De vrouw in de hedendaagsche maatschappij

Part 9

Chapter 93,752 wordsPublic domain

Hierbij komt nog het besef, dat de hedendaagsche maatschappij met hare vele nooden en ellenden aan de vrouwelijke krachten behoefte heeft, en dat dus de vrouwen zich niet langer mogen beschouwen als op zichzelf staande individuën met egocentrische belangen, maar zich moeten gaan gevoelen als „gemeenschapswezens, verantwoordelijke staatsburgeressen”, die eene sociale roeping te vervullen hebben. Meer en meer dringt deze overtuiging ook tot de gehuwde vrouwen door; ook zij stellen zich met de vervulling van hare huiselijke en moederlijke plichten niet tevreden, maar nemen veelal een of anderen philanthropischen of socialen arbeid ter hand. Ze richten Vereenigingen op, houden vergaderingen, treden in het openbaar als spreeksters op, en behartigen de belangen van zuigelingen, kinderen, ongehuwde moeders, van armen, kranken, gevangenen enz. Er is een machtige drang, die de vrouwen van dezen tijd beweegt, om een deel van haar tijd en haar kracht aan anderen arbeid dan dien van het eigen gezin te wijden; de vrouw neemt steeds breeder plaats in het maatschappelijke leven in.

Dat vele dochters uit den burgerstand eene betrekking zoeken of voor een beroep zich laten opleiden, heeft voor een deel zeker zijne oorzaak in de vermindering der huwelijkskansen. In de _Studies in Volkskracht_ schreef Mr. FALKENBURG indertijd eene brochure over de huwelijkskansen der vrouwen, en kwam daarin tot de conclusie, dat de bewering omtrent de vermindering van de huwelijkskansen der vrouw in Nederland, geene bevestiging vindt in de feiten en daarom naar het rijk der legenden verwezen moest worden. En werkelijk is de vermindering van het aantal huwelijken in ons vaderland op zichzelf genomen zoo groot niet; eene kleine daling begon in het jaar 1873, maar maakte daarna in 1888 en de volgende jaren voor eene geringe, doch vrij regelmatige stijging plaats, herhaalde zich echter weer sedert het jaar 1901; in 1901 werden er 40.261 huwelijken op de 5.221.180 inwoners gesloten (dat is 7.71 op de 1000 zielen) en in 1915: 42.651 op de 6.394.538 (dat is 6.67 op de 1000 zielen).[69]

[69] Jaarcijfers over 1915 bl. 11.

Maar tegenover Mr. FALKENBURG merkte de Heer F. VAN DER GOES terecht op, dat men niet eenvoudig moet blijven staan bij de opgave van het aantal huwelijken in de opeenvolgende jaren, doch ook letten moet op de kringen en standen, waarin deze huwelijken gesloten worden. En dan leert de statistiek, dat de daling van het aantal huwelijken niet voorkomt in de arbeiderskringen, waar men in den regel vroeg trouwt, door het huwelijk vanwege de bijverdienste der vrouw menigmaal zijne positie verbetert, en niet zoo hooge eischen aan het leven stelt. Anders is het echter in de meer gegoede kringen gesteld. Daar trouwt men gewoonlijk veel later, stelt men veel meer op een voldoend inkomen en op een onbezorgd leven prijs. In deze standen neemt nu het aantal ongehuwde vrouwen wel terdege toe, en verminderen de huwelijkskansen. Daarbij komt nog, dat er over het algemeen meer vrouwen dan mannen zijn (in 1909 in ons land 2.899.125 mannen en 2.959.350 vrouwen); dat vele mannen dikwerf eerst op lateren leeftijd in het huwelijk treden, zoodat het aantal weduwen steeds toeneemt, en dat het aantal vrijwillige ongehuwden steeds grooter wordt. Dit alles verklaart, dat een steeds grooter aantal vrouwen een beroep gaat uitoefenen. Eene beperkte mate van welstand schijnt aan de vermeerdering der huwelijken niet bevorderlijk te zijn.[70]

[70] F. VAN DER GOES, art. Huwelijkskansen, in de Kroniek van P. L. Tak 18 Maart 1905.

