De vrouw in de hedendaagsche maatschappij
Part 11
Onder de vraagstukken, welke door de vrouwenbeweging aan de orde zijn gesteld, heeft dat van het politieke stemrecht der vrouw steeds het meest de aandacht getrokken. Voor een deel is dat te verklaren uit de overdreven verwachtingen, die daarop door de voorstanders zijn gebouwd; en voor een ander deel vindt het zijne oorzaak hierin, dat dit stemrecht eene bestrijding ondervond, die niet geevenredigd is aan zijne beteekenis. Het vrouwenkiesrecht is toch niet het een en al, zelfs niet het voornaamste onder de vraagstukken, die de positie der vrouw in de tegenwoordige maatschappij betreffen; het is er maar een onderdeel van, in zekeren zin de, althans voorloopig, laatste consequentie, waartoe de vrouwenbeweging leiden moest. Zoolang de vrouw tevreden was met de bescheiden plaats, welke haar vroeger beschoren was, ergerde zij zich volstrekt niet aan het feit, dat zij in de regeering des lands weinig of niets te zeggen had; maar zoodra zij zich tengevolge van tal van veranderde omstandigheden als vrije en zelfstandige burgeres van den Staat gevoelen ging, moest zij wel den eisch gaan stellen, dat evenals in andere landen, het artikel van de Grondwet hier te lande, volgens hetwelk ieder Nederlander tot elke landsbediening benoembaar is, te haren opzichte niet eene doode letter bleef, maar gerealiseerd werd in de practijk.
De eisch van de politieke rechten der vrouw kwam vooral aan de orde tegen het einde der achttiende eeuw, als gevolgtrekking uit de verklaring van de rechten van den mensch. Voor inwilliging van dien eisen was de tijd echter nog niet rijp; hij was te abstract gesteld, en vond geen steun in de werkelijkheid. Maar de sociale omwentelingen, die in de vorige eeuw door de grootindustrie werden veroorzaakt, hebben hier verandering in gebracht; het vrouwenkiesrecht kreeg eene actueele, practische beteekenis.
Daarom moet men dit vraagstuk ook niet in het afgetrokkene beschouwen, want dan valt het betrekkelijk gemakkelijk, om er den spot mede te drijven. Maar men moet het in verband zetten met heel de verandering en ontwikkeling, die er onmiskenbaar plaats greep in het leven der vrouw, en die er den grondslag en de drijfkracht van uitmaakt. Het verlangen naar politiek stemrecht is dus bij de vrouw niet een inval of gril; maar het komt op uit het ontwaakte zelfbewustzijn, uit de idee van persoonlijkheid en vrijheid, die zich van haar heeft meester gemaakt; het vindt steun in de inkrimping van den gezinsarbeid, in het bedrijfs- en beroepsleven, waartoe haar leven zich heeft uitgebreid, in de veranderde positie, welke zij ten opzichte van het openbaar leven is gaan innemen; en het hangt ten nauwste samen met het belang, dat zijpersoonlijk gekregen heeft bij het bestuur des lands, en met de belangstelling, welke zij daarom is gaan gevoelen voor de publieke zaak. Het gaat niet meer aan en druischt tegen de werkelijkheid in, den werkkring der vrouw te beperken tot de vijf K's (Kamer, Keuken, Kelder, Kinderen en Kleeren); de ontwikkeling der maatschappij drijft haar op nieuwe banen.
Trouwens, de vraag, welke politieke rechten aan een volk in een gegeven tijd toekomen, is nooit een abstracte, schoolsche quaestie. Men kan ze zoo wel behandelen, maar brengt het dan nooit tot eene oplossing, die op de werkelijkheid past. Op de vraag, aan wie het kiesrecht toekomt, geeft geen principe of theorie, anders dan in vage termen, antwoord. Het is eene vraag, die practisch, in de historie van een volk aan de orde komt en in verband daarmede hare oplossing moet vinden. Dit rekenen met de werkelijkheid corrigeert dan menigmaal de gebreken van de theorie. Van het individualistische kiesrecht is in het afgetrokkene niets goeds te zeggen, want het abstraheert van elke qualiteit, ziet in den mensch een nummer, en legt de beslissing in de handen van de helft plus één. Doch als het toegepast wordt, wordt het verleend, niet aan abstracte wezens, maar aan menschen van vleesch en bloed, aan concrete, levende personen, aan een kleiner of grooter aantal burgers, die zekere overtuigingen en inzichten koesteren, die bepaalde belangen hebben, en die met alle vezelen van hun leven gebonden zijn aan de toestanden, die in een gegeven tijd onder een volk bestaan.
