De vrouw in de hedendaagsche maatschappij
Part 10
Ten vierde moet men in aanmerking nemen, dat de vrouw veel minder behoeften heeft dan de man. De man heeft meer noodig voor ontspanning en genot, voor bier en tabak, wijn en sigaren; maar dit is het voornaamste niet en wordt slechts in het voorbijgaan vermeld; hij heeft ook meer noodig voor zijn onderhoud, want hij voedt zich beter, terwijl de vrouw dikwerf op haar voedsel uitspaart, wat zij uitgeeft voor hare kleeding. Maar afgezien van deze behoeften, de vrouw heeft in den regel alleen zichzelve te onderhouden, terwijl de man niet alleen voor zichzelf, maar ook voor vrouw en gezin den kost te winnen heeft. En wel is het waar, dat de behoeften van een gesalarieerde nooit een goede maatstaf voor de bezoldiging kunnen zijn, maar de berekening van het loon gaat ook nooit strikt naar de praestatie toe. Veelmeer wordt het loon steeds door een aantal factoren bepaald, zooals maatschappelijke positie, arbeidspraestatie, bekwaamheid enz., waarvan men niet één enkelen tot absoluten maatstaf verheffen kan. In een gegeven maatschappij wordt de een of andere arbeid op zoodanige wijze gewaardeerd, dat het loon een zekeren levensstandaard van den man met zijn gezin mogelijk maakt. Indien dat niet het geval is, komt er botsing en is streven naar lotsverbetering plicht.
Al deze redenen bewijzen, dat de gelijkheidstheorie aangaande man en vrouw ook bij het loon niet opgaat.[78] De vrouw is eene andere dan de man, ook in arbeid en in loon; zij heeft aanspraak op eene zelfstandige waardeering van haar persoon en haar dienst. Dat ze hierop recht heeft, blijkt ook uit de bijzondere bescherming, welke de wetgeving meer en meer in alle landen haar verleent. De voorstanders der volstrekte gelijkheid van man en vrouw moeten zich hiertegen verklaren; zij kunnen daarin niet anders zien dan een bevoorrechting van den man ten koste van de vrouw, een streven, om het ouderwetsch gezin te behouden en de overmacht van den man te bestendigen.[79] Maar de werkelijkheid gaat hiertegen in; de sociaaldemocratie, ofschoon door eenzelfde communistisch ideaal bekoord, gaf toch aan de bescherming der vrouw eene plaats op haar revisionistisch program; en de sociale wetgeving erkende, dat bij den arbeid der vrouw nog andere belangen betrokken waren dan bij dien van den man. Toch zal, ofschoon velen dit wenschen, de Staat weinig kunnen doen tot verhooging van het loon van den vrouwelijken arbeid; want in het uiterste geval zou hij, in verschillende beroepen en bedrijven, een minimumloon kunnen vaststellen, maar daardoor juist de kans beloopen, dat hij de loonen eer deed dalen dan stijgen. Bij de vrouwen zelve ontbreekt het dikwerf aan de noodige energie en samenwerking, om op verbetering van hare positie aan te dringen; zij zijn nog slechts voor een klein gedeelte georganiseerd, en zijn nog al te weinig doordrongen van haar gemeenschappelijk belang. Het meeste heil is daarom nog van zulk eene ontwikkeling der maatschappij te verwachten, dat de beroepen en bedrijven voor mannen en vrouwen zich steeds verder differentiëeren, de opleiding der vrouw voor de haar passende werkzaamheden allengs verbeterd, en de arbeid der vrouw zelfstandig getaxeerd en beloond wordt.[80]
[78] Verg. ook HENRIETTE ROLAND HOLST, De vrouw, de arbeidswetgeving en de sociaaldemocratie bl. 20 v.
[79] Zie bijv. Mevr. RUTGERS-HOITSEMA, aangehaald door HENR. ROLAND HOLST, t. a. p. bl. 4.
[80] Sozial. Monatshefte 1917, Heft 3 bl. 141 v. Heft 4 bl. 195 v. 206 v. Heft 12 bl. 636, Heft 18 bl. 924. RÖSLER, Die Frauenfrage bl. 131 v. MAUSBACH, Die Stellung der Frau im Menschheitsleben bl. 100 v.
