De vrouw in de hedendaagsche maatschappij
Part 16
Hier komt nog een tweede reden bij, waarom de ouderlijke woning de noodige opleiding voor de huishouding dikwerf niet meer geven kan. Zooals vroeger reeds werd opgemerkt, heeft de moderne cultuur het private huishouden niet vernietigd. Maar de ontwikkeling van industrie en techniek heeft in de huishouding groote veranderingen gebracht. Hoevele werkzaamheden, vroeger noodig voor de instandhouding van het gezin, voor spijsbereiding en inmaak, vervaardiging en herstel van kleedingstukken, voor verlichting en verwarming enz. zijn in den nieuweren tijd niet overbodig of vereenvoudigd geworden! Er is in zekeren zin en van ééne zijde beschouwd, voor het huishouden thans veel minder tijd en kracht en kunst noodig dan in vorige perioden.
Deze verandering droeg er nu toe bij, om, evenals vroeger reeds in de hoogere klassen der maatschappij, thans ook in de arbeidersklassen en in de burgerkringen de waardeering der huishoudelijke werkzaamheden aanmerkelijk te doen dalen. Uit de arbeiderskringen begeven zich vrouwen en meisjes naar de fabriek, voor een groot deel uit nood; maar toch ook wel, wat de laatsten betreft, omdat zij aangetrokken worden door het hooger loon en de vrije avonden en van het dienen een afkeer hebben. En de dochters uit den burgerstand, in huis tot ledigheid gedoemd, gaan in steeds grooter getale opleiding zoeken voor een of ander beroep in de maatschappij. Dit alles had ten gevolge, dat de vrouwen hoe langer hoe minder bekwaam werden voor de taak, welke haar straks in het huisgezin wachtte; onvoorbereid traden zij het huwelijksleven in, en zonder kennis van zaken moesten zij de huishouding besturen, met dienstboden omgaan, straks kinderen opvoeden en zieken verplegen. De schade, die daardoor toegebracht werd aan huisgezin en maatschappij, was onberekenbaar.
Toen de oogen hiervoor opengingen, werden door het particulier initiatief terstond pogingen aangewend, om het kwaad te herstellen. Sedert ongeveer de tachtiger en negentiger jaren der vorige eeuw werden in Duitschland en elders huishoud- en kookscholen (of cursussen in koken en huishouding) opgericht, om eenigszins te vergoeden wat de ouderlijke woning niet meer gaf of geven kon; hier te lande werd eene kook- en huishoudschool te 's Gravenhage opgericht in 1890, te Amsterdam, Rotterdam en Haarlem in 1891 enz. Deze scholen of cursussen staan soms op zichzelve, soms zijn ze met industrie-, fabriek-, landbouwscholen of scholen van voortgezet lager onderwijs verbonden; van Roomsche zijde worden ze dikwerf in de meisjespatronaten opgenomen.[149] Ze bedoelen, volstrekt niet altijd, eigenlijke vakopleiding te geven voor aanstaande onderwijzeressen of leeraressen, maar trachten in den regel aan meisjes uit den arbeiders- en den burgerstand eenige nuttige kennis bij te brengen aangaande het huishouden. De vakken, waarin theoretisch en practisch onderricht wordt verstrekt, zijn meer of minder talrijk; in het eerste geval strekken ze zich uit tot koken, behandeling van de wasch, strijken, knippen, naaien, verstellen, en andere handwerken, voorts tot huishoudkunde, huisverzorging, kinderverzorging, opvoedkunde; en eindelijk nog tot voedingsleer, gezondheidsleer, ziekenverpleging en verbandleer. Op verschillende plaatsen zijn deze scholen ook bepaald voor de opleiding van dienstboden ingericht, zooals bijv. de beide openbare werk- en leerscholen te Amsterdam; ze geven deze opleiding aan meisjes boven de 12 of 15 jaren, voor een bepaalden prijs per jaar, die wisselt van ongeveer 5 tot 25 gulden 's jaars, in een cursus, die één, twee of drie jaren duurt.[150]
[149] G. A. VAN DER KANT, Meisjespatronaten. 's Bosch Teulings 1909. Het Katholieke Nederland 1813–1913. Nijmegen Malmberg I 397–403.
[150] Vrouwenjaarboekje voor Nederland 1917 bl. 367 v. ANNA POLAK, Leidraad voor Nederlandsche meisjes bij de keuze van een beroep, uitgave van het Nat. Bureau voor Vrouwenarbeid, 's Gravenhage bl. 31 v.
