De vrouw in de hedendaagsche maatschappij

Part 2

Chapter 23,804 wordsPublic domain

Er ligt ook wel eene les in, om met het proclameeren van beginselen niet al te royaal te zijn en niet al te haastig te werk te gaan. Van Links werd in eene herziening van Art. 192 der Grondwet toegestemd, die aan de bevoorrechte positie van het openbaar onderwijs een einde maakte, maar waaraan tientallen jaren aaneen heftige tegenstand werd geboden; hoeveel beter had de in dien strijd verbruikte volkskracht aan de verbetering en verheffing van het onderwijs besteed kunnen worden? En aan de Rechterzijde had er zulk eene ontwikkeling in de denkbeelden plaats, dat het lang bestreden algemeene en het vrouwenkiesrecht, wel met allerlei bezwaren, maar toch feitelijk met bijna al hare stemmen aangenomen werd.

Van ontrouw aan eens beleden beginselen valt hierbij niet te denken, want alle leden van het parlement zullen erkennen, dat een _beginsel_ niet om redenen van opportuniteit of utiliteit verloochend mag worden. Indien het individualistische kiesrecht van mannen en vrouwen op afdoende gronden van Schrift of belijdenis te veroordeelen ware, had niemand der Rechtsche Kamerleden daaraan zijne stem mogen of ook willen geven. Zij haastten zich allen juist, om uit te spreken, dat het vrouwenkiesrecht geene zaak van geloofsbeginselen was, en bleken dus tot andere gedachten gekomen te zijn, dan die vroeger wel in de partij werden uitgesproken en waarin ook thans nog velen voortleven. En de Antirevolutionaire leden volgden in dezen slechts den raad van _De Standaard_, die, in weerwil van Art. 11 van het beginselprogram, herhaaldelijk aanneming der herzienings-voorstellen aanbeval.[7]

[7] Evenmin als _De Standaard_ met dit advies de artikelen weersprak, die daarin vroeger verschenen en ook afzonderlijk werden uitgegeven (De eerepositie der vrouw door Dr. A. KUYPER, Kampen J. H. Kok 1914), evenmin is er strijd tusschen de rede, welke Schrijver dezes in de Eerste Kamer over het vrouwenkiesrecht hield, en de artikelen: Het vrouwenkiesrecht voor Gods Woord, en: De moeder uitgeschakeld, die in _De Standaard_ van 19, 21, 23 en van 27, 29 Juni 1917 werden opgenomen. Men kan met al deze artikelen van harte instemmen, en toch redenen hebben, om, evenals _De Standaard_ zelf, een voorstel inzake vrouwenkiesrecht te steunen; hoogstens is er dan alleen verschil over den aard en het gewicht der motieven, die tot het verleenen van dien steun bewegen. In denzelfden geest merkte ook Dr. H. H. K. in _de _Heraut_ van 27 Mei 1917 terecht op, dat uit het door Schrijver dezes gehouden betoog hoegenaamd niet mocht worden afgeleid, dat Gods Woord de emancipatiezucht van het feminisme en de volkomen gelijkstelling van man en vrouw verdedigen zou; trouwens, het tegendeel werd ook door mij kort, maar duidelijk uitgesproken.

Omgekeerd is het niet zonder beteekenis, dat ook organen der Antirevolutionaire pers, zooals bijv. _De Stichtsche Courant_, uitdrukkelijk erkenden, dat het politieke stemrecht der vrouw niet door de Schrift verboden wordt. En Prof. BOUWMAN schreef in _De Bazuin_ van 1 Juni 1917, dat hij met het betoog van Dr. BAVINCK in de Kamer zich uitnemend vereenigen kon; de Schrift verbiedt niet, aan de vrouwen het stemrecht te geven.

