De Vrouw: Haar bouw en haar inwendige organen

Chapter 3

Chapter 33,537 wordsPublic domain

De milt (lien), _Plaat V No. 41_, behoort eigenlijk niet tot de digestie-organen; zij wordt hier alleen besproken, omdat zij in de buikholte vlak achter of naast de grondvlakte van de maag gelegen is en nog niet is uitgemaakt, welke functie zij eigenlijk te vervullen heeft. Het is een bruinrood orgaan, ter grootte van een vuist, dat buitengewoon vaatrijk is.

Het buikvlies (peritoneum) is een volkomen gesloten zak (bij de vrouw wordt het alleen door de buikopeningen van de Fallopiaansche buizen, waarover later, doorboord), waarmede de inwendige oppervlakte van de buik- en bekkenwanden is bekleed (peritoneum parietale) en dat de buik- en bekkeningewanden zoodanig omgeeft, dat deze daardoor geheel overdekt zijn (peritoneum viscerale).

De Ademhalingsorganen.

Door middel van de ademhalingsorganen wordt zuurstof in het bloed gebracht en worden onbruikbare gasvormige omzettingsproducten, voornamelijk koolzuur, uit het lichaam verwijderd. Tot de ademhalingsorganen behooren de groote luchtwegen en de longen. Langs de luchtwegen, waartoe alleen de neus, het strottenhoofd en de luchtpijp gerekend worden, bereikt de lucht de longen.

De _neus_ (nasus), tegelijkertijd ons reukorgaan, is in normale omstandigheden de eenige toegangsweg tot de longen, daar de doortocht door den mond eigenlijk alleen als noodhulp behoort gebruikt te worden. Doordien deze toegangsweg zoo nauw is en bovendien nog vele bochten vertoont, kan de buitenlucht er slechts langzaam doorgaan en komt zoodoende behoorlijk verwarmd in de longen aan.

Het _strottenhoofd_ (larynx), _Plaat V No. 24_, is een uit kraakbeenderen samengesteld orgaan, dat bij den ingang een klepje, strotteklepje (epiglottis) bezit, waardoor die ingang kan afgesloten worden. Het strottenhoofd staat van boven met den mond en den neus in verbinding; van onderen gaat het in de luchtpijp over. Bij het slikken sluit het zeer beweeglijk en veerkrachtig strotteklepje den toegang naar het strottenhoofd af en verhindert daardoor, dat het doorgeslikte in de luchtwegen komt.

Het strottenhoofd dient tot orgaan voor stemvorming. Daarvoor zijn binnen in de holte slijmvliesplooien gespannen, die als stembanden dienst doen. Door aldaar aanwezige, talrijke kleine spieren zijn wij in staat de stembanden meer of minder sterk te spannen en daardoor de verschillende tonen in ons geluid te brengen.

Het strottenhoofd is bij vrouwen aanmerkelijk kleiner dan bij mannen. Tot op ongeveer 15-j. leeftijd is er geen noemenswaardig verschil; daarna ontwikkelt het zich bij jongens veel sterker dan bij meisjes. De stembanden zijn dan ook bij de eersten langer en de stemspleet, de spleet tusschen beide stembanden gelegen, waardoor de in- en uitademingslucht passeeren moet, iets breeder. Het verschil in stem bij mannen en vrouwen is daaraan toe te schrijven.

De _luchtpijp_ (trachea), _Plaat V No. 25_, is een 10-22 cM. lange buis, uit een aantal (16-20) kraakbeenringen samengesteld, welke door veerkrachtige, vezelachtige banden onderling zijn vereenigd. Op de hoogte van den 4en borstwervel splitst de luchtpijp zich in twee takken, de luchtpijpstakken (bronchi), _Plaat V No. 26_, die naar de rechter en linker long loopen.

De rechter tak, die iets korter en wijder is dan de linker, splitst zich in drieën, voor elke rechter longkwab een; de linker tak verdeelt zich slechts in tweeën, omdat de linker long slechts twee kwabben bezit. In de long wordt elke tak in ontelbaar kleine en steeds fijner wordende takjes verdeeld, die ten slotte alle uitmonden in een fijn, zakvormig blaasje, de longblaasjes. Vele van deze met lucht gevulde longblaasjes vormen te zamen een longlapje en uit een aantal van zulke lapjes zijn de longen opgebouwd.

