De Vurige Oven Een Verhaal Uit Den Tijd Der Dragonades In Neder

Chapter 4

Chapter 43,834 wordsPublic domain

Almede wordt uitdrukkelijk verstaan, dat de zamenkomsten tot het houden van oefeningen, nergens anders mogen plaats hebben, dan binnenshuis in bewoonde en geslotene woningen en geensints in schuren of andere dergelijke gebouwen, als wordende alle openlijkheid der verrigtingen van die zamenkomsten ten ernstigsten verboden.

Hattem, den 17 September 1836. De Waarnemend Burgemeester voornoemd W. C. van Braam.""

"Neen maar!" zei vrouw Huiskamp, "daar is het eind van weg!"

"En," ging Gerrit voort; "wat volgde er nu op? Den 26^{en} November werden er ongeveer vijf en zestig militairen ingelegerd bij de gescheidene gemeente te Hattem, tien derzelve bij den predikant Brummelkamp, zes bij den diaken Geerlings, en zes bij den man, in wiens huis bijeenkomsten gehouden waren.

Het huis van Ds. Brummelkamp werd tevens tot een wachthuis gesteld, waar steeds drie manschappen moesten blijven, en een derzelve gedurende den nacht als schildwacht stond. Een der plaatselijke autoriteiten verklaarde aan den predikant, nadat de militairen den 5^{en} December weer vertrokken waren, dat deze inlegering had plaats gehad als een lesje tot straf wegens het houden van openbare godsdienstoefening, en dat, indien het weder gebeurde, de straf veel zwaarder zou zijn.

Aan een paar leden der gemeente, die zich bij het plaatselijk bestuur tot bekoming van schadevergoeding hebben aangemeld, is verklaard, dat die niet zoude betaald worden. Het plaatselijk bestuur heeft tevens kunnen goedvinden bij een meisje, dat alleen woont en slechts één vertrek heeft, een der militairen in te legeren."

"Wat zal daar nog eens het eind van wezen!" zei Huiskamp, toen Gerrit zijn lectuur geëindigd had. "Want zoo kan het niet voortgaan!"

Neen! dàt vroegen en oordeelden tienduizenden in den lande met hem. Maar waar 't ook op uitloopen zou: niemand dacht op Kerstdag 1836, dat het eind nog zóó ver in 't verschiet lag. Nog nooit heeft een vervolger van de gemeente zijn berekening goed gemaakt. Is de uitslag der vervolging volslagen mislukking, dan heeft de vijand van Gods Kerk zichzelf staatkundig en maatschappelijk onherstelbaar benadeeld. Daarvan is Spanje sedert 1578 een voorbeeld. Maar nog erger is het, wanneer de vervolger schijnbaar triomfeert en de poorten der hel naar zijn schatting de gemeente overweldigen. Dat toont Frankrijk sedert 1685 bij den dag meer.

Zou Nederland--eens de "Herberg van Gods Kerk"--daaraan zich spiegelen?

Op geen der Huiskamp's had het gehoorde dieper indruk gemaakt dan op Jannetje. Ze begon de dingen in een ander licht te beschouwen. Toen Gerrit Beukman naar Bunschoten verhuisde, had ze hem vèr, vèr van zich verwijderd geacht. Wat ze gisteren gezien en vandaag gehoord had, plaatste hem in haar oogen ver boven haar. En naarmate hij hooger steeg, gevoelde zij hem minder ver. Dat iemand zijn kerk verliet, zooals zij het noemde, kon ze nog niet goedkeuren. Doch in elk geval was het geen lichtzinnige stap, en iemand die er zich zulke onheilen door op den hals haalde, toonde daardoor zijn moed en oprechtheid.

"Dat komt van die akelige Afscheiding!" had Jannetje eenige maanden geleden gejammerd. Maar nu was haar oordeel zooveel zachter geworden, dat ze treurde: "Ik wou dat die Afscheiding nooit gekomen was!"