Indien nu de voorstellen inzake het kiesrecht, in weerwil van rechtmatige en onmiskenbare bezwaren, toch ten slotte ook van Rechts met bijna algemeene stemmen werden aangenomen; dan moeten er _motieven_ zijn, die tegen de bezwaren hebben opgewogen en de schaal naar de andere zijde deden overslaan. Zulke motieven lagen blijkens de redevoeringen der Rechtsche Kamerleden niet in het begeerenswaardige van het individualistische mannen- en vrouwenkiesrecht op zichzelve, noch ook in de heilrijke gevolgen, die men daarvan in de toekomst verwachtte, en evenmin in den ruilhandel, dien men geschiktelijk met de herziening van Art. 192 tegen die van Art. 80 drijven kon. Maar ze liggen allen hierin opgesloten—gelijk de Minister ook in de Memorie van Toelichting opmerkte—dat, als het vrouwenkiesrecht niet wordt begeerd, er geen redenen zijn, om het te verleenen, doch dat ook omgekeerd, indien het ernstig en met steeds sterker aandrang wordt begeerd, er bij het tegenwoordig kiesstelsel geen afdoende gronden zijn om het te weigeren[8]. Als daarom opgemerkt wordt, dat de politiek geen zaak voor de vrouw is, schadelijk is aan hare eigene roeping en taak en met valsche emancipatiezucht samenhangt, dan moge hier veel van aan zijn, maar het is de volle waarheid niet. In het feminisme is een goed en een verkeerd element te onderscheiden; het is niet met één enkel woord in al zijne eischen te weerstaan. Er zijn motieven, die, nu eenmaal het algemeene kiesrecht en ook het kiesrecht der vrouw, als het ware buiten ons om en tegen onzen zin, aan de orde werden gesteld, tot aanneming der desbetreffende voorstellen moesten bewegen. Zulke motieven werden door verschillende sprekers in de Tweede Kamer, en door elk op zijne wijze, ontwikkeld.

[8] Zoo liet de Heer CORT VAN DER LINDEN zich ook reeds uit met betrekking tot het kiesrecht in het algemeen, in zijn Richting en Beleid der liberale partij. Groningen 1886 bl. 65.

In de Eerste Kamer zocht Schrijver dezes ze vooral in de veranderde positie, welke de vrouw in de tegenwoordige maatschappij inneemt; ze gaven hem vrijheid, om zijne stem ten gunste van de aanhangige voorstellen uit te brengen, en vinden in de volgende paragrafen van deze brochure eene breedere uiteenzetting.

2. DE VROUW IN DE HEILIGE SCHRIFT.

Gelijk reeds opgemerkt werd, vindt de gedachte meer en meer ingang, dat de H. Schrift inzake vrouwenkiesrecht geen gebod en ook geen verbod bevat; het is eene aangelegenheid, die niet met eenige geloofswaarheid in strijd is. Toch is het wel van belang, na te gaan, welke plaats de Schrift in het algemeen aan de vrouw toekent. Indien zij bijv. uitsluitend predikte de ongelijkheid en de ondergeschiktheid der vrouw, indien zij van de voorstelling uitging, dat de vrouw een wezen van lager orde was dan de man, dan zou dat wel terdege eene reden kunnen zijn, om aan de vrouw het stemrecht in den Staat te onthouden.

Maar zoo staat de zaak niet. De H. Schrift leert beide, de gelijkheid en de ongelijkheid, de eenheid en het onderscheid, van man en vrouw. De eenheid en de gelijkwaardigheid wordt in het Oude Testament het duidelijkst en het schoonst uitgesproken in Gen. 1 : 27, volgens welken tekst man en vrouw beiden door God naar zijn beeld zijn geschapen, beiden dezelfde menschelijke natuur deelachtig zijn en als het ware éénen mensch vormen. Maar daarnaast leert Gen. 2 zeer beslist de ongelijkheid der vrouw, want ze wordt na, uit en om den man geschapen, hem ter hulpe, als vleesch van zijn vleesch en als been van zijne beenen; Gen. 1 spreekt van de vrouw, op zichzelve genomen; Gen. 2 spreekt van haar als echtgenoote, om wie de man zijn vader en zijne moeder verlaat.

