De Vurige Oven Een Verhaal Uit Den Tijd Der Dragonades In Neder

Chapter 9

Chapter 93,943 wordsPublic domain

Ze hadden de door Gerrit bedoelde laan ingeslagen, en waren, nu buiten de kom van het dorp, vrij-wel zeker dat ze bijna of in 't geheel niemand ontmoeten zouden. Alles rondom hen was vriendelijk en vroolijk en ademde sabbatsstilte. Boven hun hoofden waren de koolmeesjes ijverig bezig met het zoeken en verslinden van insecten en larven. Met een vlugheid en behendigheid, die de apen hun hadden kunnen benijden, voerden de mooie vogeltjes allerlei toeren uit; hingen zich aan één pootje, 't kopje omlaag, aan het dunste takje op, pikten het ledig en schoten plotseling en pijlsnel naar een ander twijgje. De vinken fladderden het jonge paar voor de voeten, telkens een eindje verder naarmate de beide menschen langzaam voortliepen. Dwars over den weg huppelde een eekhoorn om den naastbijzijnden boom te bereiken. Op een open plekje dommelden tien, twaalf konijnen in het zonnetje, om weg te rennen zoodra ze de naderende voetstappen hoorden. In de verte stierf het gekraai van een paar hanen weg, die elkaar antwoordden, en rondom overstemd werden door de lijsters, die zoo druk allerlei zang van andere vogels nabootsten, dat ze hun eigen taaltje niet meer hooren deden. Prachtige groote juffers snorden op de gouden of smaragden vleugels om hen heen, en van uit den hoogen beuk hoorden ze het eentonige, slaperig-vredige: "Koe-ke-roe koe-ke-roe!" van de houtduif.

Doch hanen, lijsters en houtduiven konden elk op zijn eigen manier zeggen en zingen wat ze wilden: Gerrit en Jannetje hadden slechts ooren voor wat de een tot den ander spreken zou en--wat niet kwam!

Gerrit, die "wat wou zeggen," bracht het niet verder dan: "Wat is het hier mooi!"

"Heel mooi," bevestigde Jannetje stijfjes.

"Er is heel wat gebeurd sedert een jaar geleden," zei Gerrit.

Hij geloofde haast, maar wist het niet zeker, dat Jannetje lispelde: "Dat is er!"

"En er is geloof ik een groote reden weggevallen, waarom....."

Jannetje zag even vragend op.

... "waarom ik niet zou kunnen vragen..." ging Gerrit eensklaps voort. "o Jannetje; we kennen elkaar al van kleine kinderen af... ik voelde het toen ik verleden jaar wegging.... maar toen mocht ik het niet zeggen... ik wist niet of je dat toen wel wou... maar nu hoop ik het... o lieve Jannetje, ik kan niet zonder je leven!"

"O!" was al wat het meisje uiten kon. Ze bleef staan. Gerrit vatte haar linkerhand, die ze niet wegtrok. Met de rechterhand bedekte ze haar oogen.

"Jannetje, zeg me: heb ik me bedrogen? Zeg me wat!"

Zwijgend schudde de jonge vrouw ontkennend het hoofd. _Had_ hij zich niet bedrogen? Of wou zij niets zeggen?

"Zeg toch wat, Jannetje! Ik wist wel dat ik--eens in Bunschoten, niet lang buiten de Scheiding blijven zou;--ik mocht dus toen nog niet vragen.... maar nu... ik heb het uit een brief van vader gelezen.... en God gedankt.... toen kwam er weer hoop in mijn hart...! o Laat me niet zonder antwoord!"

"Wat zal vader..." was het eenige, dat het meisje zeggen kon.

"Vader Huiskamp, meen je? Als ik maar eerst weet dat ik met hem er over spreken mag, dan komt dát wel in orde!"

"Ik weet niet of vader het goedvindt!"

"_Ja!_ Als ik maar mag zeggen: vader Huiskamp, je dochter vindt het goed."

