De vrouw in de hedendaagsche maatschappij
Part 6
Het vrouwenstemrecht kwam vooral op het tapijt, toen de beweging tegen de slavernij opkwam, en vrouwen (vooral Kwakervrouwen, zooals LUCRETIA MOTT) daaraan in het openbaar, door vergaderingen, redevoeringen enz. deelnamen. Ofschoon dit optreden veel tegenstand ontmoette, zetten de vrouwen toch door en lieten meer en meer ook op maatschappelijk gebied haar invloed gelden (bijv. in de bestrijding van het alkoholisme, de prostitutie enz.) Trouwens, de vrouwen hadden in Amerika reeds lang eene geëerde positie; zij werden, ook omdat zij in getal verre bij de mannen achterstonden, hoog gewaardeerd; zij genoten eene groote mate van zelfstandigheid, en gingen sedert het midden der vorige eeuw clubs vormen, waar zij zich oefenden in litteratuur, geschiedenis, kunst, natuurwetenschap, philosophie, staatswetenschap, huishoudkunde enz. Ondragelijk was voor haar de gedachte, dat zij in het openbaar niet mochten optreden en spreken, en vooral ook, dat zij, als straks de negers burgerrecht en stemrecht verkregen, bij dezen zouden achterstaan. Den 14den Juli 1848 kwam dan ook, gehoorgevende aan den oproep van LUCRETIA MOTT en ELISABETH CADY STANTON te Seneca Falls in den staat New-York eene vergadering van ongeveer honderd personen samen, om de maatschappelijke, rechtelijke en kerkelijke positie der vrouw en hare rechten te bespreken. Van dit jaar dagteekent de dikwerf heftige en gewelddadige, in den eersten tijd ook meermalen tegen de onderdrukking van den man gekeerde actie der vrouwen voor hare huiselijke en maatschappelijke, burgerrechtelijke en politieke rechten. En langzamerhand wonnen ze veld; de scholen werden voor haar opengesteld, de toegang tot al meerdere en hoogere beroepen werd haar ontsloten; veranderingen in de burgerrechtelijke positie der vrouw werden in bijna alle staten aangebracht; en het territory Wyoming gaf haar in 1869 het stemrecht en behield dit, toen het 1890 als staat in de Unie werd opgenomen. En sedert hebben vele andere staten dit voorbeeld gevolgd.[39]
[39] Handbuch der Frauenbewegung I 456–482. Eene lijst der staten, die het vrouwenstemrecht voor schoolcommissies, gemeenteraden, volksvertegenwoordiging enz. hebben ingevoerd, is te vinden in: Studiemateriaal bl. 181–192, verg. ook de Bijlage B van de Memorie van Toelichting bij de voorstellen ter herziening der Grondwet No. 6. (Zitting der Tweede Kamer 1915–1916 No. 226).
In Engeland werd ten jare 1832 het vrouwenkiesrecht nog opzettelijk uitgesloten, door in het ontwerp van kiesrechthervorming aan het woord kiezers het adjectief: mannelijke toe te voegen. Deze verandering gaf den stoot tot eene beweging voor het vrouwenkiesrecht, welke in 1851 krachtig bevorderd werd door een artikel van Mrs. JOHN STUART MILL in de Westminster Review, dat later werd opgenomen onder de werken van haar echtgenoot. Toen deze in 1865 lid van het parlement werd, bond hij ook daar den strijd voor het vrouwenkiesrecht aan. In 1867 diende hij het voorstel in, om in de kieswet de woorden: mannelijke kiezers te vervangen door: kiesgerechtigde personen. Dit voorstel werd toen wel met 194 tegen 73 stemmen verworpen, maar de quaestie raakte sedert niet meer van de baan. De onder MILL'S leiding opgerichte National Union of Women's Suffrage Societies kreeg hare vertakkingen over alle deelen van het land, en hield de actie levendig. Zij onderscheidde zich daarbij gunstig van de Women's social and political Union, wier leden meenden, dat zij door „militante” daden het kiesrecht der vrouw aan Regeering en Volksvertegenwoordiging moesten afdwingen en daardoor velen van de vrouwenbeweging afkeerig maakten. Maar de zaak won toch veld; de oppositie werd in het parlement steeds zwakker; in Nieuw-Zeeland werd in 1893 aan de vrouwen het actieve kiesrecht toegekend; Zuid-Australië volgde in 1895, West-Australië in 1900, N. Zuid-Wales in 1902. Indien de suffragettes de zaak niet bedorven hadden, zou Engeland misschien spoedig gevolgd zijn.
