De Vurige Oven Een Verhaal Uit Den Tijd Der Dragonades In Neder
Chapter 7
Ze liepen de kamer uit, maar kwamen na enkele minuten weer binnen.
"Scholtiaan," riep Pronkert, "dat kantoor van je is ruim en goed; daar is ook een bedstee. Je wijf maakt daar dadelijk een bed in de bedstee en een veldbed op den grond, hoor je! Dan zullen m'n kameraad en ik voorloopig er genoegen mee nemen om samen in één kamer te slapen. En dan mag je nog van geluk spreken dat je zoo schappelijk behandeld wordt."
"Mijnheer, dat is het kantoor voor mij als ontvanger van de Eem- en havengelden; daar heb ik geen beschikking over."
"Dat hoeft ook niet, vrome kwezel!" grijnsde de andere soldaat. "_Wij_ beschikken er over en dat is voor jou voldoende."
"Mijnheer; ik mag wezenlijk niet...."
"Kom Pronkert!" zei Drieling, "dan moeten we zelf maar even het beddegoed halen!"
"O neen!" riep de huismoeder verschrikt.
Drieling schaterde van 't lachen. "Als je ze een handje helpen wil, is 't ook weer niet goed! Vooruit dan, geliefde zuster!"
De slaapplaatsen werden in het kantoor in orde gemaakt. Naar het scheen kwam nu de woestheid van de beide militairen een weinig tot bedaren.
's Avonds zaten ze bij de huisgenooten een pijp te rooken. Jan Verlinden was zijn vrienden eens komen bezoeken, en zat ook in 't gezelschap.
"Ik hoop dat alles nu naar genoegen is?" vroeg Van der Kolk.
"Och!" zei Pronkert, "ik geloof niet dat je anders zooveel last van mijn en m'n kameraad gehad hebt, wel vadertje?"
"Neen," vulde Drieling aan; "er zijn wel kwaadaardiger rakkers in onze compagnie, al zeg ik 't zelf."
"Nu de vrienden er toch over doorpraten," ging Van der Kolk voort; "moet ik eerlijk zeggen dat wij het ons ook al niet begrijpen konden."
"Ja, maar wat moet je doen!" zuchtte Pronkert; "ik ga ook niet graag een week of wat de doos in!"
"En waarom zou je de doos ingaan, vrind?" vroeg Van der Kolk.
"Kijk, het zit 'm zóó!" lichtte de soldaat toe. "We hadden order van den luitenant om niet anders dan door de voordeur naar binnen te willen..."
"En," voegde Drieling er bij, "om eigenlijk met alles ontevreden te wezen en het je zoo lastig mogelijk te maken."
"Maar dat mag de luitenant toch niet bevelen!" riep Verlinden verontwaardigd.
"Ja wat mag of niet mag! Daar heeft een gewoon soldaat geen zeggen of oordeelen over," hernam Drieling. "In dienst heb je te doen wat je geheeten wordt. Ik wil je dan ook wel zeggen dat ik voor mij er met plezier voor teekenen wil om m'n heele verdere leven alle nachten zoo goed te liggen als de laatste drie nachten."
"Nu begrijp ik er niets meer van!" riep Van der Kolk; "en er moest met alle geweld een andere slaapplaats voor je klaargemaakt worden!"
"Wat zal ik je zeggen!" antwoordde Drieling, "je kan me gelooven, heel veel soldaten hebben er een broertje aan dood om jullie zoo'n overlast aan te doen. Voor mijn part mag je dag en nacht psalmen zingen en bidden, zie je! Je mag het laten óók, zie je! Mijn 'n zorg! Maar ik kan je met een woord van waarheid verklaren, dat de luitenant ons heel pertinent bevel gegeven heeft om zoo tegen je tekeer te gaan; niet waar, Pronkert?"
"Ja"; beaamde deze; "hij zei: jullie bent veel te zacht voor dat ontuig! Ik verkies dat je een beetje den beest speelt en ze 'reis frisch uitvloekt en niet met alles tevreden bent. Dat waren z'n eigen woorden. En anders, zei hij, zal ik zorgen dat je een maand de kast ingaat!"
