De Vrouw: Haar bouw en haar inwendige organen
Chapter 2
Men onderscheidt de spieren in _willekeurige_ en _onwillekeurige_. De willekeurige spieren gehoorzamen aan den wil; wij hebben het in onze macht, ze te doen samentrekken of werkloos te houden. Haar spiervezels zijn, onder het mikroskoop gezien, dwarsgestreept. Al de spieren van het hoofd, den romp en de ledematen behooren tot de willekeurige spieren.
De samentrekking der onwillekeurige spieren hebben wij niet in onze macht. Men vindt ze in de bloedvaten, in de baarmoeder, in de maag, in de darmen, enz. In de laatste zijn zij het bijv., die de voortbeweging van het voedsel tot stand brengen. Onder het mikroskoop gezien, vertoonen die spieren geen dwarse strepen.
Bij man en vrouw komen over het geheele lichaam dezelfde spieren voor, die ook in bouw, vorm en verrichting geen werkelijk verschil aanbieden. Slechts de spieren van de geslachtsorganen wijken hiervan uit den aard der zaak af.
_Plaat II_ geeft een groot aantal spieren van de voorzijde van het lichaam te zien, die genummerd werden en waarvan de namen achter de overeenkomstige nummers in de bijgevoegde beschrijving te vinden zijn.
Alleen zij hier nog vermeld, dat het lieskanaal, _Plaat II No. 41_, van de vrouw langer en nauwer is dan dat van den man, waardoor verklaard wordt, dat liesbreuken bij mannen veelvuldiger voorkomen dan bij vrouwen.
Een liesbreuk toch ontstaat, wanneer een buikingewand, bijv. een darmlis door het lieskanaal uitzakt.
De Bloedsomloop.
Het bloed bestaat uit een licht-geel vocht, bloedplasma, waarin zich millioenen van mikroskopisch kleine celletjes bevinden, de z.g. bloedlichaampjes. Het grootste deel daarvan is rood gekleurd; de overige zijn kleurloos.
Het bloed vervult in het lichaam de rol van zuurstof in de longen en voedingsstoffen in de spijsverteringsorganen op te nemen en over te brengen naar de verschillende deelen van het lichaam, om daarna de in die lichaamsdeelen ontstane onbruikbare stoffen weg te voeren naar de plaatsen, vanwaar zij uit het lichaam verwijderd kunnen worden. Te dien einde is het noodzakelijk, dat het bloed aanhoudend door het lichaam stroomt. Deze strooming, die men den bloedsomloop of kringloop noemt, komt tot stand door samentrekkingen van het hart.
Het hart (cor) is een holle, kegelvormige spier, _Plaat III No. 1-4_, die in de borstholte links van haar middellijn gelegen is, doch nog gedeeltelijk door het borstbeen bedekt wordt. Het ligt tusschen de beide longen. De breede basis van het hart is schuin naar boven en zijn top naar beneden gekeerd. Die top, de punt van het hart genoemd, ligt tusschen de 5e en 6e linker rib.
De grootte van het hart komt in den regel overeen met de grootte van de vuist. Een vrouwenhart is dikwijls in verhouding iets kleiner dan een mannenhart.
De holte van het hart wordt door een middenschot in een rechter en linker helft verdeeld. _Plaat V No. 28-32_. Beide helften bestaan echter weder uit twee deelen, een kamer (ventriculus) en een voorkamer (atrium). Hartoor (auriculum cordis) noemt men het aanhangsel, dat aan elke voorkamer zit. _Plaat III No. 3 en 4_.
Het hart is dus in vier ruimten verdeeld, twee kamers en twee voorkamers, die ieder een zelfde hoeveelheid bloed kunnen bevatten.
De voorkamers zijn wel is waar kleiner dan de kamers, doch zij kunnen niettemin dezelfde hoeveelheid bloed bevatten, omdat zij dunne vliezige wanden bezitten, die zich verder kunnen uitzetten dan de dikke spierwanden van de kamers.
