De vrouw in de hedendaagsche maatschappij
Part 5
Deze theorieën kwamen in het kort hierop neer: de aanvang der menschelijke samenleving was de horde, waarin promiscuiteit (regelloos geslachtsverkeer) heerschte evenals bij de dieren des velds. Maar langzamerhand ontwikkelde zich daaruit een andere vorm van gemeenschap, n. l. de gunaikokratie, de periode der vrouwenregeering, waarvoor de grond voornamelijk gelegen was in het feit, dat de band tusschen moeder en kind vóór en na de geboorte veel inniger en sterker was dan die tusschen vader en kind. Omdat er n. l. regelloos geslachtsverkeer en geen band des huwelijks bestond, was de vader van het kind onbekend; maar de moeder bleef aan het kind gebonden, en had het ook na de geboorte nog jaren lang te verzorgen; de afstamming kon dus niet naar den vader, maar moest naar de moeder gerekend worden (moederrecht); zij was het hoofd en middelpunt des gezins, oefende in dezen kring een onbeperkt gezag uit en was volkomen zelfstandig; het was de gouden eeuw voor de vrouw.
Maar aan dezen idyllischen toestand kwam een einde door de cultuur, welke ook hier weer de natuur bedierf; toen n.l. de mannen hun nomadisch leven lieten varen, en zich gingen toeleggen op landbouw en nijverheid, toen ze bezitters werden van landerijen, kudden en slaven, van wapenen en voorraden, toen verdrongen ze allengs ook de vrouwen uit haar voormalige eervolle positie en namen zelven de eerste plaats in het gezin en de familie in. Het moederrecht maakte toen voor het vaderrecht plaats, het oorspronkelijk communisme voor het privaat bezit, de heerschappij van de vrouw voor die van den man, de polygamie voor de monogamie.
Van deze verkregen macht heeft de man vervolgens in den loop der eeuwen een steeds schandelijker misbruik gemaakt; de vrouw is het eerste menschelijk wezen, dat in knechtschap kwam; zij werd uit het openbare leven teruggedrongen in haar huis, mocht niet met mannen omgaan en buitenshuis niet anders dan gesluierd verschijnen; door eene ongemakkelijke kleeding werd zij bovendien voor elke vrije beweging, en voor allerlei nuttigen arbeid ongeschikt gemaakt. De mannen behielden zich allerlei vrijheden voor, van veelwijverij, hoererij enz., maar de vrouw werd allengs door gewoonte en ook door de wet van al hare rechten beroofd; de vrouw werd in vollen zin rechtloos, het eigendom van den man, die met haar handelen kon naar welgevallen. De man werd de heer, de eigenaar, het hoofd, de bourgeois, en de vrouw werd de slavin, vertegenwoordigster van het proletariaat.
Daarin komt thans echter opnieuw eene verandering; de vrouw wordt allengs, evenals de arbeider, zichzelve bewust; zij gaat beseffen, dat zij de gelijke is van den man en dezelfde rechten heeft als hij, en daarom bindt ze met kracht en moed den strijd voor hare vrijmaking aan, liefst met, desnoods tegen den man. In den eersten tijd voelde de sociaaldemocratie niet zoo bijzonder veel sympathie voor de proletarische vrouwenbeweging; want naarmate de vrouwen het huis verlieten en daarbuiten allerlei arbeid gingen verrichten, scheen het gevaar te dreigen, dat zij de loonen verlaagden en de mannen verdrongen. Toen de geschiedenis echter bewees, dat dat gevaar niet zoo groot was als eerst werd gevreesd, nam de sociaaldemocratie eene vriendelijker houding tegenover de vrouwenbeweging aan, en trachtte zij ze aan haar eigen belangen dienstbaar te maken. Beide vereenigden zich in het streven naar hetzelfde ideaal: omverwerping van de tegenwoordige, en stichting van eene nieuwe maatschappij.
