De vrouw in de hedendaagsche maatschappij
Part 13
Een nieuw arbeidsveld werd voor de vrouw geopend door het Methodisme en de Innere Mission. Het Methodisme voerde, vooral sedert de beweging in 1742 eene groote uitbreiding kreeg, de leekenprediking in (lay preachers, weer verdeeld in local en in travelling preachers), en maakte daarbij enkele malen ook van den dienst van vrouwen gebruik. Zoo reisde bijv. GRACE MURRAY in 1749 met WESLEY naar Ierland als zijne mede-arbeidster in den dienst van het Evangelie; en LADY HUTTINGDON (1707–1791) was zoo met WHITEFIELD en zijn arbeid ingenomen, dat zij tal van kapellen liet bouwen en daarin predikers aanstelde naar haar hart.[116] Veel breeder plaats werd voor de vrouw nog ingeruimd door het Leger des Heils, dat zijn oorsprong en bloei dankte aan WILLIAM BOOTH en niet minder aan zijne gade CATHARINA BOOTH. Met de aanstelling van vrouwelijke soldaten en officieren in 1878 begon de Heilsarmee, naar haar eigen zeggen, haren grooten overwinningstocht door de wereld. Aan de verdediging van deze vrouwenprediking wijdde de Catechismus van het Heilsleger een bijzonder hoofdstuk, en Mevrouw BOOTH later een bijzonder geschrift: Female ministry or Woman's right to preach the Gospel. Hierin wordt betoogd, dat Richt. 4 : 10 en 2 Kon. 22 : 14–20 aan de vrouwen veroorloven, „generaals” te zijn, dat Matth. 28 : 7 v. aan de vrouwen opdraagt, om boodschapsters van de opstanding te zijn, en dat Phil. 4 : 3, Rom. 16 : 3, 12 bewijzen, dat de vrouwen in den apostolischen tijd als prediksters optraden, terwijl Joël 2 : 28 en Gal. 3 : 28 de gelijkheid van man en vrouw in deze werkzaamheid aantoonen.[117]
[116] Art. Methodismus in PRE{3}. XII 783, 765 v.
[117] Art. Heilsarmee in PRE{3}. VII 592.
Ook andere kerken hebben de vrouw tot het predikambt toegelaten. De Kwakers hebben wel geen eigenlijke bediening des woords en der sacramenten, maar kenden in het bestuur der gemeente aan de vrouw dezelfde rechten toe als aan den man, en lieten op grond van Joël 2 : 28 ieder, die door den geest gedreven werd, hetzij man of vrouw, toe om in de vergadering het woord te voeren. De Congregationalistische kerk in de V. St. van Amerika bezat reeds in de vijftiger jaren der vorige eeuw eene predikante in ANTOINETTE L. BROWN, die langen tijd op de vrouwenvergaderingen de eenige theoloog bleef. Na 1860 kwam de vraag naar het recht der vrouw, om als predikster op te treden, meermalen op de synoden van Amerikaansche kerken ter sprake; hoewel vele kerken er zich tegen verklaarden, namen de Universalisten en de Unitariërs eene beslissing ten gunste der vrouw; eerstgenoemden lieten in 1863 OLYMPIA BROWN tot het predikambt toe en telden in 1904 reeds 71 vrouwelijke Reverends. De Methodisten verwierpen in 1880 nog de toelating der vrouw tot dit ambt, maar kwamen in 1891 op dit besluit terug.[118]
[118] Handbuch der Frauenbewegung I 440 v. 469. RÖSLER, Die Frauenfrage bl. 492.
In Engeland gaf de Unitarische gemeente te Leicester in 1904 aan eene vrouw, Miss PETZOLD, bij de proefpreek de voorkeur boven hare mannelijke collega's. In de Congregationalistische gemeente King's Weigh House te Londen werden korten tijd geleden een man en eene vrouw (Miss CONSTANCE TODD, de eerste vrouwelijke studente aan het seminarie te Mansfield) tegelijk als predikant bevestigd; een paar dagen na deze plechtigheid traden zij in het huwelijk en aanvaardden tezamen den arbeid van de prediking en de stadszending. Ook in den City Temple te Londen trad onlangs eene vrouw als predikante op, Miss MAUD ROYDEN, wier preeken veel volk trokken en hoog worden geroemd. De quaestie, om vrouwen toe te laten in het ambt, is zelfs in de Engelsche kerk aan de orde gesteld, maar vindt daar vooralsnog sterken tegenstand.[119]
[119] Eenige jaren geleden gaf de voorvechtster der vrouwenrechten in Amerika, ELISABETH CADY STANTON, eene Women's Bible in het licht, waarin zij deze vrouwenrechten met de Schrift in overeenstemming trachtte te brengen. Maar volgens het Handbuch der Frauenbewegung I 469 hat die Unwissenschaftlichheit dieses Versuches der Sache mehr geschadet als genützt.
