De Vurige Oven Een Verhaal Uit Den Tijd Der Dragonades In Neder
Chapter 2
Sedert eenige maanden was de predikantsplaats vacant. Kerkvoogden en notabelen hadden begrepen, dat niets de Afscheiding meer in de hand werkte dan het sluiten van het kerkgebouw op Zondag of het lezen van een preek, dat de gemeente gewoonlijk alleen uit nooddwang goedvindt. De kleine Afgescheiden gemeente had tamelijk geregeld bediening des Woords. Zelfs was den vorigen Zondag de jeugdige predikant Brummelkamp overgekomen en had in de ruime woning van Jan Heining het heilig Avondmaal bediend. Den daaropvolgenden dag had hij huisbezoek gedaan.
Met toestemming van den consulent en den vollen kerkeraad was aan een der ouderlingen van de Nederlandsch Hervormde Kerk, H. Poort, opgedragen geregeld oefening te houden. Dat hield men--zooals in een der actestukken daarop betrekkelijk, vermeld staat,--voor "een veelbeduidend middel om de zaak der scheiding te stremmen, gelijk dan ook met de daad bewezen is."
Gerrit Beukman ging dien morgen daarheen; hij hoorde dien ouderling met genoegen.
Toen hij de kom van het dorp bereikte, vond hij alles in rep en roer. Zooeven waren vier en twintig rijdende artilleristen het stille dorp komen binnendraven en hadden post gevat voor de woning van Jan Heining, waar de Afgescheidenen zouden samenkomen. Vloekend, tierend en de blanke sabels zwaaiend, reden ze heen en weer om de menigte uiteen te jagen, die ze door hun gedrag zelf hadden doen samenstroomen. Evenwel kon ieder, die er zijn wilde, ongehinderd tot aan de belegerde woning doorloopen. Maar daar waren vier man op wacht gesteld door den luitenant, die vooraf in het huis opgave geëischt had van het aantal huisgenooten. Die waren man, vrouw, drie kinderen, een knecht en twee meiden; dus acht personen.
"Behalve je zoogenoemde dominee, hè?" riep de luitenant.
"Mijnheer," zei de boer, "er is vanmorgen geen preek, we komen alleen onderling samen."
"Weet goed wat je zegt! Wee je gebeente als je me voorliegt en ik den kerel naderhand toch vind!"
De oude Heining beantwoordde deze beleediging alleen met waardig zwijgen.
"Jongens," schreeuwde de officier, naar buiten tredend tot de soldaten; "er zijn er acht; je kunt dus nog elf van die psalmenbalkers binnenlaten; meer niet, hoor je!"
"Mijnheer!" waagde Heining te zeggen, "als ik het wel heb mogen er negentien menschen komen, en rekenen de bewoners van het huis niet mee."
"Houd je bek! Er komen er zooveel en zoo weinig als ik wil! Elf, hoor jongens! Geen een fijne meer!"
Zoodra elf waren toegelaten, werden de overigen kort en ruw teruggewezen. Zonder verzet, zelfs niet door een enkel woord, onderwierp men zich aan dien willekeur.
Bedroefd en beschaamd ging Gerrit het kerkgebouw binnen. Hij hoorde dien morgen van den ouderling Poort een recht-stichtelijke oefening, maar hij had er niet veel aan. Zijn gedachten waren met heel andere dingen bezig. Hij moest wel denken aan al wat gebeurd was sedert zijn gesprek met Jannetje, dat den doorslag gegeven had om hem naar Bunschoten te doen verhuizen.
Voor de godsdienstoefening, welke den 26^{sten} Juni door dominee Buddingh geleid was, had Niezen zijn huis afgestaan. Hij was daarvoor door de Rechtbank te Amersfoort met [f]20.- beboet. Niezen was in hooger beroep gekomen, maar wachtte daarvan nog den uitslag. De oude Beukman had zijn zoon een paar weken geleden bezocht en hem verteld, dat te Loosdrecht eenige lanciers ingekwartierd waren geweest, doch uitsluitend bij Afgescheidenen, hetgeen tegen de wet was. Gelukkig had de overlast slechts één etmaal geduurd, het was meer bedoeld als proefje om schrik aan te jagen.