Nog moeilijker is het andere probleem, dat de vrouwenbeweging aan de orde heeft gesteld, de vereenigbaarheid n.l. van gezinstaak en beroep. Hoeveel onderzoek en nadenken aan dit vraagstuk reeds is besteed, de oplossing is nog verre van gevonden[81]. Van de zijde van hen, die de gelijkheid van man en vrouw tot het uiterste willen doordrijven, wordt een middel aan de hand gedaan, dat erger is dan de kwaal. Wijl arbeid voor hen het hoogste is, verlangen zij, dat de vrouw evenals de man in de eerste plaats voor den arbeid zal worden opgeleid, en door het gelijke loon voor dien arbeid, zoowel in als buiten het huwelijk, tot dezelfde economische zelfstandigheid zal worden verheven als de man. Maar dit gelijkheidsideaal eischte verder, dat het private huishouden opgelost werd, de huishoudelijke werkzaamheden door rondgaand dienstpersoneel werden verricht, de maaltijden uit centrale keukens aan huis bezorgd of anders in gemeenschappelijke eetzalen genuttigd zouden worden. Man en vrouw zouden dan over dag gedurende acht uren arbeid verrichten, hunne kinderen in dien tijd met die van andere ouders aan beroepverzorgsters toevertrouwen, en den avond met hunne kinderen doorbrengen. Soms werd er ook de wensch mede verbonden, dat het huwelijk veranderen mocht in een privaat, ieder oogenblik verbreekbaar contract en de kinderen spoedig na de geboorte voor rekening kwamen van den Staat.
[81] Zie bijv. BEBEL, Die Frau und der Sozialismus{16} 1892 bl. 342 v. Handbuch der Frauenbewegung IV 380–397. MARIANNE WEBER, Beruf und Ehe, Berlin, Schöneberg 1906. Mr. E. FOKKER, De gehuwde vrouw als moeder en ambtenaar, Gids 1909. De Vrouw, de Vrouwenbeweging en het Vrouwenvraagstuk I 193 v. Praeadviezen over de maatschappelijke beteekenis van den arbeid der gehuwde vrouw, en de houding, door de Overheid aan te nemen tegenover dat vraagstuk, uitgegeven door de Vereeniging voor de Staathuishoudkunde en de Statistiek, 's Gravenhage Nijhoff 1910. Deze praeadviezen werden uitgebracht door Mej. A. POLAK, I. P. DE VOOYS, en Mej. Dr. E. C. VAN DORP. Discussie volgde erover in de Vergadering der Vereeniging te 's Gravenhage 8 Oct. 1910.
Al deze wenschen en verwachtingen zijn niet alleen op valsche gelijkheidstheorieën gebouwd, maar vinden ook geen steun in de werkelijkheid.[82] Wel is in de moderne maatschappij ook het huisgezin aan eene groote verandering onderworpen; tal van werkzaamheden zijn allengs aan de huishouding ontnomen en naar de fabrieken overgebracht; en volgens sommiger meening zullen nog meerdere volgen, zooals bijv. de wasch, het naaien en verstellen, het koken en inmaken enz., gelijk in vele gezinnen ook reeds het geval is. Het huisgezin heeft inderdaad zijn karakter van productiegemeenschap voor het grootste gedeelte verloren en is allengs in eene consumtiegemeenschap overgegaan. Maar daarmede is het huisgezin niet vernietigd.
[82] Verg. Mr. CLARA WICHMANN, De moraal in de maatschappij der toekomst, in: De Toekomst der Maatschappij, Maatsch. v. goede en goedk. Lectuur. Amsterdam 1917 bl. 278 v. Dezelfde ook in: De vrouw in Nederland voor honderd jaar en thans, ib. bl. 77 v.
Want ten eerste worden de vroegere huishoudelijke werkzaamheden in tal van streken en in verreweg de meeste arbeiders-, burger- en boerengezinnen nog met geringe wijziging op den ouden voet voortgezet; dikwerf is daar nog het bakken en het slachten in gebruik, maar in elk geval heeft er nog altijd het naaien en verstellen, het wasschen en schoonmaken, de bereiding der spijzen en de inmaak plaats. Met gebruikmaking van nieuwere uitvindingen wordt al deze arbeid wel vereenvoudigd en vergemakkelijkt, maar van algeheele afschaffing is geen sprake. Zelfs zijn er verschijnselen, die in tegengestelde richting wijzen en bij het profeteeren aangaande de toekomst tot voorzichtigheid manen. De ervaring, welke de huisvrouwen opdeden met hetgeen zij buitenshuis lieten verrichten, met de wasch, het naai- en verstelwerk, het eten uit eene centrale keuken enz., is niet bijzonder gunstig geweest. Men ging er toe over, al deze werkzaamheden buitenshuis te laten verrichten, omdat het van veel last bevrijdde en soms ook goedkooper was.