Maar toen kwam in 1914 de oorlog. In alle oorlogvoerende, ten deele ook in de mobiliseerende landen, moesten de vrouwen den arbeid van de mannen overnemen. In eens werden alle beroepen en bedrijven voor haar opengesteld, niet alleen de dienst bij het Roode Kruis en in allerlei werken van barmhartigheid, maar ook die van koetsiers, conducteurs, postbestellers, in landbouw, nijverheid, mijn- en bouwbedrijf, munitiefabrieken enz. En in al dien arbeid hebben ze zich, tot in de kleeding toe, aan de nieuwe omstandigheden aangepast en buitengewone praestaties geleverd. Zoo is in wijden kring het oordeel over de vrouw, over hare positie in de maatschappij, over haar gaven en ook over het vrouwenkiesrecht gewijzigd.
Nergens kwam dit duidelijker dan in Engeland aan den dag. Vroegere tegenstanders, zooals ASQUITH, gaven zich gewonnen, en menigeen was blij, dat de quaestie op deze wijze tot eene oplossing kwam. Eenige maanden geleden sprak het Parlement zich met groote meerderheid ten gunste van het vrouwenkiesrecht uit, en den 7 Dec. l.l. nam het Lagerhuis een wetsvoorstel aan, waarbij het kiesrecht eene belangrijke uitbreiding ontving en o. a. ook verleend werd aan vrouwen boven de dertig jaren, met inbegrip van vrouwen van kiezers, terwijl haar tevens het gemeentelijk kiesrecht werd verleend. Den 10 Jan. l.l. hechtte ook het Hoogerhuis aan dit wetsvoorstel zijne goedkeuring met 134 tegen 71 stemmen; vele leden, die ertegen waren, onthielden zich van stemming, ten einde een conflict met het Lagerhuis te vermijden. Maar de aartsbisschoppen van Canterbury en York en alle aanwezige twaalf bisschoppen stemden voor. Dit resultaat van de actie voor vrouwenkiesrecht heeft daarom te meer beteekenis, wijl tot dusver over het algemeen nog slechts kleinere staten het vrouwenkiesrecht hadden ingevoerd, thans echter met Engeland ook de grootere staten dit voorbeeld gaan volgen. Zoo kwam enkele weken geleden ook uit Amerika het bericht, dat de staat New-York eveneens met groote meerderheid zich voor het vrouwenstemrecht had verklaard, terwijl het Ministerie-WEKERLE bij de Hongaarsche Kamer een wetsvoorstel indiende, dat het kiesrecht o. a. ook verleenen wil aan vrouwen, die met goed gevolg de vierde klasse eener burgerschool hebben doorloopen, die sinds twee jaren werkend lid zijn van eene erkende wetenschappelijke, litteraire of artistieke vereeniging, of aan oorlogsweduwen, die een of meer kinderen hebben.[40]
[40] Chr. N. in het Alg. Handelsblad Zondag 6 Jan. 1918.
Hier te lande was de Réveil voor de vrouwenbeweging in zooverre van belang, als hij voor de godsdienstige en zedelijke ellenden in de maatschappij de oogen opende, in ruimen zin tot evangeliseerenden en philanthropischen arbeid aanspoorde en niet alleen mannen, maar ook vrouwen opwekte, om zich te vereenigen en de belangen zich aan te trekken van arbeidsters en dienstboden, weezen en weduwen, gevallen meisjes en vaderlooze kinderen, zuigelingen en kraamvrouwen enz. Na de bevrijdingsoorlogen heeft zich hier, evenals in andere landen, op het gebied van barmhartigheid en menschenliefde eene actie ontwikkeld, waarin vorstinnen op den troon, vrouwen uit de hoogere en uit de lagere standen met elkander wedijverden, en die voor de hervorming der maatschappij van groote beteekenis is geweest.