Jannetje antwoordde niet. Gerrit begreep daaruit dat zij niet tegensprak. Hij liet haar hand los en sloot haar in zijn armen om den eersten vurigen kus haar op de lippen te drukken.

Wat viel er al niet over en weer te bespreken en te vertellen tusschen die beide gelukkige menschenkinderen, die daar aan den boschrand op het kussen van bloeiende struikheide in den vollen zonneschijn zij aan zij zaten! Het sprak zoo vanzelf dat _zij_ beiden één werden. En toch hoe licht zou hetgeen vanzelf sprak niet gebeurd zijn!

Poëtisch waren ze geen van beiden aangelegd; hoe een verloving eigenlijk behoort te geschieden, was hun onbekend; dat er misschien iets romantisch was of behoorde te zijn in dit uurtje wisten ze niet. Het eenige van dien aard, wat Gerrit zei, was: "Dat is door de omstandigheden een dubbeltje op z'n kant geweest!" En het eenige wat Jannetje daarop antwoordde was: "Maar de Heere heeft alles wélgemaakt." Overigens was hun verloving meer voor anderen dan voor henzelven poëtisch en romantisch. Hun kerk was _onder het kruis_! En dat kruis wierp zijn slagschaduw over geheel het dagelijksch leven van al haar leden. Galg, galeien en vrouwengevangenissen voor Gods kinderen had Nederland niet van Frankrijk overgenomen; maar ons land--eenmaal de bakermat der vrijheid en de herberg der kerk--had wel een Code Pénal gekregen. En dat was genoeg in de handen van machthebbers in staat en kerk, die het gaarne gebruikten, om Nederland, voor zoover gewetensvrijheid betrof, aan het Frankrijk der zeventiende eeuw gelijk te maken. "De vader zal tegen den zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen den vader; de moeder tegen de dochter, en de dochter tegen de moeder." Wat zouden Jannetjes ouders? En indien dat goed liep, toch wisten de jong-verloofden zeer wel dat ze telkens wanneer ze met de gemeente samenkwamen, blootstonden voor den martelaarsdood in de volle beteekenis des woords. Eén slag met den stok van een vijandigen politieagent, één bajonetsteek van een liederlijken soldaat, in naam van koning en kerk, op verzoek van de Synode en op bevel van burgemeester of luitenant toegebracht, kon hen hunne belijdenis met hun bloed doen bezegelen. Ze zouden de eenigen niet geweest zijn, wien dat overkwam. En indien 't zóó erg niet liep: één kwaadaardige gril van willekeur bij gouverneur der provincie of schoolopziener kon hen op staanden voet broodeloos maken.

"Een, twee, drie, vier!" telde Jannetje opspringend; "vier uur, ze zullen niet weten waar ik blijf!" Vier heldere tonen uit het kerktorentje van hun dorp hadden hun oor getroffen;--het eenige voordeel dat ze nog hadden van het kerkgebouw, dat toch ook het hunne was.

Tamelijk snel begaven ze zich huiswaarts.

"Mag ik vanavond je ouders komen spreken?" vroeg Gerrit zijn geliefde.

"Vanavond is mijn kerkbeurt," antwoordde Jannetje; "en misschien is het goed dat ik eerst.... Neen, kom morgenavond."

Het was voor vader en moeder Beukman een heerlijk bericht, dat hun zoon hun bracht. Van hun ouderlijken zegen konden de jongelui zich verzekerd houden.

Wat zou vader Huiskamp zeggen?

Dat had erger kunnen uitvallen dan het deed.

Teunis Huiskamp zat--heel conservatief in zijn gemoedelijke rechtzinnigheid en zijn Hervormde-kerk kerkisme vast; maar het was geen doode orthodoxie en geen verketterend kerkisme. Een alleen-zaligmakende leer of kerk had hij nooit gehad.

Maandags avonds zat Gerrit nauwelijks een kwartier bij zijn buren in de gezellige keuken een pijpje te rooken,--Jannetje had het in haar eigen opkamertje erg druk--of zonder veel omwegen kwam hij met de groote zaak tevoorschijn.