Zoo staan we nu ook bij het vrouwenkiesrecht niet voor eene abstracte vraag, die theoretisch kan opgelost worden. Natuurlijk, indien hierbij een geloofsbeginsel in het spel ware, zou het zonder aarzeling bestreden en verworpen moeten worden, zou het zelfs, indien aangeboden, door onze vrouwen niet aanvaard mogen worden. Maar feitelijk wordt dit standpunt door slechts weinigen ingenomen; allen beijveren zich om te verzekeren, dat de vrouw wel eene andere is, maar niet eene mindere dan de man; dat de leer van Schrift of kerk het vrouwenkiesrecht niet verbiedt; en dat men, zoodra dit kiesrecht er komt, de vrouwen met alle kracht zal aansporen, om zich van de nieuwe taak naar plicht en geweten te kwijten. Zoo komt het vrouwenkiesrecht toch voornamelijk neer op de practische vraag, of wij, mannen, het in de tegenwoordige omstandigheden en bij het heerschende kiesstelsel zullen weerstaan, ook als het in toenemende mate en met steeds sterker drang door de vrouwen in tal van landen, en ook hier te lande, wordt begeerd.
Nu doet het al aanstonds vreemd aan, dat men de vrouwenbeweging, afgezien van de valsche beginselen, waardoor zij zich dikwerf liet leiden en ontdaan van de excessen, waaraan zij zich schuldig maakte, in hare historische ontwikkeling als eene noodzakelijke evolutie aanvaardt en in haar goed recht erkent, maar eensklaps aan de vrouwen het halt toeroept, als zij toegang vragen op het terrein der politiek. Dit staat toch wel vast, dat het in hooge mate ongerechtigd zou zijn, in den tegenwoordigen staat van zaken aan de vrouw het recht te willen betwisten, om door het zoeken van allerlei bediening en bedrijf haar sociale positie te sterken.[88]
[88] Dr. A. KUYPER, Antirev. Staatkunde, II, 361.
Men kan den toestand betreuren, die menige vrouw, gehuwd of ongehuwd, door nood of door eergevoel drijft, om een bedrijf of beroep uit te oefenen, maar feitelijk durft niemand dat afkeuren of tegenhouden. Integendeel, men laat de vrouwen toe in fabrieken en werkplaatsen, opent voor haar de kantoren en magazijnen, ontsluit haar den toegang tot alle scholen en stichtingen, houdt geen enkel bedrijf of beroep meer voor haar gesloten, maar trekt zelfs voordeel van haar diensten en exploiteert hare krachten. Doch als diezelfde vrouwen nu op grond van de maatschappelijke positie, die zij allengs hebben ingenomen, toegang tot de stembus vragen, dan verheffen de mannen ineens hunne stem en verklaren, dat de politiek hun speciale terrein is en voor de vrouw niet deugt, hetzij dan, omdat de politiek te laag of omdat zij te hoog voor haar is. Deze belangstelling in het lot der vrouw komt dan echter toch wel wat laat. Want het is zeker nog veel minder met de natuur der vrouw in overeenstemming, dat zij dag aan dag in verschillende bedrijven haar gezondheid en kracht ondermijnt, en in haar roeping als vrouw en als moeder te kort schiet. Als men de gansche maatschappij voor de vrouw openstelt, is het op den duur onmogelijk, het beperkte terrein der politiek voor haar gesloten te houden. Het kiesrecht der vrouw is eenvoudig een consequentie van de veroveringen, welke zij sedert ongeveer het midden der vorige eeuw op heel het terrein van het openbare leven heeft behaald.
