De vrouw in de hedendaagsche maatschappij
Part 14
We weten zelfs niet met volstrekte zekerheid, hoever die kiesbevoegdheid ging en hoe ze werd uitgeoefend. In de vergadering van 120 personen, die in Hand. 1 : 15 vermeld wordt, waren zeker ook vrouwen tegenwoordig, want deze vergaderden met de apostelen, vs. 14. Wel is waar spreekt Petrus de vergadering aan met: Mannen broeders, maar dit bewijst het tegendeel niet, omdat de apostelen de gemeente steeds in hunne brieven met den naam van broeders aanspreken en nooit daarnaast van zusters melding maken, gelijk we toch tegenwoordig algemeen doen. Daarom blijft het ook onzeker, of de vrouwen aan de keuze van een tweetal voor het apostelschap en aan de loting tusschen die twee al dan niet hebben deelgenomen. En andere plaatsen, zooals Hand. 13 : 3 en 14 : 23 verschaffen ook geen licht.
Terwijl de Schrift dus het ambt van leer- en regeerouderling tot de mannelijke leden der gemeente beperkt, laat zij zich over de kiesbevoegdheid der gemeente niet beslist en duidelijk uit. Het schijnt dan ook, dat de vrouwen in de oude kerk bij de aanwijzing van personen voor het bisschopsambt en bij andere kerkelijke aangelegenheden niet uitgesloten waren. Nog heden zijn er in Duitschland R. Kath. gemeenten, waar zelfstandige vrouwen op grond van het patronaatsrecht medestemmen bij de keuze van een pastoor;[129] en dergelijke toestanden komen ook nog in ons vaderland voor; de ambachtsvrouw heeft soms het recht, om de keuze der gemeente goed- of af te keuren. Het patronaatsrecht wordt daarmede hier niet in bescherming genomen, maar het bewijst toch, dat eene vrouw niet altijd, alleen omdat ze vrouw was, van de kiesbevoegdheid in de gemeente was uitgesloten.
[129] MAUSBACH, Die Stellung der Frau im Menschheitsleben, M. Gladbach 1906 bl. 58. Volgens vriendelijke mededeeling van den Heer J. TANTÓ, Hongaarsch hulpprediker, tijdelijk studeerende te Utrecht, zijn ook in de Gereformeerde kerk in Hongarije weduwen en zelfstandige vrouwen in het bezit van het actieve kiesrecht.
11. DE OPVOEDING DER VROUW.
De opvoeding van de dochters des huizes was in de oudheid geheel en al aan de moeders van het gezin toevertrouwd; van scholen voor meisjes zijn er hier en daar slechts weinige sporen aanwezig. Als er in den Grieksch-Romeinschen tijd enkele geleerde vrouwen voorkwamen, dan hadden deze hare ontwikkeling aan het onderwijs en den omgang der mannen te danken. Het Christendom bracht hier eenige verandering in, want ook meisjes moesten, om tot de gemeenschap der kerk te worden toegelaten, onderwijs in den Christelijken godsdienst ontvangen.
Toen de kloosters verrezen, werden daaraan al spoedig scholen voor jongens, en ook voor meisjes verbonden. BASILIUS DE GROOTE † 379 gaf, met beroep op Mark. 9 : 14 en Ef. 6 : 4 aan ouders den raad, om hunne kinderen, zonen en dochters, vroeg in een klooster te doen opnemen, maar denkt daarbij vooral aan zulke kinderen, die zich later tot het ascetische leven willen verbinden. En HIERONYMUS † 420 handelde in een brief aan LAETA, die hem raadpleegde over de opvoeding harer dochter, en in een anderen brief aan GAUDENTIUS, die met dergelijk verzoek tot hem kwam, vrij breedvoerig over de opvoeding, welke aan meisjes gegeven moest worden. Hij onderscheidt in den leertijd twee perioden, van den aanvang tot het 7e, en van daar tot het 12e à 15e jaar; beveelt gemeenschappelijk onderwijs aan, en noemt als vakken: lezen, schrijven, rekenen, taalonderwijs (Grieksch en Latijn), handwerken (vooral spinnen en weven) en lezing der H. Schrift.[130] Al de Middeleeuwen door bleef de opvoeding der meisjes berusten bij de nonnenkloosters, maar daardoor vanzelf ook tot de toekomstige nonnen en dochters uit de hoogere standen beperkt; van schoolonderwijs voor de meisjes uit den stand der hoorigen is ons niets bekend. Hierin kwam eenige verbetering, toen omstreeks de 13e eeuw de burgerstand zich eene plaats in de maatschappij verwierf. Lezen en schrijven werd toen meer algemeen vereischt, het getal scholen breidde zich uit, naast de kloosterscholen werden er andere door de stadsoverheid of door particuliere personen opgericht, meest voor jongens, maar toch hier en daar ook voor meisjes.[131]
[130] Zie de art. over Basilius en Hieronymus in ROLOFF, Lexikon der Pädagogik I 343 II 766. Ook Dr. J. N. BRUNNER, Der h. Hieronymus und die Mädchenerziehung auf Grund der Briefe an Laeta und Gaudentius, München 1910.