Hier te lande neemt het aantal vrouwelijke studenten in de theologie toe; enkelen behaalden ook reeds den doctoralen graad. Mej. Dr. ZERNIKE was een korten tijd predikante in de Doopsgezinde gemeente te Bovenknijpe, maar nam 1 Oct. 1915 wegens huwelijk ontslag. Sedert 18 Nov. 1917 is er weer ééne vrouwelijke predikante in Nederland, n.l. Mej. H. GERRITSMA bij de Doopsgezinde gemeente te Baard. De Doopsgezinde Societeit stelde n.l. hare kweekschool open voor meisjes, en elke Doopsgezinde gemeente is vrij, om te beroepen wie zij wil. Ook de Remonstrantsche broederschap besloot in 1915, om de vrouw tot het predikambt toe te laten. Maar de Synode der Ned. Herv. Kerk nam op het verzoek van Mej. Dr. C. GERLINGS, om het predikambt ook voor de vrouw open te stellen, eene afwijzende beschikking, en gaf op de vraag, om dan een voor de vrouw en hare capaciteiten passenden werkkring uit te vinden, geen ander antwoord dan dat ze vrijheid had, om na een examen den graad van godsdienstonderwijzeres te verkrijgen.[120]
[120] In Zwitserland heeft men bij gebrek aan mannelijke hulp in sommige gemeenten eene Pfarrhelferin aangesteld. Er pleit daarvoor, dat predikanten in groote gemeenten met arbeid overladen zijn en zulk eene vrouwelijke hulp voor het bijhouden der registers, het leiden van eene Zondagschool, van eene Meisjes- en van eene Zendingsvereeniging, voor het bezoeken van armen en kranken enz. best gebruiken kunnen. Maar als de predikant ongehuwd is, geeft zulk eene samenwerking licht aanleiding tot kwade geruchten, en als hij gehuwd is, levert de verhouding tot de echtgenoote van den predikant zeker moeilijkheden op. Aldus een art. in de _N. Rott. C._ in de maand October 1916.
Tot dusver is het resultaat van het streven der vrouw op dit gebied dus niet schitterend geweest. En het laat zich niet verwachten, dat de toekomst hierin groote veranderingen brengen zal. Op zichzelve moge er niets tegen zijn, dat eene vrouw bij uitzondering theologie studeert; er is langs dien weg niet een werkkring te vinden, die het leven vult. Men moet erop rekenen, dat er straks na volbrachte studie geen beroep volgt, want de geest der gemeenten is nog altijd zeer ingenomen tegen een vrouwelijke predikante. Eerst is het optreden van eene predikante iets vreemds, dat de nieuwsgierigheid wekt, maar daaraan komt spoedig een einde en dan keert het normale leven terug, dat nu eenmaal van de vrouw op den kansel niet gediend is. Er werkt daarin n.l. nog altijd de oude gedachte na, dat de kerk eene bijzondere instelling is met een eigen ambt en bediening, onderscheiden in oorsprong en wezen van een godsdienstig genootschap of van eene vereeniging tot onderlinge stichting.
Wanneer deze gedachte over de kerk radicaal wordt prijsgegeven en het godsdienstig leven alleen uiting zoekt in eene door eigen wil opgerichte vereeniging, vervalt ook het principiëele bezwaar tegen het optreden der vrouw als predikant. Alleen maar, in dit geval is er ook eigenlijk geen predikant meer, doch slechts een persoon, die eene toespraak of voordracht houdt, en vervalt ook alle gedachte van eene eigenlijke prediking, van eene verkondiging van het Evangelie van Christus in zijn naam en op zijn gezag. Christus heeft immers wel terdege eene kerk gesticht, die gebonden was aan zijn woord; en de bediening van dat woord heeft Hij aan mannen toevertrouwd, aan de apostelen allereerst, en daarna aan herders en leeraars. Van eene ambtelijke bediening van woord en sacrament, en van eene regeering der kerk door de vrouw, is in de apostolische kerk nooit sprake geweest. En toen ze daarnaar streefde, misbruik makende van de haar in Christus geschonken vrijheid, heeft de apostel Paulus haar in de openbare samenkomst der gemeente het zwijgen opgelegd, wijl de natuurlijke, in de schepping gegronde ordening daardoor geschonden werd.
