De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland
Part 8
Maar 's middags liep ze "even" bij Beukman aan, en toen ze een uur later weer naar huis ging, wist Klaas Beukman dat hij 's avonds aan de broeders en zusters mocht mededeelen, dat Jannetje Huiskamp zich bij hen aangesloten had.
XV.
DIAKONALE ARMENZORG.
Driekwart eeuw geleden was het verzenden per post van een brief een duur ding, waar gewone menschen alleen toe overgingen wanneer het beslist noodig was. Bovendien hanteerde Klaas Beukman liever drie uren achtereen den ploeg dan een half uur de pen; en zijn vrouw deed aan brieven-schrijven in 't geheel niets. Zoo nu en dan hoorden zij en Gerrit wat van elkander, wanneer boeren uit de beide dorpen elkaar op een of andere markt ontmoet hadden; ook kwamen er wel brieven van Gerrit, maar het was een zeldzaamheid als hij er een van zijn ouders ontving. Het meeste vernamen de ouders en hun kind nog van elkaar door de predikanten, die bijna voortdurend op reis waren om nu hier, dan daar de diensten te leiden.
Niet zelden moesten die tochten in het geheim geschieden om de vervolgingen onderweg te voorkomen zoowel als om de bediening des Woords en der Sacramenten in de plaats waar de predikant verwacht werd, niet reeds vooraf onmogelijk te maken door ruchtbaarheid aan zijn komst te geven. Somtijds werden de samenkomsten op zeer afgelegen plaatsen en midden in den nacht gehouden. Zoo kwam, om slechts één voorbeeld te noemen, de predikant Brummelkamp den 19^{en} Augustus 1837 te Bunschoten aan en predikte den 20^{en}, Zondags, des nachts te Malestijn, zooals de notulen het zeer grootsch noemen, dat is: op een boerderij tusschen Bunschoten en Spakenburg, die Malestijn heette. In die godsdienstoefening werd aan een kind het sacrament des doops bediend.
De geloovigen werden niet gehangen; hun leeraren werden niet geradbraakt; maar overigens hadden de Afgescheidenen aanleiding genoeg om hun lot in het vrije "Gereformeerde" Nederland te vergelijken met dat van de Hugenoten onder den grooten koning Lodewijk XIV.
En indien hun vijanden--vooral die uit de hoogste standen--slechts gedurfd hadden; indien ze de handen vrij genoeg hadden kunnen bewegen, dan zouden ze de kinderen Gods in alle opzichten met de martelaren uit de zeventiende eeuw gelijk gesteld hebben. Sprak Mr. Zevenstern, officier bij de Rechtbank te Appingedam, het niet uit: "Het ware te wenschen dat men de hoofden der bijeenkomsten aan het lijf mocht straffen." Daarmede bedoelde hij iets anders dan gevangenisstraf, want die werd reeds naar hartelust uitgedeeld. En schreef niet Mr. Thorbecke einde September 1837, als verzet tegen zijn vriend Mr. Groen van Prinsterer, "dat aan de inkwartiering alleen de wettelijke vorm ontbrak?"[1]
Voor zulke zwervers als de leeraren der Afgescheidenen moesten zijn, was de afstand tusschen Bunschoten en Loosdrecht gering. Die beide dorpen met de tusschenliggende Hilversum en Eemnes werden gewoonlijk op dezelfde rondreis bediend, zoodat, alles in aanmerking genomen, de Beukman's nog dankbaar mochten zijn omdat ze zooveel van elkaar hoorden.
Begin Mei had Gerrit van zijn vader een brief ontvangen, die hem brandend-nieuwsgierig naar nadere tijding gemaakt had. Vader was nooit heel spraakzaam, de brieven waren natuurlijk nog aanmerkelijk korter dan de gesprekken. In bedoeld epistel stond, midden tusschen nieuws van allerlei aard: "Bij de Huiskampen is alles nog al zoo hetzelfde behalve dat Jannetje tot ons overgekomen is."
