De vrouw in de hedendaagsche maatschappij

Part 4

Chapter 43,725 wordsPublic domain

THOMAS AQUINAS was evenals AUGUSTINUS van oordeel, dat de prostitutie, schoon onvereenigbaar met het Christendom, toch wegens hare onuitroeibaarheid geduld moest worden.[17] In zijn oordeel over de vrouw bindt hij zich al te zeer aan het gezag van ARISTOTELES, die wel veel treffelijks over de vrouw heeft gezegd, maar haar toch minderwaardig achtte, want de man was het actieve principe, overtrof haar in rechtvaardigheid, dapperheid en deugd, en de vrouw is het passieve principe, de hulè, (de stof in Aristotelischen zin, tegenover den vorm), een man zonder zaad, een verminkte man. Deze voorstelling werd door THOMAS overgenomen en meermalen herhaald; de vrouw is een mas occasionatus, een verminkte man.[18] De asceten gingen op dit thema dikwerf nog verder door, en beschuldigden de vrouw van allerlei ondeugden; zelfs THOMAS A KEMPIS waarschuwt tegen alle vertrouwelijkheid met eenige vrouw.[19] Het toppunt van deze vrouwenverachting werd in den Heksenhamer van de beide Dominicanen SPRENGER en KRÄMER bereikt, die in 1489 het licht zag en in groote mate heeft bijgedragen tot de heksenvervolging. In de 13e eeuw toch leidde de verscherping der tucht tegen de vele opkomende ketterijen tot het instellen der Inquisitie, die meer en meer ook op de tooverij hare aandacht richtte en een nauw verband aannam tusschen haeresie en magie. Duizenden en duizenden vrouwen zijn van dien tijd af, tot in de achttiende eeuw toe, in Protestantsche zoowel als in Roomsche landen, van dezen heksenwaan de beklagenswaardige slachtoffers geweest.[20]

[17] In het tractaat van THOMAS over de regeering der vorsten komt de uitdrukking voor: Hoc facit meretrix in mundo quod sentina in mari vel cloaca in palatio; maar ze staat in een gedeelte, dat niet meer door THOMAS zelf geschreven werd.

[18] THOMAS, Summa Theol. I 92 art. 1.

[19] THOMAS A KEMPIS, Over de navolging van Christus I 8.

[20] Art. in PRE{3} VIII 30–36. Verg. verder BÜCHER, Die Frauenfrage im Mittelalter, Tübingen 1882. GRUPP, Kulturgeschichte des Mittelalters I Stuttgart 1894. H. FINKE, Die Frau im Mittelalter, Kempten 1913. MAUSBACH, Altchristl. und moderne Gedanken über Frauenberuf. M. Gladbach 1905. RÖSLER, Die Frauenfrage{2} Freiburg Herder 1907.

Niet alleen godsdienstig en kerkelijk, maar ook zedelijk was daarom eene radicale hervorming noodzakelijk. Tegen het einde der Middeleeuwen kwamen Renaissance en Reformatie gelijkelijk tegen het ascetisch levensideaal met zijne treurige gevolgen in verzet. De Renaissance was echter eene aristocratische beweging en kwam, wat de vrouwen betreft, slechts aan de ontwikkeling van een kleine schare uit de hoogere kringen der maatschappij ten goede; tot de verheffing der vrouw, tot de veredeling van huwelijk en gezinsleven heeft ze weinig bijgedragen, omdat ze, vol bewondering voor de klassieke oudheid, dikwerf verviel tot eene naturalistische ethiek en op het volk, ook op de vrouw uit het volk, uit de hoogte neerzag; toen ze in de 17e eeuw in Frankrijk doordrong, kweekte zij een geslacht van femmes savantes en femmes précieuses, die den spot van MOLIÈRE verdienden. De Reformatie greep veel dieper in, ontwortelde het ascetisch ideaal door hare leer van de rechtvaardiging uit het geloof, en stelde ervoor in de plaats den trouwen arbeid in het aardsche en tevens goddelijke beroep.