In deze huishoud- en kookscholen komt op merkwaardige wijze uit, hoe de maatschappij voortdurend zichzelve corrigeert. Een tijd lang kon men meenen, dat de private huishouding, onder de werking van de nieuwe industrie en techniek, haar einde tegemoet ging; en aan profeten, die deze toekomst voorspelden, heeft het vooral onder de Sociaaldemocraten niet ontbroken. Maar er is te rechter tijd eene onverwachte en heilzame reactie ingetreden; en toen men de ontwikkeling der maatschappij nader bestudeerde, bleek het weldra, dat zij wel bezig was, om de oude huishouding te vervormen, maar tevens, om ze in anderen stijl te vernieuwen en te herbouwen. Het feitelijk aantal productieve bezigheden—zoo ongeveer laat Mr. CLARA WICHMANN zich uit[151]—is in sterke mate ingekrompen, maar tegelijk hebben de eenvoudige huishoudelijke verrichtingen zich ook weder gecompliceerd.
[151] Dr. J. VAN DEN BERGH EIJSINGA-ELIAS en Mr. CLARA WICHMANN, De vrouw in Nederland voor honderd jaar en thans, Maatsch. v. g. en goedk. Lectuur, Amsterdam bl. 77 v.
Immers, waar vroeger de oude meubels en de oude stoffeering jarenlang gelijk bleven, daar verschikt en verandert men tegenwoordig gaarne en veelvuldig zijne huisinrichting. Waar vroeger de huishoudkunde door de dochter van hare moeder werd afgekeken, daar wordt thans meer en meer de huishoudzorg beschouwd in verband met hygiène en volksgezondheid, als iets wat _opleiding_ vereischt naast handeling en routine, inzicht en hygiène naast practische talenten. Het is een zeer eigenaardig en opmerkelijk verschijnsel, dat onze tijd, de tijd van de _vermindering_ der huishoudelijke bezigheden, tegelijk de tijd der huishoudscholen is. Zelfs is er in onze eeuw eene tegenstrooming aan te wijzen, die ingaat tegen het onttrekken der productie aan de huishouding; de neiging, ontstaan uit het fijner aesthetisch leven van onzen tijd, om zooveel mogelijk weer zelf vervaardigde of onder eigen toezicht vervaardigde voorwerpen te verkiezen, en de „massa-voortbrengselen” der grootindustrie onschoon en plebejisch te vinden.
Evenzoo hebben de pogingen tot algeheele industrialiseering van het huishouden—de huizen met gemeenschappelijke keukens—tot nog toe steeds schipbreuk geleden. De huishouding in het jaar 1913 eischt gedeeltelijk nog wel dezelfde, maar gedeeltelijk ook andere kundigheden, inzichten en talenten, dan de huishouding in 1813 deed, waarmede niet gezegd is, dat ze _minder_ eischt. Want ook de verhouding der huisvrouwen tot hare dienstboden is eene andere geworden, en sluit thans in de vervulling van eene maatschappelijke taak, die niet alleen kennis van maatschappelijke verhoudingen, maar ook fijn gevoel voor andere levens onderstelt. Huwelijk en moederschap stellen in onze dagen ook andere, en wellicht zwaardere eischen, dan zij eene eeuw geleden gemiddeld deden. Zoo lijkt het gezinsleven en het moederschap zich niet te socialiseeren, maar eerder zich te individualiseeren en te vernieuwen, en wel op eene wijze, die aan den eenen kant een sterker aandeel in de maatschappij, aan den anderen eene persoonlijke verdieping meebrengt en vereischt.
Van deze vervorming en verheffing der huishouding hebben allereerst de mannen zich te doordringen. Voor een niet gering deel is het aan hun intellectualisme te wijten, dat in vorige tijden de gaven en krachten der vrouw en ook haar arbeid in de huishouding minder zijn gewaardeerd, dan waarop ze rechtmatig aanspraak hebben. Het is inzonderheid de klassieke wereldbeschouwing en de invloed der Renaissance geweest, die de vrije kunsten hoog boven den handenarbeid verheerlijkte, en in verband daarmede ook de vrouw en hare werkzaamheden verre beneden den man en zijne wetenschap heeft gesteld. Maar voor het leven, voor het rijke, volle leven van huisgezin en maatschappij is de werkzaamheid der vrouw van niet minder gewicht dan de denkarbeid van den man; want de man kan desnoods, ook in dezen arbeid, door de vrouw vervangen worden, maar wie vervangt de vrouw in de huishouding en in de opvoeding van haar kroost? Het moederschap is haar privilege, dat geen man van haar overnemen kan.
