De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland
Part 6
Van preeklezen was geen sprake meer. De vrienden zaten weerloos bijeen als een kuddeke, dat vreezen moest elk oogenblik door de wolven besprongen te worden.
Eindelijk trad de politie op. De hoofdagent ging voor de deur staan en hield een toespraak tot het grauw.
"Jongens, nou make jullie het wat al te bont!"
Luid gejuich volgde op deze ontboezeming.
"Hoor hèm ereis! Zeg, ouwe jongen, jij bent toch geen Skoltiaan? Kan je denken! dan was ie al lang de laan uit! Ga weg, smeris! anders krijg je bij ongeluk een steen tegen je kop!"[3]
"Wacht nou een amerijtje!" raadde de agent gemoedelijk; "dan selle me d'r een eind aan maken. Hou jullie je nou even kalm, dan gaane wij na binne!"
"Hoera! De Skoltianen komme d'r uit!"
"Ga jij gerust je gang, vader!" riep een forsche kerel. "Ik zal ze hier wel even zoet houen!" (Tot den volkshoop). "Houe jullie je pooten nou een oogenblikkie tuis! Of wat let me: je krijgt met Rooie Hannes te doen! Wie wil er een pak op z'n nuchtere maag hebben! Toone jelui nou dat er tegen _ons_ geen pelisie noodig is! Als je nou zoet je beurt afwacht, komme binne vijf minuten de Skoltiane buite!"
"Hoera voor Rooie Hannes! Dat beloven we je, hoor!"
"En wie heit er nou net als ikke een paar cente voor over," ging de plaatsvervanger der politie voort, "om as ordelijke burgers de pelisie een handje te helpen? Dan sel je een grap beleven! Lange Trijn, verkoop jij _mijn_ nou' ereis een halfpondje boter voor de laagste prijs!"
Een donderend Hoera! bewees dat de bedoeling van Rooie Hannes begrepen was. Binnen twintig tellen was Lange Trijn met de boter terug.
Onderwijl was de hoofdagent tot het besluit gekomen dat er een eind aan het relletje moest gemaakt worden.
"Mannen!" zei hij plechtig tot zijn manschappen: "wij bennen hier om wanordelijkheden te voorkomen! Nou zou d'r niks niemendal gebeurd zijn, als ze daar binnen d'r mond gehouen hadden. Maar je kon dat zingen wel een straat ver hooren! Dát maakt de lui duivelsch. Dus ze motten d'r uit! Want zij maken het oproer! Vooruit; naar binnen."
Aan het hoofd der manschappen trad hij door de opening van de vernielde winkelkast naar binnen.
"Jullie blijven hier!" commandeerde hij twee man; "de deur open, en zorg dat er niemand van de straat binnen komt! En jij!" (tot den derden) "mee naar boven!"
De beide politieagenten, die op order van hun chef de voordeur openden, werden verrast door het zien van Mottige Mie en Lange Trui, die onder toezicht van Rooie Hannes ijverig bezig waren de stoep met boter te besmeren.
"Houe jullie je nou luikes!" raadde Rooie Hannes den agenten met een vertrouwelijk knipoogje; "dan sel je een lolletje beleven!"
De deur van de achterkamer werd opengestooten.
"Hoeveel ben jelui?" riep de hoofdagent binnenkomend, "Keyser, tel ze!"
Keyser telde. "Drie en twintig, agent!"
"Overtreding!" (Tot Buter). "Zeg jij; jij bent zeker de baas van dit honden- en apenspel?"
"Ik woon hier," antwoordde Buter zoo kalm mogelijk.
"Dan weet je wel dat er een stuk of vier te veel benne."
"Mijn vrouw, twee dochters, een dienstmeisje en ik zijn vijf; vijf van de drie en twintig blijft achttien."
"Nou ja, goed! Waarom heb je de heele buurt bij elkaar geschreeuwd met je psalmenzingerij? Jullie maakt volksoploopen en oproer. Dadelijk er uit!"