Daardoor werd ze, vooral in hare Gereformeerde vertakking, in hooge mate bevorderlijk aan het eereherstel van het huwelijk, aan de verheffing van het gezinsleven, aan het kweeken van allerlei huiselijke en burgerlijke deugden, en ook aan de ethische waardeering der vrouw. De Hervormers gaven daarin door hun huwelijk en gezinsleven zelven een voorbeeld; want al legt LUTHER, uit reactie, soms al te sterk den nadruk op het huwelijk als medicijn der hoererij, en al is zijn raad inzake het tweede huwelijk van PHILIP VAN HESSEN in 1539 niet te verdedigen, men vindt bij hen geen satire of spot met de vrouw, gelijk die in de kringen der Humanisten dikwerf voorkwamen, maar eene waardige bespreking van alwat op huwelijk en gezin betrekking heeft, en eene hooge waardeering van de roeping, die aan de vrouw, in onderscheid van den man, in haar huis is toebetrouwd. De huwelijksformulieren en huwelijksboeken, die in menigte verschenen, leggen van deze ethische waardeering van vrouw en moeder, van huwelijk en gezin een welsprekend getuigenis af. En het huiselijk leven, dat in de Protestantsche landen tot ontwikkeling kwam en de vergelijking met dat in de Roomsche landen uitnemend kan doorstaan, drukt daarop het zegel der practijk. Zelfs werd in de Gereformeerde kerken in Nederland en in het Rijnland, ten deele ook in Frankrijk, eene poging beproefd, om het weduwenambt van 1 Tim. 5 : 9, 10 te herstellen, maar deze poging slaagde slechts voor korten tijd. En daar zij de vergoeding der vrouwelijke hulpdiensten miste, die in Rome door de nonnen bewezen werden, kon de Protestantsche kerk door ELISABETH MALO niet geheel ten onrechte de „rechtlich organisirte Männerkirche” genoemd worden. Eerst de nood der tijden dwong in de vorige eeuw, om, inzonderheid op initiatief van THEODOR FLIEDNER en AMALIE SIEVEKING, een georganiseerden vrouwenarbeid voor allerlei werken van barmhartigheid in het leven te roepen.

De Hervormers en hunne volgelingen dachten er dan ook niet aan, om de vrouw te verachten; zij leeren allen overeenkomstig de Schrift, vooral in Gen. 1 : 27, dat de vrouw evengoed als de man een mensch is, en naar Gods beeld geschapen.[21]

[21] Verg. bijv. DE MOOR, Comm. in Marckii Comp. II 982 v. III 46.

Maar toch was men er ver van af, om de ongelijkheid van man en vrouw uit te wisschen. Zelfs leefde daarbij nog eenigermate voort de antieke en scholastieke gedachte van de minderwaardigheid der vrouw, welke met Schriftuurplaatsen als Gen. 2 : 18, 3 : 16, 1 Cor. 11 : 7 v. Ef. 5 : 23, 24, 1 Tim. 2 : 13, 14 gesteund werd. Al stond de vrouw religieus-ethisch met den man gelijk en al muntte zij in deugden van vroomheid, lijdzaamheid enz. boven hem uit; ze was toch in waardigheid, kracht en heerlijkheid de mindere van den man. LUTHER zeide: eine Weibsperson ist von Gemüt und Leib viel schwächer, verführlicher und beweglicher als eine Mannsperson, en zoo ongeveer lieten allen zich uit. Vrouwen zijn „mindermenschen” zooals HUYGHENS zegt; of naar de uitdrukking van CATS: alwat een man gelijct, een hooger wesen heeft. WITTEWRONGEL noemt zonder meer de vrouw de mindere, den man den meerdere, het hoofd, den heer, den meester, den leidsman van de vrouw; hij behandelt eerst de plichten van de vrouw, daarna die van den man, want officium ascendit, amor descendit: de plicht klimt opwaarts, de liefde daalt nederwaarts. Als de vrouw begint met haar plichten te vervullen, beweegt zij haar man, om zich behoorlijk jegens haar aan te stellen. Onder die plichten neemt de onderdanigheid, de onderwerping, de gehoorzaamheid de eerste plaats in[22]. In het huwelijksformulier van de Geref. kerken in Nederland wordt aan de vrouw het voorbeeld der heilige vrouwen voor oogen gehouden, welke op God hoopten en haren eigenen mannen onderdanig waren, gelijkerwijs Sara haren man Abraham gehoorzaam geweest is, hem noemende heere. Wel wordt deze gehoorzaamheid der vrouw in datzelfde formulier beperkt tot de dingen, die recht en billijk zijn, en opgewogen door den plicht van den man, om zijne vrouw lief te hebben en bij haar te wonen met verstand enz. Maar in de ethiek wordt toch altijd zeer sterk nadruk gelegd op de behulpzaamheid, volgzaamheid, zachtmoedigheid, eerbiedigheid enz., welke de vrouw jegens haren man in acht heeft te nemen.