"Buurman Huiskamp; ik heb gisteren middag een poosje met je dochter gesproken."

"Zoo, zoo!" bromde Huiskamp, die er reeds alles van begreep.

"Wel! wel!" riep moeder, die dat bericht reeds een paar jaren vroeger verwacht had.

"Ja; en Jannetje zei dat ik maar eens met u moest spreken."

"Zoo, zoo!"

"En nu kwam ik u vragen om het goed te vinden als wij het samen eens worden."

"Zoo, zoo!"

Huiskamp zat met kennelijk genot kleine rookwolkjes uit te blazen; moeder ging ijverig met haar breikous voort.

Iedere oningewijde zou gedacht hebben dat het gesprek op het doode punt aangeland was; maar Gerrit begreep uit de houding der beide mogendheden dat de zaak nog niet zoo ongunstig stond.

"Vader, zeg je nou niets?" vroeg de boerin eindelijk aan haar man.

"Wat zal ik zeggen?"

"Wel! wat je d'r van denkt. Ik voor mij, als ik er wat in te zeggen zal hebben, dan moet ik eerlijk bekennen dat voorzooveel mij aanbelangt...."

"En zei Jannetje niets meer?" viel vader Huiskamp zijn vrouw in de rede; want hij zag tot zijn verdriet dat die alweer met haar gewone vrouwelijke haastigheid de zaak hals-over-kop tot beslissing dreef. "Laten we 'reis eerst verder hooren!"

"Och, buurman," antwoordde Gerrit; "wat zou ze zeggen?.... we hebben een heele poos met elkaar gepraat,.... maar we kennen elkander zooals je weet van jongsaf en waren altijd samen. En het eenige waar ik vroeger nog wel bang voor wezen kon, is nu ook opgelost."

"Ja," zei moeder Huiskamp, zonder de dubbelzinnigheid te bedoelen, die in haar woorden lag, "dat is ons dan ook een groot verdriet."

"Als ze mij nou vooruit gevraagd had," verzekerde vader Huiskamp; "dan zou ik gezeid hebben: kind, weet wèl wat je doet."

"Buurman!" pleitte Gerrit weer; "ik geloof dat ze goed geweten heeft wat ze deed."

"Hm!" bromde Huiskamp.

.... "en dat we samen voor het aangezicht des Heeren de zaak besproken hebben."

"Hm!"

"Ik hoop nu maar van de goede vrienden mijner ouders, dat ze me met een gunstig antwoord zullen verblijden."

"Hoor 'reis," zei vader na een heele poos zwijgend te hebben zitten rooken, "als Jannetje bij ons was gebleven, dan had je haar _niet_ gekregen! Wat jij moeder?"

"Je meent, vader, nadat Gerrit van ons is weggegaan."

Vader knikte toestemmend: "Maar nou ze allebei...."

"Ja, ik zeg maar altijd, Jannetje is een best kind, en goed ook; maar ze heeft zoo haar eigen zinnetje."

"Niet dat ik zou willen zeggen," vervolgde vader, "als dat er geen ware kinderen Gods onder de Afgescheidenen zijn; dat is er ver vandaan! Ik heb er menigeen van mijn beste vrinden onder, van wien ik het goede al jaren lang gelooven mag. Maar ik vraag maar: waar dient het toe?"

"Ja," zuchtte moeder; "maar het geval ligt er nu eenmaal toe. En je kan ook nooit weten hoe de Heere met een krommen stok nog eens een rechten slag geeft."

Gerrit zat met taai geduld den uitslag van die beraadslagingen af te wachten, zonder eenige neiging te voelen om op de kerkrechtelijke geschillen in te gaan.

Vrouw Huiskamp schonk hem een kop koffie in en het hoofd des gezins schoof hem den tabakspot toe. Gunstiger voorteeken had hij niet kunnen verlangen.

Eindelijk zei vader--die 'n minuut of vijf vergeefs gewacht had of Gerrit ook nog eens het woord zou nemen:--

"Nou dan mot het dan maar! Wat jij, vrouw?"