"Waarom moeten...." begon Buter.
"Alla!" schreeuwde de agent, trad op den weerloozen man toe, greep hem in de borst en slingerde hem een eind de kamer door. De beide agenten trokken hun wapenstokken en begonnen woest op de vergaderden in te slaan. Menigeen liep leelijk klappen op. Ze werden de trap afgejaagd; het was meer geluk dan wijsheid dat allen beneden kwamen zonder nek, armen of beenen te breken.
't Werd er niet beter op toen ze in den winkel waren. De twee bij de voordeur geposteerde agenten voegden zich bij hun makkers en dreven de geloovigen met stooten en stokslagen naar den uitgang. Van de straat af vloog een zwerm van stukken sneeuwijs, steenen, drek en scherven van den verwoesten winkelvoorraad naar binnen.
Plotseling weerklonk een felle angstkreet. De eerste broeder, die naar buiten kwam, was op de botergladde stoep uitgegleden, en als een steen voorover tegen den grond geslagen. Juichend sleurde het grauw hem bij armen en kleederen verder. Sullend en glijdend kwamen de overigen het huis uit.
"Ruimte daar!" hoorde men eensklaps boven al het rumoer uit.
Twintig soldaten van de 18^{e} afdeeling Infanterie kwamen de straat ingerukt. Een paar leden van de Hervormde Kerk, welke dien weg langs kwamen, hadden het godgeklaagd schandaal niet werkloos kunnen aanzien, maar waren hulp gaan halen.
De menigte week uiteen; de verdrevenen konden zich weder verzamelen. De familie Buter mocht zich weer binnenshuis begeven; ook Klaas Beukman zag gelegenheid binnen te komen; de overigen mochten zich verwijderen. Maar verder ging de zoogenaamde hulp niet; de soldaten beletten niet, dat "velen erbarmelijk werden mishandeld, in den modder geworpen, geschopt en sommigen licht gekwetst. Gods volk, ook de niet-gescheidenen, stond op straat luidkeels te weenen." Enkele deuren in de buurt werden geopend; men riep hier en daar de vrouwen binnen om haar andere kleederen te leenen, want haar eigen plunje was zoo gehavend, dat de draagsters niet voegzaam over straat konden gaan.
Een paar der broeders begaven zich naar den commissaris van politie om hun beklag in te dienen. Den poveren uitslag van dat bezoek vindt men in de volgende woorden uit het verslag opgeteekend: "De commissaris van politie heeft uitdrukkelijk verklaard, dat hij ten deze slechts als machine handelde. Daarin heeft hij recht, dat de door ons verlatene, afhoereerende geestelijkheid, die het eerst ons ten prooi gaf aan de wereldlijke macht, meerdere schuld heeft."
Jannetje had haar eersten kerkgang bij de Afgescheidenen achter den rug. Persoonlijk was ze er nog al goed afgekomen; alleen haar bovenkleeding was bedorven. Oom Builders bereikte blootshoofds en met een bloedigen schram boven het linkeroog zijn huis, en tante moest met bont-en-blauw-geslagen schouders en een aanval van koorts naar bed.
Maar nu wist het oprechte meisje waar zij bij behoorde! Het was reeds niet meer: die akelige Afscheiding; ook wilde ze nu niet langer "dat die Afscheiding er niet was." Van dien morgen af behoorde zij onder degenen van welken het verslag meldt: "Van de mishandelden roemen er velen, dat zij waardig zijn geacht, om den name Christi smaadheid te dragen."
__________ [1] De beide eerste scheldwoorden naar de predikanten de Cock en Scholte. Ten onrechte wordt van het derde de eer der uitvinding aan Justus Van Maurik jr. toegekend.
[2] Op dien dag werden zeventien huizen, waar bekende Afgescheidenen woonden, door de politie "_bewaakt_."
[3] Smeris en klabak zijn twee Amsterdamsche vertalingen van het woord politieagent.
XII.
VAN "HOOGER HAND."
