De vrouw in de hedendaagsche maatschappij
Part 3
Maar deze geestelijke gelijkheid heft de natuurlijke ongelijkheid tusschen man en vrouw niet op, evenmin als die tusschen Jood en Griek, vrije en dienstknecht, rijke en arme enz. Velen hebben hierin eene onverzoenbare tegenstelling gezien, uit de geestelijke gelijkheid tot de natuurlijke gelijkheid besloten en in naam der eenheid in Christus gemeenschap van goederen en van vrouwen, afschaffing van alle gezag en dienstbaarheid geeischt. En zeker ligt hierin een moeilijk probleem, dat in de verschillende tijden ook eene verschillende oplossing vraagt; het is het probleem van natuur en genade, van schepping en herschepping, van algemeene en bijzondere openbaring, van Christendom en cultuur. Maar schoon de geestelijke eenheid predikend, hebben Jezus en de apostelen daarnaast toch steeds de natuurlijke ongelijkheid gehandhaafd, die in de schepping gegeven of onder Gods leiding in de historie tot stand gekomen was. Zoo met name de ondergeschikte verhouding van de kinderen tot de ouders, Ef. 6 : 1–3, Col. 3 : 20, van de dienstknechten of slaven tot hunne heeren, 1 Cor. 7 : 21–24, Ef. 6 : 5–8, Col. 3 : 22, enz., van de onderdanen tot de overheid, Rom. 13 : 1 v. Tit. 3 : 1, 1 Petr. 2 : 13, en evenzoo van de vrouw tot den man in het huwelijk, 1 Cor. 11 : 3 v. Ef. 5 : 22 v. Col. 3 : 18, 1 Petr. 3 : 1 v.
Nu behoort er bij al deze verhoudingen onderscheid gemaakt te worden tusschen den vorm, waarin ze toenmaals door zeden en wetten geregeld waren, en het beginsel of wezen, dat er aan ten grondslag ligt. De verhouding van kinderen en ouders, van dienstknechten en heeren, van onderdanen en overheid heeft in onze gewoonten en wetgeving een gansch anderen vorm aangenomen, dan die in de Grieksch-Romeinsche wereld bestond; de macht der ouders, der patroons, der overheid is volstrekt niet onbegrensd meer, maar is op allerlei wijze beperkt. En zoo is het ook met de verhouding van de vrouw tot den man in het huwelijk; de man is geen „heer” meer van de vrouw in den vroegeren zin van het woord, en de vrouw is geen eigendom meer van den man, waarmede hij handelen kan naar welgevallen, en waarvan hij zich ontdoen kan door een scheidbrief, als hij wil. Christus heeft daar zelf door zijn verbod der echtscheiding, anders dan om hoererij, een einde aan gemaakt, de scheppingsordening hersteld en aan de vrouw eene vaste, blijvende plaats geschonken aan de zijde van den man. Echter—niet in het afgetrokkene, alsof elke vrouw aan elken man, of _de_ vrouw steeds aan _den_ man onderworpen ware—maar in het _huwelijk_ blijft de natuurlijke, in de schepping gegeven ordening bestaan, dat de man het hoofd is en de vrouw hem tot eene hulpe tegenover hem gegeven is.[13] Aan deze in de natuur zelve gelegen verhouding kan niemand iets veranderen; huwelijk en gezin eischen een hoofd, dat de eenheid vertegenwoordigt en bewaart, en daarvoor kan toch alleen de man in aanmerking komen.
