De Vurige Oven Een Verhaal Uit Den Tijd Der Dragonades In Neder
Chapter 5
De verbazing der vrienden was niet zoo groot als hun verontwaardiging. De meesten hunner wisten zelf reeds dergelijke staaltjes van verdraagzaamheid; maar men was niet gewend aan zulke ruiterlijke verklaringen van de vijandschap. Mevrouw Karper nam zich voor deze zaak niet te vergeten. Ze vroeg aan vrouw Beukman eenige nadere bijzonderheden, en vernam toen ook dat Klaas Beukman denkelijk eerstdaags in Amsterdam zou moeten zijn, omdat hij in hooger beroep was gekomen over hem opgelegde boete. Mevrouw rustte niet voordat haar nieuwe vriendin beloofd had, dat haar man op zijn weg daarheen bij mevrouw zou aankomen.
Dominee Waterman was er juist de man naar om van de omstandigheden waarin hij zich bevond, zooveel mogelijk partij te trekken. Daarvoor had hij geen wèl-overdachte en nauwkeurig uitgewerkte leerredenen noodig. Hij hield dus de preek, welke voor dien middag bestemd was, achterwege. Zijn ruwe welsprekendheid kon beter tot haar kracht komen door een voor de vuist uitgesproken leerrede over een tekst, die hij thans meer gepast oordeelde.
Onmiddellijk na het voorgebed boeide hij zijn hoorders door als zijn onderwerp op te geven Lukas 8:22-25: "Ende het geschiedde in een van die dagen, dat hij in een schip ginck, ende syne discipelen met hem, ende hij seide tot haer, laet ons overvaren aan d' ander syde des meyrs. Ende sij staken af.
Ende als sij voeren, viel hij in slaep: ende daer quam een storm van windt op het meyr: ende sij wierden vol waters, ende waren in noodt.
Ende sij gingen tot hem, ende weckten hem op, zeggende: Meester, Meester, wij vergaen. Ende hij opgestaen sijnde bestrafte den windt ende de watergolven, ende sij hielden op ende daer wiert stilte.
Ende hij seide tot haer: waer is uw geloove? maer sij bevreest sijnde verwonderden haer, seggende tot malkanderen: wie is toch dese, dat hij oock de winden ende het water gebiet, ende sij sijn hem gehoorzaem."
Met gemak en vuur sprak hij langer dan anderhalf uur over dit onderwerp, dat hem zoo rijke stof gaf. Voor zijn hoorders duurde de dienst echter veel te kort.
Toen eindelijk het gezelschap weer aan land kwam, stond de veldwachter hen op te wachten. Van allen werden de namen genoteerd; voor ieder hunner zou beboeting volgen. Toch had geen van allen een tittel of jota van de wet overtreden, alleen had dominee gehandeld tegen de uitlegging, welke het laatste koninklijk besluit van de grondwet gaf.
Nog denzelfden avond maakte mevrouw Karper kennis met Klaas Beukman, dien ze in zijn huis ging bezoeken.
De afspraak, met moeder Grietje gemaakt, werd bekrachtigd. Alleen merkte Klaas op dat misschien een jong vriendinnetje onder zijn geleide naar Amsterdam zou meegaan. Des te aangenamer voor mevrouw, die nooit genoeg gezelschap had naar haar zin.
Wèl-voldaan over haar uitstapje keerde ze den volgenden morgen huiswaarts.
__________ [1] Nauwelijks was ook in dit gedeelte van ons land door de Afgescheidenen godsdienstoefening op het water gehouden;--'t geen in andere provinciën reeds vroeger geschied was--; of de burgemeester van Bunschoten ontving de volgende aanschrijving:
"No. 901. Kabinet. Utrecht 12 Mei 1837.
Men heeft mij op eene indirecte wijze kennelijk gemaakt dat bij de afgescheidenen in uwe gemeente het voornemen zoude bestaan hunne godsdienstoefeningen bij daartoe gunstig weer op zee in schuiten te houden.