Maar de eigenlijke vrouwenbeweging had een anderen oorsprong. Ze kwam op met den nieuwen, liberalen en radicalen geest, die in de vrouwenwereld binnendrong en vooral door een man als MULTATULI bevorderd werd. BETSY PERK en MINA KRUSEMAN waren de eerste strijdsters voor de vrijmaking en verheffing der naar hare meening tot dusver onderdrukte vrouw, maar ze vonden weinig sympathie voor haar streven en werden niet zelden met spot overladen. Hierin kwam verandering door het optreden van Mej. W. DRUCKER, die in Oct. 1889 de Vrije Vrouwenvereeniging stichtte, welke bij geene politieke partij zich aansloot, maar in het algemeen voor de economische en politieke rechten van de vrouw opkwam. De arbeid van Mej. DRUCKER, die o. a. sterk aandrong op opheffing van het verbod van onderzoek naar het vaderschap, en op eene vergadering te Heerenveen 20 Mei 1890 zich voor vrouwenkiesrecht verklaarde—wat toen nog een storm van verontwaardiging verwekte—droeg er veel toe bij, om de vrouwenbeweging hier te lande in breederen kring bekend te maken en billijker te doen beoordeelen.
Maar de Vrije Vrouwenvereeniging met haar orgaan: _Evolutie_, onder redactie van Mevr. W. DRUCKER en Mevr. BAERVELDT-HAVEN nam een te radicaal standpunt in, dan dat ze aan velen behagen kon. Ze was naar veler oordeel ultra- of revolutionair-feministisch, begeerde volkomen gelijkstelling van man en vrouw, wilde de vrouw ook in het huwelijk economisch zelfstandig maken, pleitte vóór het Neo-Malthusianisme, en beschouwde den vrouwenstrijd als een strijd tegen den man. Daarom werd er 5 Febr. 1894 eene andere Vereeniging opgericht, die den naam ontving van Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht en haar stichting dankte aan Mevr. ALETTA JACOBS, de eerste vrouw, die hier te lande promoveerde (in de medicijnen te Groningen 1879) en die door BETSY PERK en BETSY KRUSEMAN hier te lande, en door BRADLAUGH, ANNIE BESANT e. a. in Engeland, kennis maakte met de vrouwenbeweging.
Deze Vereeniging erkende het natuurlijk onderscheid van man en vrouw, de rechten van moeder en gezin, en wilde niet revolutionair, maar evolutionair verbetering aanbrengen in den toestand der vrouw. Maar ze werd allengs zoo geestdriftig voor het algemeen vrouwenstemrecht gestemd, dat ze haar oorspronkelijk, tegenover de politieke partijen ingenomen neutrale standpunt prijsgaf en in 1899 zich aansloot bij het Comité voor Algemeen Kiesrecht. Bovendien noodigde zij (zeer tegen den zin van Mej. Dr. VAN DORP) eene Engelsche suffragette uit, om hier te lande voor het vrouwenkiesrecht te pleiten, stelde in 1914 denzelfden eisch als de S. D. A. P. en de Vrijz. Democr. Bond, nl. algemeen stemrecht voor (mannen en) vrouwen, en zocht in 1915 steun, wel niet bij de politieke partijen, maar toch bij het Ned. Vakverbond, dat steeds handelt in overleg met de S. D. A. P., en dit zonder zelfs de leden er over te raadplegen. De Vereeniging begon dus steeds meer politieke actie voor het _algemeen_ (mannen en) vrouwenkiesrecht te voeren, en handelde alzoo in strijd met de beginselverklaring der neutraliteit.
Deze verandering in den koers der Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht had ten gevolge, dat den 27 Febr. 1907 onder leiding van Mej. Dr. E. C. VAN DORP e. a. eene nieuwe Vereeniging werd opgericht, die den naam aannam van Nederlandsche _Bond_ voor Vrouwenkiesrecht en in _De Ploeger_ haar orgaan ontving. Deze Bond stelde zich op den grondslag van een, niet revolutionair of evolutionair, doctrinair of rationalistisch, maar van een _ethisch_ feminisme, verwierp daarom elke actie in den zin der Engelsche suffragettes, onthield zich ook van inmenging in eenige politieke actie, en wilde alleen een vereenigingspunt vormen voor mannen en vrouwen, die vrouwenkiesrecht, hetzij alleen het actieve, hetzij zoowel het passieve als het actieve kiesrecht voorstaan, en dus het kiesrecht willen losmaken van geslachtsverschil. De Bond wil dus niet de rationalistische strooming volgen, die uit de Fransche Revolutie afkomstig is, uit het abstract principe van menschenrechten den eisch van vrouwenstemrecht afleidt, en eerst eenigen concreten inhoud kreeg door de economische veranderingen, die de 19e eeuw ook in het leven der vrouw aanbracht. Maar hij sluit zich aan bij, en zoekt zijne kracht in die beweging, welke opkwam uit het innerlijke wezen der vrouw zelve, en haar deed streven naar individualiteit, persoonlijkheid, zelfstandigheid, geestelijke ontwikkeling. Vandaar dat de Bond ook niet streeft naar gelijkstelling van man en vrouw, veel minder een strijd tegen den man voert, maar alleen zoekt naar den besten weg, waarlangs de vrouw overeenkomstig haar eigen aard opgevoed en ontwikkeld kan worden, in aansluiting bij moederschap en huishouden, waartoe zij in de eerste plaats geroepen is.[41]
[41] Zie Mr. E. FOKKER in _De Ploeger_ van Juli 1916. Eene brochure: Tweeërlei strooming, uitgegeven door den Nederl. Bond voor Vrouwenkiesrecht. En ook: De Vrouw, de Vrouwenbeweging en het Vrouwenvraagstuk I 302 v.