En nu... nu zat _hij_ onder een prediking, waarvan hij niet anders zeggen kon dan dat hij de waarheid hoorde, maar waarvan hij wist, dat ze gehouden werd om de Afgescheidenen zooveel mogelijk in hun wettelijke vrijheid te belemmeren.
Onwillekeurig dacht Gerrit aan het woord van den apostel Paulus aan de Philippensen: "Genen verkondigen wel Christus uit twisting, niet zuiver, meenende aan mijne banden verdrukking toe te brengen; doch dezen uit liefde." Maar hij kon en mocht er niet als Paulus bijvoegen: Wat dan? Nochtans wordt Christus op allerlei wijzen, hetzij onder een deksel, hetzij in der waarheid verkondigd, en daarin verblijd ik mij, ja, ik zal mij ook verblijden. Want zooals hij daar zat, was hij veel meer schuldig aan de "verkondiging uit twisting". Zijn geweten zei hem, tegen alle redeneering en aangevoerde bijbelteksten in, dat hij niet op die plaats behoorde.
Toen de kerk uitging zaten twintig van de soldaten te zwetsen en te drinken voor de stadsherberg. Er was ook eigenlijk voor de vier overigen geen werk, want de menschen waren zoo gedwee als lammeren. Des namiddags tegen vijf uur werd onverwachts de geheele troep samengeblazen en reed spoorslags naar Utrecht terug. Vurig dankten de dorpelingen den Heere, omdat ze--ditmaal althans--er zonder de gevreesde inkwartiering afkwamen. Het was niets anders geweest dan noodelooze en wettelooze plagerij van den gouverneur der provincie Utrecht, die elke gelegenheid tebaatnam om zijn haat tegen gewetensvrijheid en godsvrucht te koelen. Voor ditmaal was men dus met den schrik vrijgekomen; maar de luitenant had bij alle duivels uit de hel gezworen, dat als hij nog eens gezonden werd de Scholtianen er anders van lusten zouden.
Op tweeërlei wijze hielpen dus de vijanden de gemeente der Afgescheidenen te Bunschoten zich uitbreiden: door vrome godsdienstoefeningen en door barbaarsche vervolging. Er was geen noemenswaard verschil tusschen hetgeen de ouderling Poort verkondigde en hetgeen men in de vergadering der Afgescheidenen te hooren kreeg. "Waarom kunnen ze dan niet allen bij Poort komen?" vroeg de een. "Maar waarom mogen ze niet in een huis een straat verder naar 't zelfde luisteren als ze dat liever willen?" wierp de ander tegen.
In elk geval, dat waren beide partijen eens, was dat geen zaak die den Staatsraad-gouverneur van Utrecht, den heer Van Toulon, aanging. Wat kon het hem schelen hoe en waar eenige boeren en visschers naar de kerk gingen?
Den volgenden dag vervoegden zich twaalf Hervormden bij ouderling Niezen, en verzochten hem tot de gemeente toegelaten te worden. Een hunner was Gerrit Beukman.
IV.
GOEDE BUURSCHAP.
"Kijk, daar doe je nou wel aan! Komt er maar in!"
Met die woorden begroette Klaas Beukman zijn buren Teunis en Gijsje Huiskamp, die op den avond van den laatsten September de klink van de buitendeur oplichtten en de ruime keuken inkeken om hun oude vrienden weer eens een bezoek te brengen.
"Ja," antwoordde Huiskamp; "ik dacht ik moet toch weer eens bij buurman Klaas een pijpje gaan stoppen. We moeten niet van elkaar afwennig worden."
"Je hebt nòg gelijk, buurman," riep moeder Griet, die rustig bleef zitten, de voeten op de koperen stoof en de kat op haar breeden schoot.