De burgemeester van Bunschoten zat met veel gewichtigheid in zijn kamer in het Raadhuis de ingekomen stukken te lezen. Ze waren niet zeer talrijk en de inhoud had niet veel om 't lijf, zoodat de Edel Achtbare zeer spoedig met dit werk gereed zou geweest zijn, indien hij nog iets anders te doen had gehad; maar dat was het geval niet. Derhalve kon hij aan het belangrijkste van de paperassen zijn geheele aandacht geven en onmiddellijk handelend optreden.
Dat was dan ook geen kleinigheid: een schrijven van Zijne Excellentie den Gouverneur der Provincie Utrecht, den heer Van Toulon. De gouverneur was altijd zeer welwillend voor onzen burgervader; des te meer verraste en schokte hem de inhoud van dezen brief. Hij had het epistel nu wel drie maal gelezen, maar kon het zich toch niet ontveinzen: hoe poesvriendelijk de vorm ook mocht zijn, Zijn Edel Achtbare werd door Zijne Excellentie op de vingers getikt! Dat is nooit zeer aangenaam, maar een onwillekeurig verzuim is toch denkbaar en vergeeflijk; we zijn allen menschen en één mensch gaat maar één gang! Doch nu.... eigenlijk verdacht te worden van inschikkelijkheid voor een van die verwenschte scheurmakers... _hij_: burgemeester, allergetrouwst dienaar van Zijne Majesteit, kerkvoogd van de "groote" kerk, persoonlijk bevriend met meer dan één lid van de Haagsche Synode; volbloed-oom van twee en neef van drie andere Hervormde predikanten... dát was om er een beroerte van te krijgen!
De burgemeester dronk een glas water en belde heftig.
De bode kwam binnen.
"Veldwachter Koelewijn!" beval Zijn Edel Achtbare norsch en kortweg.
De bode af.
"Hij moet me kalm zien!" zei de burgemeester tot zichzelf en stak gauw een versche pijp tabak op; iemand die rookt is normaal.
Veldwachter binnen; blijft in militaire houding op behoorlijken afstand van den hooggeplaatsten man staan.
"Zeg, Koelewijn, wat.... e.... wat ben jij van je geloof?"
"Hervormd, Edel Achtbare!"
"Zoo! Maar.... e.... je hoort toch in je hart eigenlijk bij dat canalje."
Het is min of meer moeilijk om op zoo vage en zoo vleiende onderstelling te antwoorden: "Tot uw dienst, Edel Achtbare!" Veldwachter Koelewijn vergenoegde zich dus met te zeggen "Ik behoor tot de Nederlandsche Hervormde kerk, Edel Achtbare."
"Je heult, zeg ik je, met de Separatisten!" bulderde het achtbaar hoofd der gemeente, wiens gemoed de gouwsche-pijp-kalmte begon te verliezen en opnieuw de beroerte-opwinding naderde.
"Als ik zoo vrij mag zijn, Edel Achtbare, welk bewijs--"
"Welk bewijs? Je bent er orthodox genoeg voor, kerel!"
De veldwachter zweeg; het is uiterst moeilijk uit te maken hoe orthodox iemand wezen moet om met canalje te heulen.
"Nu, wat heb je daarop te zeggen? Antwoord je _mij_ niet? Als ik één woord spreek, ben je ontslagen!"
Onwillekeurig dacht de eenvoudige veldwachter aan een ander hooggeplaatst man, die ongeveer achttien eeuwen geleden hetzelfde gezegd had tot een gevangene... tot zijn eeuwige schade.
"Edel Achtbare, ik kan niet anders zeggen dan ik u al gezegd heb!"
"Hm! Je bent een rechte sfinx!"
De veldwachter zweeg; hij was in de verte niet zoo ontwikkeld als de burgemeester en had dus niet de eer te begrijpen met welken geest of welk beest hij thans vergeleken werd.