[13] Tot recht verstand van 1 Cor. 11 : 7–12 merke men op, dat 1º de man wel het beeld en de heerlijkheid Gods heet, maar de vrouw niet het beeld, doch alleen de heerlijkheid des mans. Want ook de vrouw is niet eerst middellijk door den man, doch rechtstreeks beeld Gods; dat 2º de man daarin boven de vrouw verheven is, dat hij de heerlijkheid Gods is, d. w. z. in het huwelijk en gezin de heerschappij draagt, stand en rang bepaalt, en de vrouw daaraan slechts door het huwelijk deel krijgt; en dat 3º deze verhouding toch weer niet eenzijdig is op te vatten, alsof alles van de zijde van den man komt en op de vrouw overgaat, maar in het Christelijk huwelijk, in den Heere, is noch vrouw zonder man, noch man zonder vrouw. En dit komt weer met de natuurorde overeen, want bij de schepping ontstond wel de vrouw uit den man, maar daarna wordt de man toch door de vrouw ter wereld gebracht; en dat alles is zoo door God bepaald. Hieraan zij nog toegevoegd, dat de tweede hier gemaakte opmerking ook verklaart, waarom wij God niet anders dan mannelijk kunnen denken. Wel worden Hem in de Schrift ook vrouwelijke eigenschappen toegekend, Jes. 49 : 15, 66 : 13, maar wijl God altijd de Eerste is, de Onafhankelijke, de Schepper en Regeerder van alle dingen, komt zijn beeld en gelijkenis vergelijkenderwijs beter in den man, dan in de vrouw aan het licht. MAUSBACH, Die Stellung der Frau im Menschheitsleben, M. Gladbach 1906 bl. 116. RÖSLER, Die Frauenfrage bl. 232 v.
Dit beginsel is het, dat ook in het Nieuwe Testament, met name door den apostel Paulus, wordt gehandhaafd. Daarnaar beoordeelt hij zelfs het optreden der vrouw in het midden der gemeente. Vrouwen namen van den aanvang af in de Christelijke gemeente eene eervolle plaats in; zij waren met de apostelen eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeeken, in de gemeenschap en de breking des broods, Hand. 1 : 14, 2 : 42, en deelden in allerlei gaven des Geestes, Hand. 2 : 17, inzonderheid in de profetie, Hand. 21 : 9, 1 Cor. 11 : 5 verg. Openb. 2 : 20. Tegen het bidden of profeteeren der vrouw in het midden der gemeente verzet Paulus zich niet, 1 Cor. 11 : 5; alleen komt hij er tegen op, dat zij dit doet met ongedekten hoofde; want de sluier, die in de Christelijke gemeente uit het Jodendom werd overgenomen en later het kenmerk der gewijde jonkvrouwen werd (virgines velatae), was voor hem het bewijs, dat de vrouw, ofschoon zelfstandig, als profetes, in de gemeente optredende, toch de natuurlijke ordening in het huwelijk bleef erkennen en niet, door valsche emancipatiezucht gedreven, zich misschien op hare gaven liet voorstaan en als eene „vrije vrouw” zich boven den man wilde verheffen. Dreigde er ook niet eenig gevaar, dat vrouwen misbruik maakten van de geestelijke eenheid in Christus, evenals slaven in Corinthe op grond van hunne geestelijke gelijkheid vrijlating van hunne heeren eischten? 1 Cor. 7 : 20 v.
Opmerkelijk blijft hierbij, dat Paulus zich tegen het bidden en profeteeren der vrouw in het midden der gemeente niet verzet, mits het geschiede in eerbiediging der bestaande verhoudingen in het huwelijk. Zeker werd hij daarvan ook teruggehouden door het voorbeeld der profetessen in het Oude Testament. Maar het schijnt, dat Paulus deze vrijheid der profetie een paar hoofdstukken verder, in 1 Cor. 14 : 34, en later nog sterker in 1 Tim. 2 : 12 terugneemt. Want daar zegt hij, dat de vrouwen in de gemeenten, moeten zwijgen, dat het haar niet toegelaten is te spreken, dat zij niet mogen onderwijzen maar in stilheid moeten zijn; als zij iets willen weten, moeten zij tehuis hare eigene mannen vragen, want het staat leelijk voor de vrouwen, dat zij in de gemeente spreken; ze moeten onderworpen zijn, gelijk ook de wet zegt.