Behalve deze Bond, werd door uitgetreden leden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht ook nog opgericht De Neutrale, eene Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, waarvan NINE MINNEMA te Hilversum de presidente is. Zij kwam tot stand na de vergadering van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht te Zwolle 14 Mei 1916, en noemde zich de Neutrale, wijl ze strikte onzijdigheid in acht wil nemen tegenover alle politieke partijen en godsdienstige richtingen, geen leden toelaat, die lid zijn van eene politieke partij, en overigens zich ten doel stelt, om het kiesrecht voor de vrouw te verwerven, op dezelfde voorwaarden als voor den man. Met de Grondwetsherziening, die aan de mannen het algemeen kiesrecht geeft en dit in de Additioneele artikelen tot in bijzonderheden regelt, maar voor de vrouwen alleen de mogelijkheid van het actieve stemrecht opent, is de Neutrale dan ook volstrekt niet ingenomen; zij ijverde ertegen, zooveel zij kon.[42]
[42] Zie de brochure: Geen blinde volgelingen. NINE MINNEMA, Van Femina en van Rood en Rose. Haar orgaan is _'t Hoefje_, Amsterdam Marnixstraat 344.
Voorts bestaat er ook nog een Sociaaldemocratische Bond van Vrouwen-propagandaclubs, waarvan Mevrouw WIBAUT voorzitster is, en die geheel de leiding volgt van de S. D. A. P., met pl.m. 11000 leden; een Mannenbond voor Vrouwenkiesrecht, die 26 Febr. 1908 werd opgericht en waarvan de Heer W. E. A. MANSFELDT te Utrecht president werd enz. Vele van deze vrouwenvereenigingen, meer dan 30 reeds in getal, sloten zich aaneen in den Nationalen Vrouwenraad van Nederland, waarvan de statuten laatstelijk werden goedgekeurd bij K. B. van 25 Juni 1912 en die Mevr. H. VAN BIEMA-HIJMANS tot presidente koos.
De oprichting van dezen Nationalen Vrouwenraad van Nederland was een gevolg van het bezoek van Mej. ALEXANDRA GRIPENBERG uit Finland aan de Tentoonstelling van Vrouwenarbeid te 's Gravenhage in 1898, die bij die gelegenheid erop aandrong, dat de Nederlandsche Vrouwenvereenigingen zich zouden aansluiten tot een Nat. Vrouwenraad en als zoodanig zouden toetreden tot den in 1888 te Washington opgerichten Internationalen Vrouwenraad op initiatief van SUSAN B. ANTHONY en met medewerking van genoemde ALEXANDRA GRIPENBERG.[43] In ons land worden thans, afgezien van rubrieken en artikelen in dag-, weekbladen en tijdschriften, achttien bladen uitgegeven, speciaal voor de vrouwen bestemd. Van Protestantsch-Christelijke zijde werd ten vorigen jare het _Christelijk Vrouwenleven_ opgericht, dat maandelijks verschijnt bij E. J. BOSCH te Nijverdal. En _De Standaard_ opende kort geleden, evenals vroeger reeds _de Nederlander_, eene rubriek voor Vrouwenleven.[44]
[43] Zie over dezen Internat. Vrouwenraad met haar presidente LADY ABERDEEN: JOHANNA W. A. NABER, Om en bij de Tentoonstelling: De Vrouw 1813–1913, Groningen, G. Römelingh & Co. bl. 47–52.
[44] Een rijk overzicht van alwat door en voor de vrouw in ons vaderland wordt verricht, geeft het Vrouwenjaarboekje voor Nederland, bewerkt door MARIE HEINEN, dat in 1917 reeds zijn 13en jaargang beleefde, 's Gravenhage, Van Speyckstraat 30.