Deze ongelijkheid is tengevolge van de overtreding van Gods gebod, waaraan eerst de vrouw, daarna de man zich schuldig maakte, verscherpt geworden. De straf, welke op de overtreding volgde, trof de vrouw veel zwaarder dan den man. Want terwijl de man vooral in zijn arbeid getroffen wordt en zich door de vervloeking des aardrijks tot een leven vol moeite en verdriet veroordeeld ziet, wordt de vrouw in haar persoon getroffen: met smart zal ze kinderen baren, toch zal tot den man hare begeerte zijn, en hij zal over haar heerschappij hebben. De vrouw wordt als vrouw, als echtgenoote en als moeder gestraft. En deze profetie is vervuld door heel de historie heen, onder alle volken, in alle tijden en oorden.

Nu gaat het niet aan, om in enkele trekken eene schets te geven van het lot, dat het deel der vrouw is geweest. Er is onderscheid tusschen de stammen, volken en rassen, zelfs tusschen de huisgezinnen en familiën bij hetzelfde volk en in denzelfden tijd. Bij het eene volk vertoont het familieleven eene betrekkelijke reinheid en zuiverheid; bij een ander volk is het op schrikkelijke wijze ontaard[9]. Zelfs onder hetzelfde volk komen gunstige en ongunstige toestanden naast elkaar, of ook wel na elkander voor. Er zijn steeds en overal mannen geweest, die tirannen voor hunne vrouwen waren; en overal en altijd waren er mannen, die haar innig liefhadden en teeder voor haar zorgden. Omgekeerd waren er ook steeds goede vrouwen, liefhebbende moeders, trouwe gaden naast heerschzuchtige, sarrende, kwellende echtgenooten. Men kan niet alles over ééne kam scheren. De natuurlijke geaardheid van man en vrouw en ook de liefde, die hen tot elkander brengt en aan elkander bindt, blijven overal bestaan en doen in zeden en gewoonten haar invloed gelden. Daarom kan uit het ontbreken van rechtsbepalingen nog volstrekt niet geconcludeerd worden tot de slavernij en de onderdrukking der vrouw. Eerst zijn er de zeden en gewoonten, en eerst veel later, als de beschaving reeds vergevorderd is, komt de codificatie van het recht. Tot het vormen van die zeden en gewoonten heeft de vrouw het hare bijgedragen; ze heeft daar dikwerf nog meer invloed op uitgeoefend dan de man. Want de vrouw verloochent zichzelve niet; zij weet zich te redden en heeft evenzeer den man beheerscht als de man zijne vrouw. En voorts iedere tijd heeft zijn eigen zeden en gewoonten, die bij dien tijd passen; ze zijn op zichzelf dan nog niet slechtere, schoon andere, dan die, waarnaar wij leven. Slavernij was een toestand, die eens een element vormde van de cultuur en toen dragelijk was. En zoo was de ondergeschiktheid der vrouw aan den man een toestand, die vanzelf sprak bij een, niet steeds lageren, maar toch vroegeren staat van cultuur. Dwang wordt eerst dwang, als hij als zoodanig gevoeld wordt.

[9] Zie mijn: Het Christelijk Huisgezin. Tweede herziene druk. Kampen, J. H. Kok 1912, bl. 29 v. STUART MILL, De slavernij der vrouw, naar de 4de Eng. uitgave bewerkt door M. ELIZABETH NOEST, Amsterdam, van Looy 1898 bl. 470, zegt dan ook terecht, dat de wetten dikwerf slechter zijn, dan de menschen, die ze uitvoeren, en door gezindheid en belangen worden verzacht.