Van anderen aard zijn de hulpdiensten, die de vrouw op kerkelijk of meer algemeen op godsdienstig gebied bewijzen kan. De oude kerk maakte daar een rijk gebruik van; de Roomsche kerk organiseerde ze in hare orden, congregaties en vereenigingen, maar de Protestantsche kerken wisten er weinig partij van te trekken; eerst door den arbeid der in- en uitwendige zending zijn de vrouwelijke diensten weer eenigermate in hun eere hersteld. De vader der Innere Mission, J. H. WICHERN stichtte in 1833 te Horn bij Hamburg het Rauhe Haus, dat oorspronkelijk een reddingshuis voor verwaarloosde knapen was, maar later ook voor andere philanthropische doeleinden werd bestemd. Voor dezen arbeid waren leiders en verzorgers van noode, en zoo kwam WICHERN ertoe, om aan het Rauhe Haus, naar het voorbeeld van de broeders des gemeenen levens, broederhuizen te verbinden, waar jonge mannen tusschen 20 en 30 jaren gedurende zekeren tijd theoretisch en practisch in den arbeid der inwendige zending werden ingeleid. Dergelijke inrichtingen kwamen er, meest echter onder den naam van diakonenhuizen, ook elders tot stand, soms met een algemeen, soms met een meer speciaal doel, bijv. om leekenpredikers of evangelisten op te leiden, als te Crischona bij Basel en in het Johanneum te Barmen; of om bekwaam te maken voor den arbeid onder de Duitsche diaspora, zooals te Neuendettelsau en elders; of om voor te bereiden voor het werk der stadszending, als in het 1858 door WICHERN te Berlijn gestichte Evangelische Johannesstift.[121]
[121] Art. Diakonenhäuser in PRE{3} IV 604–610, verg. het art. WICHERN ib. XXI 219–224.
Naast deze diakonenhuizen werden er weldra ook diaconessenhuizen opgericht. De eerste inrichting van dien aard werd in 1836 door THEODOR FLIEDNER te Kaiserswerth bij Düsseldorf gesticht, die daarbij zich leiden liet door denkbeelden, welke pastor KLÖNNE, Freiherr VON STEIN, AMALIE SIEVEKING e. a. reeds over het herstel van het diaconessenambt hadden geuit, en die in de practische uitvoering zich aansloot bij de Schriftuurlijke en kerkelijke voorbeelden, speciaal ook bij het instituut der gemeentediaconessen bij de Mennonieten in Nederland. Het nieuwe bestond bij deze inrichtingen hierin, dat ze tot stand kwamen buiten de kerken om, aan de diaconessen eene methodische opleiding verschaften en haar arbeid op eene bepaalde wijze organiseerden. Er kwam nu ook bij de Protestanten, zooals reeds lang bij de R. Katholieken, geregelde voorbereiding en onderlinge samenwerking in het werk der barmhartigheid.[122] Het voorbeeld van FLIEDNER vond overal navolging. In tal van landen werden inrichtingen in het aanzijn geroepen voor de opleiding van diaconessen, hier te lande bijv. in Amsterdam, Rotterdam, 's Gravenhage, Haarlem, Utrecht, enz.
[122] Art. Diakonissenhäuser in PRE{3} IV 610–616. SCHÄFER, Leitfaden zur Inneren Mission{4}. Hamburg 1904 bl. 390 v.
Indirect droeg dit diaconessen-instituut er toe bij, om de vrouwen in breeden kring en in tal van vereenigingen aan te sporen tot het ter hand nemen van allerlei philanthropischen, socialen en missionairen arbeid. Want toen de oogen opengingen, bleek het, dat er op dit gebied veel verwaarloosd was en ontzaglijk veel viel te doen. De kerk kan bij dezen arbeid de vrouwen niet missen. Er zijn tal van werkzaamheden, waartoe zij bijzondere gaven en krachten bezitten; men denke slechts aan de Zondagschool, het godsdienstonderwijs, de armenzorg, de ziekenverpleging, de verzorging van weezen en weduwen en ouden van dagen, de ondersteuning van kraamvrouwen, het verschaffen van bijstand en raad aan de moeders, de bereiding van spijzen voor armen en kranken, het voorzien in de behoeften aan kleeding en deksel, de behartiging der belangen van dienstboden, alleenstaande meisjes, fabriekarbeidsters enz. Natuurlijk wil dit niet zeggen, dat al deze werkzaamheden, door de vrouwen te verrichten, van het instituut der kerk moeten uitgaan. Maar de kerk heeft wel de roeping, vooral in dezen tijd, om op al deze diensten de aandacht te vestigen en de vrouwen op te wekken tot het wèlbesteden van de gaven, die haar in het bijzonder zijn toebetrouwd.[123]
[123] HARRENSTEIN, Het arbeidsterrein der kerk in de groote steden 1913 bl. 158–172.