Ik verzoek UEdg. mij te onderrigten wat hier van zij en in het bevestigende geval mij casu quo deswege eenige bijzonderheden bijv. zoo nopens hun getal, den woordvoerder en hunne verrigtingen mede te deelen.
_De Staatsraad-Gouverneur van de Provincie Utrecht._ L. VAN TOULON."
X.
"POSTWINKEL."
Het was in de laatste dagen van Maart 1837 nog alles behalve lenteweer. Slechts zoo nu en dan kwam de zon door; meestal werden zware regenvlagen afgewisseld door hevige buien van losse, natte sneeuw. De wegen waren dan ook over 't algemeen veranderd in modderpoelen, die van menschen en beesten bovenmatige inspanning eischten; al viel een ritje niet zóó bezwaarlijk als een week of vier geleden.
Den vierden Zaterdag na den dag, waarop mevrouw Karper haar bezoek aan Loosdrecht gebracht had, was voor Klaas Beukman het oogenblik gekomen om zijn reis langs "Postwinkel" naar Amsterdam te ondernemen. Den volgenden Maandag vroeg moest hij in die stad de behandeling van zijn rechtszaak bijwonen. Het gold een boete, die hij opgeloopen had voor het openzetten van zijn huis voor verboden godsdienstoefening.
Een bijzondere gunst van zijn God achtte hij het, dat juist een paar dagen tevoren plotseling en onverwacht de inkwartiering--ten minste tijdelijk--was ingetrokken, waarmede hij nu bijna zes maanden, met verkrachting van alle wetten des lands, gekweld geweest was. Nu kon hij tenminste met een geruster hart drie dagen van huis gaan en zijne vrouw alleen achterlaten zonder vrees voor ruwe behandeling.
Aan den morgen van Zaterdag, den 25^{en} Maart, ongeveer te tien uur, kwam dus de oude bekende huifkar voor. Na hartelijk afscheid van zijn vrouw ging Klaas voor in de kar zitten en nam de teugels in handen. Het vriendinnetje, dat de reis onder zijn geleide maken zou, nam naast hem plaats, en Beukman reed met Jannetje Huiskamp weg.
Jannetje ging eens een paar dagen doorbrengen bij oom en tante Builders, die in een der beste straten van de Jordaan te Amsterdam in een manufacturenwinkel een behoorlijk burgerlijk bestaan vonden. Oom en tante waren altijd met haar ouders op den besten voet geweest; de Afscheiding, waartoe beiden overgegaan waren, had daarin geen wijziging gebracht. Ofschoon vader en moeder Huiskamp nu niet bij voorkeur hun dochter daar een Zondag zagen doorbrengen, hadden ze er ook geen overwegend bezwaar tegen. Hetgeen in de laatste maanden in Loosdrecht was voorgevallen, had ook op hen zijne uitwerking niet gemist; de oogen gingen hun hoe langer hoe meer open. Een bekend staatsman heeft eens gezegd: "Alle bescherming is vervolging." Wellicht kan men nog meer naar waarheid de spreuk omkeeren en zeggen: "Alle vervolging is bescherming." En Jannetje die heel goed wist, dat ze door die reis om zoo te zeggen midden in de Afscheiding terecht kwam, had daar eigenlijk wel eens zin aan; ze wilde wel eens met eigen oogen zien hoe het toeging in die kringen, waar..... Gerrit toe behoorde.
Een bezoek bij mevrouw Karper was nu juist niet hetgeen het eenvoudige landmeisje in de eerste plaats aantrok. Maar daar was geen ontkomen aan, en haar vriend Beukman verzekerde haar, dat dit haar erg meevallen zou.