Iedere voorkamer staat met de bij haar behoorende kamer in verbinding door een opening, welke door een vlies, het klapvlies, kan afgesloten worden.
Wij kunnen den bloedsomloop het gemakkelijkst volgen, wanneer wij ons als in _Fig. 6_, dien kringloop enkelvoudig voorstellen. Uit de _linker_ kamer, _Fig 6 a_, stroomt het bloed in de groote lichaams_slagader_ (aorta). Deze gaat eerst met een boog naar boven, _Plaat III No. 5 en 6_, kromt zich dan naar beneden en verloopt langs de wervelkolom. Op haar weg geeft zij tal van slagaderen af, die naar de verschillende deelen van het lichaam gaan. (In _Fig. 6_ is daarvoor enkel de boog _b_ genomen.) Ieder van die slagaderen verdeelt zich op haar beurt weder en vormt steeds fijnere slagaderen, totdat ten slotte deze kanaaltjes mikroskopisch fijn worden en dan haarvaten of capillairvaten genoemd worden. _Fig. 6 c_. De kracht, die noodig is om het bloed door al die groote en kleine vaten te drijven, is zeer groot; van daar dat de spiermassa van de linker kamer sterk ontwikkeld is.
De capillairvaten bezitten een zeer dunnen wand, die gemakkelijk vocht doorlaat; daardoor kan het bloed, dat door de capillairvaten stroomt, het vocht, waarin de voedingsstoffen voor de weefsels aanwezig zijn, afgeven en de onbruikbare stoffen, ontledingsproducten, uit de weefsels in zich opnemen.
Nadat deze uitwisseling van stoffen is volbracht, vereenigen zich de capillairvaten weder tot wijdere vaten (aderen), _Fig. 6 e_, die tot nog steeds wijdere samenkomen en eindelijk het bloed verzamelen in de twee groote lichaams_aderen_ (vena cava superior et inferior), _Plaat III No. 9 en 10_, welke in de _rechter_ voorkamer uitmonden. _Fig. 6 f_.
Zoodra het bloed in de rechter voorkamer aangekomen is, trekt deze zich samen en wordt het naar de rechter kamer geperst. _Fig. 6 g_.
Daarop volgt de samentrekking van de _rechter_ kamer. Het klapvlies, dat tot dusverre de opening tusschen voorkamer en kamer vrij liet, drukt zich nu tegen die opening zoodanig aan, dat het haar geheel afsluit. Het bloed kan daardoor niet naar de voorkamer terug en zoekt een uitweg door het bloedvat, dat naar de longen gaat. _Fig. 6 h_. Ook dit vat ondergaat spoedig een verdeeling, er ontstaan telkens kleiner vaten en ten slotte weer capillairvaten, _Fig. 6 i_, die zich daarna weder vereenigen en eindelijk samenkomen in een groot vat, de longader, _Fig. 6 j_, welke in de _linker_ voorkamer, _Fig. 6 k_, uitmondt.
Op den weg door de capillairvaten van de long neemt het bloed de ingeademde zuurstof in zich op en komt daarvan voorzien in de _linker_ voorkamer aan.
Zoodra deze gevuld is, volgt de samentrekking en wordt het bloed gestuwd naar de linker kamer, vanwaar dit opnieuw zijn kringloop begint. Reeds werd opgemerkt, dat ook op de grens tusschen _linker_ voorkamer en kamer zich een klapvlies bevindt. Bij contractie van de linker kamer sluit dit den weg naar de voorkamer en belet daardoor het terugstroomen van het bloed.
Het van zuurstof voorziene, z.g. slagaderlijk bloed bezit een helderroode kleur en loopt door de slagaderen (arteriae) naar de weefsels. Keert het nu door de aderen (venae) naar het hart terug, nadat het de zuurstof heeft afgegeven, dan is het z.g. aderlijk bloed donkerrood, blauwachtig van kleur. Als zoodanig komt het ook in de rechter voorkamer aan, doch zal weldra, na door de rechter kamer te zijn gegaan, in de longen treden en daar nieuwe zuurstof opnemen, koolzuur en andere gassen afgeven en weer als slagaderlijk bloed het linker hart bereiken.