"Kijk hier!" ging de burgervader voort, een brief in folio-formaat in de hoogte houdend. "Van hooger hand, van niemand minder dan Zijne Excellentie den Gouverneur der Provincie Utrecht; die me opdraagt ten spoedigste te berichten of veldwachter Koelewijn in betrekking als _ambtenaar_, dan wel als _separatist_, in de vergaderingen der scheurmakers geweest is. In het laatste geval moet ik dadelijk een ander als veldwachter voordragen en word je onmiddellijk ontslagen."
"Edel Achtbare, ik herhaal dat ik lid ben van de Hervormde Kerk en niet Afgescheiden. Maar als ik zoo vrij mag wezen te vragen of iemand mij aangeklaagd heeft.."
"Jawel, ik wil open kaart met je spelen, want ik.... wel je bent altijd goed voor je werk geweest... ik heb niets op je aan te merken. Luitenant Van der Poort is maar heel weinig ingenomen met je houding, wanneer de onwettige vergaderingen door hem ontbonden worden. Jij gaat dan zoo zacht met die snuiters om alsof ze van kraakporselein waren, en zoo wek je verdenking."
"Edel Achtbare; ik behandel ze menschelijk."
"Kletspraat! Je hebt je te houden aan de bevelen van den luitenant! Die heeft over je gerapporteerd aan Zijne Excellentie. Nu, jij kent luitenant Van der Poort even goed als ik als een hoogst-beschaafd man, die..."
Luid en dringend kloppen aan de deur noodzaakte den burgemeester zijn lofspraak op den luitenant af te breken. "Binnen!..... Wat is er? Ik ben immers en besogne!"
"Edel Achtbare, Sergeant Spruiter verzoekt zeer dringend dadelijk toegelaten te worden."
"Waarom heb je hem niet gezegd dat ik in conferentie ben?"
"Dat heb ik gezegd, Edel Achtbare; het helpt niets. De sergeant zegt hij moet en zal u onmiddellijk spreken."
"Laat hem dan maar binnen... Koelewijn, wacht even buiten."
Eenige oogenblikken later trad de sergeant de kamer in.
"Wel sergeant?"
"Edel Achtbare! ik kom uw hulp inroepen als hoofd der politie."
"Tegen de separatisten? Zendt luitenant Van der Poort je hierheen?"
"Verekskuseer, Edel Achtbare! Het is juist van wegens den luitenant."
"Ja, die stuurt je hè?"
"Nogmaals verekskuseer; ik ben tijdelijk eerst-aanwezend. De luitenant is zoo raar, altemet net alsof hij niet goed bij z'n positieven is."
"Wat blief je?"
"Jawel Edel Achtbare! Hij loopt met uw verlof al door maar te bidden en te vloeken, en z'n eigen vuistslagen te geven, en te schreeuwen en te gillen van heb-ik-jou-daar! Zoodat ik maar een man of vier bij hem gezet heb om ongelukken te voorkomen, en nu met versnelden pas bij UEdel Achtbare kwam. Ik kan geen verstandig woord aan hem kwijt raken en we hebben z'n sabel al moeten wegmoffelen, want hij wou z'n eigen tekortdoen."
"Zoo, zoo! Goed. Ga maar vooruit, sergeant! Ik kom bij je."
Sergeant, na militair saluut, verdween.
De burgemeester schoot zijn winterjas aan, want het was een koud dagje in Maart, en ging de kamer uit. Daar stond, volgens bekomen order, de veldwachter totdat hij weer binnengeroepen zou worden.
"Ga maar mee, Koelewijn," zei de burgemeester, haastig voortloopend; "er schijnt iets met luitenant Van der Poort niet in orde te zijn."
Het tooneel, dat burgemeester en veldwachter een minuut of tien later te zien kregen, toen ze de kamer binnentraden waar de luitenant zich bevond, was wel geschikt om hun, ieder op z'n eigen manier, aan het zooeven gehouden gesprek te herinneren.