Bovendien vergist men zich, als men meent, dat dit vrouwenkiesrecht iets volstrekt nieuws is, dat vroeger nooit heeft bestaan. Afgezien daarvan, dat in tijden, waarin van vrouwenrechten nog geen sprake viel, toch telkens om dynastieke belangen vorstinnen aan het hoofd van den Staat hebben gestaan, en niet zelden met eere, en dat de constituties van de meeste Staten, bij ontstentenis van mannelijke nakomelingen, de kroon op de dochter laten overgaan[89]; in beperkten zin heeft er in verschillende landen steeds vrouwenkiesrecht bestaan. Natuurlijk hadden de vrouwen dit kiesrecht dan niet, omdat ze vrouwen waren; maar ook de mannen waren niet kiesbevoegd, omdat ze mannen waren; het kiesrecht voor gemeenteraden, polderbesturen, districts- of graafschapsraden, volksvergaderingen, staten of stenden enz. was toen altijd aan het bezit van bepaalde ambten, titels of qualiteiten verbonden; het rustte op een socialen of economischen grondslag. Maar opmerkelijk is, dat, wanneer vrouwen in deze voorrechten deelden, zij toch niet, enkel en alleen omdat zij vrouwen waren, van de kiesbevoegdheid werden uitgesloten.[90]
[89] H. BRUGMANS, Plaats en taak der vrouw in de politiek, in: De Vrouw, de Vrouwenbeweging en het Vrouwenvraagstuk I 608–617.
[90] Dergelijk vrouwenstemrecht bestond vroeger in Engeland, Zweden, en andere landen, verg. Handbuch der Frauenbewegung I 226 v. 313. MAUSBACH, Die Stellung der Frau im Menschheitsleben bl. 71. Volgens HELEN BLACKBURN in haar Record of Woman's Suffrage behoorde de Engelsche vrouw reeds in de Middeleeuwen tot de bevoorrechte vrouwen. De zorg voor de geërfde bezittingen, titels en waardigheden deed na den dood van den leenheer zijne verplichtingen bij gebrek aan mannelijke erfgenamen overgaan op de vrouw, die hem het naaste stond. De zelfstandige PEERES moest in tijd van oorlog den vorst steunen met geld en manschappen; zij liet zich vertegenwoordigen in den raad, kon vrijbrieven verleenen, en had in haar domeinen het recht van justitie. Nog meer invloed en aanzien bezaten de abdissen, die soms zelfs een macht vormden in den Staat. Geboorte en afkomst, niet het geslacht, bepaalden de opvolging, ook in de ambten, waaraan de grootste verantwoordelijkheid verbonden was.
Thans is heel deze grondslag van het kiesrecht, ook voor de mannen, totaal veranderd; kenteekenen van welstand en geschiktheid gelden niet meer; een burger van den Staat ontvangt het kiesrecht, niet om zijne sociale of economische positie, doch alleen op grond van zijn burgerschap. Dit brengt zeker zijne nadeelen mede, maar het is toch ook een bewijs, dat de persoonlijkheid voor ons thans meer waarde heeft dan het bezit van stand of titel, van geld en goed. En er bestaat derhalve voor ons te minder reden, om aan de vrouw het kiesrecht te weigeren, als het op dezen grond aan den man wordt verleend; want persoonlijkheid is de vrouw evengoed als de man.
Er komt bij, dat de vrouwen in het passieve en actieve kiesrecht al veel meer hebben bereikt, dan velen zich voorstellen. Ik denk nu niet aan de Staten, waar ze reeds voor langer of korter tijd het politieke stemrecht verkregen[91], noch ook aan het passieve kiesrecht, dat de onlangs tot stand gekomen Grondwetsherziening hier te lande haar schonk; maar tal van betrekkingen, vroeger door de mannen waargenomen, staan thans reeds voor de vrouwen open. Om maar iets te noemen, vrouwen zijn benoembaar tot lid van de Commissie van Toezicht bij het lager, middelbaar en gymnasiaal onderwijs en van het Curatorium eener hoogeschool; zij kunnen deel uitmaken van besturen voor armenzorg en ziekenzorg, van gast- en weeshuizen, van gezondheidscommissies, van colleges van toezicht op den bouw van arbeiderswoningen, van voogdijraden, van commissies van toezicht volgens de Kinderwetten enz. De Kamers van koophandel en fabrieken beperken kiesbevoegdheid en verkiesbaarheid tot de mannelijke leden, maar de Kamers van arbeid breiden beide ook tot de vrouwen uit; en de wet op de waterschappen, het reglement op de visscherijraden voor de kustvisscherij, de Ongevallenwet, zwijgen ervan en sluiten daarom de vrouw niet uit.
[91] Verg. boven bladz. 62, 63.