De reizigers werden dan ook allerhartelijkst ontvangen door mevrouw, die hen, doch zonder eenige reden, reeds eenige uren vroeger verwacht had. Ze werden na de eerste begroeting door de vrouw des huizes in een groote zaal gebracht, welke naar de meening van Jannetje in ruimte en prachtige meubileering zeker niet voor de mooiste kamer in het paleis des konings behoefde onder te doen. Daar vonden ze een klein maar zeer gemengd gezelschap bijeen. Juffrouw Rika was ijverig in de weer met het schenken van koffie, die ze met een schaal vol koek door een jonge dienstbode den gasten aanbieden liet. Een paar keurig-gekleede meisjes van acht of negen jaar, blijkbaar uit den hoogeren stand, logeergasten uit Utrecht, stoeiden ongehinderd samen in een hoekje van de groote salon. Twee boeren-echtparen zaten heel gemakkelijk in gesprek met het middelpunt van den kleinen kring, een jongen man in ambtsgewaad, met scherpzinnig maar vriendelijk en openhartig voorkomen, aan wiens rechterzijde de leunstoel voor mevrouw open stond.
"Dominee Van Raalte," sprak mevrouw Karper; "ik breng u hier mijn vriend Klaas Beukman uit Loosdrecht, en mijn jonge vriendin Jannetje Huiskamp."
Dadelijk daarna verdween mevrouw weder om in de huishouding werkzaam te zijn. Zij bracht haar gasten bij elkaar, liet hun geheel vrij en gaf hun haar gezelschap alleen wanneer het haar volkomen gelegen kwam, dat nooit dikwijls of lang het geval was; zonder in 't minst om een hunner of om allen tezamen ook maar eenigszins van haar gewoonten af te wijken. Tenzij hooger belangen dat eischten; maar dan deed ze het niet terwille van haar gast, maar van haar Heere.
Dominee Van Raalte had dikwijls genoeg in Loosdrecht gepredikt om Beukman te kennen. Spoedig zaten die beiden in druk gesprek gewikkeld, waarin ook de twee boeren en hun echtgenooten betrokken worden. Dezen--pachters van mevrouw Karper--waren maar even over komen loopen om den predikant te begroeten, wiens leerredenen ze den volgenden dag hoopten te hooren. Ze waren bij de eigenares van de door hen bewoonde hofsteden als vrienden over huis. Er was altijd kans dat in slechte jaren de pachtsom tijdelijk daalde, maar voor opslag behoefden ze levenslang niet te vreezen.
"Ik heb verleden Zondag in Amsterdam voorgegaan," verhaalde dominee Van Raalte; "de vervolging begint ook daar sterk te woeden. De politie heeft het gewone vergaderlokaal van de gemeente gesloten, zoodat we nu samengekomen zijn ten huize van broeder Budde aan den Nieuwe Zijds Achterburgwal bij de Gasthuismolensteeg."
"En is de gemeente daar nog lastig gevallen, dominee?" vroeg een der pachters.
"Nog niet!" was het antwoord; "maar...."
"Maar?" vroeg Beukman. "Ik denk morgen in Amsterdam te zijn en hoop den dienst bij te wonen."
"Dan wensch ik u van God toe, dat ge dat ongestoord zult kunnen doen, maar ik vrees er voor! Het gemeen wordt daar woelig en van overheidswege wordt niets ter bescherming van Gods kerk gedaan. Er zijn morgen verscheidene plaatsen van samenkomst, bijvoorbeeld bij Budde, bij Hoogkamer, bij Buter...."
"Ook bij Buter?" viel Beukman dominee in de rede. "Ik hoop bij hem tot Maandag te logeeren. Buter in de Lindenstraat bij de Noorderkerk?"
"Dezelfde; een broeder die veel voor den naam des Heeren overheeft! En zal deze juffrouw daar ook zijn?"
"Ik ga naar mijn oom en tante Builders, dominee."
"Dien naam herinner ik me niet. Behooren ze ook tot de onzen?"
"Ja dominee,--maar ik ben nog Hervormd."
"Het doet me genoegen, juffrouw, dat te hooren."
