De Vrouw: Haar bouw en haar inwendige organen
Chapter 4
Even boven het begin van de ronde baarmoederbanden staat de holte van de baarmoeder aan beide zijden in verbinding met een buis, de _eileiders_ (tubae Fallopiae), _Fig. 8 p_. De eileiders zijn door den bovensten rand der breede baarmoederbanden ingesloten. Zij zijn het nauwst dicht bij de baarmoeder, worden verder gaande wijder en eindigen met een trechtervormige opening vrij in de buikholte. Deze trechtervormige opening (ostium tubae abdominale) is aan haar vrijen rand van vele uitsteeksels voorzien, die haar als met donkerroode franje omzoomen, _Fig. 8 q_. _Eén_ van deze uitsteeksels is langer dan de overige en is met den eierstok verbonden. _Fig. 8 r_. Waarschijnlijk gaat het ei van den eierstok langs dezen weg naar den eileider om vervolgens door dezen den weg naar de baarmoeder af te leggen.
Evenals de baarmoeder bestaan ook de eileiders uit een met slijmvlies bekleede spierlaag, welke door het buikvlies omgeven wordt. Het slijmvlies van de eileiders is van binnen bekleed met zeer fijn trilhaar; dit verkeert aanhoudend in golvende beweging en werkt daardoor mede om het in den eileider opgenomen ei naar de baarmoeder voort te bewegen.
De _eierstokken_ (ovarii), _Fig. 8 s_, zijn de organen, die de kiem voor een nieuw leven voortbrengen. Zij liggen in de achterste plaat van den breeden baarmoederband, ter hoogte van den ingang van het kleine bekken, _Plaat V No. 59_. Zij zijn plat eivormig van gedaante. De punt van het eivormig orgaan is naar de baarmoeder gekeerd en is daarmede door een band (ligamentum ovarii proprium) _Fig. 8 t_ verbonden. Met de stompe vlakte is de eierstok zijwaarts gericht en staat daar met den eileider in verbinding.
Slechts een klein gedeelte van den eierstok wordt door het buikvlies bekleed; de geheele voorvlakte blijft onbekleed. Aan de voorvlakte merkt men een dwarse sleuf op, waar de bloedvaten, bestemd voor dit orgaan, uit- en intreden. Deze plaats noemt men de poort (hilus ovarii), _Fig. 10 aa_. Een vezelachtig vlies (tunica albuginea), _Fig. 10 e_, dat door de in- en uittredende bloedvaten doorboord wordt, omgeeft den eierstok geheel.
Het weefsel van den eierstok bestaat uit een middelste, merggedeelte, _Fig. 10 b_, en een buitenste, bastgedeelte. In het merggedeelte liggen de bloedvaten, daaromheen ligt het bastgedeelte, dat een aantal vliezige blaasjes, de Graafsche follikels, _Fig. 10 c_, bevat. Deze Graafsche follikels bestaan uit een dun vlies, waarin een vocht (liquor folliculi) en vele kleine celletjes zich bevinden. Onder deze celletjes is er één, soms twee, die in grootte al de andere overtreft; dat is de eicel, de eigenlijke levenskiem.
Van tijd tot tijd wordt zulk een ei rijp; de Graafsche follikel, waarin het besloten is, barst dan en zijn inhoud komt vrij. Het vrijgekomen ei wordt door de franjeachtige uitsteeksels van den eileider opgevangen en naar de baarmoeder overgebracht.
Indien het ei niet bevrucht wordt, gaat het, in de baarmoeder gekomen, aldaar te niet of verlaat het lichaam met het menstruatie-bloed.
Door het barsten van de Graafsche follikels krijgt de oppervlakte van den eierstok telkens een wondje en wanneer dit genezen is, een litteeken. Hierdoor wordt de oorspronkelijk gladde oppervlakte, zooals die bij kinderen vóór de geslachtsrijpheid voorkomt, na eenigen tijd onregelmatig en ruw.
De eierstokken zijn bij meisjes kort vóór de rijpwording van het eerste ei het grootst. Daarna nemen zij van lieverlede in grootte en gewicht af, wegens het verlies van den inhoud der Graafsche follikels. Zij veranderen daarbij tevens eenigszins van gedaante en worden meer langwerpig. Bij oude vrouwen bezitten zij nog slechts het 1/3 gedeelte van hun oorspronkelijke grootte.