Nu heerschte vroeger allerwege evenals thans nog bij de minder beschaafde volken de gedachte, dat de vrouw geen subject van rechten was, maar haar natuurlijken beschermer had in haar vader, haar man, haar ouderen broeder; ze had geen eigen persoonlijkheid en geen eigen bezit; en bepaaldelijk in het huwelijk was de man haar „heer”, evenals hij als vader dit was over zijne kinderen en als eigenaar over zijne slaven. Deze macht van den heer was in theorie zoo goed als onbeperkt, maar daarom nog volstrekt niet in de practijk. Zeker werd er door menigeen misbruik van gemaakt, evenals menig man nu nog zijne macht misbruikt, in weerwil van alle beperkende bepalingen der wet. Maar daarom deed de man dat nog niet; de goede mannen zagen in deze macht eene verplichting, om voor vrouw en kinderen te zorgen, ze te beschermen en te verdedigen. Zoo had ook de slavernij hare donkere schaduwzijde, vooral als ze met slavenhandel gepaard ging; maar zij wortelde in de sociale toestanden, en bood aan de slaven toch ook bestaanszekerheid en bescherming. Over het algemeen nam de vrouw echter bij schier alle volken eene ondergeschikte positie in; ze gold als een schepsel van lagere orde en van mindere waarde. En allerlei instellingen en gewoonten, zooals polygamie, polyandrie, vrouwenroof, vrouwenkoop, hetaeren- en concubinenwezen, willekeurige echtscheiding en vrije liefde, hebben er toe bijgedragen, om de vrouw te onderdrukken en van alle zelfstandigheid te berooven.

Bij de z.g.n. natuurvolken treft men zoo goed als overal echtelijke verbindingen, regelingen betreffende de graden van bloedverwantschap, en allerlei gewoonten aangaande den omgang der geslachten aan; en het is onbewezen, dat deze verhoudingen, die alle het natuurlijk onderscheid van man en vrouw onderstellen, uit dierlijke toestanden van promiscuiteit zich ontwikkeld hebben. De evolutietheorie is te dezen opzichte even onjuist gebleken als de voorstelling van ROUSSEAU over het idyllische leven van den natuurmensch. Maar ofschoon de toestanden bij de natuurvolken onderling weer zeer verschillen, de vrouw was toch steeds aan den man ondergeschikt. Vóór het huwelijk werd de kuischheid en het schaamtegevoel der meisjes dikwerf in het geheel niet ontzien; en in het huwelijk werd de vrouw alleen gewaardeerd als middel van voortplanting en als arbeidskracht. De man had onbeperkte macht, om zijne vrouw van zich te laten gaan, te verkoopen, te slaan of zelfs te dooden, en bij de verdeeling van den arbeid kreeg zij de zwaarste taak in het huisgezin en op het veld, terwijl de man zijn tijd op de jacht, in ledigheid of in feestgelagen doorbracht. Bij de godsdienstige plechtigheden was ze van elke handeling of ook zelfs van alle bijwoning uitgesloten, ofschoon vrouwen in sommige godsdiensten ook wel als toovenaressen of priesteressen dienst deden.

Bij de cultuurvolken is de toestand der vrouw principiëel niet verschillend van dien bij de natuurvolken; in sommige opzichten is hij eer erger dan beter te noemen. Bij de Babyloniërs, Assyriërs, Pheniciërs, Grieken, Romeinen bijv. werd het geslachtsonderscheid ook op de goden overgedragen en leverde het leven der goden en godinnen een voorbeeld van zedeloosheid en ongebondenheid. Bij Babyloniërs en Pheniciërs werd prostitutie voor elke vrouw tot een godsdienstigen plicht gerekend. In Indië waren de weduwen verplicht, zich met het lijk van hare echtgenooten te laten verbranden en werden pasgeboren meisjes niet zelden gedood. In een artikel in het Juninummer van _Leven en Werken_ hing de Japansche correspondente, HENRIETTE HOLST-HENDRIX te Yokohama, een donker tafereel op van het leven der Japansche vrouw; zij geldt er als een minderwaardig wezen, tot dienen en gehoorzaam geboren, opgevoed tot onderdanigheid aan den man, die dikwerf verwaand, driftig en onredelijk is; de geboorte van een zoon wordt er, evenals bij ons, over het algemeen als een grooter geluk voor de ouders beschouwd dan die van een meisje.[10]

