De vrouw in de hedendaagsche maatschappij

Part 15

Chapter 153,741 wordsPublic domain

Deze werd in de tweede helft der eeuw door vele andere vakscholen gevolgd, zooals de eerste industrieschool te Amsterdam, waartoe de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen in 1865 het initiatief nam, en dan voorts door allerlei scholen voor de opvoeding of opleiding van meisjes, zooals kook- en huishoudscholen, vrouwen-arbeidsscholen, kweekscholen voor onderwijzeressen, vroedvrouwenscholen, handelscursussen, opleidingscursussen voor verpleegsters, voor onderwijzeressen bij het Fröbelonderwijs, kinderjuffrouwen, onderwijzeressen of leeraressen in gymnastiek, dans, stenographie, boekhouden, handelscorrespondentie, costuumvak, fraaie handwerken, landbouwonderwijs, enz. voor apothekeressen, drogisten, modisten, naaisters, schilderessen, directrices van verschillende inrichtingen, inspectrices bij het onderwijs en den arbeid, commiezen en ambtenaressen bij post, telegraphie, telephonie enz. En bij dit alles kwam dan nog de opleiding, door een steeds grooter aantal vrouwen op middelbare en hoogere scholen voor vrije beroepen gezocht. Maar hoeveel er op dit gebied in de laatste halve eeuw tot stand kwam, het ontbreekt toch nog al te veel aan orde en systeem, aan helder bewuste en doeltreffende organisatie.

De meisjesopvoeding in de kinderjaren levert nog betrekkelijk weinig moeilijkheden op. Want onverschillig, welke godsdienstige en politieke richting men toegedaan is, allen zijn eenstemmig van oordeel, dat jongens en meisjes hetzelfde elementaire, algemeen ontwikkelend onderwijs moeten ontvangen. Zelfs tegen de coëducatie op de bewaarschool en op de lagere school wordt geen overwegend bezwaar meer ingebracht. Ofschoon in vorige eeuwen het onderwijs voor jongens en meisjes ook dikwerf in de kinderschool gescheiden was, en enkelen daaraan nog de voorkeur geven, toch heeft de coëducatie op dit terrein zich allerwege zoo ingeburgerd, dat aan een ernstig verzet door niemand wordt gedacht. Hier wordt dit stelsel dan ook nog door geen der bezwaren gedrukt, die er op later leeftijd tegen in te brengen zijn. De omgang van jongens en meisjes is in de kinderjaren, in den regel en afgezien van ontaarde gevallen, nog van onschuldigen en ongedwongen aard; het geslachtsverschil ontwaakt eerst duidelijk tegen den puberteitsleeftijd en doet dan ook in die jaren jongens en meisjes uiteengaan; ze beginnen zich dan in eigen richting te bewegen, openbaren andere verlangens en neigingen en eischen van den paedagoog, dat met hare uiteenloopende behoeften rekening worde gehouden.

Voorts komt er meer en meer overeenstemming in het streven, om aan de lagere school eene bewaarschool (speelschool, Fröbelschool, Kindergarten) te doen voorafgaan. Ofschoon zulke speel- of bewaarscholen ook wel vroeger, met name in ons vaderland, voorkwamen, zijn ze als een zelfstandig element in de schoolopvoeding toch aan FRIEDRICH FRÖBEL 1782–1852 te danken, die in 1838 den eersten Kindergarten voor drie- tot zesjarige kinderen oprichtte te Blankenburg in Thüringen. De gedachte was daarbij, dat de opvoeding in den aan de lagere school voorafgaanden leeftijd zich moest aansluiten bij de behoeften en neigingen van het kind, en dus zijne voornaamste werkzaamheid in dien leeftijd, dat is het spel, in dienst moet nemen. Niet passief aannemen, maar actief verwerven; bezigheid, zelfwerkzaamheid moest de grondslag der opvoeding zijn. Deze gedachte is niet alleen voor de bewaarschool, maar ook voor geheel het lager onderwijs vruchtbaar geweest; en de bewaarschool in FRÖBELS geest, bevrijd van de eenzijdigheden en gebreken, die haar eerst aankleefden, en naar de omstandigheden gewijzigd, heeft in alle landen ingang gevonden, en steeds grooter veroveringen gemaakt. Wel is waar kan eene bewaarschool eene goede opvoeding in huis niet vervangen, zoodat van schoolplicht daarbij moeilijk sprake kan zijn; maar men mag niet vergeten, dat tal van moeders door den arbeid in of buiten hare woning, en ook door onverstand en onkunde buiten staat zijn, om aan hare kinderen de noodige zorg te wijden; voor zulke moeders is de bewaarschool eene uitkomst en een zegen. Bovendien is ze een geschikte overgang van de opvoeding in huis tot die in de school; ze sluit eng bij het huisgezin aan, brengt als het ware een stuk familieleven in de school over, rekent met de vrouw als belangrijken factor in de opvoeding en bereidt voor het onderwijs in de lagere school voor.