Maar als deze werkzaamheden langzamerhand door de nieuwere uitvindingen (zooals electrische waschmachines, electrische kooktoestellen, strijkkachels, enz.) beter en goedkooper in huis kunnen worden verricht, zullen ze successief de eene na de andere in het huisgezin terugkeeren, en de oude huishouding weer op een nieuwen grondslag opbouwen. Daarbij komt nog, dat de huishouding in sommige opzichten wel vereenvoudigd is, maar in andere opzichten veel meer zorg dan vroeger vereischt; de inrichting der woning, de hygiène, de verzorging en de opvoeding der kinderen stellen thans aan de vrouw veel hoogere eischen dan in de vorige tijden. Er is geen sprake van, dat de vrouw en de moeder van alle bezigheid in huis zijn beroofd en haar tijd in ledigheid kunnen doorbrengen. Indien zij de gezinstaak naar eisch willen behartigen, hebben zij daarvoor al haar tijd en kracht noodig. Misschien zal de hervorming der huishouding aan hare waardeering ten goede komen en bij de dochters wederom den wensch verlevendigen, om voor de gezinstaak meer en beter dan vroeger te worden opgeleid.
Doch hoe dit zij, het socialistische ideaal van de ontbinding van het private huishouden is onuitvoerbaar en mist ook alle bekoorlijkheid. Indien de vrouw werkelijk echtgenoote en moeder zal blijven, is het onmogelijk, haar economisch zelfstandig te maken. Want ten eerste stuit dit af op het onoverkomelijke bezwaar, dat de vrouw in elk geval eenige weken vóór en na de bevalling onbekwaam zal zijn tot het uitoefenen van haar beroep, en dus in dit opzicht altijd bij den man zal achterstaan. Ten tweede zal de vrouw 's morgens haar huis niet kunnen verlaten en 's avonds daarin niet kunnen terugkeeren, zonder zich nog tot allerlei huiselijke werkzaamheden geroepen te zien; zij kan er niet uitloopen als de man, die juist door zijne vrouw daartoe in staat wordt gesteld. Als zij echter deze huiselijke werkzaamheden verrichten moet, voordat zij buitenshuis haar beroepsarbeid aanvangt, zal zij òf reeds vóór dien tijd vermoeid zijn, òf minder uren kunnen arbeiden. En als zij deze huiselijke werkzaamheden door rondgaand dienstpersoneel laat verrichten, wordt dit veel te kostbaar en verslindt het haar loon.
Ten derde, zouden moeder en kinderen spoedig van elkander vervreemden, als de kinderen heel den dag aan beroepverzorgsters werden toebetrouwd. Dit ware voor beiden eene groote schade. Voor de kinderen, want de verzorging der kinderen door de moeders is verre te verkiezen boven de zorgvuldigste verpleging in een gesticht—kindertuinen, kinderbewaarplaatsen enz., kunnen der vrouw hare uitoefening van een beroep vergemakkelijken, maar dragen weinig bij tot oplossing van het probleem: moederschap en beroep. Als men in zulke inrichtingen de kinderen ook reeds als zuigelingen opneemt, eischen ze vele verpleegsters, vermeerderen ze het gevaar van ziekte, worden ze zeer kostbaar, en kunnen toch nooit de moeder vervangen. Vele kinderartsen vatten in den laatsten tijd onder den naam van _hospitalisme_ een complex van pathologische verschijnselen saam, die er op wijzen, dat het uitnemendste voedsel en de beste verpleging toch niet gedijen, omdat de „seelische Beeinflussung des Kindes” door de moeder ontbreekt. In eene inrichting wordt het individueele, het persoonlijke, het eigenlijke moederlijke element gemist, en dit werkt op de kinderen soms zoo nadeelig, dat de groei er door belemmerd wordt.[83] En voor de moeder brengt de dagelijksche verwijdering van hare kinderen dit nadeel mede, dat ook zij zelve niet als moeder tot haar recht komt. Want de vrouw is moeder, niet alleen doordat zij aan haar kind het leven schenkt, maar vooral ook, doordat zij al de deugden van het moederschap eerst door de dagelijksche verzorging van het kind tot ontwikkeling brengt. Het socialistische ideaal, in practijk gebracht, zou ons te staan komen op het verlies van de moeder, en van de vrouw meteen, want het gaat in tegen haar natuur, en ondermijnt het gezin, dat is, den grondslag en den hoeksteen van heel de maatschappij.