Op zeer verschillende gronden waren alle belanghebbenden dát met haar eens!

VIII.

ZWARE KERKGANG.

Dik lag het donzig tapijt van de sneeuw over het landschap, en nog steeds sneeuwde het voort. De felle wind joeg de vlokken heen en weer om ze ten slotte grillig neer te werpen, totdat op sommige plaatsen zooveel opeengehoopt was, dat het verkeer er ernstig door bemoeilijkt werd.

Voor de deur van het ouderwetsche, degelijke heerenhuis op de groote, fraaie buitenplaats Postwinkel tusschen Abcoude en Baambrugge stond een logge, stevige koets gereed, bespannen met twee flinke bruine paarden. Dicht ingestopt zat de oude verweerde tuinman als koetsier op den bok. Hij had een langen tocht voor zich.

De huisdeur werd geopend om de reizigers uit te laten, die in dit weer een rit gingen maken. Een zonderling drietal trad naar buiten.

Voorop ging een dame van ongeveer zestigjarigen leeftijd; een tamelijk lange, stevig-gebouwde vrouw met forsch, bijna mannelijk gelaat, maar dat toch nog enkele sporen van vroegere eigenaardige schoonheid vertoonde. Ze was zeer ouderwetsch, maar deftig en zelfs kostbaar gekleed. Toch zaten de kleeren niet sierlijk; zelfs niet net, en van onder den diepen hoed sprongen enkele lokken weerbarstig grijs haar tevoorschijn. Met de rechterhand steunde ze tamelijk zwaar op een sterken wandelstok. Ze was wel niet kreupel, maar liep toch min of meer moeilijk; evenwel zou ze er niet aan denken den arm van eenigen heer aan te nemen, al werd die haar hoffelijk aangeboden, of de hulp van haar gezelschapsjuffrouw in te roepen. Maar Piet, de oude koetsier, die van den bok geklauterd was, mocht haar familiaar onder den linkerarm steunen toen ze het rijtuig insteeg. Want de moeder van Piet was de min van mevrouw geweest, en Piet, die een jaar of zes ouder was dan zijne meesteres, wist zich nog best den tijd te herinneren toen hij haar altijd gewoonweg Jansje noemde. Dat was nu wel van Jansje jongejuffrouw, van jongejuffrouw juffrouw en van juffrouw mevrouw geworden, maar toch..... Piet zei wel eens tot zijn vertrouwde vrienden: "In den grond van de zaak is het toch eigenlijk Piet en Jans gebleven." En in zekeren zin had hij geen ongelijk.

Vlak achter mevrouw Karper kwam een heel ander soort van mensch. Met veel gevoel van eigenwaarde, maar toch met betamelijke voorzichtigheid, omdat de stoep zoo glad was, stapte een man van middelbaren leeftijd naar buiten; een groote, beenige, grof-gespierde man met vierkant hoofd en breede gelaatstrekken. Dat hij geheel in het zwart gekleed was, kon men niet zien, want behalve het hoofd verdween de geheele persoon tot aan de hielen in een kolossale blauw-duffelsche jas, van de soort die kuitendekker of nog juister schanslooper genoemd wordt. De steek, die door jarenlangen dienst van zwart rossig-roodbruin geworden was, kenmerkte hem als predikant. Zoodra hij ingestapt was ging hij zonder complimenten naast mevrouw zitten, waarbij de ruimte in zijn voordeel niet nauwkeurig in twee helften verdeeld werd. Doch de reiskoetsen van dien tijd waren breed genoeg.