Zou dat werkelijk beteekenen wat Gerrit er zoo gaarne in las? Er was gedurende de eerste weken weinig kans om er achter te komen.
Sedert de Kerstvacantie was de jonge man niet meer in Loosdrecht geweest. In gewone omstandigheden zou het hem gemakkelijk gevallen zijn zoo nu en dan Zaterdagsmiddags daarheen en Zondagsavonds terug te wandelen. Maar de vervolging legde hem allerlei andere plichten op. Er viel voor hem veel meer te doen dan het onderwijzen van de kinderen. Wel had de kleine gemeente zeer goed begrepen dat de openbare onderwijzer niet het ambt van ouderling of diaken vervullen kon zonder haar zoowel als zichzelf noodeloos en onherstelbaar in moeite te brengen. Indien hij als ambtsdrager opgetreden ware, zou zijn ontslag slechts een kwestie van zeer korten tijd geweest zijn. En dan zou er heel waarschijnlijk een opvolger gekomen zijn, die "het gouvernement _niet_ tegenwerkte", en die dus met de kinderen der gemeente vrij spel had. Maar dat belette Gerrit niet in allerlei opzichten zijn eenvoudige en minder ontwikkelde geloofsgenooten met raad en daad bij te staan, waarmee hij de handen vol had. Voorzichtigheid gebood hem daarvoor uitsluitend zijn vrijen tijd te gebruiken. Daarenboven was zijn aanwezigheid van groot nut voor het gezin van zijn hospes Kramer, dat voordurend met inkwartiering gekweld werd. Vrouw en kinderen kon men geen oogenblik alleen in huis laten, zoolang de "gezegende werktuigen om Sion uit te breiden" daar nog gebruikt werden. Zijn vriend en hij waren dus om de beurt aan huis gebonden. Ten overvloede was hij sedert den 20^{en} Juni zijn vriend Jan Verlinden als hulponderwijzer kwijt, zoodat voorshands al het werk in de school alleen voor zijne rekening kwam.
Met groot verlangen had hij dus zijne zomervacantie van veertien dagen tegemoet gezien.
Eindelijk was de groote dag aangebroken. In den vroegen morgen van Zaterdag den 15^{en} Juli stapte Gerrit Beukman in de huifkar van zijn vriend Kramer en nam plaats naast den man, die hem naar Eemnes zou brengen. Vandaar zou hij te voet de reis vervolgen.
Wel bracht het paard van Kramers den bovenmeester naar Eemnes, maar de baas had het daartoe midden in den zomer te druk. De teugels van het spannetje waren in handen van Willem Vlok, die voor 't oogenblik toch niets anders te doen had en er zeer vereerd mee was, dat hij dit ritje in den dienst van Beukman en Kramer doen mocht.
"En hoe gaat het thuis, Vlok?" vroeg Beukman, toen ze de kom van het dorp achter zich hadden en in de heerlijke lucht van den helderen zomermorgen bedaard den mullen zandweg langs reden.
"Thuis!" sprak Vlok, niet zonder eenige bitterheid in de stem. "Ja, dàt mag meester wél zeggen!"
"Je hebt gelijk, Vlok!" hernam Gerrit; "thuis is, helaas, het rechte woord niet. Hoe gaat het met je vrouw en kinderen?"
"Naar de omstandigheden goed, meester, maar de Heere moet bijzondere genade geven om er altijd in te berusten;--we hebben er zeven, zie je, en de oudste moet nog pas elf jaar worden. Maar ik mag nog van geluk spreken als ik zie op mijn lotgenoot de Greef; daar is nog een kind meer en z'n vrouw is maar zwakjes, meester; die ziel moet de tering hebben. Mijn wijf en ik kunnen ten minste door de goedheid Gods nog voort!... Het is wat te zeggen!"