Telkens wanneer de kamers zich samentrekken, stoot het hart met de punt tegen den borstwand; men kan zich hiervan overtuigen door den vinger te plaatsen tusschen de 5e en 6e rib en wel eenigszins links onder den linker borsttepel. Bij iedere samentrekking van het linker hart wordt een bloedgolf door de slagaderen gedreven: op sommige plaatsen van het lichaam is dit nu duidelijk voelbaar als men den vinger op de slagader laat rusten. Men noemt dit den polsslag. Polsslag en hartslag geven beide dus te kennen, dat er een samentrekking van de kamers plaats heeft. Linker en rechter kamer doen dit bijna gelijktijdig.
Bij den gezonden, volwassen mensch geschiedt dit 65 à 80 maal in de minuut; bij kinderen slaat de pols sneller, bij pasgeborenen ongeveer 140 maal in de minuut. Volgens sommigen bestaat een gering verschil in de snelheid van een vrouwen- en een mannenpols. Zij nemen aan, voor mannen gemiddeld 70, voor vrouwen gemiddeld 76 slagen in de minuut.
Allerlei omstandigheden oefenen, ook in gezonden toestand, invloed uit op de snelheid van den pols. Zij ondergaat verandering na lichaamsinspanning, na het eten, in den slaap, bij temperatuursverandering, enz.
Het geheele hart en een gedeelte van de bloedvaten, die er uitkomen en er in terugkeeren, zijn door een vliezigen zak, het hartzakje (pericardium) omgeven. Dit zakje is iets grooter dan het hart; voorzoover het niet geheel met het hart wordt gevuld, is de ruimte door vocht ingenomen.
_Plaat III_ geeft een duidelijk beeld van de ligging en van den vorm van het hart en van de voornaamste slagaderen en aderen.
De _slagaderen voor de geslachtsorganen_ gaan van de zaadslagaderen (arteriae spermaticae internae) uit, _Plaat III No. 23_. Gedurende de zwangerschap, doch ook bij verschillende baarmoederziekten nemen zij zeer sterk in doorsnede toe. Deze toename houdt gelijken tred met de omvangstoename van de baarmoeder. Zoowel de stam van de zaadslagader als haar vele vertakkingen nemen er aan deel. Daardoor voert dit netwerk van vaten in zulke gevallen een groote hoeveelheid bloed aan de baarmoeder toe.
Tot het vaatstelsel behooren ook de lymphvaten of watervaten. Om zich hiervan een juiste voorstelling te vormen, bedenke men, dat de capillairvaten in weefselspleten liggen en daarin voedingsvocht voor de weefsels afgeven. Het niet verbruikte vocht met de ontledingsproducten moet nu een uitweg hebben. Voor een deel wordt het, zooals wij gezien hebben, met het aderlijk bloed weggevoerd. Voor zoover dit niet het geval is, vloeit het weg door vaatjes, welke door vereeniging der weefselspleten ontstaan. Het vocht noemt men lymph en de vaatjes lymphvaten. De lymphvaten vereenigen zich tot één groot lymphvat en dit mondt uit in een groote ader.
Het Zenuwstelsel.
De verrichtingen van de afzonderlijke organen van het lichaam worden door middel van het zenuwstelsel tot één geheel vereenigd.
Men verdeelt het zenuwstelsel in een _centraal_ en een _peripheer_ gedeelte. Tot het centraal gedeelte behooren de hersenen en het ruggemerg.
In het centraal gedeelte van het zenuwstelsel ontstaan de prikkels, die de werking der spieren opwekken en worden de indrukken, door de zintuigen ontvangen, in voorstellingen en gewaarwordingen omgezet. Het wordt tevens gehouden voor den zetel van het verstand.