Even later zaten de vier geburen gezellig bij elkaar, ieder met een groote kom dampende koffie en een stuk koek; de beide mannen bovendien gemoedelijk hun pijpen rookende. Op zijn minst een uur lang liep het gesprek, kalm en met betamelijke tusschenpoozen van algeheel zwijgen, over koetjes en kalfjes. Maar Klaas Beukman wist vast en zeker dat zijn oude vriend Teunis Huiskamp iets op het hart had; en Teunis was er vast van overtuigd dat zijn buurman daar met Jobsgeduld op zat te wachten. Maar ieder hunner wilde van den ander dat hij het eerste woord zeggen of de eerste vraag doen zou.
"Het is dan maar een rare wereld tegenwoordig," begon Huiskamp eindelijk.
"Zeg dat wèl!" beaamde Beukman rustig; hij wist dat er nu aanstalten gemaakt werden om er mee voor den dag te komen.
"Als je blieft, Teunis!" zei moeder Griet. Dit had echter geen betrekking op zijn ontboezeming; ze gaf hem een nieuw kop koffie en leidde daardoor schijnbaar zijn aandacht weer van zijn onderwerp af. Doch ze wist wel dat integendeel de zaak daardoor bespoedigd werd, want ze hielp hem onmiddellijk aan den omweg, dien hij in elk geval later toch noodig hebben zou.
"Dank je, Grietemeuë; je kan tegenwoordig wel wat warms gebruiken."
"Het begint al aardig 's nachts te vriezen," sprak Gijsje, een stevige, breede boerin.
"Maar aan de warmte van binnen hindert dat niet, als 't goed is," merkte Teunis heel wijsgeerig op.
"Neen!" antwoordde Klaas, die met opzet niet begreep dat zijn vriend met "van binnen" het hart bedoelde; "als je door Gods goedheid nog een flink vuur in de schouw mag hebben en er hangen nog hammen en worsten in den rook, dan moet je zeggen: Wat onderscheidt mij!"
Teunis was tot zijn genoegen door hetgeen Klaas gezegd had op een nieuw kronkelpaadje gebracht. "Is je varken nog al goed uitgevallen?" vroeg hij.
"Och ja, we mogen overvloed hebben. En als de Heere je dan de gezondheid en de krachten er bij geeft, dat je het zelf met smaak mag eten, dan kan je Hem daar nog wel'reis hartelijk voor danken."
"En als er dan zoo nu en dan ook een kluifje voor een arm mensch mag overschieten," voegde moeder Grietje daaraan toe; "dan is dat dubbele genade."
"Als de Heere je dan maar bewaart voor opeters, die je liever van achteren dan van voren ziet, dan......." ging Teunis voort, plotseling een reuzenschrede nader tot het doel komend.
"De Heere belooft bij Maleachi den profeet: Ende ick sal om uwentwille den opeter schelden!" hernam Klaas, die hardnekkig weigerde zijn vriend te begrijpen, zoolang die niet in ronde woorden sprak.
"Ik heb vanmiddag nog even den burgemeester gesproken," deelde Teunis mee, eensklaps van onderwerp veranderende.
"Zoo!" antwoordde Klaas en bleef stevig doorrooken.
"Ja," bevestigde Teunis en rookte ook verder.
"En wat hoor je tegenwoordig van je Gerrit?" vroeg Gijsje;--veel te snel naar den zin van haar man, want ze viel met die vraag met de deur in huis. Maar zoo zijn de vrouwen nu eenmaal; die kunnen nooit eens de kat uit den boom kijken!
"'t Gaat wèl," antwoordde zijn moeder; "hij kan het met allemaal nogal goed vinden."
"Als er in Bunschoten ook zulke dingen gebeuren als hier....." begon Teunis met een zweem van hoop dat Klaas hem in de rede vallen zou. Maar Klaas dacht er niet aan.
... "dan kon dat de menschen nog wel eens tegen elkander verdeelen," voltooide Teunis zijn zin.