Gerrit liet den stumperd uit zijn tabakszak een pijpje stoppen; hij begreep dat er meer behoefte bestond aan een kleine daad van gemeenzaamheid dan aan een groot woord van vertroosting. Ook viel er voor hem meer te hooren dan te zeggen.
"Hoe is het nu eigenlijk in z'n werk gegaan?"
De man zweeg tot de pijp behoorlijk rondgebrand was en blies met welgevallen een paar rookwolken uit.
"Ja; meester is nog zoo lang niet bij ons en weet misschien van het vorige zoo niet af. Kijk--ik en de Greef hadden maar weinig werk en--zooals dat gaat--er kwam zoo nu en dan alweer een kind bij;--maar we werden toch altijd staande gehouden, dat mag ik tot eer van den Heere zeggen; en ook gedurig door de Diakonie geholpen. En dan hadden we vrij wonen in die twee hutjes! Nou goed; maar langzamerhand kwamen we er wat meer door en er een beetje boven op, en er was geregeld werk te krijgen, zoodat, zie je, de bedeeling ophield. Dat was niet meer dan recht; er waren armer dan wij, en zoowel ik als de Greef mochten er den Heere voor danken voor dat het niet meer hoefde en dat nou een ander kon geholpen worden. Maar we mochten vrij blijven wonen; zie je. Nou dat ging zoo voort--en wat nou de kerk anbelangt, we bleven er allemaal lid. Een mensch heeft wel zijn bedenkingen, maar dat is tot daaraan toe. Alleen vrouw de Greef, die zei soms dat zij er niet hoorde, en dat we dan eigenlijk allemaal er niet hoorden. Nou weet meester nog wel van verleden jaar... ja... toen was je al bij ons, nietwaar?"
"Wanneer?" vroeg Gerrit.
"Toen dat met Poort; toen die ineens niet meer oefenen mocht?"
"Ja; daar was ik bij," antwoordde Gerrit; "dat heeft voor mij den doorslag gegeven."
"Nou, zie je, daar heb je 't!" vervolgde Vlok; "dat stuitte ons dan ook danig tegen de borst; daar konden we niet overheen. En toen--zooals meester weet, kwamen wij ook bij de Afgescheidenen kerken, maar we gingen niet over, begrijp je. Alleenig vrouw de Greef, zie je, _die_ ging over. Dat ging zoo z'n gangetje, alles goed en wel; je hoorde van niets. Tot nou in eens, gisteren veertien dagen, den laatsten Juni, komt de diaken Klap eens binnenloopen. "Zeg Vlok," zeit ie; "dat kan zoo niet langer." "Wat kan niet langer, mijnheer?" vraag ik zoo. "Vlok," zeit ie; "de Greef en jij kunnen hier niet aldoor zoo maar blijven wonen voor niets!" Ik keek er van op, maar recht is recht; en alhoewel ik het op 't oogenblik niet kan betalen, de Heere zal, als het moet, op zijn tijd ook wel uitkomst geven. "Hoeveel zou dan de huur moeten wezen, mijnheer?" vroeg ik zoo langs m'n neus weg. "Ja," zeit ie, "je kan nog wel op denzelfden voet blijven wonen, maar jullie komt nooit in de kerk." Ik denk: wat zou er nou komen? "Kijk," zeit ie, "als je allemaal altijd in de kerk wil komen, dan kan je blijven." Nou, heel veel vieren en vijven meer... en of we nu al zeien als dat we Hervormd waren; hij hield maar vol: je doet alsof je Afgescheiden bent.
Ten langen leste vroeg ik hoe veel of dan de huur zou moeten wezen. Ja, dat zou dan voor mij en de Greef ieder dertig gulden in het jaar beloopen. En daar mochten we dan tot den anderen dag over denken. Vandaag veertien dagen ik er naar toe en De Greef ook, om te zeggen dat we die huur zouden betalen. Dat moest in de kerkeraad komen.