Er zijn vele pogingen beproefd, om deze beide uitspraken van den apostel met elkander in overeenstemming te brengen; maar de waarschijnlijkste is die, welke tusschen het bidden en profeteeren eenerzijds en het spreken andererzijds onderscheid maakt. In de gemeente van Corinthe n.l. was nog het vrije woord geoorloofd, vooral in den vorm van profetie, glossolalie, uitlegging der talen enz., en Paulus komt daar niet tegen op, maar geeft er alleen eenige regelen voor aan. Zoo keurt hij ook het charismatisch, dat is, het uit aandrift des Geestes geboren bidden en profeteeren der vrouwen niet af, mits het niet vergezeld ga van eene valsche emancipatiezucht. Maar wel verzet hij zich beslist in 1 Cor. 14 : 34 tegen het spreken, dat is waarschijnlijk tegen het vragen, critiseeren, redeneeren, zooals dat wel bij de Grieksche hetaeren gewoonte was, en in 1 Tim. 2 : 12 tegen het onderwijzen, d.i. het optreden als leerares in de gemeente. Dat Paulus hier zoo nadrukkelijk aan de vrouwen het zwijgen in de gemeente oplegt, bewijst wel, dat zij in Corinthe van het vrije woord misbruik maakten, en ook later nog in Efeze, toen dat vrije woord reeds tot het verleden behoorde, tegen deze ordening in verzet kwamen. Voor het overige vergete men niet, dat, toen de zendingsgemeente langzamerhand in eene volledig geïnstitueerde kerk overging, de profetie met alle buitengewone geestesgaven uitstierf en het vrije woord niet alleen aan de vrouwen, maar ook aan de mannen ontnomen werd; de ambtelijke dienaar des woords behield alleen het recht, om in de gemeente te spreken en te leeren.
Van dezen specialen dienst uitgesloten, werd de vrouw toch in de eerste Christengemeenten tot allerlei anderen arbeid geroepen. Ten eerste waren er vele vrouwen, die haar woningen openstelden voor de samenkomsten der gemeente, zichzelven den heiligen ten dienste schikten, gastvrijheid bewezen, armen en kranken verzorgden, en daarom als dienaressen, Rom. 16 : 1, als voorstandsters of patronessen geëerd werden, Rom. 16 : 2, 1 Cor. 16 : 15, 16. Zulke „moeders der synagogen” waren ook al in het Jodendom bekend en kwamen in de eerste Christengemeenten veelvuldig voor; men denke slechts aan de moeder van Johannes Markus in Jeruzalem, Hand. 12 : 12, PHEBE in Kenchreae Rom. 16 : 1, PRISCILLA met haar man AQUILA in Efeze, later in Rome, Hand. 18 : 2, 26, Rom. 16 : 3, het huis van STEPHANAS, eersteling van Achaje, 1 Cor. 16 : 15. Omdat PHEBE in Rom. 16 : 1 eene diakonos heet, meende men vroeger algemeen, dat al deze vrouwen diaconessen waren in onzen zin van het woord. Maar dit gevoelen schijnt niet houdbaar te zijn; ze worden n.l. ook met andere namen aangeduid, zoo als medearbeidsters in Christus Jezus, Rom. 16 : 3, Phil. 4 : 3 (evenals elders TIMOTHEUS, CLEMENS, PHILEMON, LUCAS, MARKUS enz. zoo heeten), als voorstanders, Rom. 16 : 2, als dezulken, die met PAULUS en andere medearbeiders medegestreden hebben in het Evangelie, Phil. 4 : 3. De dienst, door deze vrouwen verricht, was dus niet of althans niet uitsluitend werk der barmhartigheid, maar een dienst in het Evangelie, een mede-arbeiden met PAULUS en anderen in de verbreiding van de boodschap des heils.