[83] Verg. EDMUND FISCHER, Tendenzen der Frauenarbeit. Social. Monatshefte 1917, Heft 10, bl. 536–540.
En eindelijk—om niet meer te noemen—is dat dan het aantrekkelijke ideaal voor de vrouw, dat zij dagelijks acht of meer uren buitenshuis haar beroep uitoefent, om toch maar, in schijn althans, economisch zelfstandig te zijn? Is deze arbeid dan werkelijk voor de vrouw meer bekoorlijk, dan het vervullen in huis van hare vrouwelijke en moederlijke plichten? Een vrouw moet wel verre van hare eigene natuur zijn afgedwaald, om op deze vraag bevestigend te antwoorden.
In deze richting is dus de verbinding van moederschap en beroep niet te zoeken. De vraag is niet, hoe het moederschap nog op eenige wijze met de uitoefening van een beroep is te vereenigen, maar veeleer omgekeerd, hoe misschien met de eerste en voornaamste plichten van het moederschap nog eenige arbeid buitenshuis zij te verbinden. Er zijn zeker vrouwen, die vrijwillig of door de omstandigheden genoodzaakt, niet in het huwelijk treden. Men kan niet zoomaar in het algemeen zeggen, dat elke vrouw voor het huwelijk en het moederschap bestemd is, en dat ze anders hare bestemming mist; ook kinderlooze en ongehuwde vrouwen kunnen nuttige leden zijn der maatschappij; en van de mannen geldt hetzelfde. Er zijn dus uitzonderingen op den regel; maar de regel is toch, dat vrouwen voor verreweg het grootste gedeelte op vroegeren of lateren leeftijd in het huwelijk treden en kinderen voortbrengen. En daarom behoort deze plicht voorop te staan; in de vervulling van dezen plicht ligt hare eerste en voornaamste roeping; als zij dien naar behooren volbrengt, maakt zij zich verdienstelijk voor Staat en Kerk en Maatschappij, en levert zij een arbeid, die door geen anderen te vergoeden is. De bewering is dan ook onjuist, dat zij voor de ontwikkeling harer persoonlijkheid de uitoefening van een beroep van noode heeft; hare persoonlijkheid ontwikkelt zich nergens rijker en voller dan in den kring van haar gezin. Want ontwikkeling van _alle_ gaven in den mensch is voor ieder onmogelijk, voor den man zoowel als voor de vrouw; het ideaal eener z.g.n. harmonische, in den zin van eene gelijke ontwikkeling van alle gaven en krachten in den mensch, is ondoordacht en onbereikbaar. Ieder wordt en kan slechts ontwikkeld worden in ééne richting en vult daardoor anderen aan. En daarom ligt voor de vrouw in het algemeen de ontwikkeling van hare gaven en krachten in de richting van huwelijk en moederschap.
Nadat dit op den voorgrond gesteld is, blijft er echter ruimte over voor de vraag, of met huwelijk en moederschap niet andere werkzaamheden te verbinden zijn. De geschiedenis antwoordt daarop, dat de vrouw overal en ten allen tijde nog vele andere werkzaamheden heeft verricht, dan die rechtstreeks tot de huishouding en de opvoeding behoorden. Ze heeft gearbeid en arbeidt nog op het veld, in den stal, in de schuur, in winkel of nering, als werkster of schoonmaakster, op het terrein van philanthropie en missie enz. Eenerzijds dreef daartoe het te geringe loon van den man, dat bijverdienste noodzakelijk maakte; en aan den anderen kant bewoog barmhartigheid de vrouw, om haar vrijen tijd en kracht aan de verzorging van armen en kranken te wijden. Nu kan men wel als ideaal stellen, dat de vrouw nooit voor haar gezin aan eene bijverdienste behoefte moest hebben en geheel moest kunnen leven voor haar man en haar kroost; maar zulke wenschen gaan buiten de werkelijkheid om en gaan ook in tegen wat de vrouw zelve als haar plicht en roeping beschouwt. Al zulke werkzaamheden geven dan ook op zichzelve, als ze de eerste taak der vrouw, n.l. de verzorging van het gezin niet onmogelijk maken, nog volstrekt geen recht, om van de slavernij der vrouw te spreken. Zelfs de huisindustrie, hoeveel kwaads er ook van te zeggen valt, is op zichzelve niet te veroordeelen; arbeidsbescherming en woningbouw kunnen er verbeteringen in aanbrengen, die haar onschadelijk maken, en aan de vrouw de gelegenheid schenken, om dezen arbeid in den loop van den dag met huishoudelijke bezigheden af te wisselen. In elk geval zijn al deze werkzaamheden in en bij huis voor de vrouw nog heel wat aangenamer dan de dagelijksche, inspannende beroepsarbeid, welke haar van sommige zijden wordt voorgespiegeld als de eenige weg tot economische onafhankelijkheid.