Tot de wantoestanden in de hedendaagsche maatschappij, die bestreden en afgeschaft dienen te worden, behooren ook het huwelijk—de eenige werkelijke lijfeigenschap, die de wet nog kent,—de monogamie, de opvoeding der kinderen in het huisgezin enz. En in de nieuwe maatschappij, die op komst is, zullen mannen en vrouwen in rechten volkomen gelijk zijn; zonder onderscheid des geslachts, zal er voor allen worden ingevoerd een gelijke arbeidsplicht en na den arbeid eene gelijke, vrije ontspanning. De vrouw zal in dien toekomststaat volkomen vrij en onafhankelijk zijn; het huwelijk, dat met het privaat bezit ten nauwste samenhangt, zal een privaat contract zijn, de echtscheiding elk oogenblik vrij staan, het huisgezin beperkt en de opvoeding der kinderen spoedig na de geboorte aan de maatschappij worden toebetrouwd.[31]
[31] BEBEL, Die Frau und der Sozialismus{16}, Stuttgart 1892. FR. ENGELS, Der Ursprung der Familie, des Privateigenthuns und des Staats.{3}. Stuttgart Dietz z. j. Dr. J. RUTGERS, Nieuw of Oud? in: Studiemateriaal voor Vrouwenkiesrecht bl. 227–229. Ook STUART MILL, De vrijmaking der vrouw bl. 8, zegt, dat de ongelijkheid der rechten van mannen en vrouwen geene andere oorzaak heeft dan het recht van den sterkste.
Vele van deze in den eersten tijd uitgesproken gedachten zijn, evenals die over het historisch materialisme, de inrichting van den toekomststaat, de verdwijning der religie enz., in de kringen der sociaaldemocratie, allengs verzacht en teruggedrongen; en met name nam men tegenover de beweging voor het vrouwenkiesrecht eene steeds vriendelijker houding aan. Eerst stelde de partij nog slechts, van 1863 af, den eisch van gelijk, direct, geheim kiesrecht voor alle mannen boven 20 jaar; maar te Gotha 1875 en te Erfurt 1891 ging zij reeds verder, en eischte stemrecht voor alle mannen en vrouwen boven 20 jaar en gelijkstelling in rechten voor beiden op alle terreinen. In 1895 trad de sociaal-democratische partij in den Rijksdag voor deze eischen op; de strijd voor de rechten der vrouw werd een onderdeel van den strijd tegen de kapitalistische maatschappij, en CLARA ZETTIN werd in 1896 opgenomen als lid in het bestuur der partij.
Van deze proletarische of socialistische vrouwenbeweging is de burgerlijke in verschillende punten onderscheiden. Deze kwam tegelijk op met de liberale partij, dus omstreeks het jaar 1848, en stond aanvankelijk scherp tegenover de vrouwenbeweging, die uit de kringen der arbeiders opkwam en almeer door de sociaaldemocratie zich leiden liet. In Duitschland stond hare opkomst rechtstreeks in verband met de gebeurtenissen in het genoemde revolutiejaar; want wel werden de vrouwen, die zich aan het hoofd dezer beweging stelden, ook tot optreden bewogen door de treurige toestanden, waarin de arbeidsters in de fabrieken verkeerden; ze werden echter evenzeer en in nog sterker mate gedreven door de zucht naar vrijheid en zelfstandigheid; de emancipatie-idee huwde zich in dezen kring met den wensch der democratie. Zooals deze op staatkundig gebied naar meer vrijheid streefde, zoo ontwaakte er ook onder de burgervrouwen van dien tijd een sterk verlangen naar intellectueele, moreele, sociale, economische en politieke verheffing der vrouw. Op de vraag, of vrouwen ook recht hadden op deelneming in de behartiging van de belangen van den Staat, gaf LOUISE OTTO (1819–1895) die van deze beweging de ziel was, reeds in 1844 ten antwoord: zij hebben er niet alleen het recht, maar ook den plicht toe. Doordrongen van het door haar zelf aldus genoemde groote recht der individualiteit, om alles te worden, wat ze worden kan, was zij het, die in den eersten tijd aan de vrouwenbeweging in Duitschland den weg aanwees en het doel voorschreef. Dat doel was óók wel practisch; voor de vrouw moest de arena van denkarbeid geopend worden, opdat zij in haar eigen onderhoud zou kunnen voorzien. Maar op den voorgrond stond toch het ideëele doel, om de vrouw door verstandelijke, zedelijke, nationale opvoeding op te heffen, haar gezichtskring te verruimen, deel te doen nemen aan de hedendaagsche cultuur; en door haar mede-arbeid de zedelijke waarden der menschheid te verhoogen. Vrijheid van ontwikkeling en vrijheid van arbeid zijn voor de vrouw noodig voor haar eigen volmaking, en tevens eischen der gerechtigheid.[32]
[32] LOUISE OTTO schreef o. a. Das Recht der Frauen auf Erwerb. Leipzig 1863. Andere voorstanders der beweging waren LUISE BÜCHNER, Die Frauen und ihr Beruf. Darmstadt 1855, FANNY LEWALD, Meine Lebensgeschichte 1861, Osterbriefe für die Frauen 1863, Für und wider die Frauen 1870, AUGUSTE SCHMIDT, die vooral als redenares eene rol speelde. In 1886 kreeg de vereeniging een orgaan in: Neue Bahnen.