[10] Volgens het _Handelsblad_ van 22 Aug. 1917 riep Mej. F. S. SCHIPPERS, hoofd van de Kartinischool te Semarang in een open brief in de _Javabode_ de hulp in van Mevrouw VAN LIMBURG STIRUM, echtgenoote van den gouverneur generaal, om al haar invloed aan te wenden, dat er binnen afzienbaren tijd een einde komen mocht aan het uithuwelijken van Javaansche kinderen reeds op 12 tot 14 jarigen leeftijd, waaraan ook de kinderen der Kartinischolen niet ontkomen. Dit moge nu geen regel zijn, zooals van inlandsche zijde werd opgemerkt (_Handelsblad_ 9 Oct. 1917 Ocht.), ook als uitzondering is het al erg genoeg.

Maar afgezien van dit alles, bij de Oostersche volken bestond en bestaat er nog eene sterke afscheiding tusschen de geslachten: de vrouw is tot haar huis beperkt en neemt aan het openbare leven geen deel; in het openbaar mag zij zich niet dan gesluierd vertoonen. De man is in volstrekten zin haar heer, het hoofd van gezin en familie; terwijl hij, ook waar monogamie regel is, zich allerlei vrijheden veroorloven mag, zooals het nemen van bijwijven, het bezoeken van hetaeren, het verlaten van zijne vrouw enz., geldt voor haar eene andere en veel strengere moraal; echtbreuk wordt bij haar zwaar, niet zelden met den dood gestraft. Bij Grieken en Romeinen stond de vrouw oudtijds wel in hooger aanzien; maar de practische levensbeschouwing was toch, zooals DEMOSTHENES het uitdrukt: hetaeren hebben wij voor ons genoegen, bijvrouwen voor de dagelijksche verzorging van onze lichamen, en echtgenooten voor het verwekken van echte kinderen en als betrouwbare wachteressen in het midden onzer woning. En toen later rijkdom en weelde binnendrongen, gingen de zeden achteruit; wettige vrouwen werden achtergesteld bij lichtzinnige hetaeren, echtscheidingen namen hand over hand toe, beperking der geboorten kwam algemeen in practijk, en mannen en vrouwen werden verhit in hun lust en gaven zich over aan onnatuurlijke zonden.[11]

[11] Verg. mijn Christelijk Huisgezin bl. 27 v. RÖSLER, Die Frauenfrage{2}, Freiburg B. 1907 bl. 144 v. en de daar bl. 178 opgegeven litteratuur; over de Grieksche en Romeinsche vrouw ook Mej. Dr. GERLINGS, De vrouw in het oud-Christ. gemeenteleven, Amsterdam Kruyt 1913 bl. 9–42.