In het bijzonder zij hier nog met een enkel woord melding gemaakt van de belangrijke diensten, welke de vrouwen in het werk der zending bewijzen kunnen. De R. Kath. kerk heeft hiervoor van ouds af een open oog gehad en telt tegenwoordig niet minder dan ruim 20,000 zusters, die arbeiden op het zendingsveld. De Protestantsche kerken hebben het belang van deze vrouwelijke diensten eerst veel later ingezien, en hebben thans dan ook nog niet meer dan ongeveer 7000 zusters, die in de zending werkzaam zijn. Engeland en Amerika gingen hierin voor; Engeland begon in 1834 ongehuwde vrouwen als zendelingen uit te zenden, en heeft thans 98 vrouwelijke artsen en 2498 zusters bij de zending in dienst; voor de Vereenigde Staten zijn deze getallen resp. 160 en 2458, voor Canada 23 en 220, voor Australië met N. Zeeland 2 en 94, voor de Scandinavische landen 3 en 192. Wijl er door den oorlog zoovele mannen aan de kerken ontvallen, begint men thans in Duitschland, hetwelk nu nog maar betrekkelijk weinige, n.l. 248 zendingszusters telt, meer dan vroeger na te denken over de hulp, welke de vrouw in de zending verschaffen kan.[124]
[124] _Alg. Handelsblad_ 30 Dec. 1917.
Zonder twijfel zullen, gelijk op velerlei ander gebied, de vrouwelijke arbeidskrachten in het werk der in- en der uitwendige zending in belangrijke mate toenemen. In Amerika weet men dit getal van zendingszusters practisch daardoor uit te breiden, dat men vereenigingen van vrouwen in eene gemeente of in eene classis opwekt, om de kosten voor zulk eene zendingszuster voor hare rekening te nemen. Deze vrouwenvereenigingen voor de zending werken daarvoor dan niet alleen in de gemeenten, maar houden van tijd tot tijd ook openbare vergaderingen, waar de belangen der zending worden besproken. Zoo kwamen onlangs, in Oct. 1917, de vrouwen van de Reformed Church in de classes Holland, Grandriver en Grandrapids voor de 19e maal in eene zendingsconferentie te Holland, onder leiding van Mrs. GILMORE samen, die door 5 à 600 vrouwen werd bijgewoond en de belangstelling in het werk der zending onder de vrouwelijke leden der gemeenten tracht te bevorderen. Zelfs houdt dezelfde kerk elk jaar, als ze in Synode samenkomt, in dezelfde week en terzelfde plaatse een Ladies' Day, waar de arbeid der zending besproken en aan alle vrouwelijke leden der kerk aanbevolen wordt.
Zoo zien we, dat ook op kerkelijk en missionair gebied, evenals in geheel de maatschappij, de vrouwen meer en meer op den voorgrond treden. En het spreekt haast vanzelf, dat in diezelfde mate ook bij de vrouwen de vraag moest opkomen, of zij in kerkelijke zaken niet meer zeggenschap kunnen verkrijgen, dan haar tot dusver toegekend is. In vele kerken in Amerika en Australië, in Denemarken, Noorwegen en IJsland bezitten ze dan ook reeds het z.g.n. actieve stemrecht, en soms ook het passieve stemrecht voor commissies van armenzorg, ziekenverpleging enz.[125] In Zwitserland hebben vrouwen dikwerf het actieve stemrecht in zaken van beheer en ook wel in de verkiezing van personen tot het ambt; zoo in de Eglise Libre te Genève sedert 1891, in die van Waadland sedert 1898, in de nationale kerk van Waadland sedert 1910; de synode der nationale kerk te Basel voerde ten vorigen jare het vrouwenstemrecht in voor de verkiezing van predikanten enz.; de synode der Waldensische kerk liet in 1903 de gemeenten vrij, om het actieve stemrecht aan de vrouw te verleenen. Onverdeelde sympathie vonden deze maatregelen ook in Zwitserland niet, maar men is er haast toe gedwongen, omdat de mannen zich meer en meer aan de kerk onttrekken.