"Dat is dan ook op vele plaatsen het geval," antwoordde Klaas. "Kijk, buurman, ik en Griet danken er den Heere voor dat wij ook verwaardigd worden om iets voor zijn naam te mogen lijden; maar niet minder zijn we dankbaar dat onze oude vrienden ons daarom niet verstooten of verlaten."
Nu was het ijs gebroken.
"Daar zou dan ook heel wat moeten gebeuren eer wij Klaas en Griet met den nek zouden aankijken," zei Teunis. "Toen daar zoo vergangenen Zondag vóór acht dagen twee lansiers bij onze oude buren in huis gezet werden, zei ik toch: "Gijs, zei ik, ze mogen wezen wat ze willen, maar dat hebben ze aan niemand verdiend.""
"Neen," hernam Gijsje, "ik kon het met geen droge oogen aanzien. Dat je van de groote Kerk af bent, is al erg genoeg; en nu dát er nog bij!"
"Het heeft gelukkig kort geduurd," antwoordde moeder Grietje, die verstandig genoeg was om op de zonderlinge logica van haar vriendin niet in te gaan; "en de Heere heeft met zijn terughoudende kracht beslag gelegd op de militairen, zoodat ze zich nogal ordelijk gedroegen."
"En we mochten zoo genade krijgen," voegde Klaas er bij, "om te roemen in de verdrukking."
"De burgemeester vertelde me nog van je zoon," zei Teunis, die eindelijk ter zake kwam; "en ik en Gijs dachten zoo, dat moesten we je toch even komen zeggen."
"Wat is met onzen Gerrit?" vroeg moeder Grietje verschrikt.
"Neen, niets; maar hij had van den burgemeester van Bunschoten een boodschap gekregen dat de nieuwe meester nu ook al bij de Scholtianen hoorde."
"De Heere zij gedankt!" riep Gerrits moeder.
"Ja, dát is nou tot daaraan toe; maar hij was door 't kwade heen en zei: dat is een bedorven ei uit dat vuile nest! Ik zal 'm een lesje geven!--Bij de eerste gelegenheid de beste.... Nou, we zijn altijd te goede vrinden geweest en ik wou het je even gaan zeggen."
"Ja," zei Gijsje, "misschien loopt het zoo'n vaart niet, maar Jannetje zei ook: dat weten ze misschien nog niet; 't zou leelijk wezen als je 't voor je hield!"
Klaas Beukman zat met gespannen gelaatstrekken zoo zwaar aan zijn pijp te zuigen, dat hij zich in een wolk van rook hulde.
"Ja," zei Gijsje, "'t is zonde dat we 't je moeten aanzeggen en het zal je wel aangrijpen. Maar het is toch beter dat je 't weet."
Klaas nam de pijp uit zijn mond en keek zijn buurvriendin dankbaar aan. "Gijsje," zei hij, "ik en Griet danken je wel. Maar onze Heere Jezus heeft gezegd: In de werelt sult ghij verdruckinge hebben, maar hebbet goeden moedt, ick hebbe de werelt overwonnen."
"Ik kan jaloersch van je wezen," zei Teunis, "maar ik kan het niet inzien."
"Mocht het den Heere behagen het je te leeren inzien, vriend."
.... "Maar goedvinden, neen!" ging Teunis voort. "Zie je, wat je bewogen heeft om er uit te gaan, begrijp ik niet; maar dat ze zoo iemand als waar ik jou voor ken, daarom molesteeren!.... Maar het wordt tijd; ik wensch je den vrede!"
De goede buren waren te weinig op hun gemak om van de Beukmans tekst en uitleg te krijgen, en gingen dus maar gauw heen. Eigenlijk begon er heel flauw in hun harten een stemmetje te zeggen: En aan dat molesteeren van je vrienden doe je wèlbezien ook mee, door aan den anderen kant te staan. Ze hadden evenwel vooreerst nog volstrekt geen zin om al te nauwkeurig naar dat stemmetje te luisteren.