De derde was een spichtige, magere juffrouw van omstreeks vijf en dertig jaar, die eenvoudig maar goed in 't pak zat en steeds bij mevrouw was, behalve 's nachts. Kamenier was ze niet, want mevrouw hielp altijd zichzelve; gezelschapsjuffrouw was ze evenmin, want mevrouw was bijna nooit zonder gezelschap en de jonge dame sprak zelden een paar woorden; dienstbode kon ze ook niet heeten, want zonder haar was het dienstpersoneel ruim compleet; vriendin was ze nog minder, want op dien voet ging mevrouw niet met haar om. Haar plaats in het gezin werd door mevrouw gewoonlijk aangeduid met de woorden: "zoo iemand om me heen;" en in die positie bewees ze haar meesteres van den morgen tot den avond allerlei diensten, die niet onder woorden te brengen maar voor iemand, die er aan gewend is, onmisbaar zijn. De juffrouw ging tegenover mevrouw zitten, maar had daar volstrekt niet het rijk alleen. Verreweg het grootste gedeelte van de voorbank werd ingenomen door pakjes van allerlei aard, een groote kalebas en een wit smoushondje met blauw lintje om den hals.

"Al klaar?" vroeg Piet, die als palfrenier dienst deed, op vertrouwelijken toon.

"Ja Piet," antwoordde mevrouw; "en je weet waarheen."

Piet knikte toestemmend, bonsde het portier dicht, besteeg zijn verheven zitplaats en reed den weg op.

Het was Zaterdag, de 25^{e} Februari 1837, namiddags om een uur of drie, toen dit gezelschap den tocht begon naar Loosdrecht, waarheen mevrouw Karper haar vriend dominee Waterman bracht. Deze had een paar dagen bij haar gelogeerd en zou morgen in Loosdrecht preeken. Dat wil zeggen hij zou, als er niets in den weg kwam, voorgaan in een gezelschap van minder dan twintig personen. Mevrouw Karper had besloten dien dienst bij te wonen en dus van Zaterdagavond tot Maandagmorgen te Loosdrecht te blijven. De "iemand om haar heen" werd ongevraagd en ongeweigerd meegenomen; of ze daar pleizier in had kwam niet in aanmerking. Mevrouw zag tegen geen kleinigheid op en was aan beboeting en dergelijke dingen reeds gewend. Daar ze zelve reeds een paar keeren vrijgesproken was door de Rechtbank te Amsterdam, besteedde zij haar rijkdom aan het betalen der boeten van geloofsgenooten, voorzoover ze daarvan te hooren kreeg en de vervolgden van haar tusschenkomst gediend waren, hetgeen lang niet bij allen het geval was. Meermalen was ze ook met inkwartiering gestraft; doch daar was geen aardigheid aan. Haar huis had vertrekken in overvloed, en zij had over schatten te beschikken, zoodat ze het niet in haar zak voelde. Veel praktischer was het om minvermogenden en armen op die wijze uit te zuigen en hun het leven ondragelijk te maken.

Mevrouw achtte het echter "een paal boven water" dat ieder die bij haar in huis was even weinig als zijzelf met vrees of zenuwachtigheid behebt was. Derhalve had ze tot juffrouw Rika eenvoudig gezegd: "Kind, we gaan morgen naar Loosdrecht." En juffrouw Rika wist dat ze geen keus had.

Het huis van mevrouw Karper was een herberg der kerk. Haar zalen zette zij open voor het houden van de verboden godsdienstoefeningen; haar overige vertrekken waren altijd als slaapkamers beschikbaar voor predikanten, die een onderkomen zochten op hun zwerftochten door het land, om de kleine gemeenten onder het kruis te bedienen. Allerlei soort van menschen kwamen op die wijze onder haar dak; slechts op deze voorwaarde: dat ze "voor de waarheid waren," dat is tot de Afgescheidenen behoorden. De Cock, Van Raalte, Brummelkamp, Van Velzen, Sonne, Buddingh, Scholte, waren onder haar gasten; maar ook mannen als Waterman, die nu juist niet met de bovengenoemden op één lijn konden gesteld worden.