De beweging ondervond van den aanvang af sterke bestrijding, en ging onder den druk der reactie, die na de revolutie intrad, ook merkbaar achteruit. Maar ze wortelde te diep in de werkelijkheid, dan dat ze te niet kon gaan. Integendeel, het vrouwenvraagstuk begon, vooral van zijne economische zijde, meer en meer de aandacht te trekken; vele werken zagen het licht over den beroepsarbeid der vrouw; op het voorbeeld van Engeland werden verschillende beroepen, bijv. bij post, telegrafie enz. ook voor vrouwen opengesteld; de inrichtingen tot opleiding van vrouwen voor onderwijs, handel, bedrijf enz. namen toe; in 1866 werd opgericht de z.g.n. Letteverein, d. i. de naar W. A. LETTE (1799–1868) genoemde vereeniging, die, met terzijdestelling van alle politieke emancipatie-ideeën, eenvoudig vermeerdering der arbeidsgelegenheden en van de daarvoor noodige opleiding voor de vrouwen zich ten doel stelde. De vrouwenbeweging herleefde dan ook in den aanvang der zestiger jaren en kreeg eene organisatie in de Allgemeine Deutsche Frauenverein, die voor de eerste maal 16–18 Oct. 1865 te Leipzig onder leiding van LOUISE OTTO samenkwam („Leipziger Frauenschlacht”).
Ofschoon eerst meer practisch werkende, door het oprichten van industriecursussen, vrouwenavonden, arbeidsbazars enz., nam de vereeniging allengs ook andere vraagstukken ter hand, vooral inzake de opvoeding der vrouw, hare opleiding voor allerlei bedrijven in nijverheid en handel, en ook hare studie aan de universiteit in verschillende wetenschappen. Onder invloed van wat in Amerika te dezen opzichte plaats had, begon men ook aan te dringen op deelname der vrouw aan werkzaamheden, die van de burgerlijke gemeente uitgingen, zooals armenzorg, weezenverpleging, fabrieksinspectie, en in 1877 ging er zelfs eene petitie naar den Rijksdag, om verbetering aan te brengen in de burgerrechtelijke positie der vrouw. Al deze vragen gaven tot verschil van meening aanleiding, en vooral ontstond er een principiëele discussie, toen het boek van MILL over de onderwerping der vrouw door de vertaling van JENNY HIRSCH in Duitschland meer bekend werd, en de vrouwenbeweging voor velen in een ander licht kwam te staan [33].
[33] Tegen 't boek van Mill en de brieven van Fanny Lewald, Für und wider die Frauen, Berlin 1870 werd van positieve zijde de strijd aangebonden door PH. VON NATHUSIUS, Zur Frauenfrage. Halle 1871 en vele anderen, verg. Handbuch der Frauenbewegung I 67 v. Vooral lokte het streven der vrouwen naar het artsenberoep sterk verzet uit, o. a. van Prof. TH. L. W. VON BISCHOFF te München, 1872.
De pennestrijd wierp dit dubbele voordeel af, dat het vrouwenvraagstuk veel dieper dan tot nu toe, van physiologisch-psychologische, ethische en cultuurhistorische zijde werd bezien, en dat vele vrouwen, zooals bijv. ELISABETH GNAUCK-KÜHNE, GABRIELLE REUTER, LAURA MARHOLM, HELENE LANGE enz. in de overtuiging werden versterkt, dat het doel der vrouwenbeweging niet in emancipatie zonder meer kan bestaan; man en vrouw bleken toch in elk opzicht zoo onderscheiden te zijn, dat het ideaal voor beiden niet gelijk kan wezen; aan de vrouw komt in de maatschappij een eigen terrein toe, dat bij de natuur der vrouw en bij het moederschap past en de eigenaardige gaven der vrouw tot ontwikkeling kan brengen.