Een geweldige stoot tegen de voordeur schrikte het gezelschap op. Van der Kolk ging naar voren om maar dadelijk open te doen. De luitenant in eigen persoon trad binnen, liep den huisvader onderst-boven en kwam de kamer in.
"Gaat alles goed?" vroeg hij aan de mannen, die onmiddellijk militaire houding aangenomen hadden.
"Opperbest, luitenant!"
"Gedaan zooals ik bevolen heb?"
"Ja, luitenant."
"Nu... niet te zoetsappig, hoor jongens?"
De luitenant wilde vertrekken, maar de jonge Verlinden trad hem in den weg.
"Luitenant, wat hier vanmiddag op uw bevel geschied is, noem ik _laag_!"
Tot antwoord ontving hij een ribbestoot, die hem wankelen deed. De luitenant verliet hoonlachend kamer en huis.
"Jongeheer!" waagde Pronkert te zeggen, zoodra de officieele beul verdwenen was, "je hebt geen ongelijk; maar 't zal _mij_ benieuwen of dát je niet opbreken zal!"
Het bleek weldra dat de soldaten hun luitenant goed kenden.
Twee dagen later kreeg Verlinden een dagvaarding thuis tegen Vrijdag den 9^{en} Juni 1837 voor de correctioneele Rechtbank te Amersfoort, wegens beleediging van een officier in functie. Ter terechtzitting werden alle feiten wederzijds erkend. Verlinden had dus gemeend dat de Rechtbank in elk geval zeer verzachtende omstandigheden in aanmerking nemen zou. Maar den 15^{den} dier maand werd hij veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf en de kosten van het proces. Zooals men denken kan, ging hij in hooger beroep.
De straf voor die laatste oproerige handeling bleef niet uit. Den 20^{en} Juni kreeg Gerrit Beukman, de hoofdonderwijzer, een brief van den volgenden inhoud:
"Amersfoort, 19 Junij 1837.
Deze is dienende om u kennis te geven, dat de naar aanleiding van art. 6 van het huishoudelijk schoolreglement voor de provincie Utrecht, door mij verleende goedkeuring tot het opnemen van uwen ondermeester wordt ingetrokken, u verzoekende en desnoods gelastende, na ontvangst dezer denzelven als zoodanig niet verder op uwe school werkzaam te doen zijn, totdat door mij of door de provinciale Commissie van onderwijs, ten dezen nader zal zijn gedisponeerd. Van den ontvangst dezes, verzoek ik u mij bericht te geven.
De Heer Burgemeester is door mij uitgenoodigd, mij van de niet nakoming van boven vermelden last onverwijld kennis geven.
De schoolopziener van het 3^{e} distr. Utrecht,
H. G. SCHLUITER."
De ondermeester was dus ontslagen zonder vorm van proces en zonder opgave van redenen. De eenige van wien hij zelf het vernam, was de hoofdonderwijzer.
Den 20^{en} Juli diende zijn zaak in hooger beroep in Amsterdam. Hij werd veroordeeld tot eene maand gevangenisstraf en de kosten. Het vonnis werd onmiddellijk tenuitvoergelegd.
Aan den avond van den 19^{en} Augustus keerde Verlinden uit de gevangenis te Bunschoten terug, om daar.... in de eerste plaats te zorgen voor de betaling van de proceskosten en daarna te zien hoe hij nu verder aan den kost komen zou.
XIV.
JANNETJES BESLUIT.
"Zoo meid, daar hebben we je gezond en wel terug! Nou, je hebt het uitgehouden, moet ik zeggen!" Met die woorden gaf moeder Huiskamp haar Jannetje eenige hartelijke zoenen, toen ze Zaterdagsavonds, na veertiendaagsch verblijf in Amsterdam, het ouderlijk huis weer binnentrad. "Kijk, kind, je bent op een mooien tijd thuis. Vader komt er aan; ik zou net de karnemelk opdoen. Wat blijft het nog vroeg donker worden, hè! Kom bij het licht!"