[131] Handbuch der Frauenbewegung III 2 v. Dit derde deel is geheel gewijd aan Der Stand der Frauenbildung in den Kulturländern.
Het Humanisme had vanwege zijn aristocratisch karakter voor de volksopvoeding weinig of geen beteekenis. Ofschoon ERASMUS aan de ouders ook de opvoeding hunner dochters aanbeval en JOH. LUDOVICUS VIVES in zijne Institutio feminae christianae met grooten ernst op de wetenschappelijke en zedelijke opvoeding der meisjes aandrong, oefende het Humanisme alleen op de geleerde wereld en op enkele vrouwen uit de hoogere standen invloed uit. Van veel grooter beteekenis voor het onderwijs in het algemeen en bijzonder voor dat van de meisjes, was de Hervorming, die den Bijbel in aller handen gaf en het leeren lezen voor alle kinderen ten plicht stelde. LUTHER verlangde, dat de meisjes minstens één uur per dag de school zouden bezoeken, om de Schrift te leeren lezen, maar ook om voor hare taak in het huishouden te worden voorbereid. De Reformatie sloot dus wel de kloosters en de kloosterscholen, maar zij drong er tevens bij de overheid zoo sterk mogelijk op aan, om in de steden en ook op de dorpen scholen op te richten, waar niet alleen de jongens, maar ook de meisjes het noodige onderricht konden ontvangen. De kerkenordeningen bevatten daarover tal van bepalingen en noemen als vakken gewoonlijk lezen, schrijven en onderwijs in den godsdienst (catechismus), maar soms ook wel Bijbelsche historiën, rekenen en handwerken. Het onderwijs werd gedurende enkele jaren gegeven, in den regel tot den twaalfjarigen leeftijd toe, en nam één of meer uren per dag in beslag. Localiteiten en leermiddelen lieten veel te wenschen over, en de bekwaamheid der onderwijzeressen schoot menigmaal tekort; maar men moet den tijd en de toestanden in aanmerking nemen, en men vergete niet, dat het onderwijs in het algemeen en speciaal ook het onderwijs der meisjes tot de 18e eeuw toe bij de Protestanten veel hooger stond dan bij de Roomschen, gelijk ook van deze zijde wordt erkend. Das Lesenlernen war für die Katholiken nicht von gleicher Bedeutung als für die Protestanten, und so blieb bis ins 18 Jahrhundert hinein der Volksunterricht in den weltlichen Fächern bei den Katholiken hinter dem der Protestanten zurück.[132]
[132] Aldus M. SCHMITZ, art. Mädchenschulen in ROLOFF'S Lex. der Pädag. III 547.
Bij het schoolonderwijs dacht men in de eerste plaats aan de mannelijke jeugd, maar toch werden de meisjes niet geheel vergeten. Hier te lande gingen ze al zeer vroeg naar de maitressenschool, later op 5 à 6-jarigen leeftijd naar de school van den meester. Ze werden onderwezen in de letters, in het spellen en lezen, in het schrijven en rekenen, vooral in den godsdienst (het Onze Vader, de 12 artikelen, de wet, eenige psalmen, Bijbelsche Historiën), en ook wel in het naaien, breien, stikken en andere handwerken. Niet zelden werd het onderwijs in deze vrouwelijke werkzaamheden door de vrouw van den meester verstrekt. Voor de meisjes uit de volkskringen was daarmede het onderwijs afgeloopen; de verdere opvoeding had in het huisgezin plaats en richtte zich vooral op de huishouding.