De longen (pulmones), _Plaat V No. 27_, zijn twee weeke, sponsachtige organen, die in de beide helften der borstkas een plaats vinden en de holte hiervan geheel vullen. De longslagader, die met de luchtpijpstakken aan de binnenvlakte der longen naar binnen treedt, vertakt zich aldaar evenals de luchtpijpstakken in vele kleine slagaderen, om eindelijk het weefsel van de longblaasjes met een net van capillairen te omgeven. Hierdoor is het bloed in staat, de zuurstof van de ingeademde lucht in zich op te nemen en daarvoor de in het lichaam ontstane, onbruikbare gassen, die het meevoerde, af te geven, welke dan met de lucht worden uitgeademd. Bij verruiming van de borstkas zetten de longen zich uit; de longblaasjes vullen zich dan met versche lucht, wat men _inademen_ noemt. Men spreekt van _uitademen_, wanneer de gebruikte lucht de longen verlaat. In- en uitademing gezamenlijk heet _ademhaling_. Door samentrekking van de spieren van de borstkas komt de ademhaling tot stand; dan toch wordt de borstkas verruimd.

Een spier, die bij de ademhaling een voorname rol speelt, worde hier afzonderlijk vermeld. Deze spier, het middelrif (diaphragma), _Plaat V No. 50_, sluit de borstholte geheel van de buikholte af. Rondom aan de ribben bevestigd, bevindt zij zich in toestand van rust bolvormig gespannen in de borstholte. Bij samentrekking wordt de welving van de spier vlak en wordt de borstkas daardoor aanmerkelijk verruimd. De spiermassa bezit in het midden twee openingen, waardoor de slokdarm en de lichaamsslagader van de borst- in de buikholte en de onderste holle ader van de buik- in de borstholte kunnen overgaan.

In geheel rustigen, normalen toestand hebben er bij volwassen menschen 16 à 20 ademhalingen in de minuut plaats. Bij kinderen is dit aantal grooter, terwijl ook vrouwen iets sneller ademen dan mannen. Allerlei invloeden kunnen de ademhaling versnellen, zonder dat wij nog met ziekelijke afwijkingen te doen hebben, bijv. bij inspanning der spieren, bij gemoedsaandoeningen, enz.

De hoeveelheid lucht, die bij diepste inademing op eenmaal kan ingeademd worden, de vitale capaciteit der longen, is bij mannen grooter dan bij vrouwen. Dat in normalen toestand ook de _wijze_ van ademhaling bij mannen en vrouwen zou verschillen, heeft men vroeger wel aangenomen, doch later is gebleken, dat dit een dwaling was. Men dacht, dat mannen ademden hoofdzakelijk door samentrekking van het middelrif (buikademhaling); vrouwen daarentegen door samentrekking van de borstspieren (ribben-ademhaling). Het is echter gebleken, dat deze ribbenademhaling, wanneer zij voorkomt bij vrouwen, meestal een gevolg is van te nauw sluitende kleeding, te sterk geregen corsetten, waardoor de uitzetting der borstkas van onderen wordt belemmerd.

In de borstholte liggen nog twee klieren, de schildklier (glandula thyreoidea) en de thymusklier (glandula thymus).

De schildklier ligt vóór het begin der luchtpijp. Zij is bij vrouwen iets grooter dan bij mannen.

De thymusklier ligt achter het bovenste deel van het borstbeen. Deze klier neemt tot het 2e levensjaar in omvang toe, gaat daarna langzamerhand verminderen en is tegen den tijd der geslachtsrijpheid geheel verdwenen.

De Pisorganen.

Een groot deel der stoffen, die door het stofwisselingsproces in de weefsels worden gevormd en die voor de voeding der organen geen waarde meer hebben, wordt door middel van de pisorganen uit het lichaam verwijderd. Het zijn voornamelijk de stikstofhoudende stoffen, die, in opgelosten toestand, langs dezen weg het lichaam verlaten. Gelijk op bladz. 14 gezegd is, worden zij door het bloed, wanneer dit door de haarvaten der weefsels stroomt, opgenomen, om daarna te worden afgescheiden, wanneer het de nieren passeert.

Dit afscheidingsproduct der nieren is de pis (urine).

De _nieren_ (renes) zijn boonvormige klieren, van bruinroode kleur. Zij liggen in de lendenstreek, aan beide zijden van de wervelkolom, de linker iets hooger dan de rechter. _Plaat V No. 51_.