"Als vader er mee vereenigd is, zal ik er niets tegen zeggen!"

Zwijgend drukte Gerrit beiden hartelijk de hand.

"Ja, van dat verschil...." begon vader opnieuw;.... "maar ik zal er het zwijgen toe doen."

"Vader," vroeg zijn vrouw; "zal ik Jannetje nou maar eens roepen?"

"Ja, dan maar!"

Met Jannetje ging het vlugger; die antwoordde op de vraag: "Zult gij met dezen man trekken?" al even spoedig als eens Rebekka, kort en goed: "Ik zal trekken."

"Die vrouwen!" zuchtte vader hoofschuddend; "allemaal één pot nat... Maar laten we nu het aangezicht des Heeren zoeken."

__________ [1] en is nooit beantwoord.

[2] Ja zelfs in sommige boeken nóg staan, omdat er "geen bericht van overlijden inkwam."

XVII.

DUBBEL ONTSLAGEN.

Zondag 17 September 1837 zou een drukke dag worden voor de militairen, die nog altijd sedert begin Mei van dat jaar opnieuw in Bunschoten ingelegerd waren, nadat de vervolgden gedurende enkele dagen verademing gekregen hadden. Dien dag moesten ze op verschillende plaatsen tegelijk de orde handhaven.

Bij W. Hartog, een der ingezetenen, vergaderden eenige broeders en zusters om straks, na gemeenschappelijk gebed en gezang, een predikatie van Smijtegelt te hooren voorlezen door Jan Verlinden, die werk gevonden had, in het dorp was blijven wonen en de kleine gemeente als diaken diende. De soldaat, die als kwelgeest in Hartog's huis geplaatst was, hinderde de opkomst niet.

Toen twintig personen--de bewoners van het huis veiligheidshalve medegerekend--bijeen waren, traden nog twee leden der gemeente binnen.

"Goeden morgen samen; we zijn zeker wel de laatsten?"

"Broeders," antwoordde de heer des huizes; "je bent een en twintig en twee en twintig. Zou het misschien ook verstandiger wezen om naar zuster R. Poort te gaan? Daar is ook godsdienstoefening; het is vlak bij en het is nog niet te laat, anders worden we hier allicht binnen een kwartier allemaal de deur uitgezet."

"We willen je niet hinderen!" antwoordden de binnengekomenen. "We gaan dadelijk weg. De Heere zij in je midden."

Ze voegden de daad bij het woord en begaven zich ten spoedigste naar het huis van de weduwe Poort. Daar vonden ze twee militairen voor de deur, maar dezen lieten hen ongehinderd naar binnen gaan.

De ruime keuken, die voor de godsdienstoefening ingeruimd was, bevatte ook reeds twintig gemeenteleden. De soldaat, die aanwezig moest zijn om "de orde te bewaren"--schappelijker dan meestal het geval was--telde de aanwezigen, doch zei: "Twee te veel, maar ga jullie je gang maar!"

De voorganger, een der ouderlingen, opende daarop de samenkomst met gebed, liet een paar psalmverzen zingen en zou juist overgaan tot het voorlezen van de daartoe bestemde leerrede, toen de deur opengeworpen werd en een sergeant binnentrad.

"Ik gebied in naam des konings onmiddellijk uiteen te gaan; je bent boven het bij de wet toegestane getal."

"Ik verzoek u wèl er aan te denken," antwoordde de voorganger; "dat de beide soldaten buiten, zoowel als de militair, die hier in het lokaal is, belast waren met de zorg dat alles wettig toeging, en dat die geen van drieën aanmerking gemaakt hebben."

"Ik kom hier," hernam de sergeant, "omdat een van de manschappen, die op wacht staat, den luitenant gewaarschuwd heeft."

"En ik houd het er voor," gaf de ouderling hem terug, "dat de sergeant geen misbruik zal maken van een handelwijze zijner soldaten, die hij zelf niet goedkeuren kan. Deze vriend was hier gezet om te tellen; we hebben zijn toestemming en zijn dus niet genegen uiteen te gaan voordat de voorlezing geëindigd is."