Maar toen in de 17e eeuw rijkdom en weelde toenamen, kon men met deze eenvoudige opvoeding niet volstaan. De gegoede en voorname standen zochten naar gelegenheden, waar zij hunne zonen en dochters eene hoogere en meer beschaafde opvoeding deelachtig konden doen worden. En aan dien wensch kwam men van Fransche zijde tegemoet. Onder FREDERIK HENDRIK en later nog sterker door den invloed der réfugiés hielden Fransche taal, Fransche zeden en gewoonten hier hun intocht; het Fransch werd middelpunt van het onderwijs en verving zelfs het Latijn. De dochters uit de hoogere standen kregen les van Fransche of Zwitsersche gouvernantes; of ze werden voor enkele jaren naar Fransche kostscholen gezonden; of ze bezochten Fransche scholen, die door de overheid in vele steden werden opgericht.
Hollandsche degelijkheid maakte menigmaal bij deze nieuwe opvoeding voor oppervlakkige beschaving plaats. De opvoeding richtte zich eenzijdig op het aanleeren van beschaafde vormen en fijne manieren, van de dingen van de wereld en de zaken van de min; de huishouding werd veracht en als eene minderwaardige zaak beschouwd, waar de rijke vrouwen en dochters zich niet mede bemoeien mochten; tijd en geld werden aan ijdele, nietige dingen ten offer gebracht.[133] In Frankrijk was het met de vrouwen in de hoogere standen nog veel treuriger gesteld; liefde, kunst en wetenschap stonden bij velen in dienst van behaag- en genotzucht; het huwelijk was een contract, dat door de ouders voor hunne kinderen aangegaan werd; van liefde was zelden sprake, man en vrouw hielden er ieder hun eigen afleiding en genieting op na; zooals de mode de natuur verkrachtte, zoo onderdrukte de uitwendige beschaving alle gezonde gevoelens en aandoeningen der ziel; het moederschap werd veracht en het kind verloochend; gouvernante en kloosterzuster werden met de opvoeding belast.[134]
[133] S. I. VON WOLZOGEN KÜHR, De Nederl. vrouw in de eerste helft der 18e eeuw bl. 14 v.
[134] LILY BRAUN, Die Frauenfrage bl. 67.
Er kwamen echter in de 17e en 18e eeuw verschillende richtingen op, die aan de meisjesopvoeding een meer ernstig doel voor oogen stelden. Van Roomsche zijde namen kloosterorden de opvoeding der dochters uit de gegoede standen ter hand, op dezelfde wijze als de Jezuïten zich toelegden op de vorming en leiding van zonen uit de hoogere kringen des volks. Zoo voegde de orde der Ursulinnen, die reeds in 1544 door den paus was geapprobeerd, in 1612, toen zij zich in Parijs vestigde, aan de drie bekende geloften nog eene vierde toe, die haar verbond tot opvoeding der vrouwelijke jeugd; en de orde van de Salesianerinnen (in 1610 gesticht door Franciscus van Sales en Francisca van Chantal) en die van de Engelsche zusters (zoo genoemd, wijl de stichtster dezer orde, MARIA WARD 1585–1645 en de eerste leden Engelsche dames waren) wijdden aan deze zelfde taak hare krachten.
Honderden kloosters werden in de verschillende landen gesticht, die een pensionaat voor de opvoeding van meisjes aan zich verbonden. In Frankrijk gaf FÉNELON in 1687 zijn Traité de l'éducation des filles in het licht, dat geschreven werd in de overtuiging, dat eene slechte opvoeding der vrouwen nog meer onheil sticht dan die der mannen, en daarom op eene godsdienstig-zedelijke, degelijke en eenvoudige opvoeding aandringt. Françoise d'Aubigné, markiezin DE MAINTENON 1635–1719 stichtte in 1686 te St. Cyr bij Versailles eene school voor dochters uit den adellijken stand, die grooten roem verwierf en voor vele andere inrichtingen (het gynaeceum van FRANCKE te Halle, het instituut van PETER DEN GROOTEN voor adellijke dochters te St. Petersburg, een soortgelijk instituut te Weenen, opgericht in 1764) ten voorbeeld werd.