Door vetrijk bindweefsel, dat de nieren omgeeft, door het buikvlies, dat haar voorvlakte bekleedt en door de groote bloedvaten, die haar het bloed toevoeren, zijn zij aan haar plaats gebonden. De plaats, waar de groote bloedvaten de nieren ingaan en deze weder verlaten en waar ook de pisleider uittreedt, noemt men de poort van de nier. Somwijlen is een der nieren, meestal de rechter, min of meer bewegelijk. Door zwangerschappen of ziekten kan het gebeuren, dat het bindweefsel om de nier zijn vetrijkdom verliest en de nier daardoor minder stevig bevestigd ligt. Zij verplaatst zich dan af en toe in de buikholte en verkrijgt daardoor den naam van wandelnier.

De uitwendige oppervlakte van de nier wordt door een taai, vezelachtig vlies omgeven (capsula fibrosa), dat aan de poort door de in- en uittredende vaten doorboord wordt. _Fig. 7 a_.

Snijdt men de nier in de lengte door, zooals op _Plaat V No. 52_ de linker nier is afgebeeld, dan blijkt, dat haar zelfstandigheid bestaat uit een bruinrood buitenste en een geelwit binnenste gedeelte. Deze bruinroode kleur is hieraan toe te schrijven, dat de nierslagader, aan de poort de nier binnentredende, _Plaat V No. 51_, en zich steeds fijner vertakkende, doordringt tot het buitenste gedeelte, het zoogen. bastgedeelte, en daar een fijn net van haarvaten vormt. In dit vaatnet wordt de urine afgescheiden. Zij wordt in zeer kleine holten opgevangen en door de pisbuisjes, die in die holten een begin nemen, naar het zoogenaamde nierbekken, in het middenste of merggedeelte van de nier gelegen, gevoerd. De pisbuisjes, aanvankelijk zeer fijn en talrijk, vereenigen zich op hun weg naar het nierbekken en vormen zoodoende steeds wijder wordende buisjes, die eindelijk overgaan in de nierkelken (calices renales), wier uitgangen onmiddellijk in het nierbekken uitmonden. _Fig. 7 e_.

Het nierbekken, dat zich in de richting naar de poort trechtervormig vernauwt, gaat aldaar in den pisleider (ureter), _Fig. 7 f_, over. Onophoudelijk wordt de pis in de nieren afgescheiden, door de pisbuisjes naar de nierkelken gevoerd, door deze in het nierbekken uitgestort en vandaar door den pisleider naar de blaas gebracht. De pisleiders loopen over de groote lendenspier, _Plaat V No. 53_, naar beneden tot in het kleine bekken en monden daar aan weerszijden onder aan de blaas in deze uit.

In de _pisblaas_ (vesica urinaria), _Plaat V No. 54_, wordt de urine opgevangen en kan daar geruimen tijd bewaard worden. De blaas is een zak, met vrij dikken spierwand, die in ledigen toestand achter de schaambeensvereeniging ligt, doch zoodra zij gevuld is, daarboven uitsteekt.

De spierlaag is van binnen met slijmvlies bekleed, dat talrijke plooien vormt, wanneer de blaas ledig is. Aan haar bodem bevindt zich een sluitspier, die kringvormig den overgang van blaas in pisbuis omgeeft. Gelijktijdig met de samentrekking van de spierlaag van de blaas opent deze sluitspier zich en verleent aldus de urine een doortocht.

De _pisbuis_ (urethra), die de urine uit de blaas buiten het lichaam brengt, is bij de vrouw slechts ongeveer 2 cM lang en mondt boven den ingang der scheede in de schaamspleet uit. Zij is wijder dan de mannelijke pisbuis en kan bovendien nog uitgerekt worden.

TWEEDE AFDEELING.

De Geslachtsorganen.

De geslachtsorganen (organa genitalia) stellen ons in staat aan nieuwe wezens het leven te schenken. Dit vermogen, om ons zelf te vermenigvuldigen, hebben wij met de planten en dieren gemeen. Wat ons evenwel van plant en dier onderscheidt is, dat de met rede begaafde mensch niet behoeft voort te planten, lijdelijk zooals de plant, of onderworpen aan een onbetoombare aandrift zooals het dier, maar dat hij dit kan doen onder de heerschappij der rede.

Bij vele planten en bij eenige lagere diersoorten worden de organen, noodig voor het voortplantingsproces, in een en hetzelfde organisme aangetroffen; bij den mensch daarentegen, evenals bij alle hooger ontwikkelde diersoorten en bij sommige planten, zijn de organen, voor dat doel bestemd, over twee individuen verdeeld. Van de beide daardoor ontstane geslachten neemt bij den mensch de vrouw een ander en grooter aandeel aan het voortplantingsproces dan de man.