Wijl echter naast deze Allgemeine Deutsche Frauenverein allerlei andere vereenigingen zich vormden, van huisvrouwen, onderwijzeressen, kunstenaressen, handelsbedienden enz., met allerlei bijzondere doeleinden (het oprichten van volkskeukens, het stichten van scholen voor voortgezet onderwijs, de bescherming van de rechten der vrouw in de industrie, de kinderverzorging, de bestrijding van de prostitutie, van het alcoholisme enz.), kwam het verlangen op, om al deze vereenigingen op te nemen in éénen Bond. De dames HANNA BIEBER-BÖHM, AUGUSTE FÖRSTER en ANNA SIMSON hadden op de wereldtentoonstelling te Chicago kennis gemaakt met den National Council of Women in the United States, en wisten, in het vaderland teruggekeerd, te bewerken, dat een soortgelijke Bond ook tusschen de vrouwenvereenigingen in Duitschland werd opgericht, 28–29 Maart 1894. Deze Bond beperkte zijne werkzaamheden tot die, waarmede alle aangesloten vereenigingen instemden, en riep Commissies in het leven voor de verschillende takken van arbeid (bedrijfsinspectie, burgerrechtelijke positie der vrouw, opvoeding, bescherming, matigheid, zedelijkheid, enz.); in 1897 sloot hij zich aan bij den International Council of Women, die in 1888 te Washington was opgericht en om de vijf jaren een congres houdt.[34]
[34] Voorzitter van den Bond was eerst AUGUSTE SCHMIDT, sedert 1900 MARIE STRITT. Orgaan is het Centralblatt des Bundes deutscher Frauenvereine. Ook het maandschrift: Die Frau, opgericht 1892, onder redactie van HELENE LANGE, staat op het standpunt van den Bond.
Maar de Bond haalde door deze vereeniging ook allerlei elementen binnen, die slecht bij elkander pasten. Er waren vrouwen, die met al de genoemde werkzaamheden niet tevreden waren, maar ook verlangden, dat de strijd zou aangebonden worden voor het politieke stemrecht der vrouw. Anderen begonnen de oudere leden van den Bond conservatief te vinden, dienden zich zelve als de radicalen aan en richtten een verband van fortschrittliche vrouwenvereenigingen op (in 1899), waarin men niet alleen voor het politieke stemrecht der vrouw, maar ook voor hervorming van het familierecht, verbetering der vrouwenkleeding enz., inzonderheid ook voor toenadering tot de proletarische vrouwenbeweging den strijd kon aanbinden. Dit laatste punt had trouwens reeds van de stichting van den Bond af moeilijkheden opgeleverd; de Bond verklaarde zich zelf tegen de toelating van arbeidstersvereenigingen, die eene duidelijke politieke tendenz hadden, maar vooral vier vrouwen, MINNA CAUER, LINA MORGENSTERN, LILY VON GIZYCKY (later LILY BRAUN) en GEBAUER konden zich hiermede niet vereenigen; MINNA CAUER en LILY BRAUN richtten een eigen orgaan: Die Frauenbewegung op, dat de radicale richting vertegenwoordigt en ook naar hervorming van het huwelijk streeft.