Als daarom de man wederom begint, aan den huishoudelijken en opvoedenden arbeid der vrouw, die eene andere, maar geen mindere dan de zijne is, weder de eere te geven, die eraan toekomt, dan zal de vrouw ook met liefde de taak weder opnemen, waartoe zij als vrouw geroepen is. Trouwens, de vrouw is zelve al wederom tot die taak teruggekeerd; het waren niet de mannen, maar de vrouwen, van wie de oprichting der huishoudscholen is uitgegaan. Het was de vrouwenvereeniging in Baden, die, onder leiding der groothertogin LUISE, op dezen nood der tijden de aandacht vestigde en tot het oprichten van huishoudcursussen voor fabriekarbeidsters en voor meisjes uit den burgerstand den stoot gaf.[152]
[152] Art. Hauswirtschaftlicher Unterricht in ROLOFF'S Lex. der Pädagogik II 650.
Wanneer de huisvrouwen op deze wijze weder de huishouding hebben leeren waardeeren en daarvoor met ernst zich voorbereiden, dan zal dit ook aan hare verhouding tot de dienstboden ten goede komen. Deze verhouding laat thans, evenals trouwens ook wel in vorige tijden, te wenschen over. Het schijnt in den geest des tijds te liggen, zegt Mevr. VAN DORP, dat de vrouwen hoe langer hoe minder lust in dienen hebben; de meisjes uit het volk willen voor alles vrij zijn en hooger op; ze willen dames zijn, en de dames bemoeien zich hoe langer hoe minder met de huishouding, ze gaan hoe langer hoe meer uit, leeren het meisje niets en maken daardoor het dienen hoe langer hoe minder aanlokkelijk en aangenaam. Er ligt hier schuld aan beide zijden; de wanverhouding heeft haar grondoorzaak in de oppervlakkige genotzucht, die meer en meer alle standen doortrekt.[153]
[153] Mr. E. C. VAN DORP, Rechten en Plichten van Dienstboden en Werkgeefsters, Maatsch. v. g. en goedk. Lectuur, Amsterdam bl. 6, 7.
Wetten, hoe goed ook, kunnen hier weinig verbetering in aanbrengen; ze worden vooral gemaakt, om misbruiken te voorkomen. Als de verhouding goed zal worden, dan moeten huisvrouwen en dienstboden weder hart voor elkaar krijgen, elkanders belangen behartigen, en zich weder gaan gevoelen als huisgenooten. En daarvoor is waardeering een eerste vereischte; waardeering van den persoon en van zijn arbeid. Als de vrouwen weder op de huishouding zich gaan toeleggen en haar niet beneden zich achten, dan zal dit op den duur ook de gedachte der dienstboden over dezen arbeid veranderen. Onbekend maakt onbemind; maar wat men kent, dat krijgt men ook lief, omdat het leven interessant is, waar men het aangrijpt. De kook- en huishoudscholen kunnen hierbij goede diensten bewijzen, vooral indien ze meer algemeen worden, niet in de theorie zich verliezen maar zich eng bij het reëele leven aansluiten, en rekening houden met het feit, dat het leven in de lagere volksklassen uiterst sober en eenvoudig is.
Maar de huishoudscholen, hoe belangrijk ook, zijn niet de eenige, welke in den tegenwoordigen tijd voor de opvoeding der vrouw van noode zijn. Boven zijn reeds vele andere genoemd, welke nog voortdurend vermeerderd worden, en die niet van boven af, op bevel van de overheid, zijn opgericht, maar uit de behoefte der maatschappij zijn geboren. Ten eerste waren de huishoudscholen daarom reeds niet voldoende, wijl de huishouding niet een vak is, dat jarenlange studie vereischt, en, buiten het huwelijk, tot een zelfstandig bestaan kan leiden. Ze zijn van belang, om eenige practische kennis bij te brengen, om betere denkbeelden over de volksopvoeding ingang te doen vinden, om opleiding te verstrekken aan aanstaande onderwijzeressen en leeraressen in dit vak. Maar. ze zijn niet gelijk te stellen met andere scholen, die voor een bedrijf of beroep opleiden, dat jarenlange voorbereiding vereischt. Wel is waar hebben sommigen ernaar gestreefd, om de huishouding op te heffen tot een zelfstandig vak, dat gelijkwaardig was aan dat van den man en denzelfden looneisch kon stellen. Maar zulke wenschen zijn ijdel en draven door op eene theorie. De kennis der huishouding, welke de vrouw in de arbeiders- en burgerkringen behoeft, wordt in betrekkelijk korten tijd geleerd, en moet dan in de practijk worden eigen gemaakt. En bijna in geen enkel gezin houdt de huishouding den tijd en de kracht der vrouw geheel in beslag; zij doet er menigmaal nog allerlei andere werkzaamheden bij. Dat heeft zij alle eeuwen door gedaan, en dat doet ze nog heden, ten bewijze, dat de vrouw nooit ten volle in hare huishouding opgaat, maar nog andere behoeften heeft, waarvoor zij voldoening zoekt.