[22] WITTEWRONGEL, Christelijke Huyshoudinghe I 108. v. LOBSTEIN, Die Ethik Calvins, Strassburg 1877 bl. 99. De voorstelling van BUSKEN HUET, Het Land van Rembrand II 3 bl. 11 v. is echter zeer eenzijdig.

Deze geringere waardeering der vrouw hangt ongetwijfeld voor een deel met het intellectualisme samen, met de leer, dat verstand en rede de grootste voorrechten zijn van den mensch. Wijl deze echter in hoogere mate aan den man dan aan de vrouw geschonken waren, vloeide daaruit de minderwaardigheid der vrouw vanzelve voort. En daarmede verbond zich terstond eene tweede eigenaardigheid, welke men aan de vrouw toeschreef; wijl zij in intellectueele gaven bij den man achterstond, was ze ook lichter verleidbaar, meer toegankelijk voor verzoekingen des duivels, vatbaarder voor bijgeloof, ketterij, tooverij, hekserij enz. Zeide Paulus ook niet in 1 Tim. 2 : 14, dat Eva tot overtreding van Gods gebod kwam, doordat zij zich door de slang liet verleiden en bedriegen, maar dat Adam viel, naardien hij door zijne vrouw overreed werd? De suprematie, die aan het intellect werd toegekend, en de geringere waarde, welke aan het gemoed werd gehecht, droeg er toe bij, om de vrouw bij den man achter te stellen en die deugden, waarin zij hem evenaart of overtreft, in de schaduw te dringen.

Daarbij kwam ook nog het gebrek aan historischen zin. Als uit Gen. 18 : 12, (Richt. 19 : 26, 27) en 1 Petr. 3 : 6 de plicht van de onderdanigheid der vrouw wordt afgeleid, ziet men geheel over het hoofd, dat de verhouding, waarin de vrouw in de dagen des Ouden en Nieuwen Testaments naar gewoonte en wet tot haar man stond, eene geheel andere was, dan die, welke langzamerhand onder de Christenvolken tot stand kwam.[23] Op dezelfde wijze trekt WITTEWRONGEL uit teksten als Gen. 30 : 1, 31 : 4, (Esth. 1 : 7) het besluit, dat eene vrouw op de vermaningen en bestraffingen van haren man behoorlijk acht moet geven en komen moet, zoodra zij door hem ontboden wordt; ja zelfs, dat godzalige vrouwen, „bijaldien oock de man zijne huisvrouwe, sonder en buyten eenige schuldt ('t welck de beste kan gebeuren) soude bestraffen, soo discreet zullen zijn, dat sij liever met een stille sachtmoedigheydt dat sullen verdragen ende over haer laten gaen, alsdat zij daerom haren man met eenige scherpe en onbetamelicke redenen souden bejegenen; wel wetende dat het is de eygenschap van een goetaerdige dispositie, somtijdts een schuldt te erkennen, even daer geen en is”.[24]

[23] De Hollandsche Spectator merkte daarom reeds op, dat „zulks was in een tijd, dat de vrouw volstrekt aan haar gemaal als haar koning en wetgever onderworpen was”, aangehaald door Mej. Dr. S. I. VON WOLZOGEN KÜHR, De Nederl. vrouw in de eerste helft der 18e eeuw. Leiden, Brill 1912 bl. 102.

[24] T. a. p. bl. 116, 117.

Natuurlijk valt ook in dergelijke vermaningen wel eenige waarheid op te merken, maar de toon, waarin ze gesteld zijn, verraadt toch duidelijk, dat de vrouw als de mindere van den man wordt beschouwd.[25] En zulke gedachten voeren nog in tal van kringen den boventoon. Enkele jaren geleden maakte een Duitsche baron een reis naar het Oosten en deelde na zijn terugkeer, in den _Lokal-Anzeiger_, eenige van zijne ervaringen mede. Daarin toonde hij zich bijzonder ingenomen met de zachtaardigheid, gedienstigheid en trouw der Japansche vrouwen. Want naar zijn oordeel was verstand en geleerdheid het domein van den man, en moest de vrouw niets zijn dan eene liefelijke, vriendelijke, trouwe en bescheidene echtgenoote, die haar levensdoel erkent in het den man het leven zoo aangenaam mogelijk maken. Dit ideale type der trouw trof hij het meest volmaakt bij de Japansche aan, die de slavin van haar man is, maar eene allerliefste slavin, en van geen emancipatie en vrouwenrechten weet.[26]

[25] Zoo ook BILDERDIJK, verg. mijn Bilderdijk als Denker en Dichter, Kampen J. H. Kok 1906 bl. 174 v.