Maar jawel: 's Maandags komt Klap en nou vertellen: de kerkeraad wil voor ieder twee borgen hebben. "Willem," zeit m'n vrouw; "loop 'reis naar boer Kramer, dat is 'n goeie man." Om nou kort te gaan, wij komen denzelfden avond vertellen, ik en de Greef, als dat Kramer en Heining--uw ouderling,--voor ons allebei borg zouen wezen en we hadden het papier er van in onzen zak. Wij blij dat de zaak nou gezond was.
Den dag daaraan, daar komt Klap en Passer de kerkvoogd zeggen: die borgen waren goed en wel, en de zaak was dus tot zoover in orde, maar dan moest er een jaar vooruit betaald worden."
"Waar dienden dan de borgen voor!" vroeg Gerrit.
"Ja, meester, ik vertel je net zooals de ronde waarheid is. Dus geld vooruit, daar ging niets van af. Wij terug; en wat we nu toch nooit hadden durven denken: om ons te helpen alhoewel we niet eens bij de gemeente hooren, die twee gaven ieder dertig gulden. "Nou kan je eens zien," mocht ik zoo tegen de Greef zeggen, "zonder iemand te oordeelen, wat de profeet Maleachi zegt van het onderscheid tusschen hem die God vreest en hem die hem niet vreest."
Wij er weer heen; ieder z'n dertig gulden brengen. "Ja," zei Passer, "dat is nou goed en wel, maar hoe staat het nou met het kerkgaan?" "Maar mijnheer," zei ik zoo, "en we betalen nu vooruit?" "Ja," zeit Klap, "dat gaat er heelemaal buiten om. Want zoo zouden we wel de grootste vijanden in de huisjes kunnen hebben! Je begrijpt wel, het zijn eigendommetjes van de Diakonie!" "Maar mijnheer," zei de Greef, die een beetje kriegel werd; "dertig gulden is toch dertig gulden!" "Nou zou ik nog brutaal worden toe!" zei Passer. "Jelui moeten beloven, plechtig beloven, dat je met vrouwen en kinderen geregeld en alleen in onze kerk komt en nooit meer die andere vergaderingen zal bijwonen. Want anders moet je op staanden voet eruit!"
Nou, toen werd ik toch een oogenblik omgekeerd. Maar toen Klap: "Kijk," zei die, "als 't nog onze eigen huizen waren, dan was 't wat anders, maar het is het eigendom van de Diakonie, en dát _mag_ ik niet tegen de kerk in laten gebruiken.""
"Zoo'n huichelaar!" barstte Gerrit los.
"Ja," zei Vlok zachtmoedig; "het wou er bij mij ook niet in. Maar dát konden we niet beloven. "Neem dan je geld maar weer meê," zei Passer; "dan moet je maar afwachten wat er van komt.""
"En toen?" vroeg Gerrit.
"Toen? Nou, Donderdag vóór acht dagen werden we met pak en zak er uit gezet. En daar stonden we. Veldwachter Koelewijn moest er van den burgemeester bij wezen. 't Ging hem aan zijn hart, dat kon je zien."
"Ja dàt is een rechtschapen, godvreezend man," hernam Gerrit.
"Meester; let op mijn woorden: Koelewijn gaat denzelfden weg op. Die raakt z'n bestaan kwijt; wat ik je zeg! En toen zaten we op het strand zonder dak boven het hoofd. De burgemeester had een plek er voor aangewezen; maar een die bij hoog tij onder loopt."
"Maar er is nu toch, God zij dank, in voorzien," zeide Gerrit.
"Ja, toen 't zoo'n weer werd hebben meester en de anderen, die we er dan ook nog wel voor bedanken, zoo bij den burgemeester opgespeeld, dat hij ten langen leste wel helpen moest. Nu zijn we weer onderdak. Maar vrouw de Greef heeft het dan leelijk te pakken: dat mensen kan niet zoo tegen weer en wind."