Wanneer de bewaarschool in de organisatie van het onderwijs eene wettelijk-geregelde plaats ontving, zou de lagere school de kinderen niet moeten opnemen vóór den 7-jarigen leeftijd, en dan zoo in te richten zijn, dat het onderwijs in de lagere klassen, van het 7e tot het 10e jaar, opgedragen bleef aan onderwijzeressen, den „Spiellust” der kinderen, die in de bewaarschool domineert, allengs in den „Lernlust” deed overgaan, en zoo geleidelijk voorbereidde voor het onderwijs in de hoogere klassen, van het 7e tot het 14e jaar. Het aantal jaarklassen werd daardoor met twee vermeerderd; maar, hoezeer hiertegen bezwaren zijn in te brengen, vooral ook van practischen aard, op den duur zal deze uitbreiding van het onderwijs op de lagere school niet tegen te houden zijn, omdat tal van landen ons daarin reeds zijn voorgegaan en de tegenwoordige toestanden aan de ontwikkeling van het volk steeds hooger eischen stellen.

Ofschoon de lagere school zich in hare eerste klassen bij de bewaarschool behoort aan te sluiten, is zij toch in wezen van deze onderscheiden en niet als eene soort voortgezette bewaarschool te beschouwen. Zij is en moet leerschool blijven en mag niet eenzijdig in eene werkschool worden omgezet; zij moet aan alle kinderen des volks die elementaire vaardigheden en kundigheden verschaffen, welke thans voor alle burgers noodig zijn en den grondslag vormen voor alle volgende ontwikkeling. Het onderwijs is daarom op deze school voor jongens en meisjes gelijk; en toch doet het verschil in geslacht en bestemming ook hier reeds zijn invloed gelden in het vak handwerken, dat alleen voor meisjes is bestemd.

Mej. I. KOOISTRA gaf in 1904 aan de subcommissie, aangewezen door de Staatscommissie tot reorganisatie van het lager onderwijs, op verschillende gronden het advies, om de nuttige handwerken als verplicht leervak voor de meisjes op de lagere school te schrappen;[139] maar de subcommissie, steunende op andere adviezen[140], ried de Staatscommissie aan, om dit vak, om zijne groote practische beteekenis, niet uit het leerplan der lagere school te verwijderen.[141] De Staatscommissie sloot zich daarbij aan, maar sprak tevens den rechtmatigen wensch uit, dat het onderwijs in dit vak gegeven werd door eene onderwijzeres, die aan dezelfde kinderen ook gewoon lager onderwijs in de andere vakken geeft, of althans door eene onderwijzeres, die in het bezit is der akte voor nuttige handwerken en die getoond heeft dat zij paedagogisch met de kinderen weet om te gaan; en voorts nog, dat dit onderwijs, zooveel doenlijk, binnen de gewone schooluren gegeven worde, en plaatselijke omstandigheden in acht neme.[142]

[139] Rapport van de Staatscommissie voor de Reorganisatie van het Onderwijs II 141–149.

[140] N.l. van Mejonkvrouw J. DE BOSCH KEMPER, Mevrouw J. SCHELTS VAN KLOOSTERHUIS, Mej. P. M. HERINGA en Mej. J. A. NATER, ib. II 132–140.

[141] Rapport II 149.

[142] Rapport I 76, 77.