De waardeering der vrouw hangt met de gedachte over haar oorsprong saam, en is dus in haar diepsten grond religieus van aard. Het Oude Testament begint met het verhaal van de schepping van man en vrouw naar Gods beeld, en doet dus reeds van tevoren verwachten, dat de positie der vrouw onder Israel in velerlei opzicht bevoorrecht zal wezen boven die bij andere volken. En dat is ook inderdaad het geval. Wel is bij Israel, evenals bij alle Oostersche volken, de man de „heer” van de vrouw en deze aan hem ondergeschikt. Maar toch is er van slaafsche onderdanigheid der vrouw geen sprake. Vrouwen als Sara, Rebekka, Abigail maken volstrekt niet den indruk, dat zij zich alles lieten welgevallen; haar invloed is groot, ten goede, maar dikwerf ook ten kwade, gelijk de voorbeelden van Eva, Thamar, Delila, Izebel bewijzen, en de waarschuwingen tegen de kwade vrouw in Spr. 2 : 16, 5 : 3, 6 : 24, Pred. 7 : 26 enz. daarvan getuigenis geven. Aan de andere zijde is er in het Oude Testament voor spiritualistische ascese geen plaats; vrouw en moeder, huwelijk en kroost worden hoog gewaardeerd, het gezin is de grondslag van heel de maatschappij, Gen. 2 : 23, 23, Ex. 20 : 12, Spr. 11 : 16, 12 : 4, 14 : 1, 18 : 22, 19 : 14, Ps. 128, Spr. 31 : 10–31 enz. Ook namen vrouwen deel aan den cultus (gebeden, feesten, offermaaltijden), waren tegenwoordig bij de voorlezing der wet, Deut. 31 : 12, 8 : 35, Neh. 8 : 3, vierden de feesten mede, Ex. 12 : 3, 4, Deut. 16 : 11, 14, Ezr. 10 : 1, verg. Hoz. 4 : 13, Jer. 31 : 13, Klaagl. 1 : 4, deden dienst aan den ingang van de tent der samenkomst, Ex. 38 : 8 (Leidsche vert.) 1 Sam. 2 : 22, oefenden muziek en dans uit bij groote feesten, Ex. 15 : 20, Richt. 11 : 34, 1 Sam 18 : 6, Ps. 46 : 1, 68 : 26, Am. 8 : 3, Hoogl. 6 : 9, waren leden van het tempelkoor, Ezr. 2 : 65, Neh. 7 : 67, ontvingen openbaringen zooals Hagar, Sara en de vrouw van Manoach, traden soms op als profetes, (Mirjam Ex. 15 : 23, Num. 12 : 2, Mich. 6 : 4, Debora Richt. 4 : 2, Hulda 2 Kon. 22 : 13–20, Noadja Neh. 6 : 14, Anna Luk. 2), als richteres (Debora Richt. 4) of als koningin (Athalia).

Maar eene donkere schaduw werd op dat alles geworpen door de polygamie, die, volgens Jezus' woord, Matth. 19 : 8, Mark. 10 : 2–9, van den beginne niet was geweest, maar om de hardigheid des harten werd geduld; ze was volstrekt geen regel, maar werkte toch schadelijk, gelijk het huiselijk leven van Abraham, Jakob David, Salomo bewijst. De wet stond bovendien aan den man toe, om aan zijne vrouw een scheidbrief te geven, als hij iets schandelijks aan haar gevonden had, Deut. 24 : 1. In de practijk kon hier allerlei misbruik van gemaakt worden, zoodat de profeten ertegen moesten optreden, Mich. 2 : 9, Mal. 2 : 14; en de school van HILLEL was in lateren tijd van meening, dat er voor het geven van zulk een scheidbrief reeds reden bestond, als de vrouw het eten niet goed toebereid had. Trouwens, niet het Joodsche volk, maar de Rabbijnen dachten laag van de vrouw; zij achtten haar ongeschikt voor de wetenschap, spraken nooit met haar over wetgeleerde onderwerpen, plaatsten haar achteraf in de synagogen, en beschouwden ze als pronklievend en licht verleidbaar; Rabbi MEIER beval aan den man dagelijks drie dankzeggingen aan, daarvoor dat God hem niet als een heiden, als eene vrouw, en als een dwaas had laten geboren worden[12].