[125] Toen Ds. TALMA predikant was te Bennebroek, maakte hij van een gewijzigd artikel in het kerkelijk reglement gebruik, om enkele vrouwen door den kerkeraad tot armverzorgsters te laten aanstellen.
In Duitschland ijverden de vooruitstrevende liberale vrouwen ook voor het kerkelijk stemrecht. De Duitsche vereeniging voor vrouwenstemrecht richtte 15 April 1903 aan den Evangelischen Ober-Kirchenrat het verzoek, om dit stemrecht te verleenen, en MARTHA ZIETZ, die dit verzoek onderteekend had, trad op den Protestantendag Oct. 1904 op, om dit recht der vrouw te verdedigen. In de kringen der liberale Protestanten vond dit kerkelijk vrouwenstemrecht wel steun, en ook daarbuiten werd het door enkelen, zooals PAULA MÜLLER en ADOLF STÖCKER, op de kerkelijk-sociale conferentie te Berlijn in April 1903, met sympathie begroet, maar anderen, zooals o.a. BETTEX, verwierpen het beslist.[126] Hier te lande werd het reeds in 1898 besproken en verdedigd door Dr. KUYPER, en later door Ds. A. D. C. KOK en Ds. C. LINDEBOOM.[127] De Synode der Ned. Herv. Kerk verklaarde zich in Juli 1917 in beginsel voor het actieve vrouwenkiesrecht met 14 tegen 5 stemmen, terwijl zij het passieve stemrecht der vrouw met 10 tegen 9 stemmen verwierp; maar het is de vraag, of de classicale vergaderingen op dit voorstel der Synode gunstig adviseeren zullen. Eén van de argumenten vóór de aanneming van het actieve vrouwenstemrecht werd daaraan ontleend, dat de uitsluiting der bedeelden van het kiesrecht eerlang wel verdwijnen zal, en dat het dan niet aangaat, de vrouwen bij deze bedeelden achter te stellen.
[126] PAULA MÜLLER und D. ADOLF STÖCKER, Rechte und Pflichten der Frau in der kirchlichen und bürgerlichen Gemeinde. Hefte der freien kirchlichsocialen Konferenz. Heft 28. Berlin 1903. EMIL GÜDER, Das Stimmrecht der Frauen in kirchlichen Angelegenheiten. Giessen Ricker 1904. A. BRAUN, Die Ziele der modernen Frauenbewegung. Mit Begleitwort von Prof. Dr. R. SEEBERG, Berlin Trowitsch 1913.
[127] In _de Heraut_ no. 1848, 23 Jan. 1898. A. D. C. KOK, De plaats der vrouw in Christus' gemeente. Nijverdal 1915. C. LINDEBOOM in _de Bazuin_ 20 April tot 22 Juni 1917, en later nog aldaar, Oct.–Nov. 1917.
In ons land is deze quaestie echter niet van dringenden aard. In de eerste plaats is het getal der mannen, dat aan de kerk den rug toekeert, lang zoo groot niet als in andere landen; en ten tweede is er van een verlangen der vrouwen naar het actief stemrecht in de kerk weinig of niet te bespeuren; zij stellen er zoo weinig belang in, dat bij de onlangs te Middelburg gehouden verkiezing voor den kerkeraad der Israëlietische gemeente, waar voor het eerst aan de vrouwen het kiesrecht was verleend, slechts eene enkele vrouw van dit recht gebruik maakte. Bij zulk eene onverschilligheid is het dwaas stemrecht te verleenen; als het niet gevraagd wordt, zijn er geen gronden, om het te geven, in de kerk evenmin als in den staat.
Indien het vrouwenkiesrecht echter principiëel ter sprake komt, is er weinig grond, om het te veroordeelen. De vrouwen zijn evengoed leden der gemeente als de mannen. Het belang bij goede predikanten, ouderlingen en diakenen is voor haar even groot als voor hen. De belangstelling van de vrouwelijke leden in de kerk, in de bediening van woord en sacrament, in de kerkelijke tucht en in de verzorging der armen, doet in den regel voor die van de mannen niet onder. De godsdienst gaat bij haar gewoonlijk veel dieper, omdat ze bij haar meer is eene zaak van 't hart, en invloed oefent op heel haar leven. Niet gering is het aantal vrouwen, die weduwen zijn of met godsdienstig onverschillige of tot eene andere kerk behoorende mannen zijn gehuwd, en zonder vrouwenstemrecht van allen invloed op het kerkelijk leven verstoken zijn.