De grootste moeilijkheden in de opvoeding der meisjes komen op na het verlaten der lagere school. Voor verreweg de meeste kinderen is de lagere school tevens het eindonderwijs; in de uitgave van het Bestuur van het Congres voor Kinderbescherming over _Het Herhalingsonderwijs in Nederland en in het Buitenland_,[143] werd berekend, dat ongeveer 200.000 kinderen van elk voortgezet onderwijs verstoken blijven; en volgens Mevrouw M. VAN REENEN-VÖLTER verlaten ongeveer 67.700 meisjes jaarlijks de lagere school; ongeveer 1000 van deze meisjes ontvangen verder onderwijs aan Hoogere Burgerscholen, Gymnasia of aan scholen van meer uitgebreid lager onderwijs, en ongeveer 2700 meisjes bezoeken de verschillende vakscholen.[144] Zonder nu overdreven eischen te stellen of de menigmaal harde werkelijkheid uit het oog te verliezen, mag men toch wel als zeker aannemen, dat een grooter aantal meisjes zonder eenig bezwaar van het voortgezet lager of van het vakonderwijs gebruik zouden kunnen maken, dan blijkens deze cijfers het geval is. Deze cijfers zijn toch inderdaad bedroevend laag; ze bewijzen, hoe gering bij het volk over het algemeen de belangstelling in het onderwijs is en hoe groote rol het eigenbelang daarbij speelt.

[143] Amsterdam 1913 bl. 79. Verg. mijne Opvoeding der rijpere jeugd bl. 128, 221.

[144] Rapport t. a. p. II 915. Maar deze getallen zijn thans veel te laag, zie later bl. 185.

Want de ervaring leert, dat het onderwijs op de lagere school tot den 12 à 13-jarigen leeftijd toe voor de meeste kinderen in het leven onvoldoende is en meer en meer onvoldoende wordt. Daarbij komt, dat jongens en meisjes, zoodra leerplichtwet en arbeidswet het veroorloven, als werkkracht gebruikt kunnen worden in winkel, kantoor, werkplaats, atelier enz., en dan reeds spoedig eenig loon gaan verdienen. Eerst brengen zij dit loon nog geheel of gedeeltelijk thuis, maar krijgen dan voor het gezin reeds eene beteekenis, welke hun eenig recht van meespreken geeft. De ouders worden van hen afhankelijk, verliezen hun gezag en macht, en weten deze ook menigmaal niet op geschikte wijze te handhaven. Als de jongens en meisjes overdag hun werk hebben verricht, hebben ze zelden lust, om 's avonds nog eenigen arbeid in huis te verrichten; ze meenen dan recht op vrijheid te hebben en slenteren de straat op. Het werk, dat ze overdag hebben te doen, is dikwerf ook eentonig en vervelend, zoodat het begeerd wordt niet om zichzelf en de vreugde, die het verschaft, maar om het loon, dat het afwerpt, en om de vrije uren en avonden, die er daarna overblijven. In die vrije uren staan zij veel meer nog, dan in de betrekking waarin zij menigmaal werkzaam zijn, aan allerlei verleiding bloot en worden zij, inzonderheid in de groote steden, van allen kant door tal van gevaren omringd. En dat juist in de critische periode van het leven, waarin zij meer dan anders nog voorlichting en leiding van noode hebben, en deze toch feitelijk het minst ontvangen! Is het wonder, dat in deze jaren vele meisjes tot schande vervallen en zedelijk te gronde gaan?

Opvoeding der meisjes is op dezen leeftijd dus dringend noodzakelijk, even noodzakelijk als van de jongens.[145] En wel allereerst eene opvoeding in godsdienstig-zedelijken zin. Eigenlijk ligt dit reeds in het begrip van opvoeding opgesloten, want opvoeding is geene opvoeding, in elk geval geene voldoende en volledige opvoeding, die niet een godsdienstig-zedelijk karakter draagt. Alle groote paedagogen waren daarvan overtuigd; PESTALOZZI en FRÖBEL waren heelemaal niet rechtzinnig, maar zij dachten er niet aan, om den „religieuzen zin” in het kind onontwikkeld te laten en met het Christendom in de opvoeding geene rekening te houden, want het Christendom is, zooals eerstgenoemde zegt, de zuiverste en edelste leer van de verheffing des geestes over het vleesch, het groote geheim en het eenig mogelijke middel, om onze natuur, door ontwikkeling van de edelste gevoelens der liefde, tot heerschappij der rede over de zinnen te brengen. De rationalistische opvatting van het Christendom moge in deze motiveering hierbij onbevredigend zijn, maar ze is toch nog heel wat beter dan de oppervlakkige leer van hen, die de neutraliteit niet slechts uit nood verdedigen, maar als het verhevenste dogma van paedagogische wijsheid aanprijzen. Dezulken begaan eene misdaad jegens de kinder-, en nog meer jegens de meisjesziel.