Wanneer de overige organen van het lichaam reeds een eind weegs hun ontwikkelingsgang hebben afgelegd, dan pas treden de geslachtsorganen het eerste overgangsstadium in. Tot op den leeftijd van ongeveer 12 jaren zijn de geslachtsorganen van het meisje nog in bijna alle opzichten gelijk aan die van het pasgeboren kind. Eerst daarna beginnen zij geleidelijk zich te ontwikkelen om, na verloop van enkele jaren in staat te zijn hun verrichtingen aan te vangen. Dan is de geslachtsrijpheid ingetreden, het kind is maagd geworden.
De meerdere of mindere snelheid, waarmede die overgang plaats grijpt, is van vele individueele, zoowel als van algemeene invloeden afhankelijk. Voor ons land stelt men den gemiddelden leeftijd voor geslachtsrijpheid op ongeveer 15 jaren. Goede voeding en gezonde leefwijze bevorderen zeer een snellen overgang. Bij kinderen, die onder ongunstige maatschappelijke toestanden leven, is de ontwikkelingsduur langer. Het klimaat oefent in dezen ongeveer een zelfden invloed uit als voeding en leefwijze. In warme landen is de gemiddelde leeftijd voor de geslachtsrijpheid vroeger, in een koud klimaat later dan 15 jaren.
Eveneens schijnt de geestelijke sfeer, waarin het kind verkeert, in dit opzicht niet zonder invloed te zijn. Dat stadskinderen in den regel vroeger rijp zijn dan dorpskinderen, moet daaraan waarschijnlijk worden toegeschreven.
Onderwijl de geslachtsorganen zich gereed maken hun taak te kunnen verrichten, heeft er in het geheele lichaam een groote ommekeer plaats.
Al de vroeger beschreven vormverschillen van vele lichaamsdeelen van man en vrouw komen thans snel te voorschijn; het opgeschoten meisje, met haar onbestemde hoekige lijnen en onevenredige verhoudingen neemt allengs den vrouwelijken lichaamsvorm aan.
Op den geestestoestand oefent deze verandering ongetwijfeld ook invloed uit. Met de zenuwachtige prikkelbaarheid, die in dezen tijd dikwijls voorkomt en soms gepaard gaat met buien van diepe neerslachtigheid, in enkele gevallen zich uitende in groote opgewektheid, vangt de verandering aan, die het kind ook geestelijk tot vrouw stempelt.
Aan de uitwendige geslachtsorganen bespeurt men den overgang, doordat de borstklieren, zooals reeds vroeger werd besproken, in welving en grootte toenemen, de schaamheuvel en de groote schaamlippen door vetafzetting in hun weefsels voller en ronder worden en met haren worden begroeid.
Van de inwendige geslachtsorganen zijn de veranderingen moeilijker waarneembaar. Met de plaats grijpende vergrooting van de baarmoeder gaat de vormverandering van dit orgaan gepaard. Het lichaam van de baarmoeder groeit thans sterker dan de hals en hoewel beide eerst ongeveer even lang waren, is op het tijdstip van geslachtsrijpheid het lichaam het grootst.
In de zich ontwikkelende eierstokken beginnen de Graafsche follikels grooter te worden en op het oogenblik, dat het eerste eitje rijp is en wordt afgescheiden, kan men aannemen, dat de geslachtsrijpheid is ingetreden.
Al de opgesomde veranderingen, benevens de groei van het lichaam, gaan dan nog gedurende eenige jaren voort, ofschoon deze verdere ontwikkeling slechts langzaam plaats grijpt en eerst op ongeveer 20-j. leeftijd voltooid is.
Het rijp worden van het eerste ei gaat in den regel gepaard met het intreden van de eerste menstruatie.
Onder menstruatie verstaat men het periodiek terugkeerend en eenige dagen aanhoudend bloedverlies uit de baarmoeder, dat zijn weg neemt door de scheede. Bij de meeste vrouwen geschiedt dit om de 28 of 30 dagen en duurt 3-5 dagen. Kleine verschillen in den regelmatigen wederkeer of den duur der bloeding zijn niet altijd ziekelijke afwijkingen.
De hoeveelheid bloed, die gedurende die dagen wegvloeit, wisselt af tusschen de 100 en 300 gram. Dit maandelijksch bloedverlies duurt tot den 45- à 48-jarigen leeftijd; het wordt in gezonden toestand alleen onderbroken in tijden van zwangerschap en bij vele vrouwen ook gedurende den zoogtijd. Met het ophouden van de geregelde menstruatie houdt waarschijnlijk ook de verrichting van de eierstokken op en komen daarna geen eieren meer tot rijpheid.