In sommige beroepen is de vermeerdering van het aantal vrouwen al bijzonder opmerkelijk; zoo bijv. bij post, telegraphie en telephonie, voor welken dienst ze door haar scherp oog, fijn gehoor, duidelijke spraak, geoefende hand en taai geduld bij uitnemendheid geschikt zijn, maar inzonderheid bij het lager onderwijs. In de V. Staten van Amerika is dit al schier geheel in handen der vrouwen gekomen, wijl de loonen te laag zijn voor de mannen, die in andere beroepen het veel verder kunnen brengen. Maar ook in ons land gaat het meer en meer dien kant uit. In 1860 waren er nog maar 20 onderwijzeressen tegen 100 onderwijzers; maar in 1890 was die verhouding al 35 tegen 100, en in 1912: 60 tegen 100. Bij de scholen met den Bijbel waren er in 1854: 289 mannelijke en 12 vrouwelijke leerkrachten, dat is 4 vrouwen tegen 100 mannen, maar in 1900 was de verhouding al 25, en in 1915: 45 vrouwen tegen 100 mannen[71]. Bij het examen voor de hoofdakte in 1917 boden zich aan 1456 mannelijke adspiranten, waarvan 182 zich terugtrokken, 549 werden afgewezen en 725 werden toegelaten, dus nog geen 50 perc.; van de vrouwelijke adspiranten kwamen er 1879 op, waarvan 211 zich terugtrokken, 691 werden afgewezen, en 977 werden toegelaten, dus ruim 52 percent.

[71] WIRTZ, Onbevredigende Bevrediging. Meppel 1916 bl. 33 v.

Aan het optreden der vrouw als onderwijzeres in de lagere school werden geene moeilijkheden in den weg gelegd; in huis was haar de opvoeding der kinderen voor het grootste deel toebetrouwd, en met eigenlijk onderwijs zag zij ook in vorige eeuwen menigmaal in huis of school zich belast. Maar zeer veel strijd kostte het aan de vrouw, om zich in de vorige en deze eeuw den toegang tot de hoogere scholen te ontsluiten. Wel zijn er van de oudste tijden af enkele vrouwen geweest, die aan kunst en wetenschap zich wijdden en daarin naam verwierven. Men denke in de oudheid slechts aan SAPPHO, ASPASIA, LAIS, en later HYPATIA; in den Christelijken tijd aan PAULA, HROSWITHA, HILDEGARDIS, VITTORIA COLONNA, CHARITAS PIRKHEIMER, HELENE CORNARO, die in 1678 aan de universiteit Padua den doctoralen graad in de philosophie verwierf en daarmede door den paus werd gelukgewenscht, en LAURA BASSI † 1778, die een leerstoel voor physisch-medische studie bekleedde aan de hoogeschool te Bologna. In de 17e en 18e eeuw nam door den invloed der Renaissance het aantal geleerde vrouwen, vooral in Frankrijk, toe; en in de 19e eeuw zagen de vrouwen nieuwe wegen voor zich geopend en maakten zich beroemd als dichteressen, romancières, journalisten, tooneelspeelsters, wetenschappelijke onderzoeksters enz.; enkele jaren geleden werd de geleerde aardrijkskundige THERESE VAN BEIEREN tot eerelid der Koninklijke Akademie van wetenschappen te München benoemd.

Maar al deze vrouwen brachten het op enkele uitzonderingen na zoover door private studie; ze waren bijna alle autodidacten. Allengs begonnen de vrouwen sedert het einde der 18e eeuw op eene hoogere opvoeding aan te dringen, en sedert ongeveer het midden der vorige eeuw de toelating tot de universiteiten te begeeren. Maar het studeeren van vrouwen was iets zoo vreemds en ongehoords, dat er in tal van landen, o.a. ook in het zoogenaamde vrije Amerika, een krachtig verzet tegen opkwam. Doch de vrouwen hielden aan en wisten ten slotte allen tegenstand te breken; zij behaalden op dit terrein in tal van landen, Zwitserland, Frankrijk, Zweden, Noorwegen, Denemarken, België, Italië, Engeland, Amerika enz. eene volledige overwinning; in Duitschland stelden de Bondsstaten in 1908 alle hoogescholen voor haar open; zelfs werden er in vele landen bijzondere scholen van middelbaar, voorbereidend hooger en hooger onderwijs voor meisjes opgericht.