5. HET VROUWENVRAAGSTUK.
Het vraagstuk, dat door de vrouwenbeweging aan de orde is gesteld, overtreft in gewicht nog dat, hetwelk door de arbeidersbeweging werd opgeworpen; het is veelzijdiger, grijpt dieper in het sociale leven in, en staat in allernauwst verband met het wezen en de toekomst van het huisgezin, dat den grondslag vormt van alle maatschappelijke en staatkundige verhoudingen. Men kan het al dadelijk van onderscheidene zijden bezien. Het vrouwenvraagstuk sluit immers eene religieus-ethische quaestie in; er zijn door Gods bestel in de natuur en in de H. Schrift voor het leven der vrouw wetten en ordinantiën vastgesteld, die van principiëele beteekenis zijn en zonder schade niet kunnen worden verwaarloosd. Voorts is er aan het vrouwenvraagstuk ook eene physiologische en eene psychologische zijde verbonden, want krachtens de schepping zijn aan de vrouw naar lichaam en ziel bijzondere eigenschappen en voorrechten verleend, maar daarmede tegelijk ook grenzen en perken gesteld; en het is van het grootste belang voor de behandeling van het vrouwenvraagstuk, om zoowel die voorrechten ten volle te erkennen, als ook van die grenzen zich helder bewust te zijn.
Maar er ligt in dit vraagstuk nog veel meer opgesloten; het is evenals de arbeidersquaestie, niet één, maar een complex, een bundel van vraagstukken; het beperkt zich niet tot een enkel terrein, maar breidt zich tot alle gebieden van het leven uit. Op _burgerrechtelijk_ terrein neemt het den vorm aan, welke positie aan de vrouw in het huwelijk en in het gezin toekomt, in hare verhouding tot den man, tot de kinderen, tot het bezit en het beheer harer goederen. _Sociaal_ dient het zich aldus aan, welke beroepen, bedrijven, ambten of betrekkingen overeenkomen met de natuur en de roeping der vrouw, en derhalve voor haar moeten worden opengesteld. Waarmede dan weder ten nauwste samenhangt, welke bescherming zij bij al dezen arbeid buitenshuis, in landbouw, nijverheid, handel, wetenschap enz. genieten moet, en voorts ook de belangrijke _economische_ vraag, welk loon haar toekomt, en in hoever haar daarover, in het huwelijk, de zelfstandige beschikking vrij staat. In de _kerk_ luidt het vrouwenvraagstuk aldus, of de vrouw, inzonderheid bij de verkiezing van ambtsdragers, tot het uitbrengen van haar stem gerechtigd is, of ook misschien zelve tot het ambt verkiesbaar is. In den _staat_ beweegt het vrouwenvraagstuk zich voornamelijk om het actieve en passieve stemrecht der vrouw. En—om niet meer te noemen—_paedagogisch_ doet het zich in deze gestalte voor, op welke opvoeding in den tegenwoordigen tijd de vrouw, in overeenstemming met haar aard en bestemming, aanspraak mag maken.
Nu kan er hierover eigenlijk geen verschil van meening bestaan, dat wij bij de bespreking van al de bovengenoemde vraagstukken van deze twee beginselen hebben uit te gaan; de eenheid en gelijkwaardigheid, en tegelijkertijd het onderscheid en de ongelijkheid van man en vrouw. Deze beginselen worden ons door de natuur, maar veel duidelijker nog in de H. Schrift geleerd. Beiden, man en vrouw, zijn mensch in vollen zin, ieder voor zichzelf naar Gods beeld geschapen, lichamelijk uit het stof der aarde genomen, en geestelijk eene onsterfelijke ziel deelachtig, die met verstand en wil is toegerust; bovendien verkeeren zij beiden in denzelfden staat van zonde en ellende, zijn zij in Christus dezelfde genade deelachtig, en zijn ze erfgenamen van dezelfde beloften des eeuwigen levens; en in dat eeuwige leven huwen zij niet meer, want zij kunnen niet meer sterven, omdat zij den engelen gelijk en, als zonen der opstanding, zonen Gods zijn. Deze leer der Schrift is daarom van zoo groot belang, wijl de eenheid van man en vrouw principiëel alleen op religieuse gronden te handhaven is, en alle verachting, verlaging en onderdrukking der vrouw daardoor in beginsel veroordeeld worden. Wanneer wij de geschiedenis bezien in het licht van deze gegevens der H. Schrift, getuigt zij op iedere bladzijde van het groote onrecht, dat door den man aan de vrouw is aangedaan. Het is een oude overlevering, zegt GRAAF DE GASPARIN, om de vrouwen te minachten. Zij bestond reeds in de vroegste oudheid en duurt tot op onzen tijd voort. De scherts der dichters van Griekenland en Rome, de kluchtspelen uit de Middeleeuwen, de sermoenen en preeken, geheel de stroom van de Renaissance, van Rabelais tot Voltaire en Béranger, dat alles vormt ééne doorloopende ironie, die zonder ophouden hare kracht heeft gebruikt ten koste van de eene helft van het menschdom.[45] Het lot der vrouw wisselt overal af tusschen de rol van speelpop of slavin; ze wordt vergood of geminacht; zelden wordt ze door den man als gelijkwaardige behandeld.