Hiermede stemt overeen wat ons van PRISCILLA en haar man AQUILA wordt verhaald; waarschijnlijk waren zij beiden in Rome Christen geworden, maar ze weken uit naar Corinthe om het bevel van CLAUDIUS, dat alle Joden uit Rome vertrekken moesten, ontmoetten daar PAULUS en reisden met hem naar Efeze; daar werkten zij een tijd lang met hem samen en bleven er achter, toen PAULUS doorreisde naar Jeruzalem. In Efeze ontvingen ze dezen zegen op hun arbeid, dat zij aan APOLLOS den weg Gods nauwkeuriger konden uitleggen; en zoo arbeidden ze op hunne reizen in de zending voort, en brachten zij eene schare van discipelen toe, Hand. 18 : 2, 18, 19, 26, Rom. 16 : 3, 4, 1 Cor. 16 : 19, 2 Tim. 4 : 19. HARNACK kwam hierdoor op het vermoeden, dat PRISCILLA, die dikwerf vóór haar man wordt genoemd, en AQUILA de auteurs waren van den brief aan de Hebreeën, maar dit gevoelen is meer geniaal dan gegrond. Ook volgt uit dezen arbeid niet, dat PRISCILLA in den ambtelijken zin als leerares optrad; maar zij en haar man werkten toch met PAULUS en anderen mede in de verbreiding van het Evangelie. PLINIUS maakt dan ook in zijn brief aan keizer TRAJANUS gewag van twee Christelijke vrouwen, die ministrae (dienaressen) genoemd werden. CLEMENS ALEXANDRINUS zegt, dat de vrouwen, die den apostel PAULUS op zijne zendingsreizen vergezelden, medewerkten in de leer, en, terwijl de apostelen het Evangelie aan de mannen verkondigden, het Evangelie aan de Heidensche en Joodsche vrouwen brachten, niet in het openbaar, maar privaat in de huizen. En CHRYSOSTOMUS getuigt van de vrouwen, die met de apostelen mede-arbeidden, dat zij de baan van apostelen en evangelisten betraden, niet door in het openbaar in de vergadering der geloovigen het Evangelie te verkondigen, maar wel door in privaat gesprek of ook wel door andere diensten (gastvrijheid) bij de verbreiding des Evangelies behulpzaam te zijn.
Zooals de genoemde plaatsen recht geven, om bij de verbreiding van het Evangelie van een hulpdienst der vrouwen te spreken, zoo wijst 1 Tim. 5 : 9, 10 ons, ten tweede, op zulk een hulpdienst bij het presbyteraat (opziener- of ouderlingschap). Wel is waar is ook in Tit. 2 : 3–5 van bejaarde vrouwen sprake, die in heel haar handel en wandel zich zoo gedragen moeten, als den heiligen betaamt, opdat zij de jonge vrouwen leeren, voorzichtig te zijn en hare mannen en kinderen lief te hebben. Doch deze vermaning moet door Titus niet gericht worden tot enkele verkorene, maar tot alle bejaarde vrouwen, en ze houdt niet zoozeer een leeren door het woord, als wel door het voorbeeld in, verg. 1 Pet. 3 : 1.
Van meer belang voor ons doel is hetgeen Paulus in 1 Tim. 5 : 9, 10 zegt. Nadat hij eerst de zorg voor de arme weduwen aan de familieleden (kinderen en kleinkinderen) en daarna aan de gemeente heeft aanbevolen, maakt hij in de genoemde verzen gewag van de verkiezing (of eigenlijk de inschrijving op een rol of register) van eene weduwe, die niet minder dan 60 jaren oud is en eens mans vrouw is geweest. Aan zulk eene weduwe worden voorts vele eischen gesteld: ze moet getuigenis hebben van goede werken, kinderen hebben opgevoed, gaarne geherbergd, de voeten der heiligen gewasschen, aan verdrukten hulp bewezen hebben, in alle goed werk ijverig geweest zijn. Uit deze vereischten laat zich afleiden, dat deze weduwe tot een bijzonderen dienst in de gemeente geroepen werd, en wel waarschijnlijk tot het bezoeken van armen, kranken, gevangenen, tot het opvoeden van weezen en het geven van raad en leiding aan de jongere vrouwen. De tegenstelling, welke in de volgende verzen 11–16 gemaakt wordt, beveelt deze opvatting aan; want daar is sprake van jonge weduwen, die eerst wel voor zulk een dienst zich aanboden, maar spoedig ontrouw werden, omdat ze liever wilden hertrouwen en bij het huisbezoek door hare ledigheid en babbelzucht meer kwaad dan goed deden. De apostel beveelt dan ook, dat zulke jonge weduwen liever moeten huwen, kinderen voortbrengen en haar huis wel regeeren, opdat zij aan den tegenstander geen oorzaak van lastering geven. In de latere kerkelijke litteratuur (bij den Pastor van Hermas, Clemens, Origenes, Tertullianus) vinden wij dan ook enkele malen melding gemaakt van oudere weduwen, die als eene soort vrouwelijke ouderlingen (presbytides, presbyterae, presbyterissae) dienst deden en eene eereplaats in de gemeente innamen.