"De Heere zal oordeelen!" zei Gerrit meer tot zichzelf dan tot zijn reisgenoot.
"Meester, dat wil d'r nou bij mijn maar niet in dat onze gezegende Heiland nou zoo iets van z'n diakenen zou goedvinden. Ik ben niet geleerd en ik kan er niet tegen op; maar ik vraag maar: zou de Heere dat nou bedoeld hebben met het ambt van diaken?.... Maar we bennen er, en hier gaan we uit mekaar."
Met een hartelijken handdruk, waarbij een gulden uit Gerrits hand in die van zijn reisgenoot overging, zei de eerste: "Ik dank je wel, Vlok!.... Voor de kleintjes, hoor!"
"Maar meester, dat is te veel. De boer betaalt me."
"Ik _betaal_ je ook niet; het is een aardigheidje voor de kinderen."
__________ [1] "L'établissement d'un pouvoir préventif permanent dans le demeure des citoyens a besoin, selon moi, d'être autorisé par une loi."
XVI.
TOEGESTEMD.
De verhouding tusschen Jannetje Huiskamp en haar ouders was zeer goed; alleen "over dat ééne" werd niet meer gesproken. Jannetje had haar lidmaatschap aan den kerkeraad der Hervormde Kerk opgezegd. Maar die opzegging was niet zoo dadelijk aangenomen; het meisje had een bezoek van dominee ontvangen, dat meer dan een uur geduurd had. Dominee had--raak of niet raak,--alle teksten aangehaald, die in zijn oog op het geval toepasselijk waren; zelfs verscheidene teksten, waarvan hij alleen slechts hoopte dat Jannetje ze toepasselijk vinden zou, ofschoon ze naar zijn eigen meening niet zoo rechtstreeks ter zake deden. Van de Hervormde Kerk had hij--onder toestemming dát er veel verkeerds in was,--gezegd: "Verderf het niet, want er is een zegen in!" Hij had de gelijkenis van "het onkruid in den akker" aangehaald; en bij het woord van Jezus: "De akker is de wereld", gezegd ter nadere toelichting: "dat is dus wat wij nu zouden noemen de volkskerk, begrijp je". En daarop had Jannetje toestemmend geknikt. Zoodat de dominee, een goedige, naïeve man, reeds gedacht had dat hij er al was en nu Jannetje gelegenheid gaf om te antwoorden. Doch hij was er nog niet, want zijn vroegere leerlinge had heel onnoozel gevraagd: "Dominee, is de wereld en de Hervormde Kerk dan hetzelfde?" Maar Jannetje was ook geen theoloog!
Wat haar eigen zieleheil betrof had dominee haar gewezen op Salomo's waarschuwing: "Vermeng u niet met hen die naar verandering staan;" en op Jezus' vermaning: "Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt." En eindelijk--want dominee, hoe goed hij ook was, toch kon hij wel toornen!--op het schrikkelijk woord van den apostel Judas: "Dezen zijn het die zichzelven afscheiden, natuurlijke menschen, den Geest niet hebbende." Welnu, duidelijker kon niet--tenminste uit Gods Woord niet--aangetoond worden dat de Afscheiding niet uit God is! Maar Jannetje had daar overheen gepraat door onverwacht met de domme vraag voor den dag te komen: "Dominee, als de engelen eens de maaiers wezen zullen, gebruikt de Heere dan hier al voor de tarwe artilleristen en politieagenten?" En toen was dominee werkelijk boos geworden en had geantwoord dat ze geen grapje van de zaak maken moest, want daar was het te ernstig voor. Jannetje evenwel had op haar beurt dát dominee kwalijk genomen en een beetje spijtig geantwoord dat ze er niet aan dacht om stokslagen van politieagenten, bajonetsteken van artilleristen en met-boter-besmeerde stoepen voor grapjes te houden. En ze was geëindigd met dominee ernstig te verzoeken haar als lidmaat te schrappen. Met een laatste vermaning om toch haar hart niet te verharden, had dominee haar plechtig beloofd dat aan haar verzoek zou voldaan worden.