"Ik zou jelui met de blanke sabel en de bajonet kunnen wegjagen...."

"_Kunnen_;" hernam de ouderling; "kunnen, ja! maar tegen de wet!"

"Laat me uitspreken! Ik zou dit kunnen doen, maar wil daar op mijn eigen houtje niet toe overgaan."

Met deze woorden ging de sergeant tot aller verwondering de deur uit. De dienst liep verder ongestoord. Na de voorlezing der leerrede werd met gebed gesloten; de ouderling gaf op en las voor als nazang Ps. 42:2, 6.

Mijn tranen ende mijn klachten Zijn mijn spijs die mij steedts voedt; Als men mij vraeght met verachten: Waer is nu uw Godt soo goedt? Ick smelt als ick denck daeraen. Hoe ick voormaels plagh te gaen Met een hoop volcks hier te lande. Om u Heer, te doen offrande.

Waerom wilt ghij u zoo quellen En beroert sijn, o ziel mijn? Wilt gantsch uw hoop op Godt stellen, Van u sal hij gedanckt zijn Als hij door sijn....

"Zwijg kerel!" dreunde plotseling een zware stem door het vertrek.

Luitenant Veere was naar binnen gestapt, gevolgd door den sergeant, zes gewone manschappen en veldwachter Koelewijn. Allen, behalve de luitenant, bleven aan den ingang staan, maar de luitenant trok de sabel, liep op den ouderling toe, rukte hem het psalmboek uit de hand en smeet dat met een vloek door 't geheele vertrek heen in een hoek.

"En nu direct de deur uit!"

"Met welke volmacht handelt ge zoo?" vroeg de ouderling.

"Wou je dát weten? Kijk hier!" De officier hield den weerloozen man de blanke sabel voor oogen. "Volmacht genoeg tegen jou en je gelijken! En nu geen praatjes meer of je krijgt de volmacht te voelen!"

De ouderling bewoog zich niet.

"Veldwachter!" schreeuwde de luitenant; "haal dien vent weg!"

"Met uw verlof, luitenant," antwoordde Koelewijn waardig; "zonder order van het hoofd van politie mag ik niemand arresteeren dan die er door wangedrag aanleiding toe geeft."

"Wat doe je dan hier?" schreeuwde de luitenant met een paar vreeslijke vloeken.

"Ik heb order van den burgemeester om met u mee te gaan; meer niet."

"Ik zal jou wel vinden!.... Hier, mannen!"

De vier soldaten naderden.

"Gooi hem de deur uit, en dan de rest naar buiten."

Onmiddellijk werd de ouderling door vier paar ruwe vuisten aangegrepen, weggesleurd en met een smak het huis uitgeworpen.

"Nu jullie! Alla!" raasde de luitenant.

Binnen twintig tellen was de keuken leeggejaagd; alleen de bewoonster van het huis had met groote moeite gedaan gekregen, dat zij niet haar eigen woning uitgesmeten werd.

Het speet den luitenant genoeg dat hij zoo laat gekomen was; ja bijna te laat, want er zijn geen vijf minuten noodig om twee psalmverzen te zingen. Maar het onkruid der Afgescheidenen wies zoo snel, dat er bijna te veel werk aan den winkel kwam voor één overste. Eerst was de luitenant gewaarschuwd door den soldaat, die bij Hartog ingekwartierd was. Juist zou hij daarheen gaan, toen een der soldaten, die bij de weduwe Poort op wacht gesteld waren, rapport van wetsovertreding brengen kwam. Hij liet dus den sergeant ontbieden en zond dien naar het laatstgenoemde adres, terwijl hij zelf wel even bij Hartog "den boel opscheppen zou." Maar er viel niets op te scheppen; er was niemand in "geestelijk gewaad;" er was geen ouderling, geen diaken, en hoe hij ook telde en zocht, het geheele huis door, tot zelfs in kasten en onder het beddegoed in de bedsteden: twintig bleef twintig, en vier inwonenden die vrij waren, van de twintig afgetrokken, bleef slechts zestien. Helaas, vijf te weinig om ze met bajonet of sabel op straat te jagen. Toch maakte hij zekerheidshalve proces-verbaal op.