Moeder nam haar mee naar binnen, waar de lamp reeds stond te branden, en bekeek haar dochter met zooveel hartelijkheid alsof die evenveel jaren afwezig was geweest als het weken geduurd had.
"Zoo heeft de Heere je weer veilig bij ons gebracht hè?" praatte de goedige vrouw voort. "Het is nu wel zoo'n afstand niet, maar je weet toch nooit wat er kan gebeuren! Een ongeluk ligt in een klein hoekje. Maar...."
Jannetje kwam nu in de schemering, die men bij gebrek aan beter het volle licht moest noemen.
"Maar... ben je... is dat?... zie ik wis of mis, heb je den eigensten hoed op?"
"Neen, moeder, ik heb een nieuwen moeten koopen, want de mijne was bedorven. Kijk maar eens goed naar me! Zie je ook niet wat vreemds aan mijn mantel?"
"Nou je 't zeit! Wel, heb ik van m'n leven! Je hebt een anderen mantel om! Wat is er gebeurd, kind? Je hebt toch geen ongeluk gehad?"
"Dat is een heele geschiedenis, moeder. Ik ben in de modder gevallen, maar het is goed afgeloopen. Vanavond zal ik je dat eens in kleuren en geuren vertellen. Ik heb honger!... o Gelukkig, daar is vader."
De klink van de deur werd opgelicht; vader Huiskamp stapte binnen, schopte achter de voordeur de klompen uit en kwam op de dikke zwart-wollen kousen de keuken binnen.
"Goeien avond," zei vader, ging op Jannetje los, kneep haar even in den linkerwang bij wijze van welkomstkus en zei bedaard: "De Heere zegene je ingang, kind! Zoo moeder, schep nou maar op!"
Huiskamp nam in zijn honderdjarigen leuningstoel aan 't hoofd van de klaptafel plaats en zette de voeten op de verwarmde koperen stoof, die voor hem gereed stond. Twee knechts en twee stevige boerendeerns kwamen binnen en schikten bij; nadat ieder hunner op z'n beurt "Dag Jannetje!" gezegd had.
De reizigster had onderwijl hoed en mantel afgelegd en voor moeder de stroop uit de keukenkast genomen en op de klaptafel gezet, terwijl de vrouw des huizes de groote schaal vol karnemelk met gort opdroeg. Moeder nam rechts en Jannetje nam links naast vader plaats.
De heer des huizes nam z'n pet af en bromde: "Nou!" Daardoor werden de aanzittenden uitgenoodigd zich met hem in het gebed te vereenigen.
Vader Huiskamp was gewoon voor te gaan in gebed; kort, zeer kort, want anders werd de karnemelk noodeloos koud. Straks, na het eten, had men beter den tijd. Dan zou hij tot besluit van den dag nog een hoofdstuk uit de profetieën van Jeremia lezen en eindigen met een gebed, waarin letterlijk alle nood der Christenheid, voorzoover hij er mede bekend was, uitvoerig herdacht zou worden; en dán zou hij op geen vijf minuten zien.
Onderwijl de karnemelk, die kokend-heet opgedaan was, een beetje besloeg, at ieder eenige ferme sneden bruine stoeten met boter; niet overmatig, maar toch zooveel dat een stadsmensen het voor dien dag daarbij maar laten zou. Toen volgde voor ieder de karnemelk, ook niet heel veel, slechts twee diepe borden vol, niet zoozeer als voedsel dan wel om "de holletjes in de maag te laten vol loopen."
Toen eindelijk avondeten en huisgodsdienstoefening afgeloopen waren, het dienstpersoneel zich verwijderd had, en moeder de vrouw bezig was voor de koffie te zorgen, stak vader een pijp op en zei: "En vertel nou' reis."
Naar eer en plicht begon Jannetje met de hartelijke groeten van oom en tante Builders over te brengen en te zeggen "dat ze allebei nu weer heelemaal beter waren."
"Scheelden ze dan wat?" vroeg moeder verwonderd.
"Neen," zei Jannetje; "ze waren heel wel; maar Zondag vóór acht dagen is tante met de koorts en erge pijn in de schouders naar bed gegaan."
