Chapter 7
Er is een ander middel, zei de Fransche douanier. Rijdt naar Hendaye, de eerste weg links, daar boven op den berg, en laat u van daar uit in een bootje naar Fuenterrabia overzetten.
Wij reden....
Maar 't was een dag van tegenspoed en van vergissing; ik vond den weg niet boven op den berg, reed door, steeds zoekend, kwam eindelijk, in plaats van te Hendaye, in Saint Jean de Luz aan.
--La route pour Fontarabie, monsieur? riepen mijn dames tot den eersten man, dien zij konden aanklampen.
--Vous en venez, mesdames! klonk het verbaasde antwoord, net als op de brug van de Bidassoa.
Mijn dames begonnen kwaad te worden, kwaad op mij.
--Hoe is 't toch mogelijk! riepen zij geërgerd.
--Fuenterrabia bestaat niet meer, antwoordde ik met een ernstig gezicht. Heusch, ik heb onlangs nog gelezen dat het niet meer bestaat. Maar er zijn nog prentbriefkaarten van. Laten we die hier koopen, dan hebben we 't tòch gezien.
Ik kreeg een parasol-slag op mijn hoofd:
--Wil je wel dadelijk rechtsomkeer maken?
Ik maakte, gedwee als altijd, dadelijk rechtsomkeer, maar de auto, ditmaal, maakte die niet zoo gewillig mee. 't Was of hij zeggen wou: "Nee, nee, ik heb er nu genoeg van. Laten we nu hier 'n poosje kalmpjes blijven."
't Is gek, zei ik, tot mijn dames: ìk wil wel, maar de wagen wil niet meer. En ik steeg uit, om te zien wat er aan scheelde.
Alle twee mijn voorbanden plat! Spijkertjeswee! Spaansche grensspijkertjes!
Dames, zei ik met een wanhoopsgebaar....
't Hielp niks. Zij wìlden naar Fuenterrabia.
--Maar ik kàn niet, lievelingen. Laten we eerst gaan lunchen. Terwijl zal ik hier, in een garage, mijn banden laten repareeren.
Verloren moeite. Zij wìllen Fuenterrabia zien. Zij bestellen een rijtuig en vertrekken dadelijk, zonder lunchen, mij gansch alleen, met mijn twee platte banden achterlatend.
Ik sukkel naar een hôtelletje, laat daar, terwijl ik lunch, om een "mécano" telefoneeren. Al spoedig staan een paar kerels, in werkboezeroen, om mijn wagen. Ik laat mijn visch in den steek, kom buiten, vraag hen:
--Komen jullie mijn banden opleggen?
Een hoofdschuddend gegrinnik; geen antwoord. O, 't zijn kijkers, hinderaars. Ik haast me weer naar binnen. Te laat: de lekkere vischschotel is verdwenen.
Daar zijn er nog twee. Die komen toch wel zeker om te helpen, want de een loopt snuffelend als een speurhond rondom den wagen, terwijl de ander, met zijn handen, de voorbanden nog platter drukt. Weer leg ik vork en mes neer, kom buiten, zeg aan den man, die op de banden duwt:
--Er zit door iederen band een spijker; daar onder in den bak zijn nieuwe binnenbanden.
Een gegrinnik, geen antwoord, maar druk lach-gepraat met de twee andere vlegels, in een onverstaanbare taal.
Als ik in de eetzaal terug kom is mijn bord met roastbeef en groenten opgeruimd.
En weer komen er nieuwe pummels om den wagen....
Ik wensch aan vriend noch vijand te Saint Jean de Luz vóór het hôtelletje "en panne" te staan. Dertig Baskische pummels--ik heb ze geteld--verdrongen elkaar gedurende een uur met de handen in hun zakken, terwijl de banden werden opgelegd. De beide "mécanos", die eindelijk uit de garage waren opgedaagd, zweetten van ergernis en benauwdheid midden in al dat hinderend volk, dat daar als een inerte en onverdrijfbare massa omheen stond. Zelfs toen alles klaar was en ik aan het stuur van den snorrenden wagen zat, schenen ze niet te begrijpen, dat ze uit den weg moesten gaan om niet omvergereden te worden. Het scheelde bitter weinig of een groote dikkerd met een kleine pet op, die halsstarrig zijn vleezigen poot op het spatbord bleef zetten, werd een eind meegesleept.