Deze behoefte aan andere werkzaamheid heeft zich, in de tweede plaats, in de hedendaagsche maatschappij krachtig doen gelden, omdat vele meisjes uit den lageren en hoogeren burgerstand heden ten dage in een pijnlijke onzekerheid verkeeren aangaande haar toekomst. Ze kunnen er niet meer op rekenen, dat ze later de gelegenheid zullen ontvangen, om in het huwelijk te treden; ze hebben zoovele voorbeelden van het tegendeel voor oogen. Zoo zijn ze dus wel genoodzaakt, om zich nog eene andere mogelijkheid voor te stellen en ook voor het ongehuwde leven zich voor te bereiden. En hierin is de eigenlijke, groote moeilijkheid voor de opvoeding der meisjes gelegen. Een jongen kiest een vak en ziet dan duidelijk den weg afgebakend, dien hij te volgen heeft. Maar een meisje moet met twee kansen in haar leven rekenen. Als zij alleen voor de huishouding zich voorbereidt, loopt zij gevaar, diep teleurgesteld en in haar leven geknakt te worden. Als zij daarentegen een vak of een beroep kiest en om de huishouding zich niet bekommert, heeft zij misschien later, tot een huwelijk komende, van het geld, den tijd en de krachten spijt, welke zij aan de opleiding tot een beroep te koste heeft gelegd. En beide te combineeren, heeft ook zijne bezwaren. Vandaar dat zoovele meisjes, het zekere dan maar voor het onzekere kiezend, reeds terstond na de lagere school gaan overleggen, wat ze „worden” zullen, en onder elkaar die vraag al even druk gaan bespreken als de jongens doen.
Daar komt, in de derde plaats, nog bij, dat de meisjes in den tegenwoordigen tijd meer zelfbewustzijn en fierheid bezitten, dan haar in vroegere tijden gemeenlijk eigen was. De vrouw is ontwaakt en streeft naar persoonlijkheid en vrijheid. Zij kreeg zelve een afkeer van de eenzijdige opvoeding, welke haar vroeger geschonken werd; ze wil geen huissloof wezen en verlangt niet langer de passieve rol te spelen, waarin zij vroeger optrad. De tijd is voorbij, gaat althans voorbij, dat een weinigje huishouden door haar als voldoende voor hare opvoeding wordt beschouwd. 't Is waar, er zijn nog veel te veel vrouwen, die van dit alles niets beseffen, die òf, in de lagere kringen des volks, met zulk eene geringe opvoeding tevreden zijn, òf, in de hoogere klassen der maatschappij, het leven als een spel beschouwen en aan niets anders denken dan aan behagen en genieten. Nog onlangs schreef eene dame, dat ze zeer ontevreden is over het vrouwelijk denken en doen in deze dagen; ten eerste, omdat de vrouwen en meisjes haast niets anders doen dan over distributie en rantsoeneering praten en klagen, en ten tweede, omdat de oorlog haar niet wijzer en ernstiger heeft gemaakt en haar ijdelheid, uitkomende in dure kleedij vol opschik, niet heeft gefnuikt. En zoo zijn er ook nog veel te veel mannen, die, zooals het heet, van geleerde vrouwen niets moeten hebben, het nooit met de vrouw ernstig nemen, maar haar alleen beschouwen als een middel tot amusement.