De Beukmans bleven dus gewaarschuwd achter. Maar het was een waarschuwing waar ze niet veel mee konden doen!
V.
RECHTLOOS.
Klaas Beukman had niet lang behoeven te wachten op de vervulling van de bedreiging, die hem door zijn vriend overgebracht was. Zondags den 2^{en} October rukten vijftien man van het depôt der 10e Afdeeling Infanterie het vredige dorpje binnen, waarvan twee bij hem ingekwartierd werden. Van de overigen werd slechts één man in elk door den burgemeester aangewezen huis, doch alleen bij Afgescheidenen, onder dak gebracht.
De manschappen hadden streng bevel gekregen des Zondags den geheelen dag in hun kwartieren te blijven en onmiddellijk den sergeant te waarschuwen zoodra er een samenkomst gehouden werd, al bestond de vergadering ook slechts uit zes personen. Wel was er geen letter in eenige Nederlandsche wet te vinden, welke dat gebood of er vrijheid toe gaf, maar de Afgescheidenen stonden buiten de wet, vooral voorzoover de inkwartiering betrof. In alle plaatsen, die onder de hoogere rechtspraak van Amsterdam behoorden, hielp beboeting niets, want de vervolgden, die te Amersfoort en te Utrecht in boeten geslagen werden, kwamen in hooger beroep en werden geregeld door de rechtvaardige Rechtbank van Amsterdam vrijgesproken. Hetzelfde geschiedde door de Rechtbank te Heerenveen. Doch deze beide rechtbanken waren de eenige uitzonderingen op den algemeenen toestand.
Kon men hen in de ressorten van die beide Rechtbanken dus niet door beboeting kwellen, des te meer en des te ijveriger werd van het schandelijk middel van inkwartiering gebruik gemaakt. Daartegen was geen hooger beroep. Slechts één middel kon tegen dien willekeur beproefd worden: adressen aan den koning. Zoo veel mogelijk werd echter het indienen van adressen bemoeilijkt. Bij Koninklijk besluit van 5 Juli 1836 werd bepaald dat de handteekeningen van adressanten gecertificeerd en de adressen daarna door tusschenkomst van den gouverneur der provincie ingezonden moesten worden. Op verscheidene plaatsen, onder anderen zelfs te Amsterdam, werd door de burgemeesters de verplichte certificatie geweigerd. Toen men die eindelijk na veel tegenkanting verkregen had, vond de gouverneur der provincie Utrecht goed de hem gezonden behoorlijk gecertificeerde adressen te weigeren en aan de adressanten terug te zenden: met opgaaf van de zoogenaamde reden: "dat ze niet voldoende waren." Wat die uitdrukking beteekende weet nu nog niemand. Ten einde raad zonden de adressanten hun stukken nu rechtstreeks aan den koning en drukten, omdat ze nog vreezen moesten dat de adressen den koning niet bereiken zouden, het hoofdadres af in het eerste nummer van "De Reformatie," het "Tijdschrift der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland," dat mede aan deze rechtsverkrachting zijn ontstaan te danken had, en waarvan tien jaargangen verschenen, die een onschatbare bron zijn voor de kennis van de geloofsvervolging in Nederland.
Met hoeveel willekeur de plaatselijke overheden te werk gingen, blijkt genoegzaam uit hetgeen in dat adres sub. V verzocht werd. Men leest daar:
"Dat wij, tengevolge van dit alles, aan Uwe Majesteit dringend verzoeken, de openbare Magten in het Rijk, die dit eenigzins kan aangaan, nadrukkelijk aan te bevelen om ons in de vervaardiging en gebruikmaking van plaatsen tot onze openbare Godsdienstoefeningen niet te storen, en te zorgen dat de verstoorders van de openbare Godsdienstoefeningen naar de wetten des Lands gestraft worden; dewijl de Overheid daartoe het zwaard draagt, om de boozen te straffen en de vromen te beschermen."
Het adres bleef onbeantwoord en hielp niets.