Wel is waar, is de vrouw in het huisgezin aan den man ondergeschikt, en werkt dit onderscheid ook in de gemeente door, maar als leden, afgezien van het ambt van leeraar en ouderling, ontvangen zij dezelfde weldaden en hebben zij dezelfde rechten. Hebben trouwens inwonende zoons, die belijdenis aflegden, niet het recht van stemmen, ofschoon ze aan de ouders ondergeschikt blijven? Indien het stemrecht echter niet vanzelf toekomt aan een mannelijk lid der gemeente, dat belijdenis des geloofs aflegde, maar verder nog afhankelijk is van bepalingen, b.v. aangaande den leeftijd, die door den kerkeraad zijn gemaakt, dan draagt de verleening van het kiesrecht in de kerk een vrij willekeurig karakter en wordt de weigering daarvan aan de vrouwen, indien zij het begeeren, eene onbillijkheid, even onbillijk als de achteruitzetting bij den doop van kinderen, waarbij naar sommiger oordeel de moeder haar eigen kind niet ten doop mag houden of op de vragen van het doopsformulier niet antwoorden mag. De onbillijkheid wordt te grooter, omdat men aan den anderen kant toch in de kerk aan de vrouw het recht toekent, om bedenkingen in te brengen tegen de verkiezing van iemand, die aan de gemeente voorgesteld werd, om op te treden als getuige over iemands belijdenis of wandel, om verzoekschriften of klachten in te dienen bij den kerkeraad enz. En was het kiesrecht in de kerk nu nog een soort van machtsoefening, dan liet zich de onthouding daarvan aan de vrouw verstaan; maar nog veel minder is dit in de kerk dan in den staat het geval. De gemeente wijst alleen personen aan, die zij voor een of ander ambt het verkieselijkst acht, maar het is de kerkeraad, die roept en aanstelt.
Goed beschouwd, is er maar één bezwaar, dat gewicht in de schaal legt, en dat is de vrees voor de consequentie: als de kerk aan de vrouw het actieve kiesrecht verleent, dan duurt het niet lang, of zij zal zich genoodzaakt zien, om haar ook het passieve kiesrecht te schenken. En dan is de tijd niet ver meer, waarin vrouwen de plaats van de predikanten, de ouderlingen en de diakenen zullen innemen.[128]
[128] Aldus Ds. KNAP in _Oude Paden_, die echter door Ds. LINDEBOOM in _de Bazuin_ van 23 Nov. 1917 bestreden wordt.
Zulk eene redeneering uit de consequenties maakt gewoonlijk veel indruk op vreesachtige gemoederen, die elke „nieuwigheid” veroordeelen. Maar ze is toch in den grond der zaak van dezelfde waarde als het dikwijls gebezigde argument, dat de tijd ergens niet rijp voor is. Indien het bewijs, aan de Schrift ontleend, dat de vrouw niet dienen mag in het kerkelijk ambt, althans niet in dat van predikant of ouderling, sterk genoeg is, hebben wij aan het argument der vrees geene behoefte; indien dat bewijs niet houdbaar ware, zouden wij de consequentie op den duur toch nooit door het inboezemen van vrees kunnen keeren. Te minder, omdat het ambt van predikant en ouderling toch in werkelijkheid nooit anders dan bij uitzondering door vrouwen begeerd of bediend zou worden.
Maar het is ook niet waar, dat het actief kiesrecht vanzelf en consequent tot het passief kiesrecht leidt. Beide zijn onderscheiden, omdat de vereischten voor de verkiesbaarheid menigmaal andere zijn dan die voor de kiesbevoegdheid. Het lidmaatschap van den gemeenteraad bijv. is volgens art. 23 der Gemeentewet onvereenigbaar o.a. met de betrekking van ambtenaar der gemeente, geestelijke of bedienaar van den godsdienst, onderwijzer bij het lager of middelbaar onderwijs. Deze personen zijn wel kiesbevoegd en stemmen bij de verkiezing voor den gemeenteraad mede, maar ze zijn niet verkiesbaar. Zoo is de verkiesbaarheid tot eenig ambt in de Schrift aan bepaalde vereischten verbonden, 1 Tim. 3; maar aan de kiesbevoegdheid worden nergens dergelijke grenzen gesteld.