De afkomst van Waterman lag geheel in het duister. Als zuigeling van vijf of zes maanden was hij aan het strand van de Zuiderzee gevonden, zonder eenige aanwijzing hoegenaamd, die inlichting omtrent hem verschafte. Daar niemand zeggen kon of het ventje gedoopt was, had men hem, misschien voor de tweede maal, het sacrament des doops toegediend en bij die gelegenheid den passenden naam Mozes gegeven. Tenzelfden dage werd hij met den geslachtsnaam Waterman vereerd. De jongen kon goed genoeg leeren en was predikant geworden. De stijf-orthodoxe visschers, die hem gezamenlijk verzorgd hadden, beleefden genoegen van hun liefdewerk. In beschaving had hij het niet veel verder gebracht dan zijn ruwe, welmeenende pleegouders; ten opzichte van de leer was hij niet uit hun voetspoor geweken. Nauwelijks openbaarde zich de Scheiding of Waterman sloot zich er bij aan. Over bangheid had hij wel eens hooren spreken; bij ondervinding wist hij echter niet wat dat was. Het kostte hem moeite genoeg zich bedaard te houden wanneer een godsdienstoefening, die hij leidde, door de overheid verstoord werd. Zijn vuisten waren even sterk als gewillig, wanneer "de Geest vaardig over hem werd," zooals hij dat noemde. De geest, dien hij dan bedoelde, was echter meer die van Datheen dan die van Christus. Hij mocht wel eens een enkelen keer een veldwachter, die hem wat ruw aanpakte, allernadrukkelijkst een duw teruggeven, waarvoor hij dan later met de meeste opgewektheid een paar maanden gevangenisstraf onderging.

Moeilijk en langzaam sjouwde het groote rijtuig den bijna onbegaanbaren weg langs, tegen den fellen wind in, die met duizenden sneeuwvlokken Piets oogen verblindde. De reizigers merkten daar echter niet veel van, ze schommelden verder onder tamelijk geregeld gesprek tusschen mevrouw en dominee. Toen het onderhoud wegstierf, liet mevrouw zich door juffrouw Rika de kalebas aanreiken. Daaruit haalde ze drie zure appelen en drie messen tevoorschijn, en bediende ieder der aanzittenden met een stel daarvan.

"Ik heb maar een deel van het dessert op reis meegenomen," lichtte ze toe. "Dun schillen hoor! Anders gaat er zooveel van verloren. Ik kan die dikke schillen niet zien!"

Dat bevel was echter gemakkelijker gegeven dan volbracht.

"Lust u de appelen niet met schil en al, dominee?" vroeg mevrouw, die het aan 't hart ging haar mooie appelen zoo gekerfd te zien. "Rika is nog jong; bijt jij er zoo maar in, kind; dat doe ik ook. Ik zal de messen maar weer bergen."

Ze voegde de daad bij 't woord, voorzoover twee messen betrof. Maar om dominee Waterman het zijne uit handen te krijgen, voordat hij verkoos het te geven, daar was meer kracht van wil en spieren toe noodig dan zelfs zij bezat.

"Ik ben er al mee klaar!" riep deze, het raampje naar beneden latende om de schillen naar buiten te werpen.

"Wacht!" riep mevrouw; "er zit nog zooveel in!" Maar het was te laat!

Op hetzelfde oogenblik stond de koets stil. Piet kwam naar omlaag, opende het portier en trok met de rechterhand aan de pet, bij wijze van salut.

"Mevrouw, daar staan we. We kunnen d'r niet verders door."

"Jawel Piet!" antwoordde mevrouw.

"Jawel Piet!" bauwde deze haar na. "_Neen_ mevrouw. _Ik_ kan de bruinen niet verder krijgen!"

"Vriend!" zei dominee; "doe dat deurtje weer dicht; daar komt nogal kou binnen."

"Jawel!" hernam Piet verwijtend. "En dan? Als dominee er'reis even uitkwam en een handje hielp, zou hij beter doen!"