En mijn dames....?
Eerst om elf uur 's nachts, uitgehongerd en opgewonden, kwamen zij, per spoor, in Biarritz terug. Zij waren vreeselijk afgezet geworden, bedrogen, bestolen, zoodat zij nog nauwelijks genoeg over hadden om derde-klasse biljetten te nemen. Maar zij hadden genóten: Fuenterrabia was heerlijk, prachtig, eenig op de wereld, en, aangezien ze nu goed den weg kenden, wilden zij er den volgenden dag weer met mij heen.
Ik schudde mijn hoofd.
--Waarom niet? Het is prachtig! jammerden mijn dames.
Ik schudde mijn hoofd; ik blééf, zonder een woord te spreken, mijn hoofd schudden.
--Jawel, je gaat mee, drongen zij aan.
Mijn hoofd schudde vanzelf, als een los poppenhoofd op een pinnetje, van neen, van neen, van neen.
Mijn dames haalden minachtend de schouders op.
Aldoor schuddend, van neen, van neen, en nóg van neen, verdween mijn wiebelend, maar stijfkoppig hoofd, door de stille hôtelgangen, naar het slaapvertrek.
En zoo heb ik Fuenterrabia _niet_ gezien.
TERUG.
De steven is naar 't Noorden toegekeerd, wij hebben 't verste punt bereikt en gaan eindelijk terug.
De "Landes" strekken zich uit, onafzienbaar, in desolate eentonigheid, rechts en links van den pijlrechten weg....
't Zijn bosschen en moerassen, en nóg eens bosschen en moerassen, zonder eind. Meestal sparreboomen, waarvan hars wordt afgetapt. Iedere slanke, bruine stam is op een meter hoogte van den grond diep ingekorven, en daaronder hangt een blikken schaaltje, als een scheerbekken, waar de hars langzaam in afdruipt. 't Zijn als gewonde soldaten, die een grijs verband om hebben.
Alom, de doodsche, onbewoonde stilte, de absolute, eenzame verlatenheid. Uren en uren rijden wij daar doorheen, zonder een huis te zien, zonder een levend schepsel te ontmoeten.
Toch wel; opeens zien wij iets komen: een karretje met een paard. Het gaat op zij van den weg en houdt daar stil. Een oud mannetje en een oud vrouwtje kruipen met inspanning van onder 't dekzeil, gaan even op den rand van 't woud, schijnen daar iets uit een zak te schudden, en stijgen weer in 't karretje, dat sjokkend verder rijdt.
Wàt mogen ze daar wel hebben uitgeschud?
We zien het dadelijk. 't Is een poes, een ongelukkig klein poesje, dat miauwend op den weg komt huppelen en even, als een hondje, 't karretje poogt achterna te loopen. Maar 't karretje is nu reeds verre, en een kat is geen dier dat zoo maar meeloopt; het blijft al spoedig staan, miauwt klagelijk en dringt opnieuw naar 't woud toe.
Nog vóór mijn dames daartoe bevel geven, houd ik den wagen stil.
Poes, poes, poes, poes, poes! roep ik hem zacht-streelend toe, alsof 't een nederlandsche poes was. Maar dadelijk mij bedenkend, tracht ik hem in 't Fransch tot mij te lokken:
--Minette, minette, minette!
Helaas, de arme poes begrijpt in 't geheel mijn uitnemende bedoeling niet. Zonder haast, maar blijkbaar met het onwrikbare voornemen zich niet door mij in te laten halen, dringt hij, af en toe miauwend, voorzichtig over modderplasjes schrijdend en zich onder neerhangende bramen bukkend, steeds dieper door in 't onherbergzaam woud. Ik moet het weldra opgeven, want hij verdwijnt in heesters, waar ik hem niet verder kan volgen.