Bij deze werkzaamheden doet zich dan ook het conflict tusschen moederschap en beroep nog niet voor. Hiervoor komen echter die vrouwen te staan, die voor een bepaald beroep zich hebben laten opleiden en dan tijdens de studie of daarna, in de uitoefening van het beroep de gelegenheid ontvangen, om in het huwelijk te treden. Men moet hierbij bedenken, dat de vrouwen in den regel nooit weten, dat zij later niet zullen huwen; ofschoon de huwelijkskansen in enkele kringen der Maatschappij verminderd zijn, de vrouwen, die later nooit in den echt worden verbonden, vormen een kleine minderheid. Daarom blijft het voor zoo goed als alle vrouwen de eerste plicht, om zoodanige opleiding te ontvangen, welke voor de gezinstaak kan voorbereiden. Als ze daarnaast, wijl de toekomst onzeker is, ook opleiding tot een bepaald beroep begeeren, verdient het overweging, om zulk een beroep te kiezen, dat het meest aan de vrouwelijke geaardheid en kracht beantwoordt en zoo dicht mogelijk bij de taak der huishouding en van het moederschap zich aansluit. En ook ware het gewenscht, dat zij, een beroep kiezende dat meer op den weg van den man ligt, toch eene opleiding ontvingen, die met de vrouwelijke gaven en krachten rekening houdt. Het systeem bijv., dat aan mannelijke en vrouwelijke studenten dezelfde eischen stelt, vindt hoe langer hoe meer afkeuring; aan de coëducatie zijn groote nadeelen verbonden. Komen deze vrouwen later in de gelegenheid, om in het huwelijk te treden, dan staan zij zeker voor een moeilijke keus, indien althans het beroep haar ernst is geweest. In de meeste gevallen valt die keuze ten gunste van het huwelijk uit, want „de vrouw, die terwille van den beroepsarbeid, het huwelijk en het moederschap opgeeft, doet de natuur geweld aan en verarmt den inhoud van haar leven”.[84]
[84] HENRIETTE ROLAND HOLST, De vrouw, de arbeidswetgeving en de sociaaldemokratie, bl. 32.
Een enkele maal wordt echter het beroep boven het huwelijk gekozen, en ook zijn er eenige weinige gevallen, waarin vrouwen huwelijk en beroep trachten te vereenigen. Enkele physisch en psychisch sterke vrouwen kunnen deze beide misschien combineeren, maar wie huwelijk en moederschap willen vereenigen met de verplichtingen van het beroep, schaden vaak hare gezondheid, verslijten lichaams- en zenuwkrachten voor den tijd, zonder de plichten die de privaat-huishouding en het burgerlijke gezin opleggen, naar behooren te kunnen vervullen, en evenmin te beschikken over de geestelijke energie, noodig om in den beroepsarbeid het naar de mate van haar aanleg hoogste te volbrengen.[85] De vrouw, die in het huwelijk treedt, ziet zich daarom voor den zedelijken eisch gesteld, om het beroep te laten varen. Zij kan en mag daartoe te gereeder besluiten, omdat zij zich thans tot een hoogeren, meer aan hare natuur beantwoordenden dienst geroepen ziet, en de opleiding, welke zij voor het beroep ontving, niet verloren is, maar aan haar gezinstaak ten goede kan komen. Ook zal hare zelfstandigheid en persoonlijkheid door het huwelijk geen schade lijden, wijl deze niet staat of valt met het al of niet uitoefenen van een beroep.[86]
[85] Dezelfde t. a. p.