Het periphere gedeelte van het zenuwstelsel bestaat uit zenuwen (nervi), die als leidraden, prikkels en indrukken overbrengen en de verschillende organen met het centrale zenuwstelsel in verbinding brengen.
De hersenen (encephalon) zijn in de schedelholte besloten. Ze zijn door drie vliezige hulsels omgeven, die, van buiten naar binnen gerekend, onderscheiden worden in harde hersenvlies (dura mater), spinnewebsvlies (arachnoidea) en zachte hersenvlies (pia mater).
De bouw der hersenen is zeer gecompliceerd. Hier zij alleen vermeld, dat zij verdeeld worden in groote hersenen (cerebrum), kleine hersenen (cerebellum) en het verlengde merg (medulla oblongata). Zij bestaan uit twee helften, die aan elkander gelijk zijn.
De hersenoppervlakte heeft boogsgewijs gekronkelde verhevenheden; deze verhevenheden worden gyri genoemd, terwijl de daartusschen liggende sleuven sulci genoemd worden. _Plaat IV No. 1_.
De beide helften van de groote hersenen zijn door den zoogen. balk (corpus callosum) met elkander verbonden, terwijl de beide helften der kleine hersenen in de brug van Varol (pons Varoli) hun verbindingspunt vinden. _Plaat IV No. 2_.
Het verlengde merg verlaat de schedelholte door het achterhoofdsgat en gaat in het ruggemerg over. _Plaat IV No. 3_.
Men heeft het er langen tijd voor gehouden, dat de hersenen van de vrouw lichter zouden zijn dan die van den man. Vroegere onderzoekers beschouwden het gewicht der hersenen in verhouding tot de lengte van het lichaam en kwamen daardoor tot een foutief resultaat. In den laatsten tijd heeft men redelijker gehandeld. Men bepaalde het hersengewicht in verband met het lichaamsgewicht en kwam zoodoende tot het resultaat, dat de hersenen der vrouwen minstens even zwaar, doch veelal iets zwaarder zijn dan die der mannen. Het is evenwel te begrijpen, dat men uit deze berekening niet mag concludeeren tot meerdere of mindere intelligentie van een der beide geslachten.
Ook is beweerd dat verschil in verhouding van de hersendeelen onderling was toe te schrijven aan geslachtsverschil. Men meende namelijk ontdekt te hebben, dat de voorhoofdskwabben van de hersenen in verhouding tot zijn overige deelen bij den man grooter waren dan bij de vrouw en omdat men altijd had aangenomen dat aldaar het verstand zetelde, was de uitkomst van het onderzoek geen verrassing. Het is evenwel gebleken, dat deze ontdekking aan onjuiste waarnemingen moest worden toegeschreven. Onderzoekers van lateren tijd hebben aangetoond, dat de voorhoofdskwabben van de vrouw beter ontwikkeld zijn dan die van den man en hoewel het verschil zeer gering is, het overwicht toch is aan de zijde der vrouw. Laat mij onmiddellijk hieraan toevoegen, dat men in den laatsten tijd twijfel is gaan opperen, of het verstand wel in de voorhoofdskwabben zetelt.
Nog andere kenmerkende verschillen heeft men gemeend te vinden, doch telkens bleken zij den toets van het onderzoek niet te kunnen doorstaan, zoodat men dan ook op dit oogenblik geen enkel belangrijk punt van verschil tusschen de hersenen van mannen en vrouwen kan aannemen en zeer zeker in geen enkel opzicht uit de verkregen resultaten een besluit ten nadeele van het intellect der vrouw mag trekken.
Keeren wij thans terug tot het ruggemerg (medulla spinalis), het lange, cylindervormige gedeelte van het centrale zenuwstelsel, in de holte van de ruggegraat gelegen en evenals de hersenen door drie vliezen omgeven. _Plaat IV No. 4-7_. Het eindigt van onderen ter hoogte van den 1en of 2en lenden wervel stomp kegelvormig (conus medullaris), vanwaar een draadvormig uiteinde (filum terminale) verder het ruggemergskanaal doorloopt.