Waarom Jannetje hem dat met zooveel aandrang verzocht vertelde ze dominee echter niet; gedachtig aan het spreekwoord: "Je moet geen slapende honden wakker maken!" Ze las thans geregeld het Tijdschrift "De Reformatie." En ze had daarin een bericht gevonden, dat haar alle reden van bezorgdheid gaf. Zekere B. J. Ploeg te Klundert--zoo werd daar verhaald--had den 25^{en} November 1835 schriftelijk zijn lidmaatschap van de Hervormde kerk opgezegd. In 1836 hadden kerkvoogden en notabelen goedgevonden, ter dekking van de uitgaven tot herstel van het kerkgebouw der Hervormden, een hoofdelijken omslag uit te schrijven, en op grond daarvan [f]2.50 van Ploeg gevorderd. Deze beriep zich natuurlijk op zijn schriftelijke opzegging en weigerde de betaling. Ofschoon die opzegging door den kerkeraad niet ontkend werd, dagvaardde A. den Engelse, in kwaliteit van kerkvoogd, Ploeg voor den vrederechter in het kanton Zevenbergen. Den 8^{en} Augustus 1836 had de zaak gediend. Tot zijn groote verbazing werd Ploeg veroordeeld tot betaling. Als eenige rechtsgrond werd in het vonnis aangegeven: "Gezien de artt. 30 en 33 van het Reglement op de administratie der kerkelijke fondsen en de kosten van eeredienst der Hervormde Gemeenten in de Provincie Noord Brabant." De som was zoo klein, dat geen hooger beroep kon aangeteekend worden.
Ploeg, die reeds sedert een half jaar ouderling bij de Afgescheiden Gemeente was, betaalde niet; in overleg met zijn medeleden, om te zien wat er van de zaak worden zou. Den 10^{en} September volgde een bevel tot executie. Den 5^{en} October werd beslag op zijn inboedel gelegd, en nam zekere Willemse, tot gerechtelijk bewaarder aangesteld, intrek in de woning van Ploeg. Deze had den 16^{en} September een rekwest aan Z. M. den koning ingediend; maar dat bleef onbeantwoord[1]. Den 15^{en} October werd de inboedel voor zoover noodig, verkocht. Zoover noodig beteekende: [f]2.50 hoofdsom en [f]54.94 gerechtelijke onkosten.
Jannetje had die geschiedenis minder tot haar stichting dan tot haar onderricht gelezen; en was blij dat "De Reformatie" door de Hervormden niet de moeite waard geacht werd om er inzage van te nemen. Toch rustte ze niet, voordat ze zeker wist dat de schrapping van haar naam een voldongen feit was. Het verwonderde haar, niet geheel ten onrechte, dat menschen die hun lidmaatschap opzegden, tegen wil en dank op de lidmatenboeken bleven staan[2]. Indien ze wat beter onderwijs genoten had, zou ze geweten hebben dat de groote Lodewijk XIV op dezelfde wijze de Hugenoten Roomsch hield of opnieuw Roomsch maakte. Maar hoe zou ze zich vijftig jaren later verbaasd hebben, indien ze het beleefd had, over het feit dat toen duizenden geroyeerd werden, die er volstrekt niet om gevraagd hadden. Misschien had ze dan nog eens overgelezen wat "De Reformatie" volgen liet op het verhaal van de mishandeling Ploeg aangedaan: "Op grond dat we niet Gereformeerd zijn maar een afzonderlijke secte vormen, worden we door verscheidene Rechtbanken veroordeeld tot het betalen van geldboeten. Doch het schijnt ook al mogelijk te wezen ons geld uit den zak te jagen door eene _tegenovergestelde_ bewering."