"Ja, dat is koorts;" besliste vader; "dan heb je altijd pijn in je schouderbladen."
"Goed kamillendrinken en zweeten!" raadde moeder aan, alsof ze voor het ziekbed stond.
"Neen," zei Jannetje weer, "het was omdat ze zoo geslagen was, en oom...."
"Kind!" riep vrouw Huiskamp. "M'n eenige zuster! Maar hoe zat dat dan?"
"Laat u me nou geregeld doorvertellen," zei Jannetje, die zich verbeeldde dat haar verslag niets aan duidelijkheid te wenschen overliet. "Waar was ik ook weer? o Ja, oom had een diepe snee boven z'n linkeroog en kwam zonder hoed thuis."
"En hoe kwam dat nu weer?" vroeg vader van uit de rookwolken, waarin hij zich gestadig hulde.
"Ja, ziet u, doordat we uit de kerk kwamen," lichtte Jannetje toe, alsof de kerk een speciale inrichting was om afgeranseld en gewond te worden. "Ik heb ook al een nieuwe hoed en mantel moeten koopen."
"Kind, je maakt me zoo ongerust!" begon moeder weer.
"Vrouw, laat zij nou vertellen," vermaande vader, wiens zenuwen sterk genoeg waren om steeds de vermaning van Salomo na te leven: "Vreest niet voor haastigen schrik."
"Kijk," zei Jannetje, "het zit zóó: de Afgescheidenen in Amsterdam houden, omdat de stad zoo groot is, wel op twintig plaatsen kerk. En zoo waren wij dan naar mijnheer Buter in de Lindenstraat gegaan. En alles ging goed; maar voor de deur stonden ze te schelden en te vloeken en de glazen in te gooien. En om half-elf kwamen twee politieagenten boven, achter waar wij zaten...."
"Was de deur dan open?" vroeg moeder.
"Welneen, maar we merkten later dat ze de winkelkast opengebroken hadden.... en liepen naar binnen en begonnen ons allemaal met stokken te slaan, en naar buiten te duwen, en de trappen af te gooien, en de deur uit te jagen. De stoep hadden ze met boter besmeerd en we vielen allemaal naar buiten, en ze ranselden ons af, en het volk gooide met steenen en vuil. En tante, die kon zoo hard niet loopen, die goeie ziel, die kreeg van een agent een pak slaag met een stok. En ze hadden in den winkel al het aardewerk kapot geslagen, want die mijnheer Buter is winkelier in aardewerk en zulk goed, en ze gooiden ons met de stukken van zijn eigen potten en pannen, en oom kreeg een scherf boven z'n linker oog, 't was op het kantje af dat ze hem het oog uit z'n hoofd gooiden! En 's middags moest het bij oom dichtgenaaid worden; en tante ziek naar bed. Mijn kleeren waren heelemaal bedorven. Nu ik er weer zoo inkom...."
Jannetje barstte in tranen uit, legde de armen op tafel en het hoofd op de armen, en begon hartstochtelijk te snikken.
"Zoo, zoo!" gromde vader en smoorde zijn verontwaardiging door heftige trekken aan zijn pijp.
Moeder haastte zich om wat valeriaan klaar te maken.
"Hier schaap, drink 'ereis, maar dat is verschrikkelijk! Waar moet dat naar toe! Och Heere, geef uitkomst."
Jannetje hief het hoofd op, dronk werktuigelijk het rood-en-groen-gebloemde kopje leeg en kwam weer wat tot bedaren.
"Ik _wil_ nu niet langer! Ik _kan_ niet en ik _mag_ niet! Als je bij zoo iets bij bent geweest, dan voel je dat je _daar_ bij hoort! Liever met het volk Gods kwalijk gehandeld te worden dan... hoe staat het er ook weer? Werktuigen van den satan zijn ze, dáár! De Heere zal het bezoeken!"
"Kind! Kind!" vermaande moeder. "Bezondig je niet! Er zijn nog heel wat ware vromen onder!"