[26] _Handelsblad_ 23 Nov. 1904.

Maar de vrouwen zijn met dit ideaal niet meer tevreden, en de mannen haasten zich tegenwoordig, met te verklaren, dat de vrouw niet is de mindere, maar dat zij is eene andere dan de man.

4. DE VROUWENBEWEGING.

Deze verandering in de waardschatting der vrouw is te danken aan den omkeer, die in de achttiende eeuw in het denken en leven der volken werd teweeggebracht eenerzijds door het Piëtisme en anderzijds door het Rationalisme. Rome vond een uitweg voor het individualisme in het kloosterwezen, en wist het tevens in deze instelling aan zichzelf ondergeschikt en dienstbaar te maken. Het Protestantisme sloot dezen uitweg af, en zag toen in eigen kring het conventikel- en het sectewezen opkomen.

Daar zijn nu eenmaal menschen, die in het gewone gareel niet meeloopen kunnen, en hun eigen weg verkiezen te gaan. Op godsdienstig gebied kunnen zij zich niet vinden in het compromis, dat de officieele kerken naar hunne meening steeds genoodzaakt zijn, in de practijk met de wereld te sluiten; zij zonderen zich af, stichten kleinere of grootere gemeenschappen en trachten overeenkomstig de eischen der Bergrede te leven. Bij al deze secten laat het subject, het individu zijne rechten gelden, zoodat òf strenge maatregelen van orde en tucht noodig zijn, òf de gemeenschap licht door onderlinge verdeeldheid en twist tenietgaat. En het individualisme komt ook daarin uit, dat de kloosters van monniken gewoonlijk ook kloosters van nonnen naast zich zien opkomen, of dat binnen de kringen der secten (Wederdoopers, Independenten, Kwakers, Piëtisten, Methodisten enz.) aan de vrouw veel meer rechten worden toegekend dan in de officieele kerken.

Het Rationalisme, dat aan het Piëtisme verwant is, werkte in dezelfde richting. Het werd reeds voorbereid door Renaissance en Humanisme, nieuwere wijsbegeerte en natuurwetenschap; en uit deze bewegingen gingen reeds stemmen op, om de rechten der vrouw te bepleiten. AGRIPPA VAN NETTESHEIM gaf reeds in 1505 een tractaat uit de nobilitate et praecellentia feminei sexus; ANNA MARIA SCHUURMAN schreef eene verhandeling de capacitate ingenü muliebris ad scientias, die door Prof. RIVETUS in 1638 te Leiden werd gepubliceerd; en Dr. JOHAN VAN BEVERWYCK, geneesheer en schepen te Dordrecht, gaf in 1643 een boek in het licht over de uitnementheyt des vrouwelichen geslachts, dat door DANIEL JONCKTIJS in zijn: Der mannen opperwaerdigheydt, bestreden werd. Maar deze geschriften stonden meer of min op zichzelve, en oefenden weinig invloed uit. Heel anders was dit gesteld met de Aufklärung, die den individueelen mensch als redelijk wezen trachtte vrij te maken van alle uitwendige autoriteit en traditie, en met dit streven een omkeer in Europa teweegbracht, welke in beteekenis Renaissance en Reformatie nog overtrof. De mensch, de individueele, redelijke mensch ging zich zelf gevoelen; trotsch op de verlichting, die thans was bereikt, zag hij uit de hoogte op het donkere verleden neer; in zijne rede en wil had hij genoegzame macht, om de waarheid te kennen en het goede te doen; hij was en had aan zichzelf genoeg.

Zoodra nu het individualisme de organische beschouwing van gezin, maatschappij en staat vervangt, komen vanzelf ook de rechten der vrouw aan het woord. In de tweede helft der 18e eeuw verscheen er eene rijke litteratuur over de opvoeding en de religieuse verlichting der vrouw, over de hervorming van het huwelijk en de huwelijkswetgeving. Aan de hoven en in de salons vonden de denkbeelden der Aufklärung bij de dames gereeden ingang. ROUSSEAU kwam er wel tegen op, en ging ook in dit opzicht tot de natuur terug. In het vijfde boek van zijn Emile wijst hij op het onderscheid tusschen man en vrouw en leidt daaruit af, dat de vrouw speciaal geschapen is pour plaire à l'homme en pour être subjuguée. Hare opvoeding moet daarmede overeenstemmen; ze moet geheel zijn relative aux hommes; de vrouw mag en moet wel veel leeren, doch alleen die dingen, welke zij behoort te weten; beter een eenvoudig opgevoed meisje, dan eene geleerde, die een geesel is voor haar man en kinderen en hare vrouwelijke plichten verwaarloost.