Men onderscheidt drie soorten van zenuwen: gevoels-, bewegings- en sympathische zenuwen.
Worden _gevoels_zenuwen geprikkeld, dan wordt die prikkel overgebracht naar de hersenen en volgt een gewaarwording, bijv. van pijn of warmte, van reuk of geluid.
De _bewegings_zenuwen eindigen alle in de spieren. Worden die zenuwen geprikkeld, dan volgt samentrekking van de daarmede correspondeerende spieren.
Gaan wij nu na, uit welke zenuwen de verschillende organen hun zenuwtakken ontvangen, dan blijkt, dat de hersenen 12 paar hersenzenuwen leveren, terwijl uit het ruggemerg 31 paar ruggemergszenuwen haar oorsprong nemen.
De 12 paar hersenzenuwen zijn bijna uitsluitend bestemd voor de verschillende deelen van het hoofd. Zij voorzien de zintuigen van zenuwtakken en geven verder gevoels- en bewegingszenuwen voor het hoofd af.
De 31 paar ruggemergszenuwen worden bij haar oorsprong in twee takken gescheiden, waarvan de voorste, de dikkere tak, bewegingszenuwen, de achterste, gevoelszenuwen levert.
Deze ruggemergszenuwen zijn verdeeld in 8 hals-, 12 borst-, 5 lenden-, 5 heiligbeens- en 1, soms 2 stuitbeenszenuwen. Zij verlaten alle het ruggemergskanaal door de voor hen bestemde opening in de overeenkomstige wervels. Aangezien het ruggemerg op de hoogte van den 1en of 2en lendenwervel eindigt, moeten de lenden-, heiligbeens- en stuitbeenszenuwen dus nog een eind in het ruggemergskanaal afleggen, voor zij de voor ieder harer bestemde uitgangsopening in de wervels bereiken. De zenuwen, die evenwijdig naar beneden loopen, geven een eigenaardigen vorm aan het uiteinde van het ruggemerg, dat daarnaar den naam van paardenstaart (cauda equina) verkregen heeft. Op _Plaat IV_ is dit alles zeer juist afgebeeld.
De _sympathische_ zenuwen vormen een afzonderlijke groep. Zij vinden haar oorsprong in twee dikke zenuwkoorden, die langs beide zijden van de wervelkolom loopen. Zij begeleiden hoofdzakelijk de bloedvaten op hun talrijke wegen en regelen de wijdte der kleine slagaderen.
De Spijsverteringsorganen.
De spijsverteringsorganen (organa digestionis) dienen tot opneming en omzetting van voedingsstoffen; zij vormen een kanaal, waarvan de mondholte (cavum oris) het begin en de aars (anus) het einde vormt. Slechts het begin en het einde is aan den wil onderworpen.
De voedingsstoffen worden in de verschillende deelen van het spijsverteringswerktuig omgezet in zoodanigen vorm, dat zij in het bloed kunnen worden opgenomen en in de verschillende weefsels kunnen worden afgescheiden om daar de verbruikte stoffen te vervangen. De aanvoer van nieuwe voedingsstoffen moet gelijk staan met, of meer zijn dan de verbruikte hoeveelheid, anders heeft er achteruitgang van de weefsels plaats.
Het geheele voedingsproces berust op een scheikundige omzetting der toegevoerde stoffen. De onbruikbare, niet tot opneming geschikte bestanddeelen gaan tot aan het einde van het darmkanaal door, om daar verwijderd te worden.
De spijsverteringsorganen zijn van het begin tot het einde met slijmvlies bekleed. Dit slijmvlies is rijk aan slijmkliertjes en bevat verder veel bloedvaten, lymphvaten en zenuwen.