Ook op dit gebied dringen de vrouwen meer en meer uit het huisgezin naar het maatschappelijk leven door. En niet alleen als studenten, maar ook als hoogleeraressen verwierven zij zich allengs eene plaats in de universiteit; korten tijd geleden werd bijv. te Leipzig de eerste vrouw, ANNA MARIA CURTIUS, tot lector in de Fransche taal aangesteld, en te Utrecht Mej. Dr. WESTERDIJK tot hoogleerares benoemd. Vrouwelijke advocaten, doctoren in rechts- en staatswetenschap, in letteren en wijsbegeerte, in wis- en natuurkundige en technische wetenschappen, vooral ook in medicijnen, zijn er dan ook reeds in vrij grooten getale; tal van vrouwen zijn in de practijk werkzaam als apothekers, tandartsen, artsen, leeraressen, privaat-docenten, assistenten enz.; en het getal vrouwelijke studenten neemt in alle landen, ook in ons vaderland, van jaar tot jaar, toe.[72]

[72] Over de vrouw en de studie handelen Prof. HEYMANS e.a. in De Vrouw, de Vrouwenbeweging en het Vrouwenvraagstuk bl. 708–767. Voorts Prof. DAMSTÉ te Utrecht in zijne rectorale oratie over de studie der vrouwelijke studenten 17 Sept. 1917. HELENE LANGE, Intellektuelle Grundlinien zwischen Mann und Weib. Berlin 1897. CATHREIN, Die Frauenfrage, Freiburg Herder 1901 bl. 113 v. Handbuch der Frauenbewegung herausgeg. v. HELENE LANGE und GERTRUD BÄUMER I 81 v. IV 372 v. Het derde deel handelt over Der Stand der Frauenbildung in den Kulturländern. ERNST BUMM, Ueber das Frauenstudium, Berlin Hirschwald 1917.

Er bestaat geen voldoende grond, om aan de vrouw den toegang tot de hoogescholen en tot de hoogere beroepen te weigeren; hier te lande bestond dan ook geene wettelijke bepaling, welke de universiteiten voor de vrouwen sloot. Dwang werkt trouwens hier, evenals bij vele andere beroepen en bedrijven, het tegendeel uit van wat ermede beoogd wordt; tegenstand kweekt verzet en doet de geweigerde zaak met te meer ijver en hartstocht begeeren. Dat de vrouw in het algemeen voor studie ongeschikt zou zijn, wordt meer en meer als een vooroordeel prijsgegeven; de vrouw is ook in dit opzicht anders, maar niet minder dan de man; ze is minder dialectisch aangelegd, maar overtreft den man in intuitief vermogen en noesten vlijt. Bovendien moet men zich van het aantal vrouwen, dat den weg der studie inslaat, geen overdreven voorstelling maken.

Van de mannen is het reeds een klein percentage, dat de hoogescholen bezoekt, en van de vrouwen is en blijft dit getal nog veel kleiner. In Duitschland bedroeg het aantal vrouwen, in hoogere beroepen werkzaam, als tooneelspeelster, zangeres, studente, leerares enz. in 1895: 176,648, en in 1907: 288,311. Zeer waarschijnlijk zal het aantal vrouwelijke studenten, als het nieuwtje eraf is, eer dalen dan stijgen. Want studie heeft voor de vrouw zeer groote bezwaren; en in den laatsten tijd worden deze door velen, zoowel vrouwen als mannen, dieper dan vroeger gevoeld. Men behoeft de vrouw volstrekt niet voor minderwaardig, ook niet wat de intellectueele vermogens betreft, aan te zien, om toch te erkennen, dat zij lichamelijk zwakker zijn, zich enkele dagen in de maand beter in acht moeten nemen, en het zitten op de banken, het leven op eene kamer en het werken voor een examen niet zoo goed kunnen volhouden als de mannelijke studenten.

Aan ijver en toewijding ontbreekt het haar niet, maar ze moeten spaarzamer zijn met hare kracht; en als ze hiermede niet rekenen en toch doorzetten, spannen ze zich veel te veel in en gaan lijden aan nerveusiteit. De academische studie is bovendien op mannen berekend en voor mannen ingericht; als deze in denzelfden strengen zin aan de vrouwelijke studenten wordt opgelegd, vergt ze niet alleen te veel van hare krachten, maar doet zij der vrouwelijke natuur geweld aan en rekent niet met hare onderscheidene individualiteit. Prof. DAMSTÉ eischt daarom niet ten onrechte dat, als de vrouwen gaan studeeren, er bijzondere scholen van voorbereidend hooger en hooger onderwijs moeten worden opgericht, die een ander program van werkzaamheden volgen en op de physische en psychische capaciteiten der vrouw berekend zijn.