[145] Verg. daarover breedvoeriger mijne Opvoeding der rijpere jeugd bl. 78 v.

Want afgezien van alle andere klemmende redenen, die op Christelijk standpunt voor eene godsdienstig-zedelijke opvoeding pleiten;[146] er is toch geene macht, die, zooals de godsdienst en onder de vele religies het Christendom, de diepten des gemoeds beroeren en de teederste aandoeningen opwekken kan; het menschelijk hart blijkt juist in den godsdienst daarvoor vatbaar te zijn en daaraan behoefte te hebben. Wie den godsdienst buiten de opvoeding plaatst, stopt de bron voor het innerlijkste en innigste leven der ziel; hij laat een uitgestrekt gebied in het inwendig leven van den mensch onontgonnen en braak liggen. Dat geldt voor den mensch in iederen leeftijd, zij het ook in verschillende wijze en mate, voor de kinderen, voor de knapen en jongelingen, voor de mannen en de grijsaards. Maar het geldt bovenal voor het meisje, de vrouw en de moeder. De kostelijke deugden van ootmoed, afhankelijkheidsbesef, vertrouwen, dankbaarheid, lijdzaamheid enz. waarvoor het vrouwelijk gemoed zoo bij uitnemendheid vatbaar is, kunnen bij haar niet zonder den invloed der Christelijke religie tot ontwikkeling komen.

[146] Verg. breeder mijne Opvoeding der rijpere jeugd bl. 145 v.

Te dezen aanzien rust er in de eerste plaats eene plicht op de kerk. Deze kan heden ten dage in vele gevallen en bij de gebrekkige godsdienstig-zedelijke opvoeding in de huisgezinnen met een uur catechisatie in de week en met een ongeregeld huisbezoek niet volstaan. Als zij niet vele jonge dochters verliezen wil, maar bij het Christelijk geloof en bij het Christelijk leven bewaren wil, moet zij andere maatregelen nemen. En dan beveelt zich vóór alle andere middelen de herstelling van het instituut aan, dat in 1 Tim. 5 : 9 beschreven en boven nader uiteengezet werd. Tal van jeugdige meisjes in de gemeente hebben voorlichting en leiding van noode, en deze zouden haar niet beter verstrekt kunnen worden dan door een Raad van vrouwen, die van den huiselijken en maatschappelijken toestand der jeugdige vrouwelijke leden zich op de hoogte stelden, eenig toezicht op haar leven oefenden, en in voorkomende gevallen haar of hare moeders dienden van raad en daad. Thans nemen vele vrouwen-, en ook wel enkele jongedochtersvereenigingen dezen arbeid waar; maar de laatste zijn te klein en hebben vooralsnog weinig invloed, om genoegzame hulp te kunnen bieden, hebben bovendien, evenals de jongelingsvereenigingen tot eerste doel, om eenige vorming te geven aan die meisjes, welke geheel vrij zich bij haar aansluiten; en de vrouwenvereenigingen zijn in zekeren zin te vele in aantal, werken te los naast elkaar, en hebben den arbeid te weinig georganiseerd, dan dat zij met haar, hoezeer ook te waardeeren, arbeid het gansche veld bestrijken zouden, dat hier te bewerken valt. Er blijven zoovele meisjes van leiding verstoken, die haar juist in de eerste plaats van noode hebben. Daarom ware hier voor de kerk een goed werk te doen, al bestond het voorloopig alleen daarin, dat zij het terrein van den arbeid verdeelde, eenheid en samenwerking in dien arbeid bracht en alzoo eenige orde in den toestand schiep.

Godsdienstig-zedelijke opvoeding moge in de eerste plaats noodig zijn, zij is toch tegenwoordig niet voldoende meer; de maatschappij stelt thans nog andere eischen; meisjes hebben ook opleiding noodig voor het werk, dat zij straks hebben uit te oefenen. Nu werd boven reeds opgemerkt, dat jaarlijks duizenden meisjes de lagere school verlaten, die daarna geen onderwijs meer genieten. Daaronder zijn er zeker een groot aantal, die thans aan zulk voortgezet onderwijs nog weinig of geene behoefte hebben, hoewel dit getal steeds vermindert, doordat de maatschappij vooruitgaat en voor elke betrekking haast eenige voorbereiding gaat eischen. Voorts hebben wij ook rekening te houden met het feit, dat het inkomen in vele gezinnen zoo gering is, dat de ouders met verlangen uitzien naar den tijd, waarin hun zoon of dochter er iets kan bij verdienen. Maar al trekken we voor al deze gevallen hooge cijfers uit, er blijven toch een groot aantal over, waarin onkunde, eigenbelang of onwil de dochters des huizes van verdere opleiding verstoken doen blijken. Voordat wij in zulke gevallen op den staat een beroep doen en hem aansporen tot de invoering van leerplicht,—een maatregel, die in de practijk tot groote moeilijkheden zou leiden—kunnen wij beproeven langs den weg van zedelijke overtuiging ouders en kinderen tot betere gedachten te brengen.