Wel is waar maken de vrouwen nog weinig gebruik van deze haar reeds geschonken rechten en hebben zij in al deze colleges nog slechts in geringen getale of in het geheel geen zitting. Maar de wetgeving neemt toch ten opzichte der vrouwen een steeds ruimer standpunt in; zij beweegt zich onloochenbaar in eene steeds vrijere richting. En als de vrouwen straks tengevolge van het passieve kiesrecht hare intrede in de Gemeenteraden zullen doen, laat zich verwachten, dat haar aandeel bij de regeling van de openbare vermakelijkheden, van de bioscopen voor kinderen, van het onderwijs en de opvoeding, van de leeszalen en speeltuinen, van de distributie en de centrale keukens, van schoolvoeding en openbare wasscherij, enz. in belangrijke mate zal toenemen.[92]
[92] Verg. een artikel: Vrouwen in den gemeenteraad, in: _De Ploeger_ van Nov. 1917.
Zooals boven reeds werd opgemerkt, hebben dan ook alle partijen, ook die van Rechts, allengs tegenover het vrouwenkiesrecht eene andere houding aangenomen.[93] Verschillende feiten kunnen daarvoor ten bewijze worden bijgebracht. Om ons te bepalen tot de Antirevolutionaire partij; toen deze zich vóór het huismanskiesrecht verklaarde, breidde zij dit al spoedig uit tot die mannen, die met de gezinshoofden gelijk gesteld zouden worden, en ook tot de vrouwen, die als weduwen aan het hoofd van een gezin stonden. Maar het spreekt vanzelf, dat men hierbij niet kan blijven staan. Als het huismanskiesrecht uitgebreid wordt tot de mannen, die „als zelfstandige personen krachtens aanstelling of beroep in het maatschappelijk leven optreden”,[94] dan eischt de consequentie, dat ook, behalve de weduwen, zelfstandige vrouwelijke personen tot de stembus worden toegelaten.[95] In dien zin gingen dan ook stemmen in de Tweede Kamer op, toen de Grondwetsherziening in behandeling kwam; er rees zelfs verschil over, of gehuwde dan wel ongehuwde, zelfstandige vrouwen het eerst voor het kiesrecht in aanmerking moesten komen.
[93] Verg. boven bl. 53 v.
[94] Dr. A. KUYPER in zijne Nota, opgenomen in het Verslag der Grondwetscommissie ingesteld bij K. B. van 24 Maart 1910, no. 16.
[95] Verg. ook K. VINK, Het kiesrecht voor de ongehuwde vrouw en de weduwe, Amsterdam, Bottenburg, 1917.
Maar voorts sluit de, zij het ook alleen practische, aanvaarding van het individualistische kiesrecht noodzakelijk het vrouwenkiesrecht in. Het is—zegt Dr. KUYPER—de individualistische opvatting van den Staat, die krachtens haar beginsel om het algemeen stemrecht roept, en waar krachtens _dit_ beginsel het algemeen stemrecht wordt toegejuicht, valt de vrouw er vanzelf onder.[96] Toen de Antirevolutionaire Kamerleden zich om practische redenen, ondanks de uitspraak aangaande het organisch kiesrecht in het Program, vóór het algemeen stemrecht verklaarden, namen zij in beginsel ook het vrouwenkiesrecht aan. Individu, burger van den Staat, zonder meer, is de vrouw evengoed als de man. Als op eenige uitzonderingen na alle mannen, afgezien van alle qualiteit, tot de stembus worden toegelaten, kan men zonder grove onbillijkheid aan de vrouwen het kiesrecht niet weigeren. Het is derhalve uitnemend te verstaan, dat vrouwen er eene beleediging in zien, dat baliekluivers, dronkaards, souteneurs, bordeelbezoekers enz. het stemrecht ontvangen en zij zelven als minderwaardig van de stembus worden geweerd. Met welk recht wordt politieke invloed toegekend aan de stem van een concierge, een pedel, een koetsier, en aan de onderwijzeres, aan de leerares van een Gymnasium of Hoogere burgerschool, aan de directrice van eene of andere stichting, aan de hoogleerares eener universiteit, aan een vrouwelijke arts of advocaat, aan eene werkgeefster en bedrijfleidster, het oefenen van zulk een invloed ontzegd?
[96] De Eerepositie der Vrouw, Kampen, J. H. Kok, 1914, bl. 11.