"Ja," antwoordde het meisje, door haar rechtsgevoel en haar liefde tot Gods kinderen welsprekend gemaakt, "juist, moeder, daar heb je 't! Dat is juist de kunst van de hel! Dat gemeene volk, die dronkelappen en die slordige wijven en die straatjongens zouen niets kunnen doen als ze niet wisten dat dominees en burgemeesters het heel mooi vonden. Die agenten zouden weerlooze oude vrouwen niet doodranselen als er geen koning en geen gouverneurs en geen rechters achter zaten. Als er dan ware vromen onder zijn, dan zullen die het zwaar te verantwoorden hebben!"
"En ben je den tweeden Zondag nog naar de kerk geweest?" vroeg vader, die onrustig werd en daarom beproefde Jannetjes woordenstroom in andere bedding te leiden.
De goede man had echter onbewust het verkeerde middel gekozen om zijn dochter te kalmeeren.
"Neen, vader; ik mocht niet van den commissaris van politie."
"Wat is dat nu weer!" vroeg moeder. "Kan de commissaris van politie je dan verbieden om naar de kerk te gaan!"
"Ja, 't is toch zoo! Al de huizen, waar de Afgescheidenen gewoon zijn, worden door agenten bewaakt en Zondags wordt aan ieder, die er in gaat, z'n naam en woonplaats gevraagd; en de commissaris heeft hun laten weten, dat hij order had gekregen om voortaan geen enkelen vreemde van buiten toe te laten. Dus kon ik Zondag niet met oom en tante mee!"
"Ben je dus Zondag heelemaal niet naar de kerk geweest, kind?" vroeg moeder met een zweem van afkeuring in den toon.
"Neen, moeder, dat was me immers onmogelijk, zooals je ziet!"
"Ende laat ons onse onderlinghe bijeenkomste niet nalaten!" zei vader, ernstig den vinger zwaaiend. "Dat is niet goed, Jannetje!"
"Vader, ik _kan_ niet meer! Ik _kan_ niet kalm en veilig in mooie kerken zitten, al preekte daar ook een engel uit den hemel, onderwijl de kinderen Gods door de menschen, die over die kerken regeeren, als beesten verjaagd en vermoord worden!"
"Ho, ho!" berispte vader haar, "ik zal de laatste wezen om het goed te praten, maar we moeten oppassen dat we niet overdrijven."
"Ik overdrijf niet, vader. Maar wij weten niet wat er zoo allemaal gebeurt. Daar heb je het geval nog pas-geleden in Kesteren. Dat is verleden week gebeurd en het werd ons verteld door de familie van de menschen. Daar waren nu Woensdag vóór acht dagen des avonds negentien menschen bij elkaar;--ik kan den naam je noemen, bij een kleinen landbouwer Arie de Weert. Ze hoorden wel veel rumoer om het huis heen maar gingen voort met preeklezen. Eindelijk hoorden ze lawaai op het dak; niet anders te denken dan het was de wind, want het woei hard. Maar jawel; is 't niet Godgeklaagd? ineens zagen ze vuur. Het heele dak en het achterhuis stonden in volle vlam. Nog net bijtijds konden de geloovigen het huis uit vluchten. Niemand stak een hand uit om te blusschen. Niets is er gered dan het eenige koebeest van de Weert. Ze zouden nu moeten bedelen als er geen Afgescheidenen waren!.... Ik.... ik _wil_ en _zal_ niet langer bij de vervolgers hooren!"
Jannetje stampte met den voet op den grond; vader en moeder zaten bedrukt te kijken. Gedurende de eerstvolgende minuten zwegen allen.
"Ja, ja!" zei vader Huiskamp eindelijk, "er gebeurt al wat in de wereld!"
Zoomin zijn vrouw als zijn dochter gevoelden zich geroepen dit tegen te spreken of te bevestigen.
"Drink je koffie eens leeg, beste meid," zei moeder. "'t Is jammer, niet waar vader? dat zij Zondag niet hier was."
"Hoe dat zoo moeder?" vroeg Jannetje.
"Omdat we Zondag morgen nog zoo'n mooie preek van onzen dominee gehoord hebben, ook zoo wat over hetzelfde," hernam moeder terwijl ze voor alle drie de kommetjes inschonk; "je kreeg er zoo'n inzicht in, zie je."
