De vrouw in de hedendaagsche maatschappij
Part 12
Bovendien, in vorige tijden was de man de natuurlijke en wettige beschermer van zijn gezin, van zijne vrouw en kinderen; van de groote macht, waarover hij als „heer” beschikte, kon hij misbruik maken, maar hij had daardoor toch ook de door gewoonte en recht versterkte verplichting, om ze ten nutte van zijne vrouw en kinderen aan te wenden. De Germanen werden om hun kuischheid, gezinsleven en eerbied voor de vrouw geprezen, en de ridders in de Middeleeuwen verbonden zich tot bescherming van armen en zwakken. Maar het individualisme der achttiende eeuw heeft den huiselijken band en den familiezin verzwakt, en de sociale ontwikkeling in de vorige eeuw heeft dit ontbindingsproces voortgezet; ieder verlangt thans zooveel mogelijk voor zijne eigene rechten op te komen, en acht tot verdediging zijner belangen zichzelf het best in staat.
In dit alles zijn de mannen voorgegaan, en straks door de vrouwen gevolgd. Ook bij haar heeft allengs de overtuiging post gevat, dat zij voor hare eigene belangen zelve het best konden optreden. Op het voorbeeld der mannen zijn zij er niet meer mede tevreden, dat door regeering en parlement zonder haar, over haar wordt beslist. Langen tijd heeft men dit streven weerstaan met de redeneering, dat de vrouwen niet tot ernstig nadenken in staat waren, dat zij voor de politiek en de politiek voor haar, niet deugde, en dat hare plaats was aan den huiselijken aard. Zoo betoogde reeds de citoyen AMAR, toen de Nationale Conventie in 1793 in overweging nam, om alle vrouwenvergaderingen te verbieden. Maar het argument, aan de intellectueele minderwaardigheid der vrouw ontleend, heeft veel van zijne kracht verloren tegenover het feit, dat het individualistische kiesrecht verleend wordt aan alle mannen zonder onderscheid, en van alle kenteekenen van welstand en geschiktheid afziet. Kort geleden schreef _De Standaard_[102] nog: beweerd is onzerzijds nimmer, dat de vrouw, minder dan de man, in staat zou zijn, om ook in het politiek geding in te leven. Als men tot algemeen stemrecht komt, dan staat buiten tegenspraak vast, dat er tal en tal van vrouwen zijn, die veel klaarder en juister dan tal van jonge mannen over den gang van het politieke leven kunnen oordeelen. Ook hier geldt, dat de vrouw wel anders, maar niet minder dan de man is. Zij staat doorgaans bij den man ten achter in abstract denken en logische redeneering, maar zij overtreft hem in den regel in snelheid van inzicht en bevatting.
[102] In haar nummer van 31 Oct. 1917.
Bovendien leert de ervaring in die Staten, waar vrouwen het stemrecht hebben, dat de belangstelling der vrouwen zich op andere onderwerpen dan die der mannen richt; ook hier heeft er differentiatie plaats. In een belangrijk, zakelijk verslag over het vrouwenkiesrecht in de Vereenigde Staten[103] zegt Mr. Dr. F. M. SCHMOLCK, destijds gezantschapssecretaris te Washington: de mannen stellen meer belang in zaken en financieele kwesties, terwijl de vrouwen zich meer interesseeren in aangelegenheden van moreelen aard: opvoeding, zedelijkheid, schoonheid, weldadigheid, kinderzorg en alles wat de welvaart van het gezin betreft. In het algemeen doet de invloed der vrouwen zich gelden op het gebied van bestrijding van spel, prostitutie en drankmisbruik, ten gunste van zedelijkheid, goed bestuur, recht en orde. De belangen der kinderen (kwesties van ouderlijke macht, arbeid, enz.) worden met warmte door de vrouwen verdedigd. Naarmate de Staat zich met zijne wetgeving gaat bewegen op het terrein der maatschappij, opent hij een arbeidsveld, waar de vrouwen minstens evengoed op thuis zijn als de mannen en in doorzicht en beleid volstrekt niet voor hen behoeven onder te doen.
[103] Opgenomen in het Overzicht der voornaamste van 15 Juli 1913 tot 15 Juli 1914 door het Ministerie van Buitenlandsche Zaken behandelde en voor openbaarmaking geschikte aangelegenheden, bl. 37–40.