De Encyclopaedisten waren over het algemeen jegens de vrouwen niet gunstig gestemd; VOLTAIRE dreef met haar den spot; MONTESQUIEU schreef haar slechts lichamelijke bekoorlijkheden toe en achtte ze van alle gaven des geestes verstoken; ROUSSEAU wilde haar van de cultuur tot de natuur, het moederschap en de opvoeding der kinderen, terugleiden, en achtte daarom voor haar eene opvoeding in en voor het huisgezin voldoende. Maar NAPOLEON, ofschoon van alle emancipatie der vrouw afkeerig, was toch zeer ingenomen met pogingen tot verbetering der meisjesopvoeding; de pensionaten van Mad. CAMPAN 1752–1822 te St. Germain en Ecouen deelden in zijne sympathie; in 1810 stelde hij de gravin STEPHANIE DE GENLIS, die in 1782 een werk had uitgegeven over Adèle et Théodore ou lettres sur l'éducation, tot schoolinspectrice te Parijs aan; onder zijn invloed kwamen in Italië de eerste hoogere meisjesscholen tot stand, en breidde het aantal pensionaten voor meisjes in Frankrijk zich belangrijk uit. Geschriften als van PAULINE GUIZOT 1770–1827, Gravin DE REMUSAT 1780–1821, ALBERTINE NECKER DE SAUSSURE 1799–1841 enz. hielden de belangstelling in de meisjesopvoeding levendig.[135] In 1880 ontving het meisjesschoolwezen eene wettelijke regeling.[136]
[135] LILY BRAUN, Die Frauenfrage bl. 69, 104 v.; RÖSLER, Die Frauenfrage bl. 426 v.; PAULINE GUIZOT schreef Education domestique ou lettres de familie sur l'éducation 1826; Gravin DE REMUSAT gaf 1824 in het licht Essai sur l'éducation des femmes en ALB. NECKER publiceerde van 1828–1838 een werk over L'éducation progressive ou étude du cours de la vie.
[136] Handbuch der Frauenbewegung III 358 v.
In Groot-Brittannië had de volksschool haar ontstaan aan de Reformatie te danken; JOHN KNOX ontwierp een plan voor de volksopvoeding over het geheele land, maar de godsdienstige en staatkundige toestanden waren voor de uitvoering van dit plan niet gunstig, zoodat de lagere klassen des volks dikwerf van eenigszins voldoend onderwijs verstoken bleven. De opvoeding der meisjes had meest in de ouderlijke woning of in private scholen plaats. Maar LOCKE deed door zijne Thoughts concerning education 1693 de noodzakelijkheid eener eenvoudige, gezonde en degelijke opvoeding inzien. MARY ASTELL ontwierp in 1694 het plan van eene soort vrouwenklooster, waarin de dochters der hoogere standen door studie en practische diensten (verzorging van armen en kranken, opvoeding van kleine kinderen, enz.) voor hare levenstaak werden opgeleid. DANIEL DEFOE pleitte in 1697 voor de oprichting eener vrouwenakademie en noemde het eene barbaarschheid, aan de vrouwen de voordeelen eener hoogere beschaving te onthouden. In de 18e eeuw waren de toestanden zoo droevig, dat men door Zondagscholen en ragged schools verbetering zocht aan te brengen. HANNAH MORE 1745–1833 wees in haar Strictures on female education de gebreken der bestaande opvoeding aan, en stichtte niet alleen Zondagscholen voor de kinderen des volks, maar drong ook bij de hoogere standen op eene betere opvoeding hunner dochters aan.
Veel scherper was nog de critiek, welke MARY WOLLSTONECRAFT in 1792 in haar Vindication of the rights of women op de opvoeding der meisjes uitbracht. Want deze kweekte naar hare meening wel dames, maar geen vrouwen; men leerde haar wel zeden, maar geen moraal; men richtte haar streven op ijdelheden, doch niet op een ernstig levensdoel; inplaats van haar aan arbeid te wennen, zocht men ze bezig te houden met beuzelingen en ijdelheden. Toch vonden al deze stemmen weinig gehoor. Eerst de treurige sociale toestanden, waarin de vrouwen tegen het midden der vorige eeuw tengevolge van de grootindustrie verkeerden, openden de oogen voor de noodzakelijkheid eener betere opvoeding. Sedert werd deze in Engeland met ernst ter hand genomen. Er werden niet alleen allerlei inrichtingen van liefdadigheid opgericht, maar ook verschillende scholen gebouwd, voor herhalings-, voortgezet- en vakonderwijs, voor de opleiding van onderwijzeressen, voor meer algemeene en hoogere ontwikkeling, enz., en langzamerhand werden ook de universiteiten voor vrouwen opengesteld.[137]
[137] Handbuch der Frauenbewegung III 244–286.