Een groot bezwaar is ook daarin gelegen, dat de vrouw in het algemeen voor eigenlijk wetenschappelijke studie, voor de dikwerf zeer ingewikkelde en abstracte vraagstukken, die zich voordoen, veel minder belangstelling gevoelt dan de man in doorsneê. Ze zit veel vaster aan huisgezin en maatschappij gebonden, ze wortelt dieper in het concrete, werkelijke leven, zij kan zich moeilijker van huiselijke zorgen en familieplichten ontslaan dan de man, en ziet in de studie daarom meer een middel, om een diploma te behalen en eene positie te verwerven, dan eene zaak, die haar om zichzelve bekoort. Natuurlijk zijn er uitzonderingen op dezen regel, maar de regel schijnt toch wel vast te staan. En daaruit is dan ook te verklaren, dat de resultaten van de studie der vrouwen niet al te bemoedigend zijn. Van de 79 dames, die de studie in klassieke letteren begonnen, brachten volgens Prof. DAMSTÉ slechts vier het tot een gelukkig einde; en Prof. BUMM deelt mede, dat van de 1242 vrouwelijke studenten, die in de jaren 1908 tot 1912 aan de Berlijnsche hoogeschool waren ingeschreven, 60 percent tot uitoefening van haar beroep kwamen, en dat van de overige 40 percent de meeste in het huwelijk traden. En daarmede volgen zij de inspraak der natuur.

Eene vrouw, die den weg der studie inslaat, kan nooit van te voren weten, of zij al dan niet huwen zal. Maar als zij in de gelegenheid gesteld wordt, om het huwelijk in te treden, zal zij in den regel de studie prijsgeven en het huiselijk leven verkiezen. Natuurlijk is die studie dan niet in elk opzicht voor haar onvruchtbaar geweest; maar de vraag rijst toch, of tijd, kracht en geld niet beter besteed hadden kunnen worden, als zij deze toekomst had kunnen voorzien. Het is deze onzekerheid, die voor menige vrouw het leven zoo pijnlijk en den arbeid, ook in de studie, zoo zwaar maakt.

En daarbij komt nog, dat, als de studie voltooid is, het dikwerf moeilijke beroepsleven wacht, dat aan teleurstellingen zoo rijk kan zijn. Laat de gestudeerde vrouw straks in de maatschappij optreden als leerares, als advocaat, als arts, enz.; de moeilijkheden breken dikwerf dan eerst recht aan, want enkele vrouwen, die boven andere uitmunten, weten zich eene goede en geëerde positie te verwerven, maar de meesten gaan een eenzaam leven tegemoet, dat zeker niet boven het huiselijk en familieleven, en ook niet boven den philanthropischen of socialen arbeid te verkiezen is. Weten zij bovendien ook zeker, dat zij in die hoogere beroepen boven de mannen verkoren zullen worden en in de practijk een behoorlijk bestaan zullen vinden? Voor enkele vrouwen blijft er zeker in al die betrekkingen van leerares, professorin, advocate, arts, ingenieur enz. plaats; maar de maatschappij zal in den regel aan den man de voorkeur blijven geven en dus den stroom der vrouwen naar de universiteiten en hoogere beroepen vanzelf tegenhouden of afleiden.

Daarom is de groote toename der vrouwelijke studenten niet in elk opzicht een verblijdend verschijnsel, voor de wetenschap en de practijk niet, en allerminst voor de vrouwen zelve. Bij nuchtere beschouwing wordt het aantal studeerende vrouwen toch inderdaad veel te groot, en het dreigt in en na den oorlog nog toe te nemen. In 1908 waren er in Berlijn 400 vrouwelijke studenten, maar in het wintersemester 1916 17 bedroeg dat getal reeds 1276 (van de ongeveer 8000 studenten). Aan alle Duitsche universiteiten studeerden in 1908 1200, maar in het genoemde semester 5730 vrouwen. En hier te lande waren er in 1916/17 te Utrecht ingeschreven 277 vrouwelijke studenten van de 1249 studenten, in Groningen 178 van de 588, in Amsterdam 330 van de 1370; in Leiden 288 van de 1804; voorts studeerden er in den cursus 1915/16 in Delft 85, en aan de Nederl. Handelshoogeschool te Rotterdam 11 vrouwelijke studenten. Al deze getallen geven wel eenigen grond voor het vermoeden van Prof. BUMM, dat het studeeren bij sommige vrouwen tot eene modezaak wordt. En ouders en meisjes zullen wèl doen, om, voordat zij deze loopbaan kiezen, ernstig de bezwaren in overweging te nemen, die op dezen weg zich voordoen; Prof. NYHOFF aarzelde zelfs, aan de vrouwen den raad te geven, om in de geneeskunde te gaan studeeren,[73] hoewel deze studie voor de vrouwen de meeste attractie schijnt te hebben.