Tusschen het venster en den schoorsteen tegen den muur, in een grooten leuningstoel, zat de luitenant in volle uniform. Zijn beenen waren met een strik aan elkaar gesnoerd; aan elken arm werd hij door een sterken soldaat vastgehouden. De mannen moesten alle kracht inspannen om hem meester te blijven. In het vuurrood gelaat rolden de oogen woest heen en weer. Onophoudelijk vervulde de ongelukkige het vertrek met zijn gebrul.
"Verloren! Verloren! Ik heb ze uit elkaar laten ranselen! Ik heb de gemeente van den levenden God vervolgd! Voor eeuwig verdoemd! Ik heb zijn oogappel aangeraakt! Voor mij is geen vergeving! Verloren! Verloren!"
De burgemeester beproefde een paar woorden tot hem te spreken, maar vergeefs. De krankzinnige gaf geen enkel blijk dat hij er iets van begreep, maar bleef onafgebroken zijn wanhoopskreten uitstooten.
"Haal een rijtuig!" beval de burgemeester den veldwachter.
Geen half uur daarna reed een gesloten wagen, met twee paarden bespannen, zoo snel mogelijk den weg op naar Utrecht. Aan handen en voeten geboeid, door drie zijner soldaten in bedwang gehouden, werd de luitenant overgebracht. Voorop naast den boer, die als koetsier dienst deed, zat veldwachter Koelewijn met het bevelschrift en de overige noodige papieren van den burgemeester in den zak.
XIII.
DE ONDERMEESTER.
Z.Exc. de gouverneur des konings in de provincie Utrecht kreeg op zijn schrijven aan den burgemeester van Bunschoten om inlichtingen omtrent den veldwachter Koelewijn twee antwoorden; dat is een meer dan hij verwacht had en evenzeer een meer dan hij begeerde.
De burgemeester berichtte hem dat hij onmiddellijk het strengste onderzoek ingesteld had, maar totnogtoe geen redenen gevonden om den veldwachter voor ontslag voor te dragen. De zaak bleef hem echter, zooals vanzelf sprak, "een punt van voortdurende waarneming".
Doch ongeveer terzelfder tijd kwam er een brief van iemand, die zich Jan Verlinden noemde en zich bekend maakte als ondermeester aan de school te Bunschoten. Naar het scheen had dat jonge mensch heel wat noten op z'n zang. De stijl van den brief was goed, maar de inhoud alleronbetamelijkst. Genoemde Jan Verlinden schreef dat de veldwachter alleen daarom zich aan het hoofd der patrouilles bevonden had, omdat de gescheidenen aan den burgemeester betuigd hadden, dat ze voortaan voor elken soldaat, die zonder van burgemeester of politieagent vergezeld te zijn, binnendringen wilde ter storing van de godsdienstoefening, zooals meermalen had plaatsgehad, hunne woning zouden sluiten.
Z.Exc. kon niet anders dan volmondig erkennen dat de gescheidenen in dit opzicht de letter der wet in hun voordeel hadden. Maar Z.Exc. had, evenals al zijn geestverwanten en in 't algemeen alle verlichte menschen, een afkeer van letterknechterij. Z.Exc. en zijn vrienden hadden wel iets van den schooljongen, die de volgende beschrijving van den kreeft gaf: "De kreeft is een roode visch, die altijd achteruit loopt." Waarop de examinator antwoordde: "De kreeft is geen visch maar een schaaldier, hij is rood alleen wanneer hij gekookt is, en heeft slechts den schijn van achteruit te loopen; overigens is het antwoord heel goed." Want volgens de _letter_ der wet was geen der samenkomsten van de gescheidenen een "associatie"; volgens de _letter_ der wet mochten minder dan twintig personen vrijelijk samenkomen; volgens de _letter_ der wet is achttien en al wat daaronder is minder dan negentien; volgens de _letter_ der wet moest alle inkwartiering gelijkelijk over de inwoners van een plaats verdeeld worden; volgens de letter der wet moesten alle inkwartieringskosten behoorlijk vergoed worden; en volgens de _letter_ der wet behoefde niemand een soldaat of een patrouille zonder burgemeester of veldwachter met schriftelijke volmacht van den burgemeester in zijn huis toe te laten. Doch: "de letter doodt, maar de geest maakt levend;" Z.Exc. was niet de eerste en zou de laatste niet zijn van de ongeloovigen, die dezen tekst uit Gods Woord misbruiken zoo dikwijls het in hun kraam tepaskomt om hun eigen willekeur goed te praten.