Op Antirevolutionair standpunt is zulk eene handelwijze nog te minder te verdedigen, wijl „het uitbrengen van zijn stem (door den kiezer) geen machtsoefening is, die immers alleen aan de Overheid toekomt, maar, naast de kwijting van plichten, doelt op een waken voor rechten en een opkomen voor belangen, waarvan de handhaving hem, met anderen saâm, is toevertrouwd”[97]. Principiëel genomen, is er tegen de toekenning van het passieve stemrecht aan de vrouw altijd nog meer bezwaar in te brengen, dan tegen die van het actief stemrecht. Toch lokte het laatste in den regel veel meer bedenkingen dan het eerste uit. De onbillijkheid, om in de tegenwoordige omstandigheden aan de vrouw allen invloed op de regeering des lands te onthouden, wordt aan Antirevolutionaire zijde dan ook terdege gevoeld. Op merkwaardige wijze komt dit in deze woorden van Dr. KUYPER uit: Land en volk hebben bij den rechtmatigen invloed van de vrouw het hoogste belang, maar zoo is het ook met handel, nijverheid, arbeid en zooveel meer. Gelijk er nu Kamers van Koophandel zijn, zoo laat het zich zeer wel denken, dat er ook Kamers voor Vrouwenrechten in het leven werden geroepen. Zoo privaatrechtelijk als oeconomisch zou dit zelfs uitnemend kunnen werken. Allicht zou aan zulke Kamers of Raden uitgestrekter bevoegdheid dan aan de Kamers van Arbeid zijn te geven[98]. En wel wordt daaraan onmiddellijk toegevoegd: maar nooit kan staande gehouden, dat het Hoog Gezag in het publieke leven, gedeeltelijk van den man af te wenden en op de vrouw over te dragen zou zijn; doch van zulk eene overdracht van het hoog gezag op de vrouw is bij het actief stemrecht, dat immers geen machtsoefening is, hoegenaamd geen sprake.
[97] Dr. KUYPER aan het slot van de boven aangehaalde Nota.
[98] De Eerepositie der Vrouw bl. 68. Vergelijk de idee van een soort Vrouwen-Raad van State, door den Heer VAN IDSINGA in de Tweede Kamer te berde gebracht.
De onbillijkheid, om in de tegenwoordige toestanden aan de vrouw het kiesrecht te onthouden, springt te meer in het oog, als men bedenkt, dat allerlei oorzaken de vrouwen meer en meer dwingen, om voor korter of langer tijd het huisgezin te verlaten en in de maatschappij zich eene plaats te verwerven. Gelijk vroeger aangetoond werd, is er in de bedrijven en beroepen eene merkwaardige differentiatie op te merken; de natuur van man en van vrouw verloochenen zich ook bij den arbeid niet. Verreweg het meest zijn de vrouwen werkzaam in zulke bedrijven, die zich het naast aansluiten bij haar arbeid in het gezin (huiselijke diensten, onderwijs, ziekenverpleging, confectie, philanthropische arbeid enz.); in de nijverheidsbedrijven zijn ze het meest met den minder loonenden, maar ook lichteren arbeid belast; en tal van bedrijven zijn er eindelijk, waarin naar vrij eenparige meening voor de vrouw geen plaats is, omdat ze te zwaar zijn voor haar kracht, schadelijk voor hare gezondheid, of strijdig met haar natuur. De oorlog heeft hierin wel verandering gebracht, maar het is te hopen, dat de vrede eerlang de normale verhoudingen op het gebied van den arbeid weer herstellen zal.
Nu verdient het hierbij vooral onze aandacht, dat tal van vrouwelijke werkzaamheden, vroeger in het huisgezin verricht, naar de maatschappij zijn overgebracht, en tot zelfstandige bedrijven zijn geworden. Men denke aan het bakken, bierbrouwen, spinnen, weven, de zuivelbereiding, het vervaardigen van kleeding en schoeisel, het inmaken en conserveeren van groenten en vruchten, aan armenzorg en ziekenverpleging enz. Ten deele zijn deze werkzaamheden zelfs aan de vrouwen ontnomen en aan de mannen opgedragen, zooals bijv. het schoenmakersbedrijf, de glazenwasscherij, de spijsbereiding in de cooperatieve keukens enz., zoodat de vrouwen genoodzaakt werden, naar anderen arbeid uit te zien. Maar ook als ze grootendeels in handen der vrouwen bleven, namen ze toch een ander, sociaal karakter aan en brachten van nabij met den Staat en zijne wetgeving in aanraking.