In haar lichaam wordt de kiem voor het nieuwe leven gevormd en wanneer die kiem door aanraking met het zaad van den man aanleiding tot verdere ontwikkeling heeft ontvangen, dan herbergt zij het jonge vruchtje in haar lichaam, tot het zijn vollen wasdom heeft bereikt. Daarna brengt zij het ter wereld, doch voedt het nog geruimen tijd met de melk, het afscheidingsproduct harer borstklieren.

Deze vele verrichtingen, bij het voortplantingsproces aan de geslachtsdeelen der vrouw tot taak gesteld, zijn over verschillende organen verdeeld. De organen, die daarbij een hoofdrol vervullen, zijn in de lichaamsholte gelegen; de schaamdeelen (vulva) en de borstklieren (mammae), die in dit proces een bijrol vervullen, liggen uitwendig.

Laten wij beginnen met een korte uiteenzetting van den bouw en de verrichting der borstklieren. Deze, ook wel zogklieren genaamd, zijn aanvankelijk bij jongens en meisjes gelijk, doch op ongeveer 12-j. leeftijd, wanneer ook de andere geslachtsorganen zich beginnen te ontwikkelen, openbaart zich het geslachtsverschil tevens in deze klieren. Bij den jongen blijft de borstklier op de eerste ontwikkelingshoogte staan of verschrompelt langzamerhand geheel. Bij het meisje daarentegen gaat de klier zich dan ontwikkelen. De borstklieren van het geslachtsrijpe meisje, de maagd, zijn van halfkogelvormige gedaante en liggen aan weerszijden van de borstkas op de groote borstspier (musculus pectoralis major), _Plaat II No. 28_, tusschen de 3e en 6e rib. Zij zijn door een sleuf, den boezem (sinus), van elkaar gescheiden. Midden op de borstklier, op haar hoogste punt, zit de borsttepel (papilla mammae), die door den tepelkring (areola mammae) omgeven is. De groote gevoeligheid, den borsttepel eigen, is een gevolg van diens rijkdom aan gevoelszenuwen. Borsttepel en tepelkring zijn meer of minder sterk bruin gekleurd.

De borstklier, _Plaat I No. 63_, bestaat uit 15-24 afzonderlijke kliertakken, die door veel bindweefsel zijn omgeven en daarmede onderling verbonden. In dit bindweefsel bevindt zich vet. De toeneming in grootte van de klier is een gevolg zoowel van de ontwikkeling der kliertakken als van meer vetafzetting in het daartusschen liggend bindweefsel. De kliertakken bestaan uit een verzameling van als druiven getroste, kleine, vliezige blaasjes, die elk een apart uitloozingsbuisje hebben. Al die uitloozingsbuisjes vloeien samen tot een enkel kanaaltje, één voor iederen tak. Deze takken zijn de zoggangen; zij loopen elk op zich zelf naar den borsttepel en doorboren dien met een fijne opening.

In maagdelijken toestand blijven de borstklieren in dit ontwikkelingsstadium. Zoodra echter de eerste zwangerschap is ingetreden, komen zij tot geheele ontwikkeling. Vóór dien tijd is de klier ook niet in staat haar functie te verrichten: de melk, haar afscheidingsproduct, is eerst tegen het einde der zwangerschap aanwezig.

De melk wordt in de vliezige blaasjes voortgebracht en door de fijne uitloozingsbuisjes naar de zoggangen gevoerd. Door zuiging of persing vindt de melk uit de zoggangen een uitweg door de borsttepelopeningen.

De melk bestaat hoofdzakelijk uit water, vet, kaasstof, melksuiker en zouten. De eerste dagen na de geboorte van het kind is de melk bijzonder vetrijk en wordt dan colostrum genoemd. De hoeveelheid en hoedanigheid der afgescheiden melk verandert onder verschillende omstandigheden. In sommige ziektetoestanden vermindert de melkafscheiding of houdt zij geheel op. Langdurige, aanhoudende druk op de borstklier oefent eveneens een ongunstigen invloed uit op de afscheiding. Men is ook verplicht, wil men de melkproductie niet doen ophouden, de borsten regelmatig van de melk te ontlasten, door ze uit te laten zuigen of uit te persen. Sterke gemoedsaandoeningen veroorzaken almede verandering in de hoeveelheid; soms houdt zelfs na een hevigen schrik de zogafscheiding tijdelijk geheel op. Dat ook de hoedanigheid der melk na gemoedsaandoeningen verandert, is nimmer aangetoond kunnen worden; wel is het een vrij algemeen heerschende volksmeening en de mogelijkheid er van is niet uitgesloten. De voeding der vrouw oefent grooten invloed uit op de _hoedanigheid_ der melk.