Jannetje keek den spreker verbaasd aan; ze dacht dat hij haar niet goed verstaan had.
"Ja, juffrouw; wanneer iemand zegt dat hij iets nog is, dan schijnt hij uitzicht te hebben binnen niet al te langen tijd iets anders te zijn."
Mevrouw kwam binnen om haar gasten tot den maaltijd te noodigen.
"We eten maar vroeg," zei ze, "want onze broeder Beukman moet nog naar Amsterdam, en zal daar zeker niet graag zoo laat aankomen."
De beide boerenparen namen afscheid, en de overigen volgden mevrouw naar de eetzaal, een fraai vertrek met heerlijk uitzicht over een vijver en verder de buitenplaats in, dat niet minder dan de salon de bewondering van Jannetje gaande maakte.
De keurig-gedekte en rijk-voorziene tafel was in de oogen van Jannetje een ware bruiloftsdisch, maar ze gevoelde zich recht op haar gemak; van stijve of hoofsche vormen was geen sprake. Integendeel: alles--behalve de huisgodsdienst waar overvloedig tijd voor genomen werd,--ging zoo gejaagd dat van gezellige gesprekken gedurende het tafelen niets komen kon. Het sterke gestel van mevrouw kende geen vermoeidheid; haar zenuwachtigheid jaagde haar steeds voort. Des zomers verliet ze met zonsopgang haar bed en des winters kon van haar gezegd worden wat de Spreukendichter van de "deugdelijke huisvrouw" getuigt: "Zij staat op als het nog nacht is." Maar daarom ging ze niet vroeg ter ruste; des avonds zou koning Salomo van haar geschreven hebben: "Haar lamp gaat des nachts niet uit." Dat was niet altijd even welgevallig in de oogen harer dienstboden, die duchtig ondervonden: "Zij beschouwt de gangen haars huizes." Maar toch hadden ze er over 't algemeen vrede mee, want het was een uitstekend-goede dienst, en geschikte dienstbodens werken gewoonlijk met lust, wanneer ze van haar meesteres verklaren kunnen: "Het brood der luiheid eet zij niet."
Nauwelijks was de laatste der aanzittenden gereed, waarop mevrouw met kwalijk-verborgen ongeduld had zitten wachten, of het geheele dienstpersoneel werd binnengeroepen om den huisgodsdienst bij te wonen. De paar minuten, die verliepen tusschen het ontbieden en het komen van de meisjes, vulde mevrouw aan door tot Beukman te zeggen: "Vriend Beukman, dadelijk na den dienst moeten wij elkaar even spreken."
Zoodra dominee, wien verzocht was voor te gaan, zijn gebed geëindigd had, stond mevrouw op, wenkte Beukman en verliet door hem gevolgd het vertrek. De gasten konden zich weer vermaken, of bezighouden, of rusten, elk naar eigen keuze.
Het zou niet licht voorkomen dat mevrouw eenige afspraak vergat of eenig voorgenomen plan verwaarloosde. Ze gebruikte dus in haar onderhoud met Beukman zeker vijftien minuten--voor haar doen een langen tijd--om alles te weten te komen wat ze weten wilde omtrent den ontslagen tuinbaas te Middelburg. Hoe ze hem helpen wilde, wist ze nog niet, maar dàt ze het doen zou, stond bij haar vast. En Beukman had voortaan een adres waar hij komen kon zooveel hij wilde.
Met evenveel hartelijkheid als haar Loosdrechtsche vrienden verwelkomd waren, werden ze nu weer op reis gezonden; niet omdat mevrouw ze zoo graag vertrekken zag; maar omdat er meer te doen was, omdat ze vóór donker in Amsterdam moesten zijn en omdat het paard genoeg gerust had.
"Nu, lieve kind," zei mevrouw tot afscheid tot Jannetje, "de Heere heilige het aan je hartje."
Daarmee bedoelde ze niet het bezoek van heden, maar den kerkgang van morgen, en vooral de bezwaren welke die haar bezorgen kon.