Ook andere bezwaren, tegen het vrouwenkiesrecht ingebracht, zijn niet zonder gewicht, maar toch ten slotte niet overwegend. Prof. AENGENENT acht dit kiesrecht niet in strijd met het geloof noch met het natuurrecht, maar vreest toch, dat de individualistische idee van den Staat erdoor versterkt, de eenheidsidee in het huwelijk erdoor verzwakt, en het karakter der vrouw door deelname aan de politiek bedorven zal worden. Het oordeel over de werking van het vrouwenkiesrecht is ook niet onverdeeld gunstig. In het jaar 1905 liet de vroegere, democratische president der Amerikaansche Unie, de Heer CLEVELAND, zich in een interview aldus uit, dat de proefneming met het vrouwenkiesrecht in de Staten Colorado, Idaho, Utah en Wyoming eene treurige uitkomst had opgeleverd.[104] Hij herinnerde eraan, hoe de vrouwen in Utah een mormoon, die de veelwijverij in practijk bracht, hadden gekozen; hoe de vrouwen in Colorado de schandelijkste kiesknoeierijen bedreven, en hoe zij in geen enkelen Staat den toon en het peil der politiek hadden weten te verheffen. De ex-president verklaarde dit voornamelijk daaruit, dat de best opgevoede vrouwen zich onthouden en de uitoefening van het stemrecht overlaten aan de minst aanbevelenswaardige elementen in haar geslacht.
[104] In het Algemeen Handelsblad van 19 Oct. 1905. Soortgelijk oordeel werd ook uitgesproken in een artikel in The nineteenth Century Nov. 1904, aangehaald door Mr. H. VERKOUTEREN in De groene Amsterdammer 14 Nov. 1904, en door den Heer TH. J. VAN HOOFT in het Alg. Handelsblad 22 Sept. 1916.
Het is goed, op deze en dergelijke getuigenissen nauwkeurig acht te geven, omdat zij bewaren voor eenzijdigheid en ons op onze hoede doen zijn tegen de overdreven verwachtingen, die op het vrouwenkiesrecht gebouwd worden. Als men sommige feministen gelooven wil, zou dit kiesrecht niet alleen voor de vrouw een middel tot verlossing zijn en aan de nieuwe vrouw het aanzijn schenken; maar ook voor de gansche maatschappij een tijdperk van gerechtigheid, vrede en geluk doen aanbreken. Maar al deze verwachtingen zijn even ijdel als die van het socialisme aangaande den heilstaat der toekomst; zij gaan buiten de werkelijkheid om, rekenen niet met het menschelijk hart, dat altijd hetzelfde blijft, en loopen op niets dan teleurstelling uit. De vrouw is volstrekt niet vredelievender, zachtzinniger en rechtvaardiger dan de man; niet alleen de Gratiën, ook de Furiën werden als vrouwen voorgesteld. Maar de billijkheid eischt te erkennen, dat er ook talrijke gunstige getuigenissen over de werking van het vrouwenkiesrecht zijn afgelegd. In October 1913 richtte het Hoofdbestuur van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht een verzoek tot de Gouverneurs en Eerste Ministers van alle landen, waar vrouwenkiesrecht bestaat, om onze Regeering te willen voorlichten omtrent de werking van het vrouwenkiesrecht bij hen te lande, en van deze voorlichting zelf een afschrift te mogen ontvangen.
De getuigenissen, die inkwamen en waarvan het Hoofdbestuur een kort uittreksel publiceerde, waren onverdeeld gunstig; van de voorspelde slechte gevolgen was er geen enkel uitgekomen, het vrouwenkiesrecht werkte tot aller voldoening, werd door niemand betreurd, en oefende op verkiezing, volksvertegenwoordiging en wetgeving een goeden invloed uit. Een sterk voorbeeld is Noorwegen, dat in 1907 aan alle gehuwde en ongehuwde vrouwen het kiesrecht gaf, mits zij in de belasting naar het inkomen voor een zeker bedrag waren aangeslagen, maar in 1913 deze voorwaarde vallen liet, en dus aan het vrouwenkiesrecht eene belangrijke uitbreiding schonk.[105]
[105] Zie over de gunstige werking van het vrouwenkiesrecht Studie-materiaal voor vrouwenkiesrecht bl. 73 v. Dr. ALETTA H. JACOBS en F. S. VAN BALEN-KLAAR, Vrouwenkiesrecht, Maatsch. voor goede en goedk. lectuur, bl. 76 v. Losse Artikelen over Vrouwenkiesrecht bl. 1 v. 62 v.