In zijn kwartier terugkeerend, vond hij daar dien ezel van een sergeant, die zich met een kluitje in het riet had laten sturen. Dus moest hij er al weer zelf op uit! Zijn ijver voor het welzijn des vaderlands belette hem den twee en twintig oproerlingen de laatste vijf minuten te schenken. Toch hoe dolgraag hij ook zulk werk deed: geregeld elken Zondag één troep was prettiger.

Maar dien veldwachter zou hij wel vinden! En hij was zoo goed als zijn woord. Wel gingen er een paar weken voorbij, zoodat Hartog en Koelewijn zich reeds verbeeldden, dat de zaak met een sisser afliep, doch uitstel was geen afstel.

Den 2^{en} October werden Hartog en Verlinden beiden gedagvaard om den 5^{en} daaraanvolgend voor de Rechtbank van correctioneele zaken te Amersfoort te verschijnen. De wegen der gerechtigheid in die dagen waren onbegrijpelijk. Verlinden, die de verboden godsdienstoefening geleid had, werd vrijgespoken; Hartog, die daarvoor zijn huis geleend had, werd veroordeeld tot betaling van [f]10.- boete en de gerechtskosten. De overwegingen, welke tot die fraaie uitspraak geleid hadden, waren zoo diepzinnig, dat ook de Rechtbank te Amsterdam er niet bij kon en het vonnis in hooger beroep vernietigde.

Koelewijn kwam er minder goed af.

Woensdag, den 11^{en} October, kwam de veldwachter als gewoonlijk 's morgens aan het raadhuis, om de bevelen van den burgemeester te ontvangen. Nadat de loopende zaken behandeld waren, en terwijl de veldwachter reeds meende dat hij zou kunnen vertrekken, zei de burgervader: "Koelewijn, ik heb je nog even iets te zeggen. Je hebt het al weer verkorven."

"Wat is er tot uw dienst, Edel Achtbare?"

"Ja; dat ziet er leelijk voor je uit! Ik heb hier een brief van Zijne Excellentie den Gouverneur van Utrecht, die over je handelt. Je hebt geweigerd de bevelen van luitenant Veere op te volgen, hé?"

"Edel Achtbare, ik wist niet dat ik onder de bevelen van een luitenant kon staan."

"Nu ja; laten we nu niet over een paar woorden kibbelen! Maar den 17^{en} September bij de weduwe Poort aan huis werd je gelast dien separatist, die daar stond voor te lezen, de deur uit te zetten en dat heb je geweigerd. Waarom was dat?"

"Edel Achtbare, omdat die man zich niet misdroeg en er geen order van UEdel Achtbare was om hem te arresteeren."

"Goed! já, daar zal ik niets tegen zeggen; maar nu heb je daardoor jezelf leelijk de deur uitgezet. Dát was toch zeker je bedoeling niet! Ik heb hier je ontslag."

De burgemeester overhandigde den veldwachter een papier. Koelewijn las het; ja, alles was in orde: datum, inhoud, zegel, handteekening, alles; alleen het rechtsbeginsel ontbrak; maar dat deed er minder toe, het machtsbeginsel was er, en dát was voldoende. Of Koelewijn dat stuk eens of honderd maal las, er viel niet aan te veranderen; hij kon tot den dag uitbetaald worden en was ontslagen met ingang op 10 October 1837.

"Wat zeg je daarvan?" vroeg de burgervader.

"Gods wil geschiede! _Hij_ ziet het onrecht!"

"En wat nu je betrekking als dorpsbode aangaat.... ja!... dát..."

"Edel Achtbare, tusschen die twee betrekkingen bestaat toch geen verband."