Men heeft nog niet kunnen vaststellen, welk verband er bestaat tusschen het rijp worden der eitjes (ovulatie) en de menstruatie. Vroeger nam men hun onderling verband als vanzelf sprekend aan, hypothesen werden gesteld om dit verband te verklaren en geen moeite gespaard om die verklaring aannemelijk te maken. Tegenwoordig echter hecht men aan die vroegere hypothesen geen waarde meer, sedert feiten werden waargenomen, die er lijnrecht mede in strijd waren. Men weet nu, dat er eitjes kunnen rijp worden, zonder dat er menstruatie intreedt, zooals moet geschieden bij vrouwen, die gedurende het zoogen niet menstrueeren en toch zwanger worden; eveneens weet men, dat er vrouwen zijn, bij wie nog geregeld menstruatie intreedt, nadat de eierstokken door operatie verwijderd zijn. Toch kan men, niet tegenstaande deze feiten, gerust aannemen, dat er eenig verband bestaat tusschen menstruatie en ovulatie, al moeten wij ons dan nog voorloopig met nieuwe hypothesen tevreden stellen, waarvan het eveneens zeer wel mogelijk is, dat zij later zullen blijken onjuist te zijn.
Men wil thans de menstruatie beschouwen als verband houdende met een verhoogde levenskracht, die periodiek bij de vrouwen zou intreden en waarschijnlijk een gevolg zou zijn van de verrichting der eierstokken.
Door verschillende onderzoekers is namelijk gevonden, dat in het vrouwenleven, van het oogenblik af, dat de eierstokken hun functie beginnen tot aan den tijd, dat zij daarmede eindigen, maandelijks een stijging en daling van alle levensverrichtingen valt waar te nemen. Van deze rhytmische golf wordt het hoogste punt bereikt eenige dagen vóór de menstruatie, daarna treedt een zeer snelle daling in, waardoor het laagste punt ongeveer met het einde der menstruatie samenvalt. Na de menstruatie volgt dan opnieuw een regelmatige stijging, totdat na verloop van 2 of 6 dagen de normale hoogte weder bereikt is. In hoever nu dit stijgende en dalende levensproces oorzaak of gevolg der ovulatie en menstruatie is, daarover loopen de meeningen uiteen.
De daling der levensfunctiën gedurende de menstruatie wordt aangenomen, omdat in die dagen de temperatuur van het lichaam lager is dan gewoonlijk, de hartswerking trager, de spierkracht geringer en omdat hoogstwaarschijnlijk ook de stofwisseling minder is. De stijging wordt natuurlijk aangenomen op grond van tegenovergestelde werking. Dat ook het geestelijk leven in die dagen veranderingen ondergaat, daarvan getuigt de afwisselende graad van nerveuse prikkelbaarheid, waaraan de meeste vrouwen dan onderworpen zijn.
De menstruatie gaat gepaard met allerlei onaangename gewaarwordingen, waarvan de voornaamste en meest voorkomende zijn: zwaartegevoel in de beenen, spoedig vermoeid zijn, buikpijn, minder eetlust, hoofdpijn, slaperigheid.
Hoewel het periodiek intreden der bloeding het meest opvallend verschijnsel der menstruatie is, zijn er toch nog andere verschijnselen, die er bijna even constant bij voorkomen. De baarmoeder is in dien tijd gezwollen en hangt lager in de scheede. De slijmafscheiding uit het baarmoederslijmvlies is dan sterker, waardoor het menstruatie-bloed rijkelijk met slijm vermengd wordt. Deze vermeerderde slijmafscheiding, die meestal een paar dagen vóór de menstruatie begint, duurt dikwijls nog eenige dagen na het eindigen daarvan voort.
De borstklieren zijn in die dagen in den regel gezwollen, een zwelling, die bij sommige vrouwen met pijnlijkheid gepaard gaat.