Naarmate vele vereenigingen in den Bond den radicalen kant uitgingen, hielden de Christelijke vrouwen zich op een afstand of richtten eigen vereenigingen op. Maar onderling was men van Christelijke zijde in zijn oordeel over de vrouwenbeweging volstrekt niet eenstemmig; sommigen, zooals BETTEX, zagen er weinig goeds in en achtten ze met letter en geest des Bijbels in strijd; anderen, zooals JOH. WEISS en GUSTAV GEROK, betoogden, dat het Christelijk ideaal juist de bevrijding der vrouw eischte; en er waren er ook, zooals H. KÖTZSCHKE, W. BORNEMANN e. a., die een bemiddelend standpunt innamen. Toch kwam het door de bemoeiïngen van FRAU ELIS. GNAUCK-KÜHNE tot de vorming van eene Evangelisch-sociale Frauengruppe, Dec. 1894 te Berlijn, die het volgend jaar in verbinding trad met het Evangelisch-sociale Congres. In 1896 nam ook de nationaal-sociale partij van NAUMANN het vrouwenvraagstuk op in haar program. Naast beide stichtte Prof. ZIMMER in 1894 nog een Evangelische Diakonieverein., met het doel, om de behoeften en belangen der evangelische diakonie in overeenstemming te brengen met de eischen, welke de vrouwenbeweging stelt in betrekking tot de opvoeding en de economische zelfstandigheid der vrouw.[35] In 1899 kwam de Duitsch-Evangelische Frauenbund tot stand, die streeft naar oplossing van het vrouwenvraagstuk in den zin des Evangelies en tot godsdienstig-zedelijke verbetering van het volksleven.[36]
[35] BETTEX, Natur und Gesetz{3}, Leipzig 1898. JOH. WEISS, Frauenberuf. Evang.-soziale Zeitfragen II{7}, Leipzig 1892. BORNEMANN, Der Protestantismus und die Frauen, Magdeburg 1900.
[36] Handbuch der Frauenbewegung I 1580.
Op dezelfde wijze bleven natuurlijk de Roomsche vrouwenvereenigingen hare zelfstandigheid bewaren. Ofschoon uit den aard der zaak met de vrouwenbeweging weinig sympathie gevoelende, heeft Rome toch, in de negentiende eeuw misschien nog meer dan vroeger, den vrouwenarbeid op allerlei terrein weten te waardeeren en te organiseeren. Reeds dit is opmerkelijk, dat de Mariavereering, vooral na de afkondiging van het dogma der onbevlekte ontvangenis 8 Dec. 1854, in buitengewone mate is toegenomen en thans de afkondiging van het leerstuk van Maria's hemelvaart voorbereidt. De Marianische congregaties breidden zich van jaar tot jaar onder alle standen en rangen van de Roomsche Christenheid uit. Terwijl oudere vrouwenorden, zooals bijv. die der Ursulinnen, in ledental wonnen, kwamen er nieuwe orden en vereenigingen in grooten getale bij; van 1816 tot 1865 werden er niet minder dan 198 door den paus geapprobeerd. En al deze vereenigingen namen werkzaamheden ter hand, wier noodzakelijkheid door de sociale toestanden van den nieuweren tijd aan het licht was getreden, armenzorg, ziekenverpleging, in- en uitwendige zending enz., inzonderheid ook de opvoeding van meisjes. Langzamerhand werden er ook vereenigingen opgericht, die meer rechtstreeks met de vrouwenbeweging in verband stonden, vereenigingen van arbeidsters, dienstboden, onderwijzeressen, studeerenden, vrouwen, moeders enz. Zoo was de gang van zaken in alle Roomsche landen, Italië, Oostenrijk, Frankrijk, België enz., ook in Duitschland. Hier veroverde op de Katholiekendagen ook het vrouwenvraagstuk zich eene plaats; sociale cursussen gingen er rekening mede houden; en in 1903 werd de Katholische Frauenbund opgericht, die tegenover de moderne vrouwenbeweging positie nam, een breed werkprogram ontwierp, en in Die Christliche Frau zich een orgaan schiep.[37]
[37] RÖSLER, Die Frauenfrage bl. 497–519. Behalve uit dit werk, kan men het oordeel der Roomschen over de vrouwenbeweging leeren kennen uit J. MAUSBACH, Die Stellung der Frau im Menschheitsleben. M. Gladbach 1906, en V. CATHREIN, Die Frauenfrage, Freiburg Herder 1901.
