-Duitschland in handen kwam van eene der machtige continentale mogendheden. Het zoude een voormuur zijn tegen het altijd nog gevreesde Frankrijk. Dit waren de redenen waarom de geallieerden in 't algemeen en Engeland in 't bijzonder er niet aan dachten, met Nederland te doen, wat men met Genua of Venetië deed. Het was ook in de oogen van den engelschen minister van buitenlandsche zaken, lord Castlereagh, iets dat geene bekrachtiging noodig had, iets wat ipso jure gold: de terugkeer van Nederland tot zijnen vroegeren toestand[7]. Deze wijze van beschouwing, van den aanvang gehuldigd, heeft dan ook gunstig gewerkt bij de conventie van 13 Augustus 1814 over de teruggaaf der koloniën met Engeland gesloten.

[6] Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 14 Aug. 1814 (_Gedenkstukken_ VII, 176).

[7] Lord Castlereagh aan Lord Liverpool, 8 Jan. 1814; dezelfde aan Lord Clancarty, 24 April 1814 (_Gedenkstukken_ VII, 24 en 108).