Van de andere zijde breidde in gelijke mate de Staat zijne werkzaamheid naar de maatschappij uit en greep hoe langer hoe meer in het sociale leven in; tal van wetten, armenwet, arbeidswet, veiligheidswet, verzekeringswetten, kinderwetten, woningwet, gezondheidswet enz. zijn daarvoor ten bewijze; heel de sociale wetgeving vormt een terrein, waarop Staat en Maatschappij met elkaar in aanraking komen en op elkander invloed oefenen. Wat is er tegenwoordig, waarmede de Staat zich niet bemoeit? De Staat dringt in het huisgezin binnen en regelt van alles, wat vroeger niet daarbuiten kwam en bijna uitsluitend de taak der vrouwen was. De Overheid zorgt voor en regelt het onderwijs; zij zorgt voor de publieke gezondheid en bemoeit zich met bouw en inrichting der huizen; ze regelt de verzorging van zieken en ouden van dagen; zij richt tehuizen en scholen op voor de misdadige jeugd; zij stelt wetten ten opzichte van de openbare zedelijkheid; zij legt voor een groot deel beslag op onze inkomsten ten behoeve van het algemeen; zij houdt toezicht op de qualiteit van onze levensmiddelen; zij regelt den arbeidsduur en bemoeit zich met de loonen; zij maakt bepalingen omtrent de verhouding tusschen meesteres en dienstbode enz.[99]
[99] Mevr. VAN BALEN-KLAAR, in: Losse artikelen over vrouwenkiesrecht bl. 36.
Gevolg van dit alles is, dat de vrouwen, die in al deze beroepen en bedrijven arbeiden, zelve rechtstreeks belang krijgen bij de wetgeving van den Staat en belangstelling gaan koesteren in die zaken, waaromtrent zij vroeger onverschillig waren, maar die haar thans raken van nabij. En daarbij moet erkend, dat de vrouwen van vele dezer zaken beter op de hoogte zijn dan de mannen en eene voorlichting en steun kunnen verleenen, welke in waarde die der mannen overtreft. Vele vrouwen wijden zich bijv. aan philanthropischen of socialen arbeid; zij zijn werkzaam bij armenverzorging, ziekenverpleging, drankbestrijding, zorg voor het verwaarloosde kind, woningtoezicht, volksgezondheid, bescherming van meisjes, verbetering der openbare zedelijkheid enz., en doen daar een schat van ervaring en practische kennis op, waarmede de overheid veel meer dan tot dusverre haar winst zou kunnen doen[100].
[100] Dr. ALETTA H. JACOBS en F. S. VAN BALEN-KLAAR, Vrouwenkiesrecht. Maatsch. v. g. en goedk. lectuur, bl. 53.
Men kan hiertegen inbrengen, dat de Overheid van deze vrouwelijke ervaring partij kan trekken, zonder het vrouwenkiesrecht in te voeren; de vrouw heeft immers haar natuurlijken vertegenwoordiger en beschermer in den man en kan het opkomen voor haar belangen gerust aan hem overlaten. Zijn er in de laatste jaren, waarin de vrouwen nog van het kiesrecht verstoken waren, niet vele veranderingen in de wetgeving te haren gunste aangebracht?[101] Maar dit laatste beroep maakt weinig indruk, omdat al deze veranderingen eerst in de laatste halve eeuw tot stand gekomen zijn, onder pressie van buitenaf, niet het minst van de vrouwenbeweging, die voor de gebreken der wetgeving de oogen opende. Het zou te bezien zijn, of al deze wijzigingen ook zouden zijn aangebracht, als de vrouw daarop niet met kracht had aangedrongen. Want menschen zijn gewoonlijk niet zoo onbaatzuchtig, dat ze zonder dwang van oude rechten en voorrechten ten bate van anderen afstand doen. Waar zijn de patroons, de schoolbesturen, de kerkeraden, die eigener beweging het loon der werklieden, het salaris der onderwijzers en het tractement der predikanten verhoogen? En waar zijn de mannen, die hunne vrouwen volkomen inlichten over hunne inkomsten en uitgaven?
[101] Zoo oordeelt ook Mevrouw J. M. STERCK-PROOT in hare brochure: Wat er pleit tegen de beweging voor vrouwenkiesrecht. Drukkerij De Spaarnstad, Rotterdam. Zij acht het kiesrecht voor de vrouw onnoodig, omdat er al zooveel voor haar door de mannen gedaan wordt.