Wat Z.Exc. echter geheel van zijn stuk bracht, dat was het slot van den brief. Hij kon zijn eigen oogen niet gelooven! "Overigens kan Uwe Excellentie er verzekerd van zijn, dat de door haar gezonden militairen gezegende werktuigen zijn om Sion uit te breiden."
Zoo'n kwajongen! Hij zou antwoord hebben!
En hij kreeg antwoord.
Den 14^{en} April 1837 ontving Jan Verlinden een briefje van den schoolopziener in het 3e district Utrecht, waarin hem gemeld werd, "dat het Gouvernement plan had hem de school te ontzeggen, _niet zoozeer_ om zijn godsdienstige denkwijze, dan wel omdat hij bevonden werd zich tegen het Gouvernement aan te kanten. Hem werd nog gelegenheid gegeven om te verklaren of hij voortaan aan den wil van het Gouvernement zich zou zoeken te onderwerpen, dan of hij dacht voor te gaan met hetzelve tegen te werken."
"Zou dit briefje"--zoo vroeg de jonge man zich af--"ook in verband kunnen staan met hetgeen gisteren gebeurd is?"
Dien dag had hij gedwongen te Amersfoort doorgebracht. Jan Verlinden was een paar weken geleden aangeklaagd dat hij in een godsdienstige samenkomst, den 19^{en} Maart gehouden en uiteengejaagd, een der militairen een duw gegeven had. Indien dit vergrijp bewezen kon worden, zou het hem eenige maanden gevangenisstraf op den hals halen. Zijn vijanden twijfelden niet aan dien afloop want drie van de toen aanwezige militairen hadden de aanklacht van hun makker met eede bevestigd. Men keek dus heel verwonderd toen de jonge man bewijzen kon dat hij op 'tzelfde oogenblik, waarop hij het vergrijp gepleegd hebben zou, zich in een ander huis te Bunschoten bevond. Aangezien Afgescheidenen, in hoeveel opzichten ook van Hervormden verschillend, toch dit met hen gemeen hebben, dat ze zich niet op twee plaatsen tegelijk bevinden kunnen, werd Jan Verlinden door de Rechtbank vrijgesproken.
De jonge man verzuimde niet den schoolopziener te antwoorden--alweer een antwoord dat eigenlijk zoo'n Afgescheiden meester niet voegde. Hij schreef "dat hij zich met die zaak niet kon of mocht inlaten tenzij hij schriftelijk verstaan had, _welke_ beschuldigingen of bezwaren het Gouvernement tegen zijn persoon had en of die van zulk een aard konden zijn om hem de school te ontzeggen."
De kleine gemeente onder het kruis had, tegen alle verwachtingen in, het heerlijk Pinksterfeest betrekkelijk ongestoord kunnen vieren. Alleen was op den eersten dag ten huize van een der broederen een godsdienstoefening op zeer bijzondere wijze gestoord. Slechts negentien personen waren aanwezig, maar luitenant Van der Does, de opvolger van den ongelukkigen krankzinnige, had goedgevonden "ter voorkoming van overtreding," niet alleen een militaire wacht voor het huis te plaatsen, maar ook twee militairen in de kamer te posteeren. Deze hielden zich rustig tot ongeveer in het midden der oefening, toen plotseling de vergaderden opgeschrikt werden door een hunner, die zoo luid mogelijk riep:
"Wonen alle die hier zijn in Bunschoten?"
"Ik zou u wel willen verzoeken," sprak de dienstdoende ouderling, "onze godsdienstoefening niet te storen."