In Duitschland werkten de onvruchtbare leertwisten en de godsdienstige en zedelijke verwildering des volks in den 30-jarigen oorlog er toe mede, om vele mannen de noodzakelijkheid te doen inzien van eene hervorming van onderwijs en opvoeding. RATICHIUS 1571–1635 sprak den wensch uit naar eene _Duitsche_ school voor _alle_ kinderen zonder onderscheid. JOHANN VALENTIN ANDREAE 1586–1654 hield in zijn Reipublicae Christianopolitanae descriptio 1619 aan zijne tijdgenooten een spiegel voor oogen van den treurigen toestand, waarin kerk en staat toenmaals verkeerden, en gaf er tevens de beschrijving in van een Christelijken Staat, waarin opvoeding en tucht verbetering hadden aangebracht; zijn in 1649 uitgegeven werk Theophilus, seu de christiana religione sanctius colenda, vita temperantius instituenda et literatura rationabilius docenda consilium cum paraenesi ad ecclesiae ministos, handelt in het derde gesprek breedvoerig over de methode en de stof van het onderwijs der jeugd. COMENIUS 1592–1670 stelde in zijn Didactica magna denzelfden eisch als RATICHIUS, dat _alle_ kinderen, arm en rijk, jongens en meisjes, de scholen moesten bezoeken en voegde daaraan nog toe, dat de meisjes niet alleen in de elementaire vakken onderwezen, maar ook tot de wetenschappelijke studiën moesten toegelaten worden; terwijl ANDREAE echter voor de meisjes onderwijzeressen wenschte, keurde COMENIUS dit op grond van 1 Tim. 2 : 12 af.
ERNEST DE VROME, hertog van Gotha en Altenburg 1601–1675 nam de hervorming van kerk en school in zijn gebied practisch ter hand, verhief economisch en moreel den onderwijzerstand, en stelde eene schoolorde vast, waarbij jongens en meisjes, in dorpen en steden, gedurende zeven jaren tot schoolbezoek verplicht werden. Bij dezen hervormingsarbeid ondervond de Hertog veel hulp en steun bij zijn Hofraad, LUDWIG VAN SECKENDORF 1626–1692, die in 1656, onder den titel Duitsche vorstenstaat een soort handboek van het Duitsche Staatsrecht in het licht gaf en daarop later een omvangrijk werk over den Christenstaat volgen liet; hierin handelde de schrijver ook opzettelijk over eene betere opvoeding van het vrouwelijk geslacht en over die Jungfrauschulen, welke bij de Reformatie wel voorgenomen, maar niet tot stand gekomen waren. SECKENDORF ontwierp voor Hertog ERNST ook het plan van eene stichting voor onverzorgde adellijke vrouwen en van een daaraan te verbinden meisjespensionaat. Dit plan kwam niet tot uitvoering, maar het is niet onwaarschijnlijk, dat SECKENDORF, die in de laatste jaren van zijn leven in Halle woonde en met FRANCKE bevriend was, op dezen invloed geoefend heeft bij zijne stichting van de eerste hoogere meisjesschool in Duitschland, het z.g.n. gynaeceum, in 1698, dat overigens de school van Mad. DE MAINTENON te St. Cyr tot voorbeeld nam, doch slechts korten tijd bestond.
Het Piëtisme liet zich trouwens aan de volksopvoeding veel gelegen liggen en maakte zich ook met name voor de opvoeding der meisjes verdienstelijk. In Berlijn zorgde SPENER voor de oprichting van parochiale scholen voor jongens en meisjes, en FRANCKE volgde in Halle zijn voorbeeld. Verschillende Staten in Duitschland werden door al deze pogingen aangespoord, om ook zelven met meer ernst de belangen van het schoolonderwijs ter harte te nemen; in de 18e eeuw werden vele schoolorden ontworpen, scholen gebouwd, schoolplicht ingevoerd en seminaria opgericht. Het Rationalisme, dat alle menschen wilde opvoeden tot redelijke wezens, steunde deze beweging; de 18e eeuw produceerde eene menigte boeken en tijdschriften, die het opnamen voor de hervorming van het onderwijs en met name ook voor de verbetering van de opvoeding der vrouw, hetzij deze meer in intellectueele, of in aesthetische richting werd gezocht. Aan het einde der eeuw trad dan in PESTALOZZI 1746–1827 de man op, wiens denkbeelden over de waarde van den mensch, ook den armste en geringste, over de volksschool, over de opvoeding tot mensch, tot burger van den staat en tot lid der maatschappij allerwege doordrongen en in de 19e eeuw allengs in alle beschaafde landen werden gerealiseerd.[138]
[138] Handbuch der Frauenbewegung III 1 v. De pogingen tot verbetering der meisjesopvoeding vonden niet bij allen instemming. MOSCHEROSCH was bijv. van meening, dat in de hand eener vrouw slechts twee dingen behoorden: een gebedenboek en een spinnewiel. En ook JUSTUS MOSER, BENGEL, FLATTICH, ib. bl. 41, 44, 50, 58, waren evenmin als ROUSSEAU en KANT, ib. bl. 55, 58 van eene geleerde opvoeding der vrouw gediend.