De strijd voor de vrijmaking en verheffing der vrouw beperkt zich echter niet tot één land, maar heeft zich in den loop der vorige eeuw tot alle volken uitgebreid; het vrouwenvraagstuk is in vollen zin een internationaal vraagstuk geworden. Er valt niet aan te denken, om van de vrouwenbeweging in de verschillende landen een, al ware het maar beknopt, overzicht te geven; genoeg zij het, op te merken, dat zij zich in alle beschaafde landen voordoet. Het vrouwenvraagstuk is aan de orde in alle landen van Europa, in alle staten van Noord-Amerika, Zuid-Amerika en Australië, en het komt aan de orde in Indië, China, Japan, ook, blijkens het optreden van Raden KARTINI, in Nederlandsch Indië. Wij hebben daarin dus met een vraagstuk te doen, dat niet door enkele personen is opgeworpen, maar dat uit de maatschappij zelve opkomt en steeds meer in zijne algemeene beteekenis wordt erkend.
Toch wordt het vraagstuk niet altijd op dezelfde wijze voorgesteld, en ontwikkelt de vrouwenbeweging zich niet overal in dezelfde richting. Ofschoon ze wel eene zekere algemeene strekking vertoont, vat ieder land het vrouwenvraagstuk toch, overeenkomstig zijne eigenaardige verhoudingen en toestanden van eene bijzondere wijze aan. In België en Italië, zegt HELENE LANGE, valt de vrouwenbeweging nog grootendeels met die der arbeidsters saam; in Amerika staat het streven naar politieke gelijkstelling op den voorgrond; en in Griekenland bepaalt men zich nog hoofdzakelijk tot verbetering van den socialen toestand der vrouw.[38] Ook is de beweging over het algemeen veel krachtiger in de Protestantsche, dan in de R. Katholieke, in de Germaansche en Angelsaksische, dan in de Romaansche landen; bij gene openbaart ze zich meer in een streven naar intellectueele, ethische en politieke, bij deze meer in een streven naar economische en sociale verheffing der vrouw.
[38] Handbuch der Frauenbewegung, Vouvort I bl. VI.
Verder is er in de vrouwenbeweging een zekere ontwikkelingsgang te bespeuren. Ze kwam tegen het einde der 18e eeuw in Frankrijk op, dankte toen haar oorsprong aan de idee der rechten van den mensch, en was dus eerst meer eene ideëele en politieke, dan eene economische en sociale beweging. Dit laatste werd ze vooral omstreeks het midden der vorige eeuw door de veranderingen, welke de grootindustrie in de werkzaamheden van het huisgezin aanbracht. Met de proletarische vrouwenbeweging verbond zich weldra die van de dochters en vrouwen uit de burgerkringen des volks, welke streefde naar opleiding voor een beroep, vrijen toegang tot alle scholen, en openstelling van alle beroepen voor de vrouw. Maar toen langs dezen weg de vrouwen meer en meer met de maatschappij in aanraking kwamen, kregen zij een open oog voor de misstanden, die daar overal voorkwamen, en zagen zij zich tot allerlei werken van barmhartigheid en zending geroepen. Met of zonder de mannen bonden zij den strijd aan tegen alcoholisme en prostitutie, wijdden zij zich aan armenzorg, ziekenverpleging, meisjesopvoeding, kinder- en moederbescherming enz. En naarmate zij zich buitenshuis gingen bewegen en in de maatschappij eene eigene plaats gingen innemen, kwam bij velen de wensch op, om ook burgerrechtelijk en staatsrechtelijk meerdere zelfstandigheid deelachtig te worden.
De strijd voor het politieke stemrecht der vrouw kwam, behalve in Frankrijk tijdens de Revolutie, het eerst in Amerika op. Daar werden bij den opstand tegen Engeland soortgelijke onveranderlijke menschenrechten afgekondigd, als in Frankrijk, zij het ook op anderen grondslag. Reeds in 1776 stelde ABIGAIL SMITH den eisch, dat de vrouwen toegelaten zouden worden tot alle openbare scholen en gelijke rechten met de mannen ontvangen zouden. Maar de tijd was voor de inwilliging dezer eischen nog niet rijp, schoon de staat New Jersey in 1790 op grond van het ontbreken van het adjectief mannelijke (male) vóór ingezetenen (inhabitants) in de wet een korten tijd aan de vrouwen het stemrecht verleende. In de eerste helft der 19e eeuw was het streven der vrouwen in Amerika ook meer op verbetering der opvoeding van meisjes, op de openstelling van de gewone openbare scholen (coëducatie), of op de stichting van aparte meisjesscholen gericht.