XI.
HOOG EN LAAG GEMEEN.
De heer Buter, de vriend van Klaas Beukman, bewoonde in de Lindenstraat tusschen de Noorderkerk en de Lindendwarsstraat een vrij ruim huis. Hij had als winkelier in huishoudelijke artikelen een goed burgerbestaan. Reeds sedert het begin der beweging had hij met zijne vrouw zich van ganscher harte bij de Afscheiding aangesloten; en zij werden gerekend onder de leden, van wier standvastigheid in de vuurproef der vervolging men zich verzekerd houden kon. Dat was gelukkig niets ongewoons. De ouderling van de kleine gemeente, Wormser, die in "De Reformatie" verslag gaf van hetgeen in dit hoofdstuk verhaald wordt, kon er bijvoegen: "Sommigen onzer Amsterdamsche broeders zijn in druk en benauwdheid wegens het voorgevallene. De meesten echter staan goed, welgetroost in den Heere."
Broeder Buter had dus niet geaarzeld, toen "de openbare vergaderplaats der gemeente te Amsterdam, tot straffe voor de openlijk daarin plaats gehad hebbende prediking, laatstelijk van den predikant de Cock, door de politie gesloten was," zijn huis aan te bieden voor de samenkomsten. Dankbaar werd het aanbod aangenomen, want de zoogenaamde Jordaan was evenals Kattenburg rijk aan gemeenteleden; en er bestond meer dan één reden om den menschen de gelegenheid voor godsdienstoefening zoo dicht mogelijk bij hun woningen te geven; om er slechts één te noemen: hoe korter de afstand is wanneer men onder ketelmuziek, steenworpen en stokslagen naar huis gaat, des te beter.
Een ruime achterkamer was bestemd voor de te houden samenkomst, waar--ten einde alle aanmerkingen te ontgaan--behalve de leden des gezins niet meer dan negentien personen bijeen zouden zijn. Die kamer bereikte men door den winkel heen langs een trap achter in de gang.
Het ontbijt stond reeds vroeg op den morgen gereed in de voorkamer.
Toen de huisvader--het laatstgenoemde vertrek binnen getreden--even naar buiten keek, zag hij dat het weer er niet op verbeterd was. De grijze wolken, die elk zonnestraaltje onderschepten, lieten groote sneeuwvlokken los, welke onmiddellijk bij aanraking met de natte gevels, de zwart-uitgeslagen stoepen en de modderige straat wegsmolten en voortdurend de onreinheid vermeerderden. In de hoeken van de stoepen lagen restanten van het sneeuwijs der vorige dagen nog opgehoopt, vermengd met stukken baksteen, afkomstig van een huis, dat op twintig schreden afstands afgebroken werd. Alles zag er dus even treurig en triestig uit; maar toch werd de aandacht van den heer Buter tot iets anders getrokken.
"Mina!" zei hij tot zijn vrouw, die bezig was met brood snijden; "kom eens gauw even kijken. Er staan vier politieagenten voor de deur!"
"Wat blief je?" riep juffrouw Buter en liep met het mes in de hand naar het venster. "Al z'n leven! Zou er niemand door mogen?"
"Wie weet het!" antwoordde haar man, "maar het is ook mogelijk dat ze hier geplaatst zijn om ons tegen opstootjes te beschermen."
"Het kàn zijn!" zei Klaas Beukman, die ook even was komen kijken. "Maar naar de ondervinding, die wij in Loosdrecht opgedaan hebben, zou ik je raden daar maar niet te vast op te rekenen!"
"Zou je 't ook eens even vragen, Hein?" opperde zijn vrouw.
"Dat kan in elk geval geen kwaad," meende haar man en ging naar beneden.
Een stuk of wat straatjongens en enkele baliekluivers, die voor hun doen buitengewoon vroeg bij den weg, of waarschijnlijker sedert den vorigen namiddag nog niet thuis geweest waren, stonden met de grootste belangstelling te wachten op de dingen, die komen zouden.