[73] De Vrouw, de Vrouwenbeweging en het Vrouwenvraagstuk, I bl. 767.

Het intreden der vrouw in tal van bedrijven en beroepen heeft—gelijk boven reeds gezegd werd—twee ernstige quaesties aan de orde gesteld, die van de loonregeling en van de vereenigbaarheid van het beroep met de waarneming van de huiselijke en moederlijke plichten. De oorlog heeft ze nog zwaarder gemaakt, dan ze uit zichzelve reeds waren, want de vrouw zal na den oorlog nog meer dan vroeger als arbeidskracht worden begeerd, en ze zal tevens in sterker mate dan weleer als echtgenoote en moeder onmisbaar zijn. Hoe zullen arbeid en moederschap dan met elkander verbonden kunnen worden, en hoedanig zal de loonregeling wezen voor de arbeidende vrouw? Zal de vrouw met den man gelijk worden gesteld, of zal ze, lager bezoldigd, het loon der mannen drukken, dezen uit de bedrijven verdringen, of hun in elk geval eene onaangename concurrentie aandoen? En nog ernstiger wordt het probleem, als wij de arbeidskrachten in andere deelen der wereld in rekening brengen. Zal het ontwrichte en uitgemergelde Europa den wedstrijd kunnen volhouden met de arbeiders in Japan en China en Indië, die weinig behoeften hebben en voor lage loonen werken? De loonvraag is inderdaad een hoogst ingewikkeld en moeilijk vraagstuk.

Nu schijnt er geen wet eenvoudiger en rechtvaardiger te zijn, dan dat voor gelijken arbeid gelijk loon moet worden betaald. En vele feministen zijn dan ook aanstonds met de conclusie gereed, dat de vrouw, als zij denzelfden arbeid verricht als de man, ook hetzelfde loon ontvangen moet. In het afgetrokkene kan deze regel ook worden toegestemd, zonder dat wij daarmede echter een stap verder komen. Want de vraag is juist, of de vrouw werkelijk denzelfden arbeid als de man verricht, m.a.w. of haar arbeid voor den werkgever volkomen dezelfde waarde heeft als die van den man. Het is mogelijk, maar het staat toch niet apriori onomstootelijk vast en dient eerst nauwkeurig onderzocht te worden; de quaestie is niet zoo eenvoudig als ze lijkt. In ieder geval leert de geschiedenis, dat de arbeid der vrouw nooit en nergens als gelijkwaardig met die van den man is beschouwd en op gelijke wijze is beloond. Dat kan eene groote, eeuwenoude en algemeene dwaling zijn geweest, maar het zou ook kunnen wezen, dat er goede gronden voor aan te voeren zijn.

Echter dient de quaestie zuiver gesteld te worden. De vraag is niet, of de arbeid van _iedere_ vrouw, in _elk_ bedrijf, al dan niet dezelfde waarde heeft als die van _iederen_ man. Want het is buiten twijfel, dat menige vrouw in vlugheid en kracht menigen man te boven gaat, dat in sommige bedrijven de arbeid der vrouw meer waard is dan die van den man, bijv. in kinderverpleging, ziekenzorg enz., en dat soms ook het loon der vrouw dat van den man terecht overtreft. Maar de vraag geldt alleen den arbeid van den man en de vrouw in het algemeen; en dan leert de geschiedenis van vroeger en van dezen tijd, dat de loonen der vrouw over het algemeen aanmerkelijk lager zijn dan die van den man[74]. Voor een deel is deze lagere belooning van den vrouwelijken arbeid aan de hardvochtigheid, zelfzucht en uitbuiting van de werkgevers toe te schrijven; en in zoover wordt de bestaande loonregeling hier met geen enkel woord in bescherming genomen, integendeel zoo scherp en zoo sterk mogelijk afgekeurd; als vrouwen en meisjes in plaats van mannen in dienst genomen worden, alleen omdat ze goedkooper zijn, en dan hare loonen nog op allerlei wijze beknibbeld en gedrukt worden, dan is daarop het oordeel van Jak. 5 : 4 ten volle van toepassing.

[74] Zie bijv. breedvoerig over de loonen der vrouwen LILY BRAUN, Die Frauenfrage bl. 287 v.