Indien zulk een poging met ernst ondernomen wordt, kan men er zeker van zijn, dat ze in vele gevallen met goeden uitslag zal worden bekroond. In de eerste plaats hebben schoolbesturen en onderwijzers hierbij eene moeilijke, maar nuttige taak te vervullen; sommige onderwijzers hebben deze ter hand genomen, en geven op grond van hunne ervaring en kennis dikwerf aan ouders advies, dat meestal hoog gewaardeerd en opgevolgd wordt. Men kan zich n.l. nauwelijks voorstellen, hoe onkundig de ouders dikwerf zijn; ze weten niet, wat met hunne kinderen aan te vangen, welke gelegenheden voor verdere opleiding van hunne kinderen bestaan, welke van die gelegenheden zij voor hun kind moeten kiezen, waar en hoe ze zich daarvoor moeten aanmelden. Daarom moeten ze aangaande dit alles zoo duidelijk mogelijk ingelicht worden; men moet den weg voor hen banen, en desnoods zelf medegaan, om hen te brengen, waar ze wezen willen. In dit alles kunnen de onderwijzers aan ouders en kinderen goede diensten bewijzen.

In de tweede plaats zijn de commissies of bureaux van school- en beroepskeuze,[147] die meer en meer in het buitenland en hier te lande worden opgericht, de aangewezen organen, om de ouders bij deze gewichtige keuze van advies te dienen; van bevel of dwang, direct of indirect, hebben zij zich te onthouden; de ouders noch de kinderen zelve mogen zij bij de beslissing uitschakelen; en van de feilbaarheid hunner adviezen moeten zij zelve in de eerste plaats overtuigd zijn. Maar binnen deze perken kunnen de genoemde commissies een goed en nuttig werk doen. En toch is al deze arbeid van onderwijzers en bureaux nog niet voldoende, vooral niet indien het meisjes geldt. Want de meeste ouders vragen niet om advies en leven voort in den sleur; vooral voor hunne dochters achten zij verdere ontwikkeling en opleiding onnoodig; het is genoeg, als ze enkele jaren in den eenen of anderen dienst zijn en eenig loon ontvangen; straks trouwen ze toch en hebben niets aan al haar ontwikkeling.

[147] Verg. mijne Opvoeding der rijpere jeugd bl. 176 v. en mijne Nieuwe Opvoeding bl. 90 v.

Daarom was het goed gezien van de Nederlandsche afdeeling in Amsterdam van de in 1877 in Genève opgerichte Union Internationale des amies de la jeune fille, om de moeders, wier dochters eerlang de lagere school verlaten zullen of pas verlaten hebben, tot eene gezellige samenkomst uit te noodigen en de belangen der meisjes met haar te bespreken. Die bespreking bestaat voornamelijk daarin, dat iedere moeder afzonderlijk, in haar speciale geval, raad ontvangt, hoe zij het best met hare dochter handelen zal, waar deze het geschiktst voor is, welke school ze moet bezoeken, aan welk adres ze zich voor eene of andere betrekking moet vervoegen enz. Deze werkzaamheid wierp reeds vele goede vruchten af, en er valt in deze richting nog veel, hier in deze stad en ook elders, te doen.