Gelukkig, dat daarin verandering komt, zij het dan ook nog in betrekkelijk kleinen kring. Daar zijn vrouwen en meisjes, die beseffen, dat het leven ernst is, die er eene roeping in zien, welke zij overeenkomstig haar natuur en aanleg te vervullen hebben. Bij het streven daarnaar oefent ongetwijfeld ook de mode haar invloed, vooral wanneer de meisjes in veel te grooten getale de wetenschappelijke loopbaan inslaan. Ook valt niet te ontkennen, dat het drukke bezoek van vrouwelijke opleidingsscholen eene uiting is van het streven van onzen tijd naar systematische opleiding, samenhangt met het sterk intellectualistisch karakter onzer dagen;[154] al te veel wordt van de leerschool, te weinig van de school des levens verwacht. Maar in het streven is iets, dat lof en steun verdient. En de ouders hebben er rekening mede te houden, dat zij in de toekomst niet alleen voor de opleiding hunner zonen, maar ook voor die hunner dochters te zorgen hebben; ze mogen niet langer de eersten ten koste der laatsten bevoordeelen.
[154] Mr. CLARA WICHMANN, De vrouw in Nederland voor honderd jaren en thans bl. 78.
Eindelijk, ten vierde, de beweging, die we heden ten dage in de vrouwenwereld waarnemen, komt niet van éénen kant. Er is een streven bij de vrouwen, om de maatschappij binnen te dringen en daar eene plaats te veroveren; maar men kan met evenveel, en misschien met nog meer recht zeggen, dat de maatschappij op alle terreinen de deuren voor de vrouwen openzet, en ze uitnoodigt om binnen te treden. Dat begon met de fabrieken, maar het is voortgezet door de scholen, de kantoren, de ateliers, de bureaux, de gestichten enz. Achtereenvolgens zijn alle barrières gevallen; overal hebben de vrouwen vrijen toegang gekregen. Niet alleen, omdat zij dit zelve, dikwerf met hartstocht, begeerden, maar ook, omdat de maatschappij hare krachten niet missen kon. Vooral niet op het terrein van onderwijs, opvoeding, kinderverzorging, armenbezoek, ziekenverpleging, huisbezoek, maatschappelijken arbeid, in- en uitwendige zending enz. Want wat der moderne maatschappij het meest ontbrak, dat heeft zij bij de vrouw gezocht: barmhartigheid en menschenliefde. En zij is er wèl bij gevaren.
Om al deze redenen mag het ons tot blijdschap stemmen, dat er in de laatste jaren allerwege en ook in ons land zoovele scholen en cursussen zijn opgericht, die zoowel aan het streven der vrouw naar eene betere opleiding als aan de menigvuldige behoeften der maatschappij tegemoet kwamen. Ze zijn een bewijs, dat we in deze tendenz der vrouwenbeweging niet met een toevallig, voorbijgaand verschijnsel te doen hebben, maar met eene belangrijke phrase en eene noodzakelijke ontwikkeling in de geschiedenis der beschaving. Bij die scholen trekt het de aandacht, dat er zoovele onder zijn, die hoegenaamd niet aan huwelijk, huishouding, moederschap en opvoeding in den weg staan, maar aan deze vrouwelijke werkzaamheden veeleer ten goede kunnen komen. Daartoe behooren bijv. de industriescholen, die onderricht geven in nuttige en fraaie handwerken, confectienaaien, costuumnaaien enz.; de kunstambachtsscholen, de scholen ter opleiding voor handel en administratie, niet het minst ook de cursussen in landbouwhuishoudkunde, zuivelbereiding, kaasmakerij enz., bepaald voor vrouwen en dochters uit den landbouwers- en den landarbeidersstand bestemd.
Niet minder groot is het aantal inrichtingen, scholen en cursussen, die onderricht geven in allerlei philanthropisch en maatschappelijk werk, zooals kinderverzorging, kraamverzorging, zieken- en krankzinnigenverpleging, volksopvoeding, toynbeewerk, arbeid in volksbibliotheken en leeszalen, in kennis van opvoedkundige en sociale problemen. Bijna al deze inrichtingen zijn door het particulier initiatief tot stand gebracht; ze beantwoorden volgens aller overtuiging geheel aan de natuur en geaardheid der vrouw; en ze geven eene opleiding, die volstrekt niet met die voor de gezinstaak in strijd is.