Alvorens van de behandeling der borstklieren af te stappen, worde nog herinnerd, dat ondoelmatige kleeding, tijdens het ontwikkelingstijdperk een te sterken druk op de klier uitoefenende, stoornis in haar groei kan brengen.

Schenken wij thans onze aandacht aan de uitwendige schaamdeelen, waartoe onder meer behoort de schaamheuvel (mons veneris), een vetrijke verhevenheid, die in geslachtsrijpen leeftijd dicht met haren is begroeid. Hij maakt het bovenste deel uit van de uitwendige schaamdeelen en gaat van onderen over in de groote schaamlippen (labia majora). _Fig. 8 a_. Deze zijn groote, vetrijke huidplooien, die van den schaamheuvel boogsgewijs naar achteren loopen tot aan den bilnaad, waar zij onder een scherpen hoek samenkomen en door een dun vlies of bandje (frenulum labiorum) onderling verbonden zijn. Bij een eerste baring wordt dit bandje meestal vernietigd en wijken dan de groote schaamlippen steeds eenigszins van elkander af. Ook de groote schaamlippen zijn meestal met haren begroeid.

Tusschen de groote schaamlippen liggen de kleine schaamlippen (labia minora of nymphae). _Fig. 8 b_. Dit zijn dunne, zachte huidplooien, meestal kleiner dan de groote lippen en door deze bedekt. In sommige gevallen zijn zij grooter dan de groote lippen en steken dan buiten deze uit. Zij loopen naar achteren tot aan den ingang der scheede en staan naar voren, iedere lip in twee plooien gesplitst, met den kittelaar (clitoris), _Fig. 8 e_, in verbinding. De voorste plooi vormt de voorhuid van den kittelaar (praeputium clitoridis), _Fig. 8 d_, de achterste plooi het bandje daarvan (frenulum clitoridis), _Fig. 8 f_.

De kittelaar ligt alzoo tusschen de beide plooien der kleine lippen, die zich vóór en achter dit orgaan vereenigen. Het is een klein, stomp, vaatrijk en zenuwrijk uitsteeksel, zonder opening. Het wellustgevoel zetelt voornamelijk in dit orgaan.

De ruimte tusschen de kleine lippen en achter den kittelaar noemt men het voorhof van de scheede (vestibulum vaginae). _Fig. 8 c_. Ongeveer in het midden van deze ruimte mondt de pisbuis uit met een ronde of spleetvormige opening. _Fig. 8 g_. Deze is van dikke randen voorzien. Vlak daarachter ligt een andere opening, _de ingang der scheede_ (ostium vaginae), _Fig. 8 i_, die bij maagden gedeeltelijk gesloten is door een slijmvliesplooi (hymen). Bij geslachtsgemeenschap of anders bij de eerste baring wordt het hymen vernietigd. Doch ook op andere wijze kan het verloren gaan, zoodat het gemis volstrekt niet aan eerstgenoemde oorzaak behoeft te worden toegeschreven, evenmin als de aanwezigheid een volstrekt bewijs is, dat geen geslachtsgemeenschap plaats greep.

Aan beide zijden van den ingang der scheede liggen de fijne uitloozingsbuisjes der Bartholinische klieren. _Fig. 8 h_. Deze _slijm-afscheidende_ klieren liggen achter den ingang der scheede; zij gelijken in gedaante en grootte op een boon.

Boven den ingang der scheede beginnen de _inwendige_ geslachtsorganen. De _scheede_ (vagina), _Fig. 8 l_, is een lang, eenigszins gebogen en zeer rekbaar kanaal. Dit kanaal loopt van den ingang af eerst een klein eindje naar achteren, buigt zich daarna naar boven en tegelijkertijd iets naar voren, ongeveer de bekkenas volgende. In haar begin ligt zij tusschen den endeldarm en de pisbuis, verder naar boven tusschen den endeldarm en het onderste gedeelte van de pisblaas.

Het bovenste gedeelte van de scheede heet het gewelf (fornix vaginae).

Haar met slijmvlies bedekte wanden zijn van onderen dikker dan van boven; bij den ingang vormen zij, vooral aan de vóór- en achterzijde, vele dikke, overdwarse plooien, die naar boven in aantal afnemen en in het gewelf geheel verdwijnen. Hebben eenige kindertjes den weg door de scheede afgelegd, dan zijn die plooien grootendeels verdwenen en is zij daardoor wijder geworden.