Maar ROUSSEAU was zelf te veel een man der Aufklärung, dan dat hij den stroom kon keeren. In Duitschland publiceerde TH. G. VON HIPPEL een werk over het huwelijk in 1774, over de burgerlijke verbetering in 1792 en over de opvoeding der vrouw in 1801. In Engeland gaf MARY WOLLSTONECRAFT, die in 1790 tegen EDM. BURKE de menschenrechten der Fransche Revolutie verdedigde, twee jaar later A vindication of the rights of women in het licht, waarin zij de noodzakelijkheid der opvoeding voor de vrouw bepleitte en op eene gelijke moraal voor man en vrouw aandrong. In Frankrijk trok men uit de menschenrechten de consequentie, dat de vrouwen ook in politieke rechten met de mannen gelijk moesten gesteld worden. De encyclopaedist, MARKIES DE CONDORCET, nam het reeds in 1789 in een artikel voor de burgerrechten der vrouwen op, en werd als lid der wetgevende vergadering en van de Nationale Conventie de pleitbezorger van hare belangen.[27]

[27] LILY BRAUN, Die Frauenfrage, Leipzig Hirzel 1901 bl. 76–90. Hoe Condorcet over het vrouwenkiesrecht dacht, wordt medegedeeld in: Studiemateriaal voor Vrouwenkiesrecht. Amsterdam, van Rossen 1907 bl. 9–17.

Maar ook de vrouwen zelve werden door de Revolutie aangegrepen; zij dienden niet alleen adressen en petities in, maar traden, onder leiding van THEROIGNE DE MERICOURT, ROSA LACOMBE en OLYMPE DE GOUGES, ook handelend op. Nadat de mannen op 14 Juli 1789 de Bastille hadden veroverd, bestormden zij 5 October van dat jaar het stadhuis en trokken, 8000 in getal, naar Versailles, om den koning te dwingen tot erkenning der rechten van den mensch. Sedert namen zij aan de omwenteling een werkzaam, niet zelden gewelddadig, aandeel; zij mengden zich in de debatten der mannenclubs, richtten eigen vereenigingen op en dienden bij de Nationale Conventie verzoekschriften in voor politieke gelijkstelling van de vrouw met den man. Maar het dikwerf revolutionair optreden der vrouwen wekte in en buiten het parlement sterken tegenstand; vele leden van het parlement bestreden de politieke rechten der vrouw, wijl de physische en psychische kracht haar daartoe ontbrak en haar roeping in het huisgezin ligt; en zoo nam de Conventie 30 Oct. 1793 het besluit, om alle vrouwenvereenigingen te verbieden. Sedert verliep de beweging; Napoleon voelde voor de emancipatie der vrouw weinig sympathie, achtte hare bestemming vooral in het voortbrengen en opvoeden van kinderen gelegen, en plaatste haar in den Code civil van 21 Maart 1804 onder de heerschappij van den man.

Toch bleef de gedachte van de rechten der vrouw voortleven. In Frankrijk bij St. SIMON, ENFANTIN, de romancière GEORGE SAND, CONSIDÉRANT e. a.; in Duitschland voor een deel in de kringen van het neo-classicisme en de romantiek, maar vooral bij de mannen van het jonge Duitschland, HEINRICH HEINE, GUTZKOW enz. En zij kreeg in de eerste helft der negentiende eeuw aangrijpenden ernst en practischen steun in de ontwikkeling van het bedrijfsleven. Al heeft de vrouw schier overal ook wel arbeid buitenshuis verricht, toch kan men in het algemeen zeggen, dat de vrouw vroeger in eigen huis haar werkzaamheid vond. Maar toen in de achttiende eeuw de machine werd uitgevonden en het handwerk verdrong (de spinmachine dagteekent van 1764, de weefmachine van 1787), straks de stoommachine uit den jare 1774 den fabrieksarbeid deed opkomen, toen had er allengs eene groote verandering in de huishouding plaats. Tal van werkzaamheden, zooals spinnen, weven, vervaardiging van kleedingstukken, wasschen, strijken, bakken, slachten enz., werden meer en meer aan het huisgezin onttrokken; het opleggen van voorraden voor den winter werd onnoodig, wijl alles steeds in de winkels verkrijgbaar was; het huis hield meer en meer op, eene productie-gemeenschap te zijn. Vooral na de invoering der naaimachine in 1844 werd deze verandering steeds dieper gevoeld, en zij werd daarin vooral openbaar, dat vrouwen en dochters uit de arbeiderskringen in menigte stroomden naar de fabrieken, om met de bijverdienste van een karig en zuur verdiend loon de veel te geringe inkomsten van het gezin te vermeerderen.[28] In die fabrieken kon men bij de machines elke arbeidskracht gebruiken, zelfs die van jonge kinderen, want de vraag naar waren nam toe, naarmate door stoomboot en spoortrein het wereldverkeer zich uitbreidde en het getal markten en afzetgebieden vermeerderde. Welke droeve toestanden er zich toen onder de arbeiders in huis en werkplaats voordeden, kwam o. a. bij de Chartistenbeweging in Engeland aan het licht. Daar kwam ook de vrouwenvraag aan de orde, toen de census van 1851 openbaar maakte, dat van de 7043701 vrouwen er 3107791 werkzaam waren in een of ander bedrijf en daar menigmaal op schandelijke wijze werden geëxploiteerd (Song of the shirt).[29]