Zonder antwoord te geven trad de soldaat op een bejaarde vrouw toe, die onder het gehoor zat, legde haar de hand zwaar op den schouder en vroeg: "Waar woon jij?"
"In Spakenburg!" antwoordde ze verschrikt.
"Direct er uit!" schreeuwde hij, greep haar bij den arm, noodzaakte haar op te staan, duwde haar de kamer door en wierp haar met een flinken zet de deur uit.
"Ga nou je gang maar!" veroorloofde hij genadig den ouderling.
Zulke rechtsverkrachting werd evenwel onder de kleinigheden gerekend.
"De groote vraag is echter," merkte Jan Verlinden aan, "of de soldaat op eigen gezag gehandeld dan wel een order van den luitenant uitgevoerd heeft."
Dat zou niet lang een open vraag blijven.
Den avond vóór Pinkster waren de infanteristen Pronkert en Drieling ingekwartierd bij W. van der Kolk, ontvanger der Eem- en havengelden. Het viel den geplaagden landbouwer, die klein behuisd was, moeilijk genoeg om de beide manschappen behoorlijk onderdak te brengen, doch de mannen waren zeer handelbaar en tevreden met hun logies.
Laat in den namiddag van Dinsdag na Pinkster, den 16^{en} Mei, zaten de huisgenooten, terwijl de ingekwartierden afwezig waren, rustig bijeen.
"O, wat gebeurt daar!" riep plotseling de huismoeder.
Hevig geklop en gebons op de voordeur werd gehoord. Twee stemmen schreeuwden door elkaar: "Doe voor de die en dat dadelijk open, ellendelingen! Wou je de militairen buitensluiten? Open, zeg ik je, ontuig! of we trappen de deur in! En dan rijgen we je een voor een aan de bajonet!"
De gruwelijkste vloeken doorspekten deze bedreigingen. Soms werd alles onverstaanbaar gemaakt door de kolfstooten, waarmee de deur gerammeid en deerlijk beschadigd werd.
Van der Kolk ijlde naar de voordeur en riep door het sleutelgat: "Heeren, weest zoo goed als naar gewoonte de zijdeur door te komen, langs het kantoor; deze deur gaat nooit open."
"Verwaande kwast!" werd hem als antwoord tegengebruld. "Kommandeer jij ons? Dadelijk open of.... Ik verkies _hier_ in te komen, begrijp je!"
De deur kraakte onder de slagen en de trappen. Ten einde erger te voorkomen, haastte de huisheer zich de deur open te sluiten.
Hij werd opzij geworpen, de beide militairen stapten de huiskamer binnen en vielen op een paar stoelen neder.
"Een beetje op zij!" grauwde Pronkert de vrouw des huizes toe. "Sta maar 'reis op, lui oud wijf, en breng brood, boter en een paar goeie porties vleesch."
"En jij, vrome non!" beval Drieling tegen een der dochters, "dadelijk een flesch of wat goed-belegen bier!" (Tot den zoon des huizes): "Hier, kwajongen; zet even netjes die twee geweren daar in den hoek!"
Zooveel mogelijk werden de bevelen gehoorzaamd. Men wist uit anderer ondervinding dat ergerlijke mishandeling het gevolg van tegenstribbelen kon zijn. De beide kerels waren echter zoo welwillend ditmaal met ham inplaats van versch vleesch genoegen te nemen.
Nadat ze onder ruwe scherts naar hartelust gegeten en gedronken hadden, nam Drieling het woord.
"Zeg eens, oude jongen; ik verkies niet langer in dat hok te slapen, waar we nu drie nachten gelegen hebben."
Een vrij-groote kamer was ter beschikking van de manschappen gesteld, maar de zoon des huizes moest daar ook slapen, waartegen de beide soldaten totnogtoe geen bezwaar gehad hadden.
"Heeren, wij zijn klein behuisd; er is geen andere kamer."
"Kom, Drieling," zei Pronkert tot zijn kameraad, "dan zullen we zelf maar even dat zaakje opknappen."