Rampzalig, stom dier! Wat moet er daar van hem worden? Hoelang zal hij er rondzwerven, klagend, miauwend, dagen en nachten schreiend als een verlaten kind, tot hij eindelijk van honger omkomt! In plaats van in de auto met mijn dames mee te rijden! Wat zouden die hem geknuffeld en vertroeteld hebben! Hij had sandwiches, schaaltjes suikermelk, koekjes gekregen; zij hadden hem niet anders dan in goede handen ergens toevertrouwd, of zelfs hem de geheele reis verder met zich meegenomen; ja, hij was waarschijnlijk ons huisdier geworden, hij had de kookkunst onzer verschillende, snel elkander opvolgende keukenmeiden leeren waardeeren, en elk donzig-zacht dekbed of gemakkelijke leunstoel hadden hem tot rust- of verblijfplaats gediend. Dom dier, dat zich daar in die wildernis gaat zelfmoorden! Maar zoo gaat het helaas! Menschen en dieren begrijpen elkander nog niet, of niet meer.
EEN NACHT TE CASTEL-JALOUX.
En aldoor verder strekken zich de "Landes" uit, steeds verder en steeds verder, in hun eindelooze eentonigheid. En weer rijden wij uren en uren, niets ziende dan den lijnrechten weg tusschen de moerassige bosschen, waar de ingekorven sparren met hun grijzige harsbakjes, als ontelbare zieken of gewonden staan te treuren. Komt er nog wel ooit een afwisseling in of een eind eraan? Zullen we zoo doorrijden, in één snellen, krachtigen motoradem door, tot aan Bordeaux?
Neen. De auto, de groote, vrije "chemineau" der wijde ruimten, houdt, evenmin als zijn kleinere broeder, van te lange eentonigheid. In zijn gecompliceerde ziel zijn vele snaren van afwisseling, en eensklaps, op het onverwachtste oogenblik, doet hij er weer een trillen, een ál te wel bekende, helaas! de luid-knallende snaar van een springenden band!
Een eigenaardige gewaarwording zoo'n springende non-slipping-band, onder een snelheid van vijf en zeventig of tachtig kilometer per uur! Niet zoo bizonder hard de knal--een flink pistoolschot--maar dat schurend-klagend-slepen van den platten band over den weg, dat langgerekt oewieoewieoewieoewie, als van een plotseling ter dood gemarteld dier, dat zijn laatste adem uitkreunt!
Ja ja, daar staan we weer, en midden in de woeste eenzaamheid der Landes. Gelukkig is het "Stepney" dadelijk aangeschroefd en rijden wij weer verder. Maar wat blijkt nu spoedig: een niet-vermoede, broederlijke sympathie, tusschen onze beide, vóór 't vertrek gelijktijdig opgelegde, achterbanden! Geen twintig kilometer zijn wij doorgereden of daar knalt opnieuw het korte "pan!" gevolgd door het langgerekte-schurend "oewieoewieoewieoewie".
De tweede band, helaas! Zijn innige gehechtheid aan zijn tweelingbroeder was zóó groot, dat hij zonder hem niet langer kon of wilde leven. Hij heeft hem, ongetroost, in 't graf gevolgd. En wij....? Wij rouwen, helaas! wij rouwen dubbel en dwars, in onze ziel en onze beurs. Afwisseling hebben we nu meer dan genoeg, ondanks de doodsche eenzaamheid der streek. Ik kijk beurtelings op mijn horloge, dat ongeveer vier uur wijst, op de zon, die reeds een sterke neiging toont om te gaan zien wat er in de diepte der bosschen gebeurt, en op mijn landkaart, die mij duidelijk vertelt, dat wij op niet meer dan vijf en twintig kilometer afstand zijn van een plaatsje dat Castel-Jaloux heet, maar op nog meer dan honderd kilometer van Bordeaux. Om 's nachts, over onbekende wegen, en thans zonder reserve-banden naar Bordeaux te rijden, heb ik geen zin. Blijft Castel-Jaloux.
Castel-Jaloux! Eensklaps gaat mij als een prachtig licht op, en ik herinner mij de verzen van den heldhaftigen poëet:
"Nous sommes les cadets de Gascogne de Carbon de Castel-Jaloux Menteurs et bretteurs sans vergogne...." . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
--Dames, roep ik juichend, wees over dit ongeluk gelukkig! Wij komen vanavond niet in Bordeaux, wij blijven slapen in het heldenland door uwen lievelings-poëet bezongen, ja, wij logeeren in het land Cyrano, bij de "Cadets de Gascogne de Carbon de Castel-Jaloux!"
Tot mijn niet geringe verbazing ontmoet mijn juichkreet in 't geheel niet de verwachte geestdrift. Integendeel: een soort van jammerkreet gaat op.
--Zou daar wel een hôtel zijn? vraagt, bezorgd, een van mijn dames.
--Dat weet ik niet, maar wat komt het er op aan, wie bekommert zich om zulke alledaagsche dingen in het Walhalla der ridderen! antwoord ik met overtuiging.
--Ja, maar toch; hoeveel inwoners telt dat plaatsje wel?
--Hoeveel?.... bijna tweeduizend! Maar wat geeft dat? Cyrano alleen, met zijn neus en zijn degen; onder 't balcon van Roxane....
Een algemeen gejammer smoort mijn woorden. Mijn dames zijn ondankbaar, kunnen het heldhaftig-poëtische van 't geval maar niet naar waarde schatten. Is me dat nu eenigszins gevoel hebben voor poëzie? Wat zou het wel geweest zijn hadden ze toevallig in de boerderij van Chantecler moeten overnachten? Neen, 't is werkelijk treurig.
Zoo bleef ik dus alleen om van de verrassing te genieten. Met schemering kwamen wij in het wonderoord aan en reden rechtstreeks naar de eenige hôtellerie.
--Wat lijkt het hier alles somber en zwart! weeklaagden mijn dames.
--Wellicht, antwoordde ik, wellicht rouwt nog de gansche streek over den dood van Cyrano.
Wij kregen zwarte bedden in zwarte vertrekken en, beneden, in de zwarte eetkamer, gebruikten wij zwarte spijzen en dronken zwarten wijn uit zwarte flesschen.
--'t Is hier verschrikkelijk! jammerden, geconsterneerd, mijn dames.
--'t Is de nacht, zei ik. De nacht is zwart en spreidt zijn duisternis over alles uit.
--We zitten hier als schipbreukelingen, zuchtte één van mijn dames.
--Als tufbreukelingen, poogde ik te schertsen. Maar de grap, die trouwens walgelijk flauw was, ging heelemaal niet op.
Wij keken elkander roerloos, met verstarde oogen aan.
't Was negen uur. Een stilte als die des grafs hing over het verlaten plaatsje. De menschen van 't hôtel sloten de buitenluiken; een zwarte poes, met groene oogen, kwam langzaam, uit de zwarte keuken, naar de zwarte eetzaal toegeslopen.
--Ach, dat arme poesje uit de Landes! riep meewarig-verteederd een van mijn dames.
Dat liet ons allen even mijmerend, in sombere gedachten.
--Miauw, miauw, miauw, liep de zwarte poes zanikend rond. En eensklaps sprong zij midden op de zwarte tafel.
Met een noodgil sprongen mijn dames overeind.
--O! dat akelig, ákelig beest! schreeuwden zij, en vlogen de trappen op, naar hun zwarte kamers.
Geheel alleen, met de zwarte poes die uit de zwarte potten likte, bleef ik nog even aan de zwarte tafel zitten, eenige gast in het hôtel van de, door den dichter ons zoo levendig-lawaaiend voorgestelde, "Cadets de Gascogne de Carbon de Castel-Jaloux".
Toen ging ik, handentastend als een blinde, ook naar boven....
HET NOORDEN IN.
Bordeaux grijs en zonnig, met hooge huizen en lange rechte straten, Bordeaux met zijn groote plaatsen, zijn imposante monumenten en zijn breede, woelige rivier ligt reeds een heel eind achter den rug, en nu jagen wij maar voorwaarts, huiswaarts, met het gevoel dat de reis om zoo te zeggen afgeloopen is. Even nog een blik op 't pittoreske Angoulême, hoog op zijn heuvel, met zijn prachtige oude kathedraal, een laatste vizie van het warme zuiden; en weldra zijn wij in een andere streek, onder een anderen hemel, waarvan de grijze dofheid ons maar al te welbekend is.
De boomen, die daar straks nog groen waren, of met rijke najaarstinten overglansd, beginnen naakt en kaal te worden, met dorre, uitstekende takken, als armen van geraamten. Het moet hier onlangs flink geregend hebben, de weg ligt slijkerig, de voren in de bruine akkers glimmen en zwarte en bonte benden kraaien drijven er droef-krassend overheen. 't Is reeds de triestige najaarsverlatenheid van onze noorderstreken.
Maar toch nog even hier en daar een kleurige verrassing. De veemarkt van Couhé-Vérac, bijvoorbeeld, was een schilderij. Die lag daar in de diepte, even buiten het oud stadje, als 't ware midden in een bosch van hooggekruinde, grijze, slankstammige boomen. Al het vee was uniform warmbruin van kleur, al de kielen van de boeren waren blauw, sterkblauw en al de hoeden, de typische, ouderwetsche, breed-gerande hoeden waren zwart. Bruin, blauw, zwart, één woeling van drie kleuren door elkaar, daar in de diepte, onder de hooge, slanke, grijze stammen, met, als vaag-zichtbaren achtergrond, de grijze muren van 't verweerde stadje. 't Was als een Rosa-Bonheur-schilderij.
Een schilderij ook, een koddige aquarel-schilderij, was het hoofdtooisel der Poitou-boerinnen: een enorme witte, of wit-en-mauve muts met breede linten, op die meestal ronde, dikke, bruin-gebrande koppen. Men zag geen haar, niets dan die kolossale, lichte, bolle kappen, als wandelende pompoenen tusschen de kleurlooze kleederdracht der mannen.
Toen zagen wij Poitiers, zoo oud, zoo grijs en zoo verweerd. Een kathedraal nog prachtiger dan die van Angoulême, een door de eeuwen gelijkmatig-afgesleten grijssteenen kantwerk van ontroerende schoonheid. In die gelijkmatige versletenheid ligt een eigenaardige behoorlijkheid. Een ruïne is meestal tragisch en geweldig, als een mooie en nog krachtige grijsaard, die enkele van zijn ledematen heeft verloren; maar een oude kathedraal als die van Poitiers behoudt in haar antieke ongeschondenheid iets innig zachts en liefelijks, een afstomping van al wat scherp of hoekig was, iets als de teere, berustende glimlach van een schoone oude vrouw op wier gelaat de levensstormen wel veel uitgewischt, maar bijna nergens ingevreten hebben. 't Is één en gaaf gebleven; 't is verweerd maar onverwoest, er blijft een zachten glans van liefde en levensweelde stralen, onder het grijze weemoedswaas der oude dagen.
* * * * *
Nog doffer en nog grauwer is de lucht geworden, nog droeviger krassen de sombere raven en de laatste, afgerukte bruine blaadjes van de boomen huppelen door wind en modder vóór ons heen, alsof zij ons den weg naar 't triestig Noorden willen wijzen.
't Begint weldra te regenen....
De kap moet op, de mantels worden dichtgeknoopt, de plaids over de knieën uitgespreid. De avond valt, in kille, grauwe eenzaamheid.
Tours, 7 kilomètres!
Iets moedeloos komt over ons. Is dat de mooie Touraine, "le jardin de la France", waarvan wij ook de oude, historische kasteelen willen zien?
De regen slaat tegen de voorruit aan, sijpelt in lange stralen, als van stil-vloeiende tranen neer. Ik zie nauwelijks nog mijn weg, een weg van slijk en modderplassen.
Daar twinkelen lichten in de verte. 't Is Tours, en als in een haven van veiligheid en verkwikkende warmte, rijden wij weldra door de heldere straten.
Vóór ons hôtel, een mooi hôtel, worden wij door den gérant verwelkomd.
--Zijn er goed-verwarmde kamers? Kunnen wij goed, warm eten krijgen?
Alles, álles kunnen wij krijgen. Verkleumd en huiverig, met stijve beenen stappen wij uit, en vier paar handen gaan zich al spoedig, tot gloeiens toe, aan de hel-brandende hall-kachel warmen.
We zitten in 't Noorden, in 't grijze, gure, akelige winter-Noorden.
ALLERHEILIGEN.
Den volgenden morgen worden wij door een echten orkaan wakkergeloeid. 't Is 1 November, Allerheiligen, en het geluid der kerkklokken wordt, met den kletsenden regen en de bulderende windvlagen, als één akelige jammerklacht wild heen en weer gezweept.
Wat zullen we doen? Hier blijven of toch maar doorrijden? Van kasteelen zien kan zelfs geen sprake meer wezen.
Tóch maar doorrijden! Wij hebben allen haast nu om aan 't eind te zijn. Mijn dames verlangen vurig naar Parijs, en ik verlang naar 't einde.
De auto zwalpt nu als een schip door volle modderzee. Het is geen rijden meer, 't is op- en neerbonzen en plassen, waarbij het slijk tot hoog over de kap heenzweept. Arme, forsche chemineau der vrije ruimten, waar zijn de groene, idyllische zonnelanden van de Pyreneeën?
Een eindelooze, grauwe vlakte zonder boomen: la Beauce. Hier slaat de onbeteugelde regen dwars door alles heen en de orkaan tilt letterlijk den wagen op en rukt mij bijna 't stuur uit handen.
O, die dorpjes van la Beauce, die sombere, vervallen krotten, waarin de griezelige personages van La Terre: de Fouan's, de Buteau's, de la Grande's zeker nog hun dierenbestaan leven! Ze staan daar laag tegen den grond gedrukt, van dezelfde kleur als de doodkleurige aarde, en klaar, als 't ware, om er onder te verdwijnen. Het groene mos groeit op de grauwe strooien daken, geen borstel verf heeft ooit de gore muren of vermolmde deuren opgefleurd, en 't puinig kerktorentje rijst er als een supreeme desolatie midden tusschen op, iets om te huilen van verlatenheid en opgefolterd wee.
Bij beken, bij watervallen stroomt de regen neer. Mijn arme dames zijn ontoonbaar geworden, van 't hoofd tot de voeten één natte modderkluwen, ondanks de beschuttende kap. Het is niet langer uit te houden. Nooit, nooit zullen we Parijs bereiken; en het is wonder, wonder bóven wonder, dat de kranige motor nog maar steeds met onvermoeiden adem door blijft snorren. Er wordt beraadslaagd. Ginds verre, aan den grijzen watereinder, verrijst, in de vroeg-dalende schemering, de imposante kathedraal van Chartres. Zullen we daar maar ophouden en den nacht doorbrengen. 't Is Allerheiligen; er zal een prachtigen, indrukwekkenden dienst zijn in die schoonste en grootste kathedraal van Frankrijk; of zullen de dames maar liefst dadelijk den trein nemen naar Parijs, waarheen ik haar den volgenden dag per auto zal volgen?
--Parijs,.... Parijs,.... hoor ik zacht fluisteren. Mijn dames verkiezen Parijs!
* * * * *
Ik heb haar aan het station gebracht. Hun moddermantels en plaids hebben zij in den wagen gelaten en dan zijn ze mij alle drie frisch en lief komen omhelzen.
Even een traan weggepinkt, een sigaret opgestoken, mijn wagen gegareerd, en gansch alleen dan in 't halfduister naar de kathedraal, om er den Allerheiligendienst bij te wonen.
* * * * *
Nog nooit heb ik een zaliger gewaarwording van rust en vrede over mij voelen komen.
Het gansche schip, groot genoeg om een leger te bergen, was met een stil-biddende menigte gevuld. Honderden waskaarsen brandden zacht-knetterend op het hoogaltaar en in de zijbeuken; het orgel speelde en mooie stemmen zongen, maar zóó verloren, zóó onwezenlijk verre in die reuzen-kathedraal, dat men niet eens wist waar ze vandaan kwamen; en door de hooge, hooge boogramen met de pracht-vitraux, waarin het azuurblauw domineert, zeeg naar de diepte een wonderzacht en teeder licht, iets als een transparant-blauw-mauve schijnsel van edelgesteenten-atmosfeer.
Wat was het daar opeens gansch anders dan 't geen ik, sinds bijna een maand, doorleefd had, en wat was het zalig-rustig, dat het zoo gansch anders was! De innerlijke mensch kan nog eens ontwaken, en mijmeren en peinzen. De mensch, die bijna een machine was geworden, voelde weer dieper stemming, wijding en ontroering.
Hoelang duurde 't? Ik weet het niet. Ik weet alleen, dat het nog langer had mogen duren. Ik had mijn oogen gesloten en toen ik ze weer opende, was de teer-mystische atmosfeer, die door de hooge kleurenramen naar beneden zeefde, tot een grijs-grauwe schemering vervaald. Het orgel zweeg, de stemmen zwegen, de kaarsen werden uitgedoofd. In schuivende drommen verlieten de menschen de kerk, en half bewust stond ik ook eindelijk in 't laatste daglicht buiten, nietig-klein onder de reuzentorens en gewelven, die als een forteres ten hemel oprezen.
Ik loosde een zucht en slenterde in mijn eenzaamheid naar het hôtel toe. Nu maar weer verder in de gewone werkelijkheid voortleven: eten, rooken, slapen, en morgen naar Parijs toe....
PARIJS.
Ik haat Parijs. Ik heb een onuitsprekelijken afkeer van Parijs, en bij elk nieuw, steeds gedwongen bezoek, is die afkeer toegenomen. Nu vooral, nu ik Parijs veranderd heb gevonden, in een soort van monstrueuze amerikaansche ploertenstad herschapen, nu is mijn haat van een kwaadaardig soort geworden, en ik ken geen woorden meer om mijn walg en mijn verachting uit te drukken.
Ik vind Parijs (dat Parijs wat wij, vreemdelingen, helaas! alleen kennen) een dievenhol, een "mauvais lieu", een moordkuil, een bordeel. En daarenboven een vuil, leelijk, triestig, vervelend bordeel. Ik verveel mij in Parijs, gruwelijk, grenzeloos, buiten alle proportie. 't Liefst blijf ik er gansch alleen in mijn sombere hôtelkamer zitten, als een verschuwde uil in zijn hok, in stom-verslagen roerloosheid wachtend tot ik er weer uit zal geraken.
Het is geen onwil, geen voorgenomen systematische vijandelijkheid, geen zwartgallige brompotterij: ik voel mij oprecht, en diep, en formidabel ongelukkig in Parijs.
Ik heb toch weer mijn uiterst-best gedaan om het er aardig en mooi te vinden, en 't is me niet mogelijk, ik kàn niet.
Ik heb nog eens de Louvre bezocht en wat ik mij ook inspan, ik kan het er niet anders vinden in die groote, slecht-verlichte zalen, dan een doodvermoeiende rommel van zeer zeker meestal op zichzelf kostbare en prachtige, maar om-er-gek-van-te-worden door elkaar gegooide en gehangen dingen. Ik vind het geen museum, 't is een paleis, of een rijke rommelwinkel, zooals ge wilt, maar overstelpt en overladen om er hoofdpijn van te krijgen.