[12] Verg. het aan THALES toegeschreven gezegde, dat hij het noodlot dankbaar was, dat hij ten eerste als mensch en niet als dier geboren was, ten tweede als man en niet als vrouw, ten derde als Helleen en niet als barbaar, ZAHN, Der Brief des Ap. Paulus an die Galater{2}, Leipzig 1907 bl. 187. Het Jodendom heeft zich, behalve in zijne eigen nakomelingen, ook zijwaarts in het Mohammedanisme voortgezet, dat o.a. ook de polygamie en de lichtvaardige echtscheiding bestendigde, en door de minachting der vrouw aan de beschaving groot nadeel toebracht. Nog pas, in de Augustus-aflevering van het Koloniaal Tijdschrift 1917 schreef de Heer H. T. DAMSTE, dat de vrouwen in een Mohammedaansch land aan de Heidenen zijn overgeleverd en aan allerlei willekeur blootstaan. Verg. ook RÖSLER, Die Frauenfrage, Freiburg i. B. 1907 bl. 190 v.

Het Nieuwe Testament neemt een ander, veel hooger standpunt in. Beslissend is reeds terstond het feit, dat Jezus, de Christus, de Zone Gods, uit eene vrouw werd geboren, want in deze vleeschwording des Woords ligt principiëel opgesloten de overwinning van alle dualisme, de veroordeeling van het ascetisme, het eereherstel der vrouw als de gelijkwaardige van den man. Jezus gaat dan ook vrij en ongedwongen, gansch anders dan de Rabbijnen, met vrouwen om; ze volgen Hem op zijne wegen, verkeeren in zijn gezelschap en dienen Hem van zijne goederen. Hij spreekt met haar, evengoed als met de discipelen, over de verborgenheden van het koninkrijk Gods, verg. ook Joh. 4 : 27, prijst het geloof der Kananeesche vrouw als dat van den hoofdman over honderd, doet ze getuigen zijn van zijne woorden en daden, van zijn dood, begrafenis en opstanding, en stort op den Pinksterdag ook over haar de gave des Geestes uit.

Het Christendom is zeker geene politieke en ook geene sociale hervorming geweest, en trachtte daarom ook niet eenige verandering aan te brengen in de verhoudingen, die toenmaals naar recht en gewoonte bestonden tusschen man en vrouw, ouders en kinderen, heeren en slaven, overheid en onderdanen. Doch het was aan de andere zijde ook geen volks-, stands- of staatsgodsdienst, maar eene religie van verzoening en verlossing, door en door katholiek, voor ieder mensch bestemd en geschikt, en daarom ook eene blijde boodschap brengend aan alle menschen, niet het minst aan de vrouw. Het keerde zich zoowel tegen de intellectualistische verlaging als tegen de aesthetische verheerlijking der vrouw, stelde voor beide de religieus-ethische waardeering in de plaats, en wees aan de vrouw eene plaats aan, niet boven en niet beneden, maar naast den man. Terwijl de Grieken met hunne verheerlijking van het intellect minachtend op de vrouw neerzagen en in haar slechts die deugden waardeerden, welke haar voor den man begeerlijk maakten, stelde het Christendom aan man en vrouw dezelfde zedelijke eischen van geloof en bekeering, van reinheid en matigheid, en schonk hun dezelfde weldaden des heils. Zij zijn beiden burgers van hetzelfde koninkrijk Gods, leden van hetzelfde lichaam van Christus. Onder de leden der gemeente—zoo schreef Paulus daarom aan de Galatiërs, 3 : 28—bestaat er geen Jood of Griek, geen dienstbare of vrije, geen man of vrouw, want al te zamen zijn zij één (als het ware één persoon, één mensch) in Christus Jezus, en dus leden van het ééne lichaam, waarvan Christus het Hoofd is. In het natuurlijke bestaat er onder hen allerlei verschil van afkomst, stand, geslacht; maar in het geestelijke valt dat verschil weg, zijn rijke en arme, geleerde en ongeleerde, vrije en dienstknecht, man en vrouw gelijk; niemand heeft in de gemeente, op grond van dat verschil, een voorrecht boven den ander; de Griek staat niet bij den Jood, de dienstknecht niet bij den vrije, de vrouw niet bij den man ten achter; vrouwen en mannen zijn erfgenamen van dezelfde genade des levens, 1 Petr. 3 : 7.