En zoo was er ten derde ook een hulpdienst der vrouwen bij het diaconaat. De naam diakonos, in Rom. 16 : 1 aan PHOEBE gegeven, is hiervoor niet beslissend, maar in 1 Tim. 3 : 11 zegt Paulus, dat de vrouwen evenzoo (als de diakenen) eerbaar moeten zijn, geene lasteressen, wakker, getrouw in alles. Sommigen hebben hierbij aan de echtgenooten der diakenen gedacht, maar dit gevoelen is onwaarschijnlijk, omdat het woord: insgelijks (of evenzoo) eene andere categorie van personen inleidt; de tekst niet van _hunne_, maar alleen van _de_ vrouwen spreekt; en ook bij de opzieners, wier vereischten in vers 1–7 worden opgesomd, van hunne vrouwen niet de minste melding geschiedt. Zulke dienende vrouwen, als hier waarschijnlijk worden bedoeld, komen later in de kerkelijke litteratuur ook meermalen voor. Maar het valt moeilijk te zeggen, in welk opzicht de bovengenoemde weduwen en de hier bedoelde diaconessen van elkander onderscheiden waren en in welke verhouding zij tot elkander stonden; soms gaan de weduwen in rang aan de diaconessen vooraf, en soms volgen zij haar. Tot de werkzaamheden dezer vrouwen behoorden niet alleen werken van barmhartigheid, zooals armenzorg, ziekenbezoek enz.; maar men maakte van haar dienst vooral ook gebruik, 1º. door vrouwen in hare woningen te bezoeken en met de leer des Evangelies bekend te maken, en 2º om behulpzaam te zijn bij het ontvangen der sacramenten, den doop, de handoplegging, de zalving enz. Mannen konden deze diensten moeilijk bewijzen, omdat daardoor allicht aanleiding gegeven zou zijn tot kwaad gerucht. De hulpdienst van het diakonaat kwam daardoor in het Oosten vooral tot ontwikkeling; in het Westen daarentegen bestond alleen het viduaat (de weduwendienst), zelfs nog tot in de derde eeuw toe[14].
[14] HARNACK, Mission und Ausbreitung des Christ. in den ersten drei Jahrh.{2}, Leipzig 1906. E. VON DER GOLTZ, Der Dienst der Frau in der Christl. Kirche 1905, ZSCHARNACK, Der Dienst der Frau in den ersten Jahrhunderten der Christl. Kirche, Göttingen 1902, die vóór de inhoudsopgave ook litteratuur noemt. ACHELIS in PRE{3} IV 616. RÖSLER, Die Frauenfrage 1907, bl. 239 v. LYDIA STÖCKER, Die Frau in der alten Kirche, Tübingen 1907, GERLINGS, De vrouw in het oud-Christ. gemeenteleven, Amsterdam, 1913. HARRENSTEIN, Het arbeidsterrein der Kerk in de groote steden, Kampen J. H. Kok 1913 Bijlage J.