Zoodra Buter de voordeur opende, schreeuwde een van de bengels: "Daar heb je den Scholtiaan!"
"Dag apenbakkes!" juichte een van z'n kornuiten.
"Mijnheer," zei Buter tot een der agenten, "mag ik vragen waarom er politie voor mijn huis staat?"
"Om jou op te hangen!" schreeuwde een van de halfdronken kerels.
"Om de orde te bewaren;" antwoordde de man van de wet en begon heen en weer te loopen ten teeken dat de audiëntie afgeloopen was.
"Zeg Kees!" krijschte een wijf, dat in nachtjak en met uit de vuile slaapmuts hangende hairen uit een water- en vuur-kelder kwam aanloopen, "misskien lust die Skoltiaan wel een paardevijg?"
"Daar zeg je zoo wat, Mottige Mie!" bulderde Kees en bukte zich reeds om het voorgestelde projectiel te zoeken.
De politieagenten bewaarden de orde--bij zichzelven; ze stonden zoo kalm en onbeweeglijk alsof ze in een wassen-beeldenspel opgezet waren.
Buter sloot spoedig de deur; hij wist genoeg!
De huisgodsdienst vóór het ontbijt werd niet zoo maar voor den vorm gehouden! Met ernst en aandrang smeekte de huisvader, toen hij in het gebed voorging, om den bijstand des Heeren Heeren, en om de genade die noodig was ten einde geduldig en blijmoedig het lijden te verdragen, dat bijna zeker binnen enkele uren ter wille van Gods naam over hen komen zou. Hartelijk stemden zijne vrouw, zijn beide dochters, het dienstmeisje en zijn gast met hem in. De kleine groep verkwikte en versterkte zich daarna door de lezing van 1 Petr. IV:12-19:
"Geliefde, en houdt u niet vreemt over de hitte der verdruckinge onder u, die u geschiet, tot versoeckinge, als of u yet vreemts overquamen.
Maar gelyck ghy gemeynschap hebt aen het lijden Christi, also verblydt u; opdat ghy oock in de openbaringe sijner heerlickheyt u mooght verblyden ende verheugen.
Indien ghy gesmadight wordt om den name Christi, so zyt ghy saligh: want de geest der heerlyckheit en de Geest Godts rust op u, wat haer aengaet hij wort wel gelasterd, maer wat u aengaet hij wordt verheerlickt.
Doch dat niemandt van u en lyde als een doodtslager, of dief, ofte quaetdoender, ofte als een die sich met eens anders doen bemoeyt:
Maer indien yemandt lijdt als een Christen, die en schame sich niet, maer verheerlicke God in desen deele.
Want het is de tijdt dat het oordeel beginne van het huys Godts: ende indien het eerst van ons begint, welck sal het eynde sijn dergene die den Euangelio Godts ongehoorsaem sijn?
Ende indien de rechtveerdige nauwelicks saligh wort, waar sal de godtloose ende sondaer verschynen?
Soo dan oock die lyden nae den wille Godts, dat sy hare sielen hem als den getrouwen schepper bevelen met weldoen."
Het is waar, de heer Buter las dat in oud-Hollandsch voor, en was door die gehechtheid aan de taal der vaderen wel honderd jaren bij zijn tijd ten achter. De heeren van de Haagsche Synode, die daarom met spot en verachting op hem neerzagen, schreven veel mooier Hollandsch! Zie maar eens welk ontzaglijk verschil:
"De Commissie (uit de Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk) heeft geoordeeld, eerstelijk wat betreft het houden van onwettige godsdienstige bijeenkomsten, waardoor ook in nabij gelegene provincien aanleiding tot wanorde en tot scheuring werd gegeven, Zijne Excellentie den Minister belast met de generale directie voor de zaken der Hervormde Kerk, dringend te moeten verzoeken ter aanwending van zijne tusschenkomst en veelvermogende pogingen bij Zijne Excellentie den Minister van Justitie, ten einde van wege laatstgemelde eene krachtige aanschrijving moge worden uitgevaardigd aan de officieren en ambtenaren onder deszelfs ministerieel departement, met name in de Provinciën Groningen en Drenthe behoorende, ten einde ook zonder aangifte van eenige contraventie tegen de bestaande wetten, met allen ijver werkzaam te zijn ter handhaving der artikelen 291-294 van het strafwetboek voor het koningrijk, van welk verzoek Z.Ex. den Minister van Justitie afschrift is toegezonden.