Maar desniettemin zijn er redenen, waarom de arbeid van de vrouw in den regel lager geschat en beloond wordt dan die van den man. Ze zijn menigmaal uiteengezet en springen zoo in het oog, dat alleen de „verbazingwekkende begripsverdorvenheid” van het feministisch denken ze miskennen kan[75]. Ten eerste is de opleiding der vrouw voor een of ander beroep over het algemeen niet zoo deugdelijk als die van den man. Natuurlijk kan men hierbij terstond opmerken, dat de oorzaak van de minderwaardigheid van den arbeid der vrouw dan niet aan de vrouw, maar aan hare gebrekkige opleiding, dat is aan staat of maatschappij is te wijten; maar dit verandert toch niets aan het feit. Er zijn zelfs nog tal van bedrijven en beroepen, waarvoor de vrouw geen opleiding bekomen kan,[76] en waarvoor zij ze ook nog niet begeert. Ouders zijn ook dikwerf kortzichtig, sturen hunne jonge meisjes, zoodra zij de lagere school hebben afgeloopen, om eenige bijverdienste voor het gezin, in een of anderen dienst, en offeren de belangen der kinderen, soms ook wel noodgedwongen, aan hunne eigene belangen op. En het gevolg is, dat meisjes veel minder bekwaam zijn voor hun arbeid dan de jongens.

[75] H. ROLAND HOLST, De vrouw, de arbeidersbeweging en de sociaaldemocratie bl. 22.

[76] Vrouwenjaarboekje 1917 bl. 358.

Ten andere is de beroepsarbeid voor de vrouw in den regel maar een intermezzo, een tusschenbedrijf, eene voorbijgaande, korte episode in haar leven. Ouders redeneeren al zoo, en denken, dat hunne dochters niet zoo veel voorbereiding voor haar dienst noodig hebben, omdat zij toch na enkele jaren in het huwelijk treden. En de dochters, die in eene betrekking gaan, kunnen nooit zeggen en veel minder beloven, dat zij, als de gelegenheid zich aanbiedt, niet het huwelijk boven den beroepsarbeid zullen verkiezen. Integendeel, ze zouden geen vrouw moeten zijn, indien zij, generaal genomen, niet aan huwelijk en gezin de voorkeur gaven. De vrouw kan in den regel in den beroepsarbeid haar levensdoel, haar bestemming niet zien. En daarom kan zij zich aan dien arbeid ook niet ten volle geven gelijk de man, die daarbij zijn gansche leven blijft en daarin zijne roeping ziet; zij is er zelden met hare gansche ziel bij, omdat ze vrouw is en eene andere bestemming heeft; zij denkt voortdurend aan iets anders, dat in de lijn van hare natuur ligt.

Ten derde heeft de man grootere lichaamskracht en kan den gestadigen arbeid langer uithouden; de vrouw moet, vooral in sommige perioden, spaarzamer zijn met hare kracht, en als ze dit niet doet, gaat ze spoedig lijden aan overspanning en nerveusiteit. Zoo gaat bijv. reeds de arbeid, die van de vrouw in de lagere school gevraagd wordt, hare krachten te boven; het verzuim der onderwijzeressen wegens ziekte is daarom veel grooter dan dat der onderwijzers; dikwerf zijn de meisjes door de studie, het blokken voor de examens, het solliciteeren en de proeflessen reeds zenuwpatient, voordat ze eene vaste aanstelling verkrijgen. En de slotsom is overal, dat de onderwijzeressen door haar lichamelijken en geestelijken aanleg, alsmede door hare opleiding en sociale verhoudingen, in het algemeen niet zoo geschikt zijn voor den arbeid in de school als de onderwijzers.[77] En dit wordt nu gezegd van den beroepsarbeid in het onderwijs, die voor de vrouw zoo geschikt geacht wordt. Hoeveel te meer geldt het dan van vele andere beroepen en bedrijven, die volstrekt niet in dezelfde mate zich aanpassen bij de vrouwelijke natuur! Gelukkig daarom, dat—gelijk boven werd opgemerkt—de arbeid van mannen en vrouwen zich, ondanks alle gelijkheidstheorie, meer en meer specialiseert en dat er in hetzelfde bedrijf verdeeling van den zwaarderen en den lichteren arbeid wordt toegepast.

[77] WIRTZ, Onbevredigende Bevrediging, Meppel 1916 bl. 35 v.