3. DE VROUW IN DE CHRISTENHEID.
Zoo was er in de Christelijke kerk oorspronkelijk een krachtig streven, om voor de velerlei werkzaamheden binnen en buiten de gemeente van den dienst der vrouwen gebruik te maken. Ook namen ze in den ouden tijd, toen de bisschopskeuze nog niet aan een bepaald deel der geestelijkheid was toebetrouwd, hier en daar soms met de mannen aan die verkiezing deel[15]. Maar inzonderheid drie oorzaken hebben deze ontwikkeling in haar loop gestuit, de haeresie, de hierarchie en de ascese. Wat de haeresie betreft, de geschiedenis der godsdiensten bewijst, dat in enthusiaste tijden de verbreiding eener religie ontzaglijk veel aan de werkzaamheid der vrouwen te danken heeft. Men denke in den nieuweren tijd slechts aan Mad. BLAVATSKY, Mrs. BESANT, Mrs. EDDY enz.; maar zoo was het altijd en overal, in het oorspronkelijke Christendom, en daarna in het Gnosticisme, Marcionitisme, Montanisme, Priscillianisme enz. Deze secten droegen aan de vrouwen dikwerf het ambt op, om te leeren en de sacramenten te bedienen. Naarmate deze vrouwelijke propaganda van kettersche leeringen toenam en gevaarlijker werd, klemde de kerk zich vast aan het woord van Paulus: mulier taceat in ecclesia, de vrouw zwijge in de gemeente, en werd voor al wat op een ambtelijken dienst der vrouw geleek, bevreesd. De ontwikkeling der hierarchie leidde in dezelfde richting; de charismatische organisatie maakte meer en meer voor de institutaire, gereglementeerde kerk plaats. Aan den leek, niet alleen aan de vrouw, maar ook aan den man, werd het vrije woord ontnomen; het woord bleef alleen aan den bisschop, aan de geestelijkheid. De hoogste ambten in de kerk kregen een priesterlijk karakter; en vrouwen kunnen en mogen, naar het woord van TERTULLIANUS, alleen priesteressen der kuischheid zijn. Eindelijk kwam er nog de ascese bij, die sedert de tweede eeuw meer en meer bij de Christenen ingang vond, straks door de kerk erkend en opgenomen werd en alzoo aan de dubbele moraal het aanzijn schonk. De martelaar, de kluizenaar, de monnik, de bedelmonnik, de zelfpijniger werd de ware Christen. In de Middeleeuwen gingen wereldvlucht en wereldzucht met elkander gepaard.
[15] MAUSBACH, Die Stellung der Frau im Menschheitsleben. M. Gladbach. 1906 bl. 58.
Deze ascetische richting is oorzaak geweest, dat kerkelijke mannen over den zinnelijken lust, over het huwelijk en over de vrouw menigmaal een eenzijdig en onbillijk oordeel hebben gevoeld. Op de tweede synode te Macon in 585 werd er zelfs door een bisschop beweerd, dat vrouwen niet in den vollen zin menschen konden genoemd worden.[16] Maar dit geval staat vrijwel op zichzelf; de synode toonde uit den Bijbel aan, dat de vrouw wèl een mensch mag heeten, want Jezus heette de Zoon des menschen, dat is van Maria. En tegenover al de minachting, welke aan de vrouwen van de zijde van kerkvaders, monniken, inquisiteurs enz. te beurt is gevallen, mag men billijkheidshalve niet vergeten, dat de kerk de ascetische buitensporigheden van sommige secten steeds bestreden heeft; dat zij de ascetische levenswijze tot de raden, niet tot de geboden rekende, en huwelijk, monogamie en onontbindbaarheid van den echt hoog gehouden heeft. Ook gingen de Kerkvaders in hunne verachting nooit zoover als de Manichaeën, die het sexueele met het zondige vereenzelvigden; velen hunner, bijv. CLEMENS ALEXANDRINUS en AMBROSIUS, hebben van de vrouw met hooge waardeering gesproken. Vrouwenhaters zijn er bovendien, evenals vrouwenvergoders, steeds en onder alle richtingen geweest; men denke slechts aan SCHOPENHAUER en NIETZSCHE.