Merkwaardig is ook het bezadigde Rapport van Mr. SCHMOLCK, dat reeds boven aangehaald werd; we lezen daar, dat volgens veler meening de vrouwen minder partijdig dan de mannen zijn, bij de stembus een goeden invloed oefenen op de daar heerschende orde, zedelijkheid en goed bestuur, recht en orde hebben bevorderd. Met name dient ook vermelding, dat de vrees van sommigen, alsof het kiesrecht eene oorzaak van twist tusschen man en vrouw zou worden, niet is bevestigd; in de Staten Wyoming, Colorado, Utah en Idaho, waar evenals in andere staten der Unie de echtscheiding zeer gemakkelijk is, was toch geen enkele echtscheiding het gevolg van meeningsverschillen op politiek gebied.[106]
[106] t. a. p. bl. 38, 39.
Den gunstigsten invloed op de wetgeving en de regeering des lands zullen de vrouwen kunnen uitoefenen, als zij van het passieve en actieve kiesrecht gebruik maken, om op publiek terrein die belangen te verdedigen, wier behartiging haar in het bijzonder toebetrouwd is. Gelijk boven aangeduid werd, is er, ook als mannen en vrouwen zich beiden op politiek terrein bewegen, verschil in de onderwerpen, waartoe zij zich aangetrokken gevoelen. De vrouwen strijden tegen spel, prostitutie en drankmisbruik; zij verdedigen zedelijkheid en goed bestuur, recht en orde; zij beschermen de armen en de zwakken; en bovenal, zij zijn de aangewezen behoedsters van huwelijk en gezin.
Nu worden juist deze beide instellingen in den tegenwoordigen tijd van alle kanten aangevallen en bestreden; vrije liefde, prostitutie, neo-malthusianisme, lichtvaardige echtscheiding zijn voortdurend bezig, om het huwelijk en het gezinsleven te ondermijnen en de Christelijke maatschappij tot den barbaarschen toestand terug te leiden. Zelfs ultra-feministen onder de vrouwen arbeiden hieraan mede en offeren de edelste goederen van een volk aan de zucht naar economische onafhankelijkheid op. Maar gelukkig is haar getal gering; als de vrouwen in het algemeen het kiesrecht ontvangen, is haar invloed gebroken. In het reeds een- en andermaal aangehaalde rapport van Mr. SCHMOLCK lezen we op bl. 39: De invloed van onzedelijke vrouwen is te gering, om van belang te kunnen worden geacht; volgens den afgevaardigde EDWARD T. TAYLOR van Colorado mag men aannemen, dat er ongeveer ééne onzedelijke vrouw voorkomt op tweehonderd. Ook de criminaliteit is onder de vrouwen veel geringer dan onder de mannen; zij bedraagt ten hoogste één vierde tot één vijfde van de misdadigheid der mannen[107].
[107] Studie-materiaal voor Vrouwenkiesrecht bl. 194.
De vrouw is inderdaad nog de groote moreele kracht in de hedendaagsche maatschappij; het persoonlijk leven van de normale vrouw staat hoog boven dat van den man; in het gewone vrouwenleven zijn er geen dingen, die bedekt behoeven te worden, zooals in dat van een groot aantal der mannen. Vele, de meeste van deze vrouwen, begeeren het kiesrecht niet, zij houden zich verre van alle politiek. Als zij desniettemin straks het kiesrecht ontvangen, zullen zij dit aanvaarden, niet als een recht, noch als een voorrecht, maar als een plicht, dien zij in het belang van Maatschappij en Staat te vervullen hebben.