"Wat moet er dan gebeuren, vriend?" vroeg de dominee.

"Dat zullen we dán wel zien," antwoordde Piet lakoniek.

Dominee stapte in de sneeuw.

"En de juffrouw d'r ook uit! Mevrouw kan wel blijven zitten."

Een oogenblik later stond de juffrouw naast dominee.

"Ga jij nou maar even daar bij dien boom wachten," sprak Piet beschermend. "En dan zullen wij tweeën 'reis kijken of we dat ding weer aan 't rollen kunnen krijgen. Dominee, als jij nou 'reis even aan de spaken van het achterwiel ging, hè? Ik zeg het nou maar alsof je mijns gelijke was. Dan duw ik de bruinen weer terug."

Na heel wat gehaspel gelukte het eindelijk de wielen van het rijtuig weer uit den sneeuwhoop los te worstelen.

"Zoo! Gaan d'r nou maar weer in!" veroorloofde Piet. "Hier, juffie, nou kan je weer op je warme plaatsje gaan zitten, dan gaat Piet maar weer voorop."

"En nu zingen we samen een versje," zei mevrouw zoodra het rijtuig weer in beweging was.

"Psalm 122 vers 1 en 3," gaf dominee op, en begon onmiddellijk met dreunende stem, zonder te onderzoeken of de beide dames die versjes nu juist wel in de berijming van Datheen van buiten kenden:

Soo haest als ick hoore spreken: Welaan, laat ons alle seer saen In dat huys onses Heeren gaen: Met vreught is mijn hert ontsteken; Dat ons voeten sullen hier naer Staen binnen de poorten eerbaer Van Jerusalem wel gestichtet. Jerusalem is gebouwt vast, En door vrede tsamengepast, En tot een stad Godts fijn gerichtet.

Binnen uw mueren wonen sal, Liefde, vrede, met eenigheyt; De huysen en palleysen breyt Zijn vol van Godts zegening al! Om den wil der broederen mijn, En der vrienden die binnen sijn, Wensch ick u vreed in allen hoecken, Om dat oock Godts Tempel seer reyn Staet binnen u mueren niet kleyn, Wil ick steets uwen voorspoet soecken.

Een paar broodjes met worst verkortten daarop den tijd. Nog enkele keeren moest dominee even er uit om nieuwe hinderpalen te helpen overwinnen; maar eindelijk tegen vijf uur bereikte de koets behouden en wel, al was het ook een uur te laat, het logement te Loosdrecht.

De beide dames bleven daar logeeren; maar dominee werd natuurlijk verwacht en verwelkomd bij den broeder, bij wien aan huis hij den volgenden dag den dienst leiden zou.

"En hoe wou jij nu?" vroeg mevrouw aan Piet. "Denk je vanavond nog thuis te komen?"

"Daar zal wel een zware wijs op gaan!" zei Piet. "Je komt er altemet niet eens bij dag goed door! Wat denk je van morgen-ochtend, mevrouw?"

"Dat is de dag des Heeren, Piet!"

"Ja, dat zeg je naar waarheid, mevrouw," hernam de koetsier, zich verlegen achter het oor krabbend. "En ik ben er ook niet voor; maar aan den anderen kant het zijn onze eigen beesten en ik ben het ook zelf."

"En haal me dan Maandagochtend;" sprak mevrouw, die tegen deze logica niets afdoends wist in te brengen, met hem af.

"Zie je, mevrouw," voegde Piet er nog bij om zijn geweten geheel gerust te stellen; "ik zou wel blijven tot Maandag, maar dat kan nu eenmaal niet van wegens den schimmel en de rest."

IX.

EEN "SCHIP DER KERK."

De aankomst te Loosdrecht van het rijtuig, waaruit twee dames, een smoushondje en een man met driekanten hoed tevoorschijn kwamen, was niet bijzonder geschikt om de voorgenomen vergadering geheim te houden. Natuurlijk wist binnen vijftien minuten ieder het belangrijk nieuws.