De tijdelijk verminderde kracht der levens-processen maakt de vrouw in de menstruatie-dagen vatbaarder voor nadeelige invloeden, het weerstandsvermogen van haar lichaam is dan geringer, zoodat een schadelijke inwerking gemakkelijker haar doel kan bereiken. Het is voornamelijk om die reden, dat de vrouwen gedurende de menstruatie, meer nog dan anders, zorg moeten dragen voor een hygiënische leefwijze. Doch ook alles wat de bloeding uit den uterus kan bevorderen, moet in die dagen zooveel mogelijk vermeden worden. Daarom alsdan geen balzaal betreden, geen buitengewone voettochten ondernemen, het langdurig staan vermijden, in 't kort, alle buitengewone inspanning achterwege laten.
Zooals reeds is opgemerkt, eindigt de menstruatie gewoonlijk op 45- à 48-j. leeftijd. Zij houdt dan niet plotseling op, maar keert telkens met grooter tusschenpoozen en soms met meer hevigheid terug, totdat zij na 1 of 2 jaar voorgoed wegblijft. Men noemt deze overgangsperiode bij de vrouw den climacterischen leeftijd.
In het climacterium is ook het ophouden van het bloedverlies wel het best waarneembare, doch weder niet het eenige verschijnsel. Dikwijls gaat het gepaard met een verdwijning van vet uit de inwendige geslachtsdeelen en een vermeerderde vetafzetting in de overige organen van het lichaam. De schaamheuvel en de groote schaamlippen worden daardoor slap en rimpelig en de borsten, die door de tegelijkertijd ingetreden schrompeling der klieren toch reeds hun welving verloren hadden, hangen dan soms als slappe huidplooien neder.
De eierstokken staken dan hun werkzaamheid, er worden geen eitjes meer rijp; de ledige ruimten der Graafsche follikels trekken samen, het geheele orgaan schrompelt ineen.
De eileiders vernauwen en verslappen, de uterus wordt belangrijk kleiner, het scheedegedeelte van den uterus verdwijnt zelfs geheel. De scheede wordt nauwer en droger en verliest haar rekbaarheid.
Als gevolg van deze veranderingen lijden de vrouwen in de climacterische jaren dikwijls aan plotseling opkomende congesties, sterk zweeten en allerlei nerveuse aandoeningen. Na eenigen tijd verdwijnen deze verschijnselen.
Zoodra een rijp ei bevrucht is geworden, treedt er voor de geslachtsorganen der vrouw een nieuw ontwikkelingstijdperk in.
Om bevrucht te worden is het noodig, dat het ei met een der zaadcellen (spermatozoën) uit het sperma (het voorttelingsproduct der mannen) in aanraking komt. Bij deze aanraking, de bevruchting, dringt de spermatozoön het ei binnen. In den regel geschiedt dit in den eileider; de mogelijkheid is echter niet buitengesloten, dat de bevruchting soms plaats vindt, wanneer het ei den eierstok nog niet verlaten heeft, of wanneer het ei reeds in het bovenste gedeelte van de baarmoeder aangekomen is.
Uit het sperma, dat in de scheede wordt uitgestort, gaan dus spermatozoën door de baarmoeder in de eileiders, om daar het ei te ontmoeten. Dit geschiedt gemakkelijk, omdat de spermatozoën zich kunnen voortbewegen.
Hoogstwaarschijnlijk is de vrouw gedurende den geslachtsrijpen leeftijd te allen tijde geschikt om bevrucht te worden. In hoever deze geschiktheid te allen tijde door haar als een voorrecht moet worden beschouwd, behoeft hier niet te worden onderzocht.
Is het bevruchte ei in de baarmoeder gekomen, dan zet het zich daar aan den wand vast en in het lichaam der vrouw vangt een opeenvolging van nieuwe veranderingen aan. De vrouw verkeert dan in zwangeren toestand.
De menstruatie blijft weg en keert gedurende de geheele zwangerschap niet terug.
Het slijmvlies van de baarmoeder begint sterk te groeien en omhult het ei geheel; het vormt het buitenste der drie vliezige zakken, waarin de vrucht tot aan de geboorte besloten blijft. _Fig. 11_.
De baarmoeder neemt enorm in omvang en dikte toe, zoowel door de ontwikkeling van nieuwe spiervezels, als door verlenging der bestaande. De spiervezels worden ongeveer elf maal langer en de spierbundels drie tot vijf maal dikker. Ook de bloedvaten worden langer en wijder en nemen in aantal toe. Door deze sterke spierontwikkeling wordt de baarmoeder wijd genoeg om het bevruchte ei te herbergen, tot het zijn volle ontwikkeling heeft bereikt en krachtig genoeg om later de voldragen vrucht uit te drijven. Door de groote uitzetting der bloedvaten kan de bloedtoevoer genoegzaam vermeerderen om ook de voeding van de baarmoeder in dit tijdperk voldoende te doen zijn.