H. H. DONKER CURTIUS, _Pres._ J. J. DERMOUT, _Secr._"
Dat ouderwetsche Hollandsch van Buter is misschien vloeiender; maar die nieuwe taal van de Synode slaat er beter op los!
Even over half tien kwamen de "kerkgangers," achttien in getal, want om gewaarborgd te zijn tegen alle spitsvondigheid werd Beukman voor den negentienden gerekend. Onder die achttien waren ook mijnheer en juffrouw Builders en Jannetje Huiskamp.
De aankomenden hadden weinig last van de kijkers, die langzamerhand sterk in aantal toegenomen waren. Ze werden alleen slechts nagejouwd en uitgescholden, terwijl een enkele maal een vuil stuk sneeuw hun om de ooren vloog. Geen hunner had eenig voordeel gehad van de aanwezigheid der politieagenten.
Op straat ging het tamelijk luidruchtig toe. Boven het gejoel en gestommel uit klonken telkens de kreten: "Coksejanen! Scholtianen! Fijne beschuiten!"[1]
"Ik zag," zei een van de broeders: "bij Steenhorst in de Nieuwe Leliestraat ook politie voor de deur."[2]
"En ik," sprak een ander, "hetzelfde bij Hoogkamer op den Nieuwe Zijds Voorburgwal. De politie schijnt het zich vandaag al bijzonder aan te trekken."
"Broeders en zusters," zei Buter; "laat de politie voor wat ze is. Onze hulpe is in den name des Heeren, die hemel ende aerde gemaeckt heeft. Maar het is tien uur. We zullen beginnen."
De heer Buter zou een leerrede van Van der Groe voorlezen, en opende de vergadering met gebed. In het achtervertrek hoorde men het straatrumoer wel, maar niet sterk genoeg om er ernstig door gestoord te worden. Na het gebed gaf de voorganger op te zingen Ps. 46:1.
Als ons de noot overvalt krachtigh, Ons borcht en heyl is God almachtigh; Sulcks bevinden wij in den noot, En hebben in hem troost seer groot. Dies vreesen wij in geenen dinge, Al waer 't dat de werelt verginge, En de bergen hen wierpen snel In 't midden der zee diep en fel.
Nauwelijks waren de eerste tonen van het lied aangeheven, of een helsch geraas en getier deed zich hooren. Half-dronken leegloopers bulderden vloeken en verwenschingen; de straatjeugd maakte muziek met fluitjes en ratels; gillend en krijschend klonken de scheldwoorden der vrouwen boven alles uit. Het gerinkel van glasscherven getuigde van wat er in de voorkamer gebeurde.
"Jongens!" schreeuwden een paar kerels; "help reis een handje! Die winkelkast en de deur motte open!"
De winkelkast was op ouderwetsche wijze als balkon naar buiten gebouwd een voet of twee over de rooilijn heen. Ze was afgesloten door luiken, die aan de straatzijde waren verzekerd met ijzeren handboomen, kruiselings gelegd en van hangsloten voorzien.
De oproeping vond gretig gehoor. In een oogwenk waren een paar ijzeren bouten bij de hand om de kruisboomen te forceeren. Spoedig was dit gelukt, en nu begon een bombardement, waarvoor onmiddellijk glazen en sponningen van het winkelraam bezweken en van de uitgestalde koopwaren niets breekbaars heel bleef.