* * *
Vader en moeder Huiskamp hadden, volgens vaste gewoonte, den ochtenddienst in de kerk bijgewoond. Ze waren, ook volgens vaste gewoonte, zeer gesticht thuis gekomen. Zóó "getrouw" als vanmorgen had moeder het nog nooit gehoord! En vader antwoordde: "Dat zeg je naar waarheid!" Die nabetrachting was bijna ook vaste gewoonte geworden.
Jannetje was thuis gebleven; om redenen haar bekend kon zij pas vanavond gaan. De reden was heel eenvoudig deze, dat de Afgescheidenen, indien ze niet voortdurend mishandeld en uit elkaar gejaagd wilden worden, de rollen zorgvuldig verdeelen moesten en ieder der leden aanwijzen waar en wanneer het zijn beurt zou zijn om de onderlinge samenkomst bij te wonen.
In de vergadering ten huize van Reijmeringer had Gerrit tevergeefs naar Jannetje uitgezien. Zoodra tegen half twee het middagmaal afgeloopen was, stapte hij de deur uit om zijn oude buren Huiskamp eens te bezoeken. Van het erf op den grooten weg tredende, zag hij de geliefde zijns harten het ouderlijk huis uit komen en den anderen weg opgaan.
Natuurlijk verdween zijn plan om vader en moeder Huiskamp een bezoek te brengen als sneeuw voor de zon. Met enkele stappen had hij het meisje ingehaald.
"Goeden middag, Jannetje! Hoe gaat het?"
"Wel heb ik....! Goeden middag, Gerrit!" riep het meisje met zooveel verrassing in haar stem, dat Gerrit zich er van verzekerd hield dat ze hem niet vroeger opgemerkt had, toen beiden zich naar buiten begaven. "Ben je de vacantie hier gekomen?"
"Ja! Je weet niet hoe ik er naar verlangde! Maar gaat het goed? En hoe maken de oudelui het?"
"Al wèl! Al wèl!" antwoordde Jannetje terwijl ze samen voortliepen.
"Ik wou juist eens naar je vader en moeder gaan zien."
"Zoo? Maar dan loop je te ver!" antwoordde Jannetje stilstaande, om hem niet nog verder van zijn doel af te brengen.
"Ja; maar dat heeft nog op geen kwartiertje haast. Ik mag toch zeker nog wel een eindje meeloopen?" vroeg Gerrit eveneens stilstaande.
Een oogenblik keken ze elkaar in de oogen; één oogenblik slechts, maar lang genoeg om Jannetje de hare met een blos te doen neerslaan.
Samen gingen ze verder, het meisje begon: "Ik dacht dat...."
Wat dacht ze? Dat Gerrit wel komen zou; en was ze daarom uitgegaan? Dat hij niet komen zou; en was ze daarom ook maar niet thuis gebleven? Gerrit durfde niet er naar raden, maar verstoutte zich om te vragen: "Wist je niet dat ik in Loosdrecht zou komen met de vacantie?"
"Ja... dat 's te zeggen: we dachten het wel."
"Mijn vader zal het zijn ouden vriend toch wel verteld hebben!"
"We zien je ouders niet meer zoo dikwijls als vroeger... dat 's te zeggen..."
"Dat 's te zeggen: ze komen niet meer zoo dikwijls bij elkaar aan huis hè?"
"Neen!" zei Jannetje kortaf.
"Maar daarom zal _jij_ mijn ouders toch wel meer ontmoeten, niet waar?"
Jannetje knikte toestemmend. Zwijgend wandelden ze samen een eindje verder.
"Ga je... ergens heen?" vroeg Gerrit.
"Neen... zoo maar!" was het antwoord.
"Hier linksaf komen we in het bosch. Is dat goed?"
Opnieuw knikte Jannetje: "Maar moet je nu niet naar vader en moeder?"
"Neen!" stootte Gerrit plotseling vastberaden met harde stem uit. "Als ik mag ga ik met jou mee, want ik wou je wat zeggen."