En voor deze vrouwen bestaat er geen gevaar, dat haar karakter door de politiek bedorven zal worden. Enkelen zullen er onder lijden, haar naaste plichten verwaarloozen, en niet als Mevrouw BOISSEVAIN-PIJNAPPEL den moed hebben, om ter wille van haar gezin voor de politieke carrière te bedanken. Maar dit zullen uitzonderingen zijn, veel geringer in aantal nog dan onder de mannen. En de groote meerderheid zal zich met de politiek niet meer bemoeien, dan de meeste mannen doen, en voor de vervulling van hare nieuwe taak strikt noodzakelijk is. Daarom behoeven we ook niet te vreezen, dat de vrouwen, die in den regel bij elk volk de meerderheid uitmaken, zich aaneen zullen sluiten, tegen de mannen den strijd zullen aanbinden en hen uit alle ambten en bedieningen verdringen zullen[108]. Omdat de vrouwen in haar reëele leven, aan gezin, aan man en kinderen, aan godsdienst en moraal en aan allerlei sociale verhoudingen gebonden zijn, zullen ze zonder twijfel individueel of collectief bij de bestaande politieke partijen zich aansluiten, en dus het aantal stemmen, dat op de candidaten uitgebracht wordt, slechts verdubbelen. De ervaring leert, dat de rechtstreeksche invloed der vrouw op de verkiezingen weinig verandering brengt in de constellatie der partijen[109].
[108] Dr. A. KUYPER, De Eerepositie der vrouw bl. 66.
[109] Mannenbond voor Vrouwenkiesrecht, Vlugschrift No. 10, 1915. Mevr. WIBAUT, Ten strijd voor het algemeen Vrouwenkiesrecht. Amsterdam 1914 bl. 17.
Met dit al wordt niet ontkend, dat de vrouwenbeweging, die voorloopig in het kiesrecht een zeker eindpunt heeft bereikt, in de toekomst niet nog allerlei verrassingen kan bereiden. Als de valsche beginselen van vrije liefde, economische zelfstandigheid der vrouw en opvoeding der kinderen door den Staat de overhand in het feminisme verkregen, zou het zelfs het Christelijk huisgezin en de Christelijke maatschappij met den ondergang bedreigen. Maar wij kunnen niet vooruitzien en zijn ook niet in staat, om uit de tallooze, ingewikkelde gegevens, die het heden ons biedt, met zekerheid aangaande de toekomst iets vast te stellen. Wel schijnt echter de verwachting niet gewaagd, dat ook het algemeene mannen- en vrouwenkiesrecht niet de laatste, definitieve regeling van het kiesstelsel zal zijn. Immers verliest het parlementarisme allerwege zijn crediet; het algemeene kiesrecht verhaast zijn val, omdat het bij de Kamerleden zetelvrees en kiezersvrees een steeds grootere rol doet spelen, de volksvertegenwoordiging van hare zelfstandigheid berooft, en de Regeering over het parlement heen en buiten het parlement om doet grijpen naar het steunpunt van den volkswil.[110] In de anarchie, die wij langs dezen weg tegemoet gaan, zal alleen een despoot orde kunnen scheppen, tenzij geleidelijke ontwikkeling der maatschappij ons brenge tot een ander, organisch kiesrecht.
[110] FABIUS, Studiën en Schetsen passim, bijv. II 145. IV 96. VI 70. VIII 180.
Ook daarvoor ontbreken echter de gegevens niet. De maatschappij, die door de Fransche Revolutie ontbonden en uiteengeslagen werd, zoekt overal weer naar organisatie; de enkeling streeft naar vereeniging; het individualisme roept uit reactie het socialisme te hulp. Alle bedrijven, beroepen en ambten zoeken zich door aaneensluiting eene bepaalde plaats en een welomschreven recht in de maatschappij te verwerven; op het gebied van landbouw, nijverheid, verkeer en handel is er een streven naar associatie en samenwerking. Zoo schijnt er grond te bestaan voor de meening, dat we in een toestand van overgang naar een beteren vorm van vertegenwoordiging verkeeren, en dat het individualistische kiesrecht te zijner tijd voor een meer organisch kiesrecht plaats zal maken.[111] In den zin, waarin Dr. KUYPER schreef, dat het geheele volk alleen dan in de volheid van zijn leven vertegenwoordigd zal zijn, indien niet alleen de gezinnen door hunne hoofden worden gerepresenteerd, maar bijaldien ook het maatschappelijk leven in zijne verschillende openbaringen aan het woord kan komen.[112]
[111] Aldus de Heer Mr. V. H. RUTGERS in zijne belangrijke rede in de Tweede Kamer 27 Oct. 1916, Handel. bl. 289 v., met beroep ook op een artikel van den Heer Mr. TREUB in de Vragen des Tijds 1908, en eene rede van den Heer TYDEMAN in de Kamer 18 Nov. 1908. In zijne rede bij het laatste begrootingsdebat 21 Nov. 1917 liet de Heer TROELSTRA zich aldus uit: De Fransche Revolutie heeft ons de democratie gebracht in den vorm van de helft plus één. De tegenstand, die hier altijd is geboden, vooral door de Antirevolutionaire partij, tegen de desorganisatie der maatschappij onder de werking der Fransche Revolutie, tegen het atomistische van onze maatschappij, had een zeer gerechtvaardigden kern (Handel. bl. 425).