In het gewelf der scheede ligt het onderste gedeelte van de _baarmoeder_ (uterus). Dit orgaan, _Plaat V No. 58_, is een holle spier, van peervormige gedaante, aan de voor- en achterzijde een weinig afgeplat. De baarmoeder ligt in het kleine bekken tusschen den endeldarm en de pisblaas. Met haar breeden, dikken bodem (fundus uteri), _Fig. 8 o_, is zij naar boven, met haar afgeplatten cylindervormigen hals (cervix uteri) naar beneden gekeerd. Het onderste gedeelte van den hals, in het gewelf der scheede gelegen, heet haar scheedegedeelte (portio vaginalis uteri), _Fig. 8 m_. Het gedeelte, dat tusschen den bodem en den hals van de baarmoeder ligt, noemt men het lichaam (corpus uteri), _Fig. 8 n_.

De _holte_ van de baarmoeder (cavum uteri) is klein in verhouding tot de grootte van het orgaan. _Fig. 9 a_. Het vormt een fleschvormig driehoekig kanaal, dat van boven het wijdst is. Op de plaats, waar de hals en het lichaam in elkander overgaan, bestaat een geringe insnoering, de _inwendige_ baarmoedermond (ostium uteri internum), _Fig. 9 b_. De _uitwendige_ baarmoedermond (ostium uteri externum), _Fig. 9 d_, bevindt zich op de plaats, waar het halskanaal in de scheede eindigt; hij brengt de verbinding tusschen scheede en baarmoederholte tot stand.

De uitwendige baarmoedermond is bij vrouwen, die nog niet gebaard hebben, meestal spleetvormig, met een voorste langere en een achterste kortere lip (labium anterius et posterius). Na bevallingen krijgt deze opening vele inscheuringen en wordt onregelmatig van vorm.

De wand van de baarmoeder bestaat uit gladde spiervezels. Deze, tot bundels vereenigd, loopen in alle richtingen rondom dit orgaan. Tusschen de spierbundels in liggen een aantal slagaderen en aderen, maar ook zenuwen en lymphvaten zijn daar ruim vertegenwoordigd. Van _binnen_ is de wand geheel bekleed met slijmvlies, dat in de holte van het lichaam volkomen glad is, doch in het halskanaal vele plooien vormt. _Fig. 9 c_.

Bij den uitwendigen baarmoedermond eindigt dit slijmvlies en gaat daar in het slijmvlies der scheede over.

Het slijmvlies van de baarmoeder scheidt een taai, helder slijm af. Alleen wanneer deze afscheiding abnormaal groot is, wordt zij door de vrouwen opgemerkt en als witte vloed (fluor albus) bestempeld.

De ligging van de baarmoeder is van zeer vele invloeden afhankelijk. In gewone omstandigheden ondergaat zij reeds veranderingen, wanneer de blaas of de endeldarm gevuld zijn. Toch neemt men in 't algemeen aan, dat de ligging bij meisjes in de richting van boven achter naar beneden voor is. Na baringen verandert de ligging belangrijk, zonder dat nog van ziekelijke afwijking sprake behoeft te zijn.

Van _buiten_ is de baarmoeder grootendeels bedekt door het buikvlies, dat met den uteruswand vergroeid is. Het buikvlies, van de achtervlakte van de pisblaas komende, gaat na een kleine bocht naar beneden gemaakt te hebben, op de vóórvlakte van de baarmoeder over, loopt dan over den bodem van de baarmoeder, komt aan haar achtervlakte, vormt dáár een dieper bocht en gaat eindelijk op den endeldarm over. De baarmoeder ligt dus als 't ware ingestulpt in het buikvlies.

Aan de rechter- en linkerzijde van de baarmoeder komen de vóór- en achterplooi van het buikvlies samen en vormen de _breede_ baarmoederbanden (ligamenta lata), _Fig. 8 u_. Deze banden zijn dus uit een voorste en achterste laag of plaat samengesteld.

De _ronde_ baarmoederbanden (ligamenta rotunda), _Fig. 8 v_, ontstaan uit den spierwand van de baarmoeder. Zij loopen van de beide zijden van den bodem der baarmoeder als dikke koorden naar beneden, gaandeweg in dikte afnemende. Zij doorloopen het lieskanaal en eindigen in het weefsel van den schaamheuvel en de groote schaamlippen.