[28] LILY BRAUN, Die Frauenfrage, Leipzig Hirzel 1901 bl. 209 v.

[29] Verg. Het lied van het hemd, naar Thomas Hood, door N. BEETS, Dichtwerken III 363.

Een geest des ontfermens ontwaakte toen in de Engelsche maatschappij, en tal van vrouwen gingen zich wijden aan werken der barmhartigheid. HANNAH MORE vestigde de aandacht op de opvoeding der vrouw en drong op het oprichten van scholen voor de armere bevolking aan. MARY CARPENTER reisde driemalen naar Indië, om de opvoeding van het vrouwelijk geslacht te verbeteren en werd stichtster van de National India Association, die de nationale tegenstellingen tusschen Engeland en Indië trachtte te verzachten. ELIZABETH FRY nam den arbeid onder de gevangenen ter hand, LOUISE TWININGS in de werkhuizen, FLORENCE NIGHTINGALE onder gewonden en kranken, Mrs. CHRISHOLM onder emigranten en kolonisten enz.[30]

[30] JOHANNA W. A. NABER, Wegbereidsters, Groningen 1909, geeft eene schets van het leven van Elisabeth Fry, Florence Nightingale, Josephine Butler en Priscilla Bright-Mac Laren.

Een ander gevolg van de ontwikkeling der grootindustrie bestond daarin, dat dochters uit den burgerstand de huishouding gingen minachten en naar een anderen, meer bevredigenden arbeid begonnen uit te zien. En te meer werden zij in deze richting gedreven, wijl het met haar eergevoel streed, om lijdelijk op de gelegenheid tot een huwelijk te wachten of voortdurend ten laste van hare ouders te blijven leven. Zoo besloten zij in steeds grooter getale, om voor de uitoefening van een of ander beroep in de maatschappij zich voor te bereiden en alzoo haar eigen brood te verdienen. Sedert het midden der vorige eeuw kwam er daarom naast eene z. g. n. proletarische, ook eene burgerlijke vrouwenbeweging op.

De proletarische vrouwenbeweging vertoonde van den beginne af een eigen karakter. Het was n. l. niet de behoefte aan of de lust tot arbeid, maar de nood des levens, die vrouwen en meisjes in grooten getale naar de fabrieken dreef, om het karig loon van den man met eenige bijverdienste tot onderhoud van het gezin te vermeerderen. Maar deze ellendige toestanden in de gezinnen en in de fabrieken vormden een vruchtbaren bodem voor de verlossende gedachten der sociaaldemocratie, die in dienzelfden tijd in Duitschland opkwam. MARX en ENGELS waren de stichters van het z. g. n. wetenschappelijk socialisme, dat een verband legde tusschen maatschappij en wetenschap, en uit de geschiedenis van verleden en heden trachtte aan te toonen, dat de ontwikkeling van het kapitalisme noodwendig leiden moest tot voortdurende vermeerdering van de ellende des volks en tot ineenstorting der tegenwoordige maatschappij. De geschiedenis werd daarbij bezien in het licht van het historisch materialisme, dat van FEUERBACH, DARWIN e. a. de materialistisch-evolutionistische wereldbeschouwing overnam, en over den oorsprong en de ontwikkeling der familie zich aansloot bij de destijds opgang makende theorieën van BACHOFEN, MORGAN, MCLENNAN e.a.