[112] In zijne Nota, opgenomen in het Verslag der Grondwetscommissie, ingesteld bij K. B. van 24 Maart 1910 No. 16.
Enkele dagen geleden berichtte de pers, dat het amendement op de Amerikaansche grondwet ter invoering van het vrouwenkiesrecht, in het Huis van Afgevaardigden met slechts ééne stem boven de vereischte meerderheid (tweederden der stemmen) n.l. met 274 tegen 136 stemmen werd aangenomen. President Wilson had er zich vóór verklaard.
10. DE VROUW EN DE KERK.
Van de gaven en krachten der vrouw heeft de Christelijke kerk in den aanvang bij de verbreiding van het Evangelie, bij de oefening van toezicht en tucht over sommige leden der gemeente, en bij de verzorging van armen en kranken een veelzijdig en dankbaar gebruik gemaakt. Toen haeresie, hierarchie en ascese aan al deze, min of meer officiëele hulpdiensten een einde maakten, hebben langzamerhand de kloosterzusters dezen vrouwelijken arbeid in eenigszins anderen vorm overgenomen en voortgezet. Met de monniken togen zij naar de heidensche landen heen, om te arbeiden aan de verbreiding van het Evangelie; door het stichten van kloosters hebben zij op even roemrijke wijze als de mannen Christelijke godsdienst en beschaving verspreid; door allerlei philanthropischen arbeid op het gebied van armenzorg, krankenverpleging, kinder- en meisjesopvoeding enz. hebben ze een welverdiende en wijdverbreide vermaardheid ontvangen. Door alle eeuwen heen kan de Roomsche kerk bogen op eene groote schare van vrouwen, die met algeheele toewijding en voorbeeldige zelfverloochening de liefde tot God en den naaste in practijk hebben gebracht.
In den nieuweren tijd kwam er na de Fransche Revolutie onder de Roomsche vrouwen en jonkvrouwen eene godsdienstige herleving, die bestaande orden tot nieuwen bloei bracht en aan tal van nieuwe kloosters en vereenigingen het aanzijn schonk. De vooral na 1848 toenemende Mariavereering, die in 1854 leidde tot de afkondiging van het dogma der onbevlekte ontvangenis, heeft deze beweging in sterke mate bevorderd; de arbeid der R. Kath. vrouwen op het terrein van missie en philanthropie werd er op buitengewone wijze door uitgebreid. De orden en vereenigingen, die zich met deze werkzaamheden bezighouden, zijn zoovele, dat zij haast niet op te sommen zijn, en het terrein, waarop ze zich bewegen, is zoo groot, dat sommigen zelfs de vrees gingen koesteren, dat deze sociale arbeid het eigenlijk doel van het kloosterleven in de schaduw zou stellen. Want deze orden en vereenigingen stelden zich niet uitsluitend ascese en devotie, verbreiding des geloofs in Christelijke en heidensche landen ten doel, maar ze legden zich ook met ijver toe op verbetering der maatschappij en voorziening in hare nooden; behalve verzorging der armen en verpleging der kranken namen ze ook opvoeding van meisjes, bescherming der vrouwelijke jeugd, redding van gevallenen, ondersteuning van kraamvrouwen, bezoek van gevangenen, behartiging der belangen van dienstboden en arbeidsters, stationszending en nog velerlei anderen arbeid van caritatieven aard ter hand.[113]
[113] RÖSLER, Die Frauenfrage bl. 497 v.