"Ja," zei vader, "een dierbare tekst."
"Lees 'm 'reis voor, vader," vroeg vrouw Huiskamp. Haar man greep den Statenbijbel, die naast het pijpenrek op een kastje stond, sloeg dien open en begon: "Hier heb je het: uit Johannes zes:
Van doen af gingen vele syner discipelen terugge ende wandelden niet meer met hem.
Jezus dan seyde tot de twaelve: wilt ghijlieden oock niet wechgaen?
Simon Petrus dan antwoordde hem: Heere, tot wien sullen wij henengaen? ghij hebt de woorden des eeuwigen levens.
Ende wij hebben gelooft ende bekent, dat ghij sijt de Christus de Sone des levendigen Godts."
Vader sloot het heilige boek en zette het weder op zijn plaats.
"Dierbaar hè?" vroeg moeder aan Jannetje.
"Ja moeder, die tekst is mooi genoeg," stemde haar dochter toe.
"Het wás ook mooi!" zei vrouw Huiskamp weer.
"Dat kan wel, moeder," hernam Jannetje; "maar ik zie nog niet hoe dat iets met de Afscheiding te maken heeft."
"Zie je dát niet, kind? Hoe is 't mogelijk! Hoe dat de Heere Jezus hier nu niet meer lichamelijk rondwandelt, maar hoe dat hij toch in zijn kerk gebleven is en altijd blijven zal; en hoe dat die nu hier de wereld doorgaat, en hoe dat..... ik kan het allemaal niet zoo zeggen!... hoe dat er toen ook al een Judas bij was; en de Heere Jezus dat heel goed wist en hij hem toch niet uit zijn kerk uitstootte; en hoe dat... zie je... als nou maar de ware belijders... e... begrijp je?"
Moeder bleef in het schema van de preek steken. "Ik begrijp het nog niet," zei Jannetje lastig.
"Nou," vulde vader aan; "als die nou maar op de vraag: "Wilt gijlieden ook niet weggaan?" met Petrus zeggen: "Neen, Heere!""
Jannetje zweeg.
"En getrouw, hè vader?" begon vrouw Huiskamp weer. "Getrouw! Aan het adres van de onbekeerden; _ik_ oordeel u niet, maar het zal wat te zeggen wezen altijd met den Heere gewandeld te hebben en er toch niet bij te behooren. En de geloovigen vermaand om nu ook bij hem te blijven, waar hij ook heengaat en al zijn er Judassen bij; maar niet hetzelfde juk met de ongeloovigen aan te trekken. En toen dat eindelijk allemaal toegepast op de beroering in onze dagen."
Jannetje bleef zwijgen en vader bleef rooken.
"En toen," ging moeder maar weer voort, "dat nagebed. Dat smeeken aan den Heere of toch de eenigheid van de geloovigen mocht openbaar worden; en of we allen maar van de menschen mochten afzien en op hem alleen zien! En of er meer liefde mocht komen en geen wortel van bitterheid opspruiten. En of we niet mochten blijven bij het uitwendige om maar alleen op de belijdenis te kijken, daar je zoo licht het innerlijke leven bij vergeet; en hoe het ons in de eeuwigheid niets helpen zal als onze buurman een zuivere belijdenis had.--Ik kan je zeggen, hij zei me te vroeg Amen, en ik dacht, was je nog maar zoo doorgegaan!"
"Ja," zei vader plechtig; "ik zeg maar: zoolang als je nog zulke getuigenissen te hooren kan krijgen, dan..."
"Nu wat dan, vader?"
"Dan?.. Nou.. dan.. e.. zooals ik zeg..."
"Vader meent maar," hielp zijn vrouw hem, "dat een mensch z'n eigen wel tweemaal bedenken mag voordat hij daar tegen ingaat."
Een paar minuten stilte.
"Weet u ook hoe het Zondag bij Reijmeringer gegaan is?" vroeg Jannetje plotseling.
Vader keek onaangenaam verrast op, klopte zijn pijp uit en stopte een versche; toen nam hij een kooltje vuur:
"Ja.. pf!.. dàt is nou.. pf.. pf.. zie je.. pf! hoe zal ik zeggen?..."