Met de vergrooting der baarmoeder gaat een geheele vormverandering gepaard. Had zij in maagdelijken toestand een peervormige gedaante en geleek haar holte eenigszins op den vorm van een flesch, in zwangeren toestand nadert de vorm van den uterus hoe langer hoe meer, zoowel wat de holte als de uitwendige gedaante betreft, naar een ovaal, waaraan het halsgedeelte van de baarmoeder, dat niet aan de vergrooting deel neemt, is blijven hangen.
Hoe grooter de baarmoeder wordt, des te meer stijgt zij in het groote bekken naar boven en verdringt daarbij al de buikingewanden zijwaarts en naar achteren. Ook het middelrif wordt naar boven geperst en daardoor het hart een weinig gedraaid. Door de naar boven persing van het middelrif wordt de borstkas ondieper, maar de tegelijkertijd plaats vindende uitzetting van de borstkas in de breedte weegt tegen dit ruimteverlies genoegzaam op.
Wegens de zwaarte hangt het lichaam van den uterus voorover en daardoor wordt de uterusmond naar achteren gericht. Ook de scheede vergroot, een vergrooting, die voornamelijk haar lengte en wijdte ten goede komt. De slijmvliesafscheiding is vermeerderd en roomkleurig geworden.
En ook de uitwendige schaamdeelen doen mede aan den algemeenen groei der geslachtsorganen; de groote en kleine schaamlippen zwellen en worden donkerder van kleur.
De buikbekleedselen moeten natuurlijk aan den druk van den groeienden uterus toegeven en zich uitzetten; het onderhuidsch celweefsel krijgt daarbij steeds fijne inscheuringen, die na afloop der zwangerschap als witte streepjes op den buik zichtbaar blijven.
Dat door den druk van den zwangeren uterus op blaas en endeldarm en op de in de kleine bekkenholte liggende bloedvaten en zenuwen allerlei stoornissen kunnen plaats vinden, valt licht te begrijpen. De meest voorkomende stoornissen zijn: herhaalde drang tot urineeren, moeilijke ontlasting en verstopping, uitzetting der aderen en waterzuchtige beenen, somtijds hevige pijn in een of beide beenen.
De veranderingen, die de borstklieren ondergaan, zijn reeds vroeger besproken.
De zwangerschap (graviditeit) gaat niet alleen gepaard met plaatselijke veranderingen, het heele organisme ondervindt mede haar inwerking.
De hoeveelheid bloed vermeerdert, het wordt meer waterhoudend, daardoor wordt het gehalte aan vaste stoffen betrekkelijk minder. De bloedsomloop is gestoord, er ontstaat dikwijls hartklopping, duizeligheid of congestie naar het hoofd.
Er wordt meer urine afgescheiden, die lichter van kleur is en minder specifiek gewicht bezit dan gewoonlijk.
Het meest is de spijsvertering in de war; er treedt misselijkheid en braking op, zoowel des ochtends in nuchteren toestand als nadat er iets gegeten is. De eetlust kan daarbij normaal blijven, doch er ontstaat ook wel tegenzin in het tot zich nemen van voedsel. Voornamelijk in de eerste zwangerschapsmaanden komen deze verschijnselen voor.
Ook vertoonen zich veelal op verschillende lichaamsdeelen, maar vooral in het gezicht, donkere huidvlekken.
Het zenuwstelsel is almede onder den invloed. Soms openbaart zich dit in hoofd- of kiespijn, ook wel in gezichts- of andere zintuigsstoornissen, of wel in psychische veranderingen: in diepe neerslachtigheid of in buitengewone opgewektheid.
Nog zij vermeld, dat de houding van een zwangere vrouw in de laatste maanden der zwangerschap eenigszins achteroverhellend is, als gevolg van het veranderd zwaartepunt van het lichaam.
Zoolang al de genoemde veranderingen een zekere grens niet overschrijden en niet gepaard gaan met ernstige gevolgen, worden zij niet als ziekelijke afwijkingen beschouwd. Na afloop der bevalling verdwijnen zij meestal spoorloos.