De mondholte moet als het begin beschouwd worden. Zij vormt een holte, van _boven_ begrensd door een naar voren gelegen hard en naar achteren gelegen zacht gehemelte (palatum durum et molle). Achter aan het zachte gehemelte bevindt zich de huig (uvula), die de keelholte schijnbaar in twee helften verdeelt.
Het zachte gehemelte vertoont verder twee verheffingen, die als bogen naar rechts en naar links verloopen; tusschen de _twee_ rechtsche en tusschen de twee linksche booghelften ligt telkens een amandel (tonsilla).
Aan beide _zijden_ wordt de mondholte begrensd door de wangen; daarin verloopen de wangspieren (musculi buccinatores). _Plaat II No. 13_.
De _onderkant_ van de mondholte wordt grootendeels gevormd door de tong (lingua); deze laat slechts een klein gedeelte van den eigenlijken bodem der mondholte vrij. De tong bestaat uit spieren, waarvan de vezelen in verschillende richtingen verloopen. Hierdoor worden de meest verschillende bewegingen mogelijk gemaakt.
In de mondholte wordt het vaste voedsel gekauwd. Dit kauwen geschiedt, doordien de onderkaak op en neer en ook in zijdelingsche richting bewogen wordt; de bovenkaak staat vast. Onder het kauwen wordt de spijsbrok voortdurend verplaatst en wel door middel van de tong, de lipspieren en de wangspieren.
Tijdens het kauwen wordt het voedsel innig vermengd met speeksel, een vocht, dat afgescheiden wordt door de speekselklieren, waarvan er aan beide zijden een in de wang nabij het oor ligt: de oorklier (glandula parotis), en die haar uitvoergang dwars door het wangslijmvlies naar de mondholte zendt. Verder liggen nog twee paar speekselklieren in de onderkaak: de onderkaaksklier (glandula submaxillaris) en de ondertongsklier (glandula sublingualis). Van beide paren komen de uitvoergangen onder de tong uit.
Door de vermenging met speeksel wordt het doorslikken van de spijsmassa vergemakkelijkt en wordt reeds een gedeelte van het voedsel, bijv. hetgeen uit meel bestaat, zoodanig scheikundig veranderd, dat het geschikt wordt om later in het bloed te worden opgenomen.
Is het voedsel gekauwd, dan wordt het ingeslikt en vervolgt daarna zijn weg door den slokdarm (oesophagus), _Plaat V No. 39_. Van den slokdarm komt het in de maag.
De maag (ventriculus) ligt voor de grootste helft in het linker bovenste gedeelte van de buikholte. Zij stoot van boven aan het middelrif, links van haar ligt de milt en achter haar de alvleeschklier, terwijl zij rechts gedeeltelijk door de lever bedekt wordt. De plaats, waar de slokdarm in de maag overgaat, is de maagingang (cardia) en de overgang van de maag in den twaalfvingerigen darm heet portier (pylorus). Tusschen den maagingang en den maaguitgang ligt de wijde, naar onderen en links sterk uitgebogen zak, de grondvlakte van de maag (fundus ventriculi). _Plaat V No. 40_.
Aan den pylorus wordt de maag van den twaalfvingerigen darm gescheiden door een kringspier, welke van tijd tot tijd geopend wordt om voedsel door te laten.
Het spijsverteringsproces, reeds in de mondholte aangevangen, wordt in de maag voortgezet en wel door middel van een vocht, het maagsap, dat door het maagslijmvlies wordt afgescheiden en voornamelijk bestaat uit pepsine en zoutzuur.
Dit vocht bezit het vermogen, het eiwit van het voedsel meer geschikt te maken tot opneming in het bloed. Door samentrekking van de in den maagwand gelegen spieren wordt het voedsel innig met het maagsap saamgekneed.
Van tijd tot tijd gaat nu, zooals gezegd is, een deel van den maaginhoud in den twaalfvingerigen darm (duodenum) over. Men verdeelt den darm in dunnen en dikken darm.