[86] Over de vraag, of de Overheid in gemeente of rijk het recht heeft en er goed aan doet, om ambtenaressen in haar dienst bij post, telegrafie, onderwijs te ontslaan, indien zij in het huwelijk treden, loopen de meeningen uiteen. In het buitenland neemt de wetgever een verschillend standpunt in; in Duitschland moeten de vrouwelijke klerken bij den keizerlijken post- en telegraafdienst ongehuwd of weduwe zonder kinderen zijn; in Engeland is het huwelijk alleen geoorloofd aan de directrices en sub-directrices; de Ver. Staten v. Amerika, Frankrijk, België, Noorwegen enz., laten ook gehuwde vrouwen toe; Zwitserland laat gehuwde vrouwen bij den postdienst toe, maar geeft bij den telefoondienst ontslag in geval van huwelijk en bij den telegraafdienst in geval van zwangerschap. Ook hier te lande bestaat er verschil van gevoelen; zelfs handelden Gemeenteraden tegen elkander in. Daarom diende Minister HEEMSKERK een wetsvoorstel in tot regeling van de positie van vrouwelijke Rijksambtenaren en onderwijzeressen bij het dit openbaar lager onderwijs, die in het huwelijk treden. Maar ontwerp bracht het in de Tweede Kamer niet tot openbare behandeling en werd door Minister CORT VAN DER LINDEN bij brief van 23 Sept. 1913 ingetrokken. Ook werd een Koninklijk Besluit van 2 Maart 1904, waarbij vrouwelijke ambtenaren bij post en telegrafie ontslagen werden, weder bij K. B. van 23 Oct. 1907 ingetrokken. ANNA POLAK, Vrouwenarbeid en Rechtsche Politiek, Vragen des Tijds 1912, II, 348–369. Mr. J. A. DE WILDE, Het ontslag der ambtenares bij huwelijk. Goes 1910.
Den ernstigsten vorm neemt het conflict tusschen gezinstaak en beroep bij die vrouwen aan, die, gehuwd en met de zorg voor kinderen belast, toch ter vermeerdering van de inkomsten van het gezin elken dag buitenshuis arbeid moeten verrichten. Het getal van deze gehuwde loonarbeidsters is vooral in ons land niet bijzonder groot en het neemt eer af dan toe (verg. boven bl. 88); maar het is toch groot genoeg, om bezorgdheid en mededoogen te wekken, en het wijst op een socialen misstand, die dringend verbetering behoeft. Want volgens aller eenstemmige overtuiging is zulk een dagelijksche beroepsarbeid in hooge mate schadelijk voor de gezondheid der vrouw, voor het gezinsleven, en inzonderheid ook voor het moederschap, voorzoover het zwangerschap, geboorte en zuigelingenverzorging betreft[87].
[87] Praeadvies van I. P. DE VOOYS in de bovengenoemde Praeadviezen van de Vereen. v. Staathuishoudk. en Statistiek 1910 bl. 91 v. HENR. ROLAND HOLST t. a. p. bl. 4 v.
De Staat heeft zeer zeker in dezen wel eene roeping te vervullen, en hij begint zich daarvan hoe langer hoe meer te kwijten; hij verleent aan vrouwen en moeders bijzondere bescherming door beperking van arbeidstijd, verbod van nachtarbeid, verbod van arbeid gedurende enkele weken vóór en na de bevalling, verbod van fabrieksarbeid aan meisjes beneden 16 jaar, zorg voor betere opleiding enz., en moet er volgens veler wensch toe komen, om voor de gehuwde vrouw een halvendag-arbeid (half time system) in te voeren. Voorts kan de Staat of kunnen anders particulieren of vereenigingen de gehuwde loonarbeidsters te hulp komen, door gelegenheden (crêches, kinderbewaarplaatsen, kindertuinen enz.), waar hare kinderen gedurende den arbeid verzorgd en verpleegd kunnen worden. Maar dit zijn toch alles nog maar halve maatregelen, die het conflict niet oplossen. Aan de andere zijde durft schier niemand het absoluut verbod van arbeid voor de gehuwde vrouwen aan, ten eerste, omdat de belangen der industrie daardoor geschaad zouden worden, ten andere, wijl vele arbeidersgezinnen daardoor van eene belangrijke inkomst zouden worden beroofd, en ten derde, omdat de vrouwen dan misschien naar anderen, nog minder gewenschten, arbeid zouden gaan uitzien.
Zoo staan we hier voor een toestand, die in vele opzichten diep droevig is, en waarin niemand radicale verbetering weet te brengen. Want deze zou daarin moeten bestaan, dat de loonen van den man zoo hoog stegen, dat de vrouw er niets meer behoefde bij te verdienen, en dat de industrie zich zoodanig ontwikkelde, dat de arbeidskracht der vrouw niet meer noodig was. Daarvan zijn we thans nog ver verwijderd, en de oorlog heeft ons nog een eind achteruitgezet; de vrouw wordt onontbeerlijker, dan ze ooit geweest is, zoowel voor den beroepsarbeid als voor het moederschap en het gezin.
9. DE VROUW EN DE STAAT.