[16] Verg. _De Katholiek_, Dec. 1903 bl. 463, en Aug. Sept. 1917 bl. 84. De vraag, of de vrouw een mensch verdiende te heeten, werd ook later nog wel in scherts gesteld. In 1595 verscheen daarover te Wittenberg eene disputatie, welke bestreden werd door Dr. ANDREAS SCHOPPE in zijne Corona dignitatis muliebris 1596 en later ook door Dr. S. GEDICKE te Maagdenburg in eene Defensie sexus muliebris, Hagae Comitum 1638. Verg. DE MOOR, Comment. in Marckii Comp. II 982. En in 1779 verscheen hier te lande nog een pamflet getiteld: Bewijs dat vrouwen geen menschen zijn.
Vooral echter neme men nog in aanmerking, dat de kerk de hulpdiensten der vrouwen wel langzamerhand geheel teruggedrongen en vernietigd heeft, maar op eene andere wijze en in een anderen vorm toch behouden en hersteld heeft. De vrouw, die in den dienst der kerk rechtstreeks niet meer te gebruiken was, en toch daarvoor roeping gevoelde, zonderde zich van de wereld af, ging met anderen samenwonen, of zocht eene schuilplaats in het klooster. Want van het ontstaan van het monnikwezen af werden er ook kloosters voor vrouwen gebouwd, dikwerf met die van kloosters voor mannen onder één toezicht gesteld. Met BENEDICTUS VAN NURSIA werkte zijne zuster SCHOLASTICA samen; LIOBA was medearbeidster van BONIFACIUS en abdis van het klooster Bischofsheim aan den Tauber; de abdis van het klooster te Fontévrault (dep. Maine et Loire) stond aan 't hoofd van nonnen en monniken; de Zweedsche BIRGITTA stichtte niet alleen een klooster voor 60 nonnen, maar daarnaast ook een klooster voor 72 monniken. Zoo ontstonden er dusgenaamde dubbele kloosters, ook in de orde der Praemonstratensen, Cisterciensen, Gilbertijnen enz., en voegden vele orden, zooals vooral die der Franciscanen en Dominikanen, ook nog Tertiariërs en Tertiarinnen aan zich toe, die zonder het afleggen van bepaalde kloostergeloften, toch naar den zoogenaamden derden regel gingen leven; in den nieuweren tijd kwamen er nog tal van congregaties van mannen en van vrouwen bij. De Roomsche kerk heeft de vrouwen dus wel beslist uit de ambten geweerd, maar toch op andere wijze van haar diensten ruimschoots gebruik gemaakt. En door al deze vrouwen is op het gebied van handwerk, kunst en wetenschap, onderwijs en opvoeding, armen- en krankenzorg, barmhartigheid en zending eene werkzaamheid ontwikkeld, welke niet hoog genoeg gewaardeerd kan worden.
Maar in deze kloosters trad dikwerf verval in, zoodat telkens hervorming noodig was. En tegen het einde der Middeleeuwen nam dit verval in die mate toe en werd het zoo algemeen, dat de kloosters in alle landen te slechter naam en faam bekend stonden. Men kon zijne dochter—zeide GEILER VON KAISERSBERG—beter naar een publiek huis, dan naar vele kloosters zenden. De hoogere en lagere geestelijkheid stond niet beter aangeschreven, want, sedert GREGORIUS VII haar tot het coelibaat verplichtte, leefde ze voor het grootste gedeelte in concubinaat, indien niet erger, in openbare hoererij. De minnedienst der ridderorden ontaardde bovendien in sentimentaliteit en bandeloosheid. De prostitutie greep steeds verder om zich heen en werd een gevaar voor de steden niet alleen, maar ook voor het platteland. Onder dit alles leed de naam en de waardeering der vrouw; ze werd in spreuk en lied, in ernst en scherts op honende wijze veracht en bespot. En de officieele wetenschap bood er weinig tegenwicht aan.