Nauwelijks hadden dan ook den volgenden morgen de leden der gemeente in het aangewezen lokaal hun plaatsen ingenomen of de deur werd opengestooten en naar gewoonte traden vier artilleristen binnen, die korte metten maakten. Binnen enkele minuten stonden alle aanwezigen op straat. Gewillig hadden ze op de eerste aanmaning zich verwijderd, maar dat belette niet dat de soldaten hen met duwen en slagen voortdreven. Den dominee werd de tromp van een geweer voorgehouden met de verzekering dat het geladen was en bij het minste verzet stellig gebruikt worden zou.

Men was reeds van zins ieder naar zijn eigen huis te gaan, toen de diaken Nicolaas Pos, een van de verdreven vrienden, uitriep: "Broeders en zusters, gaat maar met mij mee!"

Allen volgden hun vriend, die den weg insloeg naar de Loosdrechtsche plassen. Ook mevrouw Karper en haar juffrouw gingen mee.

Daar lag aan den oever het schip van den diaken. Hij was op de gedachte gekomen om dat voor kerk te gebruiken. Wat van zoo stoute daad ook de gevolgen mochten zijn, men kon in elk geval zeker wezen van een paar rustige uren.

Spoedig liepen allen de plank over. Zoodra de laatste aan boord was, staken de eigenaar met zijn knecht en geestverwant van wal.

Het was niet gemakkelijk om in de kleine kajuit allen plaats te vinden, maar "waar een wil is, is een weg." Het benauwde vertrekje was voor de opeengepakte vervolgden, die bijna op elkanders knieën zaten, een voorportaal des hemels. Dominee Waterman kon zich uitnemend in zoo'n toestand schikken; het eenige wat hem hinderde was dat hij zijn stem zoo moest inbinden.

In machtelooze woede stond de sergeant aan den oever te vloeken op het gespuis, dat hem zoo slim ontkomen was. Zijn gemoedstoestand werd er niet beter op, toen hij na een korte poos lustig en krachtig over het water hoorde weergalmen: (Ps. 68:5.)

Gy verquickt uw volck goedertier, En maekt dat een yegelick dier Daar woont sonder verderven; Uwen kindren deelt gy uw goet, In 't kruys geeft gij hen goeden moet, Sonder troost sy niet sterven; Gij hebt, na uwe goedigheyt Den reynen jonckvrouwen bereyt Een oorsaeck, soo 't mag blijcken, Om te singen in 't gantsche lant, Als onze vijanden met schant Veltvluchtig moeten wijcken.

Toen de dienst afgeloopen was, werden aanstalten gemaakt om weer aan land te gaan.

"Geliefden!" vroeg dominee Waterman; "hebben wij het hier niet goed? Gaat het ons niet gelijk de psalmist zegt in Psalm 84:5.

Heer, tot wien wij in den noot vlien, Wilt uwen Gesalfden aansien; Want veel beter is slechts een ure In u huys, dan elders, dit 's klaer, Duysent sijn: beter is oock daer Een wachter te sijn aan de deure, Dan 't is in den palleysen soet Der godtloosen met overvloet."

"Dát hebben we! Dàt is waar!" was het eenparig antwoord.

"En waarom," vroeg de voorganger, "zouden we dan niet samenblijven voor de middag-godsdienstoefening?"

Dat woord was uit aller hart gegrepen.

Veel mondvoorraad was er niet aan boord; een flink stuk brood en eenige beschuiten, een handvol koffieboonen en een tamelijke hoeveelheid water in het vat. De eigenaar van het scheepje achtte het een eere en voorrecht dien geringen voorraad onder de aanwezige geloofsgenooten te verdeelen, en was slechts met moeite er toe te bewegen om zijn gerechte portie te nemen. Doch deze menschen, die gewoon waren aan het uitschrijven van vastendagen, hadden niet veel behoeften.