Al deze nieuwere denkbeelden vonden in de 18e eeuw ook hier te lande ingang. LOCKE'S gedachten over de opvoeding werden reeds in 1697 in het Nederlandsch vertaald. De Hollandsche Spectator, dien JUSTUS VAN EFFEN van 1731 tot 1735 verschijnen liet, behandelde allerlei onderwerpen en onderwierp ook de opvoeding meermalen aan eene gegronde critiek. VAN ALPHEN kwam door studie van Engelsche en Duitsche schrijvers tot een beter inzicht in den achterlijken toestand onzer letterkunde, en sloeg in zijne kleine Gedichten voor kinderen 1778 een toon aan, die door eenvoud en natuurlijkheid gunstig afstak bij den gezwollen stijl van die dagen. Mevrouw ELISABETH WOLF-BEKKER gaf in 1780 eene Proeve over de opvoeding aan de Nederlandsche moeders in het licht; verhaalde in het eerste deel van haar boek: Geschrift eener bejaarde vrouw, hoe deze haar dochter had opgevoed; bezorgde eene vertaling van Mevrouw DE GENLIS' boek over Adèle en Théodore, en gaf met AAGJE DEKEN in 1793 nog een roman over de opvoeding uit.
Genootschappen zooals de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen, het Zeeuwsche Genootschap der Wetenschappen, het Haagsche Kunstgenootschap en het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen schreven prijsvragen uit, welke op de opvoeding betrekking hadden, en de in 1784 opgerichte Maatschappij tot Nut van 't Algemeen stelde zich beschaving van hart en verstand, benevens verbetering van de minder ontwikkelde volksklasse ten doel, en trachtte dit doel vooral te bereiken door verbetering van het onderwijs, de uitgave van schoolboeken, de oprichting van modelscholen, door het schoolgaan van onvermogende kinderen te bevorderen en kweekscholen voor onderwijzers te stichten.
Zoo werd ook hier te lande de 19e eeuw voorbereid, die zich daardoor kenmerkt, dat zij onderwijs en opvoeding verheft tot eene nationale zaak, waarvoor bepaaldelijk ook de staat de zorg op zich te nemen heeft; dat ze met de standsopvoeding der 18e eeuw breekt en onderwijs en opvoeding uitbreidt tot _alle_ kinderen des volks; en dat zij de voornaamste plaats op de school inruimt aan het maatschappelijk onderwijs, het aantal vakken vermeerdert en het peil aanmerkelijk verhoogt. Den 1en Maart 1796 werd daarom reeds aan de Nationale vergadering een Proeve aangeboden van een ontwerp van _nationaal_ onderwijs, en in de nieuwe staatsregeling van 1798 een Agentschap van _nationale_ opvoeding ingesteld, dat eerst door VAN KOOTEN, kort daarna door VAN DER PALM werd waargenomen, en leidde tot de wet op het lager onderwijs van 15 Juni 1801, gewijzigd in 1803, en vervangen door die van 3 April 1806, welke aan de provinciale besturen opdroeg, om te zorgen, dat er overal voldoend lager onderwijs werd gegeven.
Deze volksschool kwam vanzelf ook aan de meisjes ten goede; maar eerst in de tweede helft der vorige eeuw kwam het, in verband met de allengs zich baanbrekende vrouwenbeweging, tot behartiging van andere belangen der vrouwelijke jeugd, dan die in de lagere school bevrediging vonden. Wel waren er enkele meisjeskostscholen, die een goeden naam hadden, zooals van PETRONELLA MOENS te Ede en van Mevr. VAN MEERTEN te Gouda; maar overigens lag het veld van de opvoeding der vrouw nog vrijwel braak. In 1808 verrees echter de eerste vakschool voor meisjes, de openbare werk- en leerschool te Amsterdam, die in 1904 tot nieuwen bloei kwam als opleidingsschool voor dienstboden.