De Reformatie der 16e eeuw is voor het gezinsleven, inzonderheid ook in de pastorie, ten rijken zegen geweest; schoon het huwelijk in de eerste plaats erkennende als eene burgerlijke acte, heeft zij het toch metterdaad in zijne eere hersteld; en aan de ethische waardeering der vrouw en der moeder is zij in hooge mate bevorderlijk geweest. Maar door het sloopen der kloosters en het verdrijven van monniken en nonnen, heeft zij aan velerlei gelegenheid tot het beoefenen van werken der barmhartigheid een einde gemaakt en deze niet door andere organen vervangen. Het diaconaat vond slechts in weinige kerken der Reformatie ingang, en de pogingen, om het ambt of den dienst der diacones te herstellen, slaagden slechts in geringe mate[114]. HENDRIK VAN DER MARCK, vorst van Sédan, ging in 1559 tot de Reformatie over, en bestemde een deel der kloostergoederen in zijn vorstendom voor de stichting van eene vereeniging van Jonkvrouwen, die barmhartigheid zouden bewijzen aan armen, kranken en ouden van dagen; ze legden geene geloften af, maar waren wel aan zekere huiselijke regelen gebonden. Naast deze Filles de Sédan vindt men in de Fransche kerken ook nog van Dames de la Rochelle, en in de Geref. Kerken aan den Rijn van diaconessen gewag gemaakt. Ook hier te lande vatte men in den aanvang het plan op, om den dienst der diaconessen weder in te voeren. Het convent te Wezel 1568 oordeelde, dat op die plaatsen, waar dit bekwamelijk kon geschieden, ook „vrouwen van vermaarde proeve ende vroomheid ende bejaart,” naar het voorbeeld der apostelen, tot het diakenambt konden aangenomen worden. Maar de Synode van Middelburg 1581 was reeds van eene andere meening en sprak uit, dat het „om verscheiden inconvenienten wille, die daer uit souden mogen volgen” niet raadzaam was, het ambt der diaconessen weder in te voeren; alleen voegde zij daaraan toe, dat in tijden van pest of andere krankheden, waarbij dienst door vrouwen te doen ware, die voor de diakenen niet betamelijk is, dezen zulke diensten konden laten uitoefenen door hunne huisvrouwen of andere daartoe bekwame vrouwen.
[114] Prof. P. BIESTERVELD, Dr. J. VAN LONKHUYZEN en Ds. R. J. W. RUDOLPH, Het Diaconaat. Kampen, J. H. Kok, bl. 262 v. HARRENSTEIN, Het arbeidsterrein der Kerk in de groote steden. Kampen J. H. Kok 1913 Bijlage J bl. XXVIII v.
Op deze wijze, als helpsters van de diakenen, waren in sommige gemeenten ook wel diaconessen, hetzij met of zonder dien naam, werkzaam, zooals bijv. te Middelburg, Utrecht, Amsterdam enz. In groote gemeenten, waar vele arme en zieke vrouwen, kraamvrouwen of weduwen voorkwamen, achtte men het niet ondienstig, dat vrouwen de diakenen in hun arbeid bijstonden. In de vluchtelingenkerk te Embden waren naast een groot aantal diakenen ook vier eerbare weduwen over het gasthuis aangesteld. In de gemeente Amsterdam had men buitenmoeders voor de arme, inzonderheid de kraamvrouwen, en binnenmoeders voor de wees- en ziekenhuizen. En zoo wijdden zich ten allen tijde vele vrouwen, met of zonder eenige aanstelling, aan den dienst der barmhartigheid, aan de verzorging van armen, de verpleging van kranken, de opvoeding van weezen enz. De liefdadigheid bleef ook bij de Hervorming in eere. Niet alleen werd een zeer groot gedeelte der kerkelijke goederen voor de verzorging der armen besteed, maar wie rijk geworden was, placht niet zelden bij zijn leven of na zijn dood een deel van zijn vermogen te bestemmen voor liefdadige doeleinden. Het Bestuur van zulke instellingen, dikwijls onder toezicht der Overheid gesteld, berustte meestal bij de aanzienlijken, die er, mannen zoowel als vrouwen, gaarne hun tijd aan besteedden; regenten en regentessen hielden ervan, om zich in die qualiteit op het doek te laten vereeuwigen. En de talrijke instellingen en hofjes, in vroeger tijd in de steden en ook op de dorpen verrezen, herinneren nog heden ten dage aan den weldadigheidszin van onze vaderen.[115]
[115] P. L. MULLER, Onze gouden Eeuw. Leiden Sijthoff II 305. BUSKEN HUET, Het Land van Rembrand. Haarlem 1901 II 3e stuk bl. 3.