De dunne darm bestaat weer uit drie deelen: den _twaalfvingerigen_ (duodenum), den _nuchteren_ (jejunum) en den _kronkeldarm_ (ileum). In het geheel vormt de dunne darm een buis van 5 à 6 Meter lengte, met lissen en bochten, waarvan eenige zelfs tot in de kleine bekkenholte afhangen. _Plaat V No. 43 en 44_.
In den dunnen darm ondergaat het voedsel nieuwe veranderingen, doordien het daar in aanraking komt met twee vochten, de gal en het sap van de alvleeschklier. Beide vochten zorgen voor een verdere omzetting, waardoor opneming in het bloed mogelijk wordt.
De gal is een afscheidingsproduct uit de lever, de grootste klier van het menschelijk lichaam. De lever (hepar), _Plaat V No. 48_, is tamelijk week, bezit een bruinroode kleur en is gelegen in de rechter bovenste buikstreek, tegen het middelrif aan. Haar onderste rand moet slechts even onder de ribben uit gevoeld kunnen worden. Bij vrouwen, die zich sterk rijgen, wordt de lever naar onderen geperst en is daardoor veel gemakkelijker waar te nemen.
De lever scheidt onophoudelijk gal af, die in de galblaas (cystis fellea), _Plaat V No. 49_, wordt verzameld en zich gedurende de spijsvertering in den dunnen darm ontlast.
De galblaasbuis (ductus choledochus) voert de gal naar den twaalfvingerigen darm.
De alvleeschklier (pancreas), _Plaat V No. 42_, is een klier, die een lengte heeft van ongeveer 20 cM en een breedte van 3 à 4 cM. Ook haar uitvoergang mondt in het duodenum uit, vlak bij dien van de gal. Het sap der alvleeschklier heeft een groote beteekenis, omdat het op alle bestanddeelen van het voedsel een krachtigen invloed uitoefent.
In den dunnen darm wordt eveneens het voedsel gekneed, maar tevens voortbewogen. Deze voortbeweging komt tot stand, doordien de darmwand zich achter de voedselmassa vernauwt en verkort. Dit herhaalt zich telkens met het opvolgend stuk darm en zoo gaat het voort, alsof men van de maag uitgaande, met de vingers den darm drukkende, de voedselmassa voortbeweegt. Zulk een beweging noemt men een wormvormige of peristaltische.
Van den _dunnen_ darm gaat de massa nu over in den _dikken_. Op de plaats van overgang wordt een zak gevormd, de blinde darm (intestinum coecum), _Plaat V No. 45_. De dikke darm is veel wijder dan de eerste en is ook meer rekbaar. Eerst verloopt hij naar boven tot aan de lever, gaat dan van rechts naar links, om zich vervolgens naar beneden te buigen en in den endeldarm (rectum) over te gaan. Vóór den overgang in den endeldarm noemt men den dikken darm ook wel colon.
De opneming van het voedsel in het bloed begint reeds in den maagwand en zet zich verder over het geheele darmkanaal voort. De wijze, waarop dit geschiedt, hier uiteen te zetten, zou tot te groote uitvoerigheid leiden. Slechts zij opgemerkt, dat behalve het vet, al het omgezette voedsel wordt afgevoerd door bloedvaten, welke in maag- en darmwand gelegen zijn. Zoo komt het dan in het bloed der holle ader, in rechter voorkamer, rechter kamer, longcapillaria, linker voorkamer, linker kamer, aorta en stroomt door de slagaderen naar alle deelen van het lichaam. In de fijne haarvaten wordt eindelijk het voedsel aan de weefsels afgegeven. Het vet wordt door een eigen vaatsysteem uit den darmwand afgevoerd, maar dit systeem mondt ten slotte toch ook in het aderlijke bloed uit, zoodat ook het vet den weg van rechter voorkamer, rechter kamer, enz. volgt.