Hoewel de duur der zwangerschap niet met zekerheid is op te geven, omdat men het juiste oogenblik niet kent, waarop het ei is bevrucht geworden, heeft men toch bij benadering het tijdstip gevonden, waarop de zwangerschap eindigt en de geboorte van den nieuwen wereldburger verwacht kan worden. Om dit te bepalen, telt men, van den dag, waarop de laatste menstruatie is ingetreden, 280 dagen of 40 weken verder. Dat in tallooze gevallen deze berekening met enkele dagen faalt, behoeft zeker niet te worden gezegd.
Nadat het bevruchte ei door het slijmvlies van den uterus is omgeven, ontwikkelt het zich langzaam tot een levend kind.
Behalve in den vliezigen zak, door het slijmvlies van de baarmoeder gevormd (membrana decidua), ligt het ei nog in twee andere vliezige omhulsels, het chorion en het amnion, die beide uit het ei zelve gevormd worden. Het chorion deelt zich tegen het einde der 8e zwangerschapsweek in twee deelen, waarvan het eene gedeelte de moederkoek (placenta) vormt.
De _moederkoek_ is een sponsachtig weeke, platte schijf, die grootendeels uit bloedvaten is opgebouwd. Zij zit aan den wand der baarmoeder vast en is door een lange streng met de vrucht verbonden. Deze streng, de _navelstreng_, is ongeveer een vinger dik en een halven meter lang en bestaat nagenoeg alleen uit bloedvaten.
Door de bloedvaten van placenta en navelstreng stroomt het bloed uit het moederlijk lichaam naar dat van de vrucht. Op zijn tocht door het lichaampje van de vrucht laat het bloed voedende bestanddeelen achter, die het uit het moederlijk lichaam had medegevoerd en neemt onbruikbare stofwisselingsproducten uit het lichaam van de vrucht mede terug. Het wordende kind is dus niet alleen in het moederlijk lichaam gehuisvest, maar wordt tevens door het bloed der moeder gevoed. Moederkoek en navelstreng vormen daartoe den verbindingsweg.
In de holte van den derden of binnensten vliezigen zak, het amnion, ligt de vrucht, door het vruchtwater (liquor amnii) omspoeld. Het _vruchtwater_, dat voor een deel zijn ontstaan dankt aan de urine van de vrucht, beschermt deze tegen den druk of den stoot, waardoor de buik der moeder kan worden getroffen. Tegelijkertijd maakt het de beweging voor het kind gemakkelijker en voorkomt, dat deze bewegingen al te pijnlijk voor de moeder zouden zijn.
_Fig. 12 a_ tot _i_ stellen de verschillende ontwikkelingsstadia voor van een menschelijk ei van ongeveer de 2de week tot het einde der 8e week na de bevruchting. Tot zoolang is er nog geen verbeening in de weefsels van de vrucht te constateeren. Daarna begint in de 9e week langzamerhand de vorming der beenderen tot stand te komen en scheiden zich de vingers en teenen. In de 13e tot de 16e week kan men het geslacht van het toekomstige kind reeds bepalen. In de 17e week beginnen de haren op het hoofd en de zachte wollige haartjes van de huid te groeien. De moeder voelt dan reeds de bewegingen van de vrucht.
Een vrucht, op het einde der 24e week ter wereld gebracht, kan reeds de ledematen bewegen en flauw ademhalen. Zij sterft echter zeer spoedig.
In de 26e tot 28e week zijn de oogleden gescheiden en kunnen geopend worden. De huid is dan rood en gerimpeld, het vruchtje nog mager. De mogelijkheid bestaat, dat het dan buiten het moederlijk lichaam in leven kan blijven, maar in den regel gaat het dood.
Vruchten, die op het einde der 32e week geboren worden, kunnen bij zorgvuldige verpleging in het leven blijven, doch de levenskans is gering. De huid ziet nog rood en rimpelig. De nagels op vingers en teenen beginnen reeds te verhoornen.
In de 34e tot 36e week is de vrucht reeds minder mager en de lichaamsvormen daardoor ronder. Onder gunstige omstandigheden blijft het op dit tijdstip geboren kind in leven, alhoewel de sterftekans veel grooter is dan van de voldragen vrucht.
In de 37e tot 40e week verdwijnt langzamerhand het wolhaar van de huid en wordt deze blank; de haren van het hoofd daarentegen groeien.
De vrucht neemt natuurlijk van het begin tot het einde der zwangerschap in lengte en gewicht toe. Op het oogenblik van de geboorte is zij ongeveer een halven meter lang en 3 à 3 1/2 kilogram zwaar.