Het minst komen de eigenaardige belangen der vrouw op die scholen tot haar recht, waar de meisjes voor een groot deel eene algemeene ontwikkeling zoeken of ook zich voorbereiden voor de studie aan de hoogeschool. Kostscholen zijn niet meer zoo als vroeger gezocht en hebben hare leerlingen voor een aanzienlijk deel moeten afstaan aan de hoogere burgerscholen, die 31 Dec. 1915: 2954 vrouwelijke leerlingen voor alle, en 145 voor enkele lessen telden, en aan de gymnasia, van welke de openbare in dienzelfden tijd 1136 vrouwelijke leerlingen en 22 toehoorderessen telden. Deze scholen zijn in de eerste plaats voor jongens opgericht en houden met de meisjes als zoodanig geene rekening; deze hebben zich eenvoudig te schikken naar het eenmaal bestaande program. Maar ook hier is er een streven, om het onderwijs meer aan de natuur der vrouw aan te passen. In Amsterdam bestaat er een lyceum voor meisjes met eene A- en eene B-afdeeling; en van Roomsche zijde werd er niet lang geleden een gymnasium voor meisjes opgericht. Het getal meisjes-hoogere burgerscholen is reeds veel grooter[155]; in den cursus 1915/16 maakten 2305 meisjes van het onderwijs in deze scholen gebruik. En op de meisjes-hoogere burgerscholen te 's Gravenhage, Arnhem en Rotterdam werd bovendien nog na de derde klasse eene splitsing der leerlingen ingevoerd, van welke de eene afdeeling zich voor het eind-examen voorbereidt, en de andere eene algemeene litterarisch-aesthetische ontwikkeling ontvangt.
[155] Verg. bl. 168.
De coëducatie, waarvan de voordeelen niet tegen de ernstige nadeelen opwegen, blijkt dus op den duur niet gewild. De natuur der vrouw verzet er zich tegen, omdat zij daardoor in haar recht en waarde miskend wordt. En de nieuwere richting in de paedagogiek wendt er zich van af, omdat zij niet alleen met de leerstof maar ook met den leerling rekening wil houden, en daarom op individualisatie in de opvoeding aandringt. In het buitenland heeft men daarom ook reeds op het gebied van het hooger onderwijs, met name in de medische wetenschappen, bijzondere scholen voor vrouwen opgericht. En ook hier te lande zal de herziening van de wet op het hooger onderwijs op de belangen der vrouw acht moeten geven. Indien er al geene bijzondere hoogescholen voor haar zijn op te richten, dan zal toch de differentiatie in den arbeid, die allerwege in de maatschappij tusschen man en vrouw zich voltrekt, ook bij het onderwijs in verschillende vakken tot haar recht moeten komen.
In goede banen geleid, zal de meerdere ontwikkeling, waar de vrouw in den tegenwoordigen tijd naar streeft, aan haar gezinstaak geene schade doen. Eene „geleerde” of „intellectueele” vrouw behoeft volstrekt nog niet eene slechte huishoudster te zijn. Integendeel, ontwikkeling des verstands vergemakkelijkt het werk op alle gebied, en zal ook aan de huishouding, vooral in haar nieuweren vorm, ten goede komen.[156] Te minder behoeft hiervoor vrees te bestaan, indien van Christelijke zijde de vrouwenbeweging niet alleen in haar valsche theorieën bestreden, maar ook in haar recht en waarde erkend, en overeenkomstig de beginselen des Evangelies onderricht en geleid wordt. Wee den staatsman, heeft von BETHMANN HOLLWEG onlangs gezegd, die de teekenen des tijds niet verstaat. Onder die teekenen des tijds neemt de vrouwenbeweging niet de laatste plaats in.
[156] SONJA, De opvoeding onzer jonge meisjes, _Alg. Handelsblad_ 20 Sept 1913.
INHOUD.
Blz. 1. HERZIENING VAN HET KIESRECHT, 1
2. DE VROUW IN DE HEILIGE SCHRIFT, 14
3. DE VROUW IN DE CHRISTENHEID, 36
4. DE VROUWENBEWEGING, 45
5. HET VROUWENVRAAGSTUK, 69
6. DE VROUW EN HET BURGERLIJK RECHT, 79
7. DE VROUW EN DE ARBEID, 85
8. DE VROUW EN HET BEROEP, 95
9. DE VROUW EN DE STAAT, 119
10. DE VROUW EN DE KERK, 138
11. DE OPVOEDING DER VROUW, 154
Bij den uitgever dezes verscheen mede van denzelfden Schrijver:
DE WELSPREKENDHEID (Eene Lezing) _Derde druk_ 0.90 geb. 1.40
CHRISTELIJKE WERELDBESCHOUWING. _Tweede herziene en vermeerderde druk_ 1.25 geb. 1.75
DE ZEKERHEID DES GELOOFS. _Tweede vermeerderde druk_ (_Tijdelijk uitverkocht_)
HEDENDAAGSCHE MORAAL. _Royaal formaat._ _75 Pagina's._ 0.70 geb. 1.25