[45] GRAAF DE GASPARIN, De emancipatie der vrouw. Amsterdam Höveker 1874 bl. 1.
Maar ter andere zijde is het van even groot gewicht, om in de eenheid het onderscheid en de ongelijkheid tusschen man en vrouw te handhaven. Ook deze staan blijkens de ervaring en niet minder volgens het getuigenis der Schrift onomstootelijk vast. Eene vrouw is eene andere dan de man; eenheid is geen gelijkheid, en gelijkwaardigheid geen identiteit. Het onderscheid van man en vrouw gaat achter de cultuur terug; het is geen product van evolutie of uit langzame ontwikkeling te verklaren; het is met de natuur gegeven en in de schepping gegrond. Toch valt het moeilijk, om het kort in enkele woorden te omschrijven. Hetzij men het trachte weer te geven door de tegenstelling van activiteit en passiviteit, verstand en gemoed, hoofd en hart, kracht en schoonheid enz.; hetzij men beider neiging en streven daardoor poogt uit te drukken, dat de man in den tijd, de vrouw in de ruimte leeft, de man wat wil zijn, de vrouw wat wil schijnen, gene aan de idee hecht, op wetenschappelijke analyse gesteld is, tot het algemeene zoekt door te dringen, deze den vorm bemint, met afkeer van speculatie en abstractie zin voor de werkelijkheid verbindt, en door intuitie, vlugge bevatting en snelle handeling uitmunt; hetzij men eindelijk beider werkkring op die wijze begrenst, dat de man aan den buitenkant van het leven, in maatschappij en staat, zich beweegt en de vrouw naar den binnenkant van het leven, in den kleinen kring van het huisgezin zich terugtrekt; bij al deze en dergelijke distincties voelt men terstond weer, dat ze gebrekkig en eenzijdig zijn, en door een meer of een minder moeten worden verzacht.[46]
[46] Verg. over het onderscheid van man en vrouw o. a. ROTHE, Theol. Ethik §305. LOTZE, Mikrokosmos II 382–392. HEYMANS, De psychologie der vrouwen en de daar aangehaalde litteratuur. STUART MILL in zijne Slavernij der vrouw bl. 33 meent wel, dat tusschen de beide seksen redelijk en zedelijk geen verschil bestaat, dat in elk geval de gronden, waarop men zulk een verschil aanneemt, onvoldoende zijn. Maar desniettemin erkent hij, dat dat verschil thans, tengevolge van eene lange geschiedenis, toch inderdaad bestaat; en hij omschrijft het vrijwel op dezelfde wijze, als anderen vóór en na hem hebben gedaan, bl. 84 v. Overigens ligt er veel waars in zijne opmerking, bl. 34, dat men het karakter van iemands vrouw kan opmaken uit zijne meening over de vrouwen.
Bovendien al deze onderscheidingen gelden alleen den man en de vrouw in het algemeen, zijn individueel steeds eindeloos gevariëerd, en bereiden ieder oogenblik in het concrete leven teleurstelling of verrassing aan elk, die ze als eene schablone hanteert. De onderscheiding van man en vrouw loopt ook niet door tusschen verstand en gevoel, of tusschen een paar andere vermogens of krachten. De man is in alles man, en de vrouw in alles vrouw; beiden zijn physisch in alle opzicht verschillend, en psychisch zien en hooren, denken en voelen, willen en werken, spreken en schrijven ze anders. Zooals JEAN PAUL zegt: an der Frau ist Alles Herz, selbst ihr Kopf ist Herz.