Met verlangen had Gerrit Beukman de Kerstvacantie tegemoet gezien, die hij in het ouderlijk huis dacht door te brengen. De gelegenheid om van elkander iets te vernemen of voor briefwisseling was gering en voor veelvuldig persoonlijk bezoek was de afstand tusschen Loosdrecht en Bunschoten te groot. Bovendien waren zijn ouders door de inkwartiering--welke zij zonder tusschenpoos langer dan zes maanden verduren moesten zonder er één cent van de bij de wet bepaalde vergoeding voor te krijgen--aan huis gebonden. Slechts wanneer de beide soldaten voor korten tijd afwezig waren, kon Klaas Beukman zijn vrouw alleen thuis laten, want "De Reformatie" waarop hij natuurlijk ingeteekend had, had hem bijtijds geleerd hoe het op sommige plaatsen toeging. Hij had in de eerste aflevering reeds gelezen: "Te Oenkerk (Prov. Vriesland) zijn vijf en twintig soldaten bij vijf huisgezinnen, waarvan de hoofden leden der gescheidene gemeente zijn, ingekwartierd. In een dier huizen, waarin slechts ééne woonkamer, die door man, vrouw en vijf kinderen wordt bewoond, zijn, niettegenstaande de bedlegerigheid der vrouw, acht soldaten gehuisvest."
In de volgende aflevering had hij een bericht uit Hattem gevonden, dat eindigde met de onderstaande woorden: "Het plaatselijk bestuur heeft kunnen goed vinden bij een meisje, dat _alleen_ woont en slechts _één_ vertrek heeft, een der militairen in te legeren."
Klaas Beukman kon dus niet anders dan in geval van noodzaak buitenshuis zijn, tenzij hij wist dat de soldaten tijdelijk afwezig waren.
Eindelijk Zaterdags 24 December kwam Gerrit te Loosdrecht aan. Hoeveel was er te bespreken! Hoeveel nieuws had men elkaar te vertellen! En.... zou hij ook Jannetje nog ontmoeten! En hoe zou dat gaan?
De inkwartiering voor de Beukmans was wel kwellend, maar ze kwamen er toch nog genadig af in vergelijking met velen hunner geestverwanten. Hun woning was ruim genoeg om de beide soldaten in een vertrek alleen te laten en samen ergens anders te vertoeven; terwijl de middelen om de ongewenschte gasten op het punt van voedsel en drinken tevreden te stellen hun niet ontbraken, ofschoon de soldaten gewoon waren, soms zelfs order kregen, veel rijker onderhoud te eischen dan de wet voorschreef. Kregen ze dat in den zin dan was er voor de vogelvrij-verklaarden bijna nooit recht te krijgen en konden ze alleen kiezen tusschen toegeven en mishandeld worden.
De Zaterdagavond werd dus door de oudelui Beukman met hun zoon in levendig, ongestoord gesprek doorgebracht.
Uitvoerig verhaalde Gerrit hoe het voorgevallene van den 18^{den} September bij hem den doorslag gegeven had om zich bij de Afgescheidenen te voegen.
"De Heere was me te machtig geworden," zei hij. "Ik zag toen duidelijk hoe alle pogingen in het werk gesteld werden om de ware Kerke Christi te onderdrukken, en zoo mogelijk te vernietigen, en hoe ik niet meer mocht blijven onder kerkbesturen, die zoowel goddelooze soldaten als vrome ouderlingen gebruiken om hun satanisch doel te bereiken. En dat ik niet verkeerd gezien had, bleek me een week of wat later. Want den 23^{sten} October 's avonds zou ouderling Poort als gewoonlijk weer oefenen. Er waren toen twintig rijdende artilleristen bij de Afgescheidenen ingekwartierd. Wij bereidden ons reeds voor om de gewone kwellingen bij onze godsdienstoefening in de kracht des Heeren te doorstaan; toen onverwacht het dreigend onheil afgewend werd op een wijze, die niemand voorzien kon. Toen de menschen naar de Hervormde kerk kwamen, vonden ze de deur gesloten en den toegang versperd door de artilleristen. Poort mocht er niet oefenen."