"Neen, verband, als je 't zóó noemen wil, eigenlijk niet. Maar zie je, er is toch groot bezwaar. Die post wordt wel door den Ambachtsheer begeven, en afgezet ben je nog niet, maar het is toch erg gevaarlijk--gevaarlijk voor _mij_, begrijp je? om je maar aldoor daarvoor te blijven betalen alsof er geen vuiltje aan de lucht was."

"Mag ik dan ook geen dorpsbode meer zijn, Edel Achtbare? Met vrouw en drie kinderen! En den winter voor de deur! Waar moeten we dan van leven?"

"Ja; het _is_ beroerd! Maar ik weet niet waar ik je uit betalen moet... Kerel, had dan ook naar raad geluisterd! Ik heb je zoo duidelijk gewaarschuwd, maar jij was altijd op de hand van de Separatisten; die oproermakers! Nu zie je en ondervind je de gevolgen!"

"Dus Edel Achtbare, van vandaag af krijg ik ook mijn traktement als dorpsbode niet meer? UEdel Achtbare betaalt me niet meer uit?"

"N... neen! Ik zou niet weten waarvan! Als 't weer in orde komt...."

"Maar ik _ben_ niet afgezet!" riep Koelewijn, die ditmaal het "Edel Achtbare" vergat.

"Afgezet ben je _niet_, maar zoo goed als.... Ik weet waarlijk niet.... Maar kijk, of we nu lang of kort samen praten, daar wordt de zaak niet beter om. Hier heb je mandaat als veldwachter.... en hier als dorpsbode.... ga nu met die twee dingen meteen naar den ontvanger, dan betaalt die je dadelijk uit. Dan heb je direct wat geld in handen. Nu.... goeden morgen!"

"Maar Edel Achtbare...."

"Hoor eens," zei de burgemeester op zijn horloge kijkende, "ik heb vanmorgen heel wat te doen, en straks komt er weer iemand om me te spreken, zoodat onze conferentie nu is afgeloopen. Maar ik wou er toch even den tijd afnemen om het je zelf te zeggen!.... Dag Koelewijn!"

Burgemeester wuifde de hand tot afscheidsgroet en wees meteen naar de deur.

Langzaam ging de veldwachter de kamer uit.

"Hoe soude 't Godt weten? Ende sou'er wetenschap zijn bij den Allerhoochsten?" Deze wanhoopskreet van Asaf wrong zich ook uit het hart van den eenvoudigen veldwachter naar boven, toen hij met z'n handjevol geld bij den ontvanger vandaan kwam. Want eerst aan het einde van zijn psalm zong Asaf: "Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid!" En veldwachter Koelewijn had ook eenigen tijd noodig eer deze geloofsroem de zijne was.

"Straks komt er iemand anders om me te spreken," had de burgervader tot den ontslagen veldwachter gezegd. Die iemand anders naderde even over half-twaalf juist het raadhuis toen Koelewijn de stoep afkwam.

"Goeden morgen, Koelewijn! Wat kijk je neerslachtig, beste vriend!"

"Ja, meester," gaf Koelewijn Gerrit Beukman ten antwoord, "daar is vleesch en bloed ook maar niet zoo op slag mee vereenigd." In korte woorden verhaalde hij wat zooeven geschied was.

"Het is schandelijk!" riep Gerrit verontwaardigd. "Ik ben ook ontboden."

"Dan sta de Heere je bij, meester!"

Met hartelijken handdruk scheiden de broeders van elkaar.

Beukman werd dadelijk bij den burgemeester toegelaten.

"Zoo meester! Ga zitten; ik zal u niet lang aan de praat houden; maar ik heb van hooger hand een heel duidelijke wenk gekregen. "Is alles in zijn school wel richtig?" wordt me gevraagd. "En is hij bereid om alle landswetten vrijwillig te gehoorzamen?" Je bent Separatist hè?"

"Burgemeester, ik ben lid van de Afgescheiden Gemeente."

"Dan mag je wel driedubbel op je tellen passen, man. Er is geen reden waarom je den weg van Jan Verlinden op zou willen, hè?"

"Burgemeester, zeg me maar ronduit: ligt mijn ontslag gereed?"