De keuze van een beroep en van eene daaraan beantwoordende opleiding wordt voor de meisjes daarom zoo moeilijk, omdat het aantal betrekkingen, waarin ze kunnen arbeiden, voortdurend toeneemt. Maar onder alle vrouwelijke beroepen is er een, dat sterk op den voorgrond treedt en waarvoor alle vrouwen, nagenoeg zonder uitzondering, hetzij ze rijk of arm, hoog van staat of laag van rang, intellectueel of niet intellectueel zijn, opleiding moeten ontvangen, en dat is de huishouding. Wel ontvangen nooit alle vrouwen de gelegenheid, om in het huwelijk te treden—de mogelijkheid daartoe is reeds uitgesloten door het feit, dat het aantal vrouwen gewoonlijk aanmerkelijk grooter dan dat der mannen is,—maar ook buiten het huwelijk komen de meeste vrouwen toch direct of indirect met het huishouden in aanraking. Bovendien, in den tijd, waarin de meisjes de huishouding leeren moeten, weten zij volstrekt niet, dat zij niet huwen zullen, noch ook, of zij voor zichzelve of voor anderen de huishouding zullen moeten waarnemen. Verreweg de grootste meerderheid der vrouwen blijkt later de kennis der huishouding wel terdege van noode te hebben. Van het grootste belang is het daarom, zoo voor de welvaart der huisgezinnen als voor den goeden gang der maatschappij, dat de vrouwen in hare jeugd voor de huishouding worden opgeleid. Dit belang is veel grooter, dan dat er voor de vrouwen goede gelegenheden voor de opleiding tot eenig beroep bestaan. Want de vrouwen, die een beroep kiezen en later metterdaad uitoefenen, vormen eene kleine minderheid tegenover die geweldig groote meerderheid van vrouwen, die straks in het huwelijk en in het gezinsleven hare bestemming zullen ontvangen.[148]

[148] J. TEWS, Sozialpädag. Reformen. Langensalza 1900 bl. 13.

Het wenschelijkst ware nu, dat ieder meisje voldoende opleiding voor de huishouding in de woning harer moeder ontvangen kon. In vroeger tijd was dit de algemeene regel, en ook thans komt deze toestand nog in vele kringen en streken, inzonderheid bij den burgerstand voor. Maar vooral twee oorzaken hebben in dezen toestand verandering gebracht. Ten eerste is het huiselijk leven in de lagere kringen des volks onder allerlei invloeden sterk achteruitgegaan. Er zijn altijd in steden en op dorpen, in achterbuurten en gehuchten groepen van menschen geweest, op wier persoonlijk en huiselijk leven Christendom en beschaving zoo goed als geen invloed hebben gehad; ze leven als het ware in een ruwen natuurstaat voort. Dit deel der bevolking is door kerk en staat en maatschappij van ouds aan zichzelf overgelaten en buiten de samenleving geplaatst; maar daar is het toegenomen en tot eene macht geworden, welke op den duur een gevaar oplevert voor de moderne maatschappij. Bovendien dreigt in de laatste eeuw deze volksgroep vermeerderd te worden door die schare van arbeiders, die van alle voordeelen der beschaving verstoken zijn, met hun gezin van een karig loon moeten leven, en op de maatschappelijke ladder al dieper dalen. In deze kringen is er dikwerf van huwelijk, gezinsleven, huishouding en opvoeding geen sprake; de mannen zijn heel den dag van huis en brengen een deel van hun loon nog menigmaal aan den drank ten offer; de vrouwen hebben geen lust en geen tijd, maar ook meestal geene bekwaamheid, om de huishouding naar eisch te behartigen; de kinderen brengen hun vrije uren op de straat in ruw gezelschap door, en groeien in het wilde op.

Maar nog verder grijpt deze verwoesting van het huiselijk leven om zich heen. Ook in de kringen der fatsoenlijke arbeiders en der kleine burgers maken de zorgen des levens het dikwerf aan de ouders onmogelijk, om zich met de noodige zorg aan de belangen van het gezin te wijden. De man moet er heel den dag op uit, om zijn brood te verdienen; de vrouw moet menigmaal door haar arbeid nog trachten, het schrale inkomen van het gezin te verhoogen; de kinderen worden overdag aan vreemden toevertrouwd, en, als ze nauwelijks de kinderschoenen ontwassen zijn, erop uitgestuurd, om er wat bij te verdienen. Van eene goede, deugdelijke opleiding der meisjes voor de huishouding komt zoo goed als niets terecht. Niet zelden gaan ze dan den slechten weg op; maar ook als dat niet het geval is, en zich bijv. later als dienstboden aanmelden, zijn ze ten eenenmale onbekwaam voor haar taak; en als ze in het huwelijk treden, beginnen zij het nieuwe leven misschien eerst met eenigen moed, maar bezwijken alras, als het huisgezin grooter wordt en de zorgen toenemen; slordigheid, onreinheid, armoede en ellende berooven het gezinsleven van al zijne heerlijkheid; en dronkenschap en ontucht verwoesten het soms geheel.