Jannetje wachtte geduldig.
"Ja zie je, dáár kan ik me nou ook zoo glad niet bij neerleggen."
"Waarbij niet, vader?"
"Daar waren meer dan negentien, zie je, en..."
"Ja vader," viel vrouw Huiskamp hem in de rede; "maar laten we nou eerlijk wezen en zoowel het voor als het tegen zeggen. En dát vond ik nou ook veel te ver getrokken, al zeg ik het zelf; dát was spijkers op laag water zoeken! Ja, er waren er twintig; maar hoe! Neen, daar kan ik nou nog zelfs niet overheen."
"Ik zeg immers ook dat ik het niet kan goedkeuren!" riep vader een beetje kriegel.
"Jawel, maar omdat je zoo maar alleen zeit: er waren meer dan negentien. Maar dat ééne schaap van drie maanden, dat was alles.... zie je, ik kan begrijpen dat je de menschen zóó tegen de kerk maakt."
Jannetje wachtte zwijgend; ze was den heelen avond onhandelbaar; ze praatte onophoudelijk telkens als vader en moeder maar liever gehad hadden dat ze haar mond gehouden had; en ze zweeg gedurig als een mof, telkens als ze haar ouders met een enkel woordje uit de verlegenheid had kunnen redden.
"Zie je," zei moeder eindelijk; "de burgemeester kwam tellen en vond negentien groote menschen, nou daar was niets tegen. Maar vrouw Klippers had haar zuigeling van drie maanden meegebracht, en dat was de twintigste. Nou toen wou zij met het kind weggaan maar dat mocht niet, en toen moesten ze allemaal er uit. En tegen Reijmeringer is proces-verbaal opgemaakt, die krijgt nou boete."
"Maar," vergoelijkte vader; "ze zijn niet geslagen of zoo iets; Reijmeringer moest zelf zeggen dat alles heel fatsoenlijk in z'n werk ging."
"En heeft dominee misschien 's avonds ook stichtelijk gepreekt over dat schandaal?" barstte Jannetje los. "Hoe _kunt_ u nog langer bij zoo iets blijven?"
"Maar beste meid," hernam vader; "we zeggen je immers zelf hoe leelijk wij het vinden."
"Jawel: maar ondertusschen doet u er aan meê."
"_Wij_!" riep moeder, "schaam je je niet?"
"Ik meen niets scherps te zeggen, moeder; ik deed er ook aan mee. Ieder die er bij blijft behooren. Van u weten ze dat het uw lust is den Heere te dienen; en dus sterkt u de handen van de vijanden. Zij zeggen natuurlijk dat het zoo kwaad niet zijn kan in een kerk, waar de Huiskampen in blijven. o Gaat u ook over!"
"Ik en je moeder vinden geen vrijheid om de kerk te verlaten zoolang de Heere er niet kennelijk geheel uit geweken is."
"Vader, ik vind geen vrijheid om te blijven. Ik vind het vreeslijk om alleen te gaan, maar ik mag niet anders."
"Jannetje," zei vader, "we kunnen je niet met geweld tegenhouden."
"Maar het is me een verdriet op m'n ouden dag!" jammerde moeder.
"Moeder, God weet het, hoe erg ik het vind u verdriet aan te doen, maar ik mag niet anders."
"Nou, kind, dan moet je doen wat je niet laten kan."
"Als je maar niet je dwaling eerst inziet, als het te laat is," waarschuwde vader nog.
* * *
Jannetje, hoewel gewaarschuwd, bleek niet voor overtuiging vatbaar. "Ze is een best kind," zei moeder, "maar ze heeft haar eigen zinnetje!" Den volgenden dag was ze niet te bewegen mee naar de kerk te gaan. In de samenkomsten der Afgescheidenen kon ze niet komen zonder het getal van negentien te overschrijden. Ze kon het dien dag heel goed zonder preek stellen; ze had meer stichting in de eenzaamheid door haar eenheid met de vervolgden, dan ze door de mooiste preek van den besten Hervormden predikant had kunnen genieten.