Het was geen brood der bedruktheid, dat deze volgelingen huns Heeren thans spijzigde. Ze hielden een liefdemaal met zooveel verheffing des harten, dat het kleine groene klaptafeltje met rooden rand in de kajuit hun in een feestdisch veranderd werd.

Binnen enkele weken zou de dag komen, waarop dit tafeltje nog hooger historische beteekenis verkrijgen zou; de dag waarop het, met een wit laken bedekt, de beide sacramenten der Christelijke Kerk zou dragen. Dan zou in het nietige kajuitje de predikant Scholte aan twee zuigelingen den heiligen Doop bedienen, en de kleine gemeente daar onder zijn leiding "den dood des Heeren verkondigen totdat hij komt."

"Totdat hij komt!" Is het vreemd dat het vervolgde kuddeke met opgestoken hoofde vroeg: "Hoe lang nog, Heere?"

"Nu mogen we nog wel eens een versje samen zingen," zei mevrouw Karper, die altijd zorgde dat de lofzang niet te lang zweeg.

Uit volle borst weerklonk Psalm 138:4:

"Als ick door anghst en tegenspoet Ben in kleynmoet, Gij mij verquicket; Oock tegen myn wreetste vyant U rechter hant My hulp toeschicket. Gij zult myn kruys eyndigen hier; Want goedertier Zijt gy gestadigh: Het werck uwer handen sult gy Volvoeren vry, o Heer, genadigh."

"Ja," sprak een der aanwezigen; "wij mogen hier nog ongestoord en van alles wat we noodig hebben voorzien samen nederzitten, en hebben nog niet zooveel van de vervolgingen te lijden;[1] maar ons gebed mag wel dag en nacht opgaan voor de broeders en zusters, die zwaarder beproefd worden. Als je bijvoorbeeld hoort hoe het nu acht dagen vóór Kersttijd in Oosterwolde toegegaan is...!"

"Wat is daar gebeurd?" vroegen enkelen.

"Daar was," ging de eerste spreker voort: "door dominee Brummelkamp doop en avondmaal bediend; en onderwijl kwam een veldwachter uit naam van den burgemeester eischen dat allen vertrekken zouden. Maar ze bleven waar ze waren. En 's middags was er weer dienst, die ongestoord kon afloopen. Maar 's avonds kwam een troep militairen het dorp binnenrukken van een officier, vier onderofficieren en zes en twintig mannen. En die werden alle een en dertig ingekwartierd bij mijn neef Klaas Smit, die zijn huis voor de twee godsdienstoefeningen had gegeven. Ze zijn er langer dan twee weken gebleven, en alle schadevergoeding, waarop hij toch volgens de wet aanspraak had, is geweigerd."

"En wanneer het dan rechtstreeks in het dagelijksch brood voor vrouw en kinderen ingrijpt," zei daarop moeder Beukman; "dan kan het wel eens donker worden voor de ziel. Daar hebben wij door Gods genade nog geen ondervinding van, maar mijn mans neef Moorhoff te Middelburg heeft dat moeten ondergaan. Die is uit zijn brood gestooten. Hij heeft een certificaat gekregen waar het in ronde woorden in staat. Ik heb hier een afschrift er van, dat hij ons zond. Daar staat: "Ik ondergeteekende verklaar, dat ik mij ten allen tijde bereid houde om ten aanzien van E. Moorhoff, tuinbaas in mijne dienst, de beste getuigenis af te leggen, zoowel ten opzigte van zijne bekwaamheid als van zijn gedrag, en dat hij in die betrekking gedurende 14 jaren bij mijn ouders en 6 jaren bij mij is werkzaam geweest, en dat de reden van zijn vertrek alleenlijk daarin bestaat, dat hij zich van het kerkbestuur heeft afgescheiden.

Middelburg, 2 January 1837.

J. C. SCHORER VAN DE SOUBURGEN.""