Chapter 6
De leidsman loopt vóór het gespan, recht, mager, met zijn blauwe, platte, Baskische muts op één oor, een lange, dunne roede in de hand. Hij is als een professor die les geeft, hij keert zich even naar zijn beesten om, maakt een trage beweging met de roede en het gespan gaat langzaam-schommelend naar rechts, naar links, daar waar het wezen moet.
De beide ossen zijn met hun horens door het jukhout aan elkaar gebonden. Een grijze schapenvacht hangt als een bundeltje valsch haar laag op hun voorhoofd, hun mooie peinzers-oogen staren van daaronder droomerig vóór zich uit en uit hun mond kwijlt een lang, dun straaltje slijm tot op den grond. Hun ietwat tot elkaar geneigde koppen schijnen heimelijk een bedaard gesprek te voeren:
"Heb jij begrepen wat de baas verlangt?"
"Jawel; en jij?"
"Ik ook."
"Goed; laten we dan maar heel kalmpjes doorstappen. Als 't moet zal de baas wel met zijn stokje waarschuwen."
En dood, dood-langzaam verdwijnt het stil gespan over de zacht-groene heuvelen, de man voorop, de wagen er achter, terwijl zich aan den horizon, onder de blauwe lucht, het prachtscherm der besneeuwde Pyreneeën, als een reuzengrens van ongeëvenaarde heerlijkheid tusschen aarde en hemel uitspreidt.
* * * * *
't Is een gezegend land en het wekt geen verwondering, dat zigeuners en chemineaux het tot hun Beloofde Land schijnen te hebben uitverkoren. Hoeveel hebben wij er reeds gezien van die bekende karretjes: een mager paardje in 't lemoen, een schurftige hond onder den bok, en daar binnenin een gekrioel van bruine gezichten en halfnaakte boezems, terwijl, om het gespan heen, enkele bengels in lompen rondloopen, opdringerig en vinnig schooiend, en dadelijk obsceen uitscheldend, als ze hun zin niet krijgen? Hoeveel van die heerlijke landloopers, zooals ze alleen en uitsluitend in Frankrijk bestaan, fier en eenzaam, echte vrijheidsvogels, poëeten van den grooten weg, komend en gaande zonder zich ooit ergens, al was 't maar voor één enkelen, vasten, kalmen dag te willen vestigen, onverschillig voor honger, koude, warmte, en hun gansche aardsch bezit in een pakje op den rug dragend?
Zie, daar zit er weer één, op dien zachten grasberm, onder de schaduw van een boom, met een prachtig vergezicht over de zilvertoppen van de Pyreneeën. Dáár, bij dat heerlijk tafereel, en niet elders, heeft hij willen zitten om te lunchen. Hij eet een groot stuk droog brood met witte kaas en hij drinkt rooden wijn uit een halfvolle flesch; en, aangezien hij toch wel een uurtje tijd mag verliezen.... leest hij zijn krant. Want de Fransche chemineau is geen dom en ongeletterd wezen; hij interesseert zich voor de dingen, hij heeft een politieke opinie, hij is een poëet.
Mijn dames zijn door 't schouwspel getoucheerd. Zij smeeken mij om even op te houden; zij willen met dien man eens spreken. Ik houd op.
--Monsieur, est-ce bien la route pour Lourdes, s'il vous plait? vraagt een van mijn dames.
Als een ridder, met zijn groen-verkleurden deukhoed in de hand, is de chemineau dadelijk opgestaan.
--Le chemin pour Lourdes, madame, ah! je ne suis pas du pays, je ne pourrais pas vous dire....
Hij komt naar ons toe, legt familiair een hand op den wagen, kijkt ons allen om de beurt met oogen vol openhartigheid en haast vol deelnemende bezorgdheid aan, herhaalt opnieuw, emphatisch:
--Ah, je suis tellement au regret, madame, vous comprenez, si je pouvais vous renseigner, mais vraiment, je ne puis pas.... Là-bas, peut être, à cette ferme, ou pourra vous dire.... mais vraiment....
't Gezicht van mijn dames begint vreemd te vertrekken. Zij bedanken den man, een opkomende lachbui bedwingend, en vragen mij om door te rijden. Heel, heel langzaam zet ik weer in gang.
--N'est-ce pas, madame, vous comprenez bien, si j'étais du pays je ne manquerais pas.... klinkt achter ons de stem van den man, die, óverbeleefd, met ons meeloopt.
--Oui, oui, monsieur, merci bien, merci bien, hoor ik mijn dame met benauwd-hikkende stem antwoorden. En, tot mij, kort, kras, gebiedend:
--Maar rij toch door, ik kàn niet meer!
De wagen heeft geen haast, blijft dood, dood-langzaam voortkuieren.