"Wat nu?" vroeg vader Beukman verwonderd. "En waarom niet?"
"Ja, dat vroegen alle menschen elkaar ook. 't Kwam echter spoedig voor den dag. Poort preekte te goed. Er was geen verschil tusschen wat hij zei en wat men bij ons te hooren kreeg. Daardoor werkte het middel verkeerd. De hoorders van Poort bleven voorloopig nog wel Hervormd, maar werden jegens ons zeer goed gezind."
"En toen?" vroeg Beukman.
"Den volgenden dag zonden een kerkvoogd en een notabel een adres over deze gebeurtenis aan het Gouvernement. Ik heb er een afschrift van."
"Lees voor, Gerrit!" riep zijn moeder vol vuur.
Gerrit las:
"De ondergeteekenden L. Duyst, kerkvoogd, en H. Schaap, notabel bij de gemeente der Hervormden te Bunschoten, achten in de tegenwoordige omstandigheden dat het hun plicht is, om met verschuldigden eerbied ter kennisse van Uwe Excellentie te brengen, dat onze ambtsbroeders onder geleide van den Wachtmeester Lamers en den Burgemeester Z. Hoolwerf, bij missive van 23 dezer het gebeurde van dien dag in eenen hatelijken zin aan Uwe Excellentie hebben voorgesteld, en tegen onze toestemming gewerkt hebben. Het was aan de kerkvoogden en notabelen bekend, dat sedert eenigen tijd de ouderling Poort, met toestemming van den consulent, alsmede van den predikant en vollen kerkeraad, publiek in de kerk te Bunschoten oefening hield, als zijnde een veelbeduidend middel om de zaak der scheiding te stremmen, gelijk dan ook met de daad bewezen is. Maar nu door tusschenkomende omstandigheden de predikant verkoos om zonder den ouderling Poort de huisbezoeking in de gemeente te doen, hoewel dezen alsnog zulks nimmer geweigerd heeft; maakten zij, die weinig belangstellen in de wezenlijke welvaart der gemeente, van die gelegenheid gebruik en brachten het met de daad zooverre, dat de predikant zijne toestemming introk. Poort, alsnog toestemming van Consulent en Kerkeraad hebbende, liet op verzoek van den Kerkeraad, de gemeente als naar gewoonte komen tot de openbare plaats des gehoors. Doch hoe godtergende en rustverstorende, terwijl het licht reeds ontstoken en de gemeente tot aan de deuren van de kerk genaderd was, werd ons de ingang door een detachement Artilleristen belet, en op last van eenigen uit ons kerkelijk college, de deuren van het gebouw gesloten, terwijl er zeker een schaar van meer dan 300 menschen schandelijk teleurgesteld werd. Uwe Excellentie gevoelt dat uit zulk een geval de bedenkelijkste gevolgen kunnen voortkomen; maar de allezins vreedzame ingezetenen keerden wel bedroefd, maar rustig naar hunne woningen terug. Alleen heeft het die uitwerking, dat er een aanzienlijk getal van de voornaamsten der gemeente tot de Separatisten zijn overgegaan, en wij zien zeer duidelijk den ondergang der Hervormden bij zulk een handelwijs tegemoet."[1]
"Merkwaardig!" riep vader Beukman uit. "Wij mogen nu ook wel zeggen wat Jozef tot zijne broeders sprak: "Ghijlieden wel, ghij hebt quaedt tegen mij gedacht, doch Godt heeft dat ten goede gedacht opdat hij dede gelijck het te desen dage is om een groot volck in 't leven te behouden.""
"Zoo is het vader," antwoordde Gerrit. "De menschen zagen nu dat niet de personen, maar de waarheid bij de Hervormden wordt uitgestooten. En daarom komen nu velen daarheen, waar de waarheid heen gevlucht is, en letten niet meer op de personen."