--Ah! je vous assure, madame, que je suis désolé, mais certainement, là-bas, à cette ferme.... ratelt aldoor de dienstvaardige stem.
Met een stillen glimlach kijk ik even om. Mijn dames zien purper, den zakdoek op den mond gepropt, de schouders schokkend, de oogen vol tranen. En steeds blijft de chemineau den kalmen gang der auto volgen, hoed af, de oogen vol meewarige belangstelling, aldoor, met onverstoorde overtuiging, weer herhalend:
--Ah n'en doutez pas, madame, si je savais....
Mijn dames huilen. Zij kùnnen zich niet meer inhouden; de proesttranen springen uit hun oogen en biggelen over hun wangen, zij wringen zich heen en weer en kreunen het uit. Zij smeeken mij klagend om toch in godsnaam door te rijden, en eensklaps krijgt er een 'n soort van crisis, hoestend, proestend, stikkend, den adem afgesneden, terwijl de stem steeds achter ons blijft galmen:
--Mais là-bas, à la ferme, ah, oui, assurément....
Wij zijn óp. Ook mij wordt het ineens te machtig; ik zie niet meer van 't lachen, ik kan mijn stuur niet meer vasthouden, ik breng mijn wagen op den zijkant van den weg en "là-bas, ah, oui, assurément, à la ferme" moet ik even stilhouden om ons allen uit te laten blazen.
O! die fransche chemineaux, die Don-Quichotten, die heerlijke poëeten van den vrijen, ruimen weg!
LA FOIRE DE SAINT GIRONS.
Dit had Breughel moeten schilderen....
Een klein stadje met pittoreske oude geveltjes, aan beide oevers van een vlug en helder, over gladde keien stroomend riviertje. Een groote plaats met oude kerk in 't midden, en op die plaats de groote jaarmarkt!
Een onbeschrijfelijk, onontwarbaar door-elkander gekrioel van menschen, karren en dieren. Een geschreeuw, gehuil, gejank, om er dol van te worden. Koeien, paarden, honden, varkens, ganzen, kippen, eenden en konijnen, alles in één woelende kluwen, bij honderden, bij duizenden!
't Is als een gekkendans! Wij rijden, stapvoets, door een omgekeerde wereld, door een overweldiging van 't dierenrijk. 't Is als een uitgelaten arke Noachs! Zullen we daar ooit doorkomen? Of zullen we ook mee gaan gillen, springen, dansen, brullen, totdat we doof en stom worden? Ik begrijp niet hoe wij er zoo opeens midden in zijn; en ik begrijp nog minder hoe wij er eindelijk uit zullen geraken. Of is 't een hersenschim geweest, een nachtmerrie?
Neen, het is werkelijkheid. Wij zijn er in geweest, en nu zijn wij er weer uit. Hoor maar: het oorverscheurend noodgebrul klinkt nu áchter ons op, en vóór ons uit, over den blonden, mooien weg, tusschen het heerlijk-frissche groen der heuvelen, rijden alweer de wijze, kalme ossenspannen onder de leiding van hun voerman, die als een professor met zijn roede vooruit stapt.
O! als Breughel zoo iets had gezien....!
SCHRIKWEKKENDE ONTMOETING.
Maar wat is dàt? Wat komt er ginder aan?
Een auto?.... Jawel....! Toch niet.... Ja, toch wel!
Een auto; en, aan 't stuur van de auto, een heer!
Maar dàt is 't wonderbare en schrikwekkende niet. Het wonderbare en schrikwekkende is wat er vóór de auto gaat.
Vóór de auto, in doodkalm-bedaarden gang, zijn lange roede op den schouder, zijn blauwe muts scheef op één oor, een pijpje in den mond, stapt een lange, magere, Baskische voerman. Zijn ossen volgen hem, hun mooie koppen onder 't juk licht tot elkaar geneigd, als voerden zij een heimelijk gesprek over de ontzettende gebeurtenis; en, achter de ossen komt de auto, zacht-schommelend voortgetrokken, in een gangetje van drie per uur.
Ik stop.
--Monsieur, peut-on faire quelque chose pour vous? vraag ik den heer achter 't stuur.
--Hélas! non, monsieur, j'ai cassé mon embrayage, antwoordt hij met een gelaten glimlach, en groet beleefd mijn dames.
't Is als een lijkstoet, die voorbijtrekt. Op de achterbank der auto liggen plaids, kleurige sluiers, mantels. Daar hebben dames in gezeten. Waar zijn ze heen? In welke kampong afgeladen, terwijl de heer, getrokken door twee ossen, ergens zijn wagen in veiligheid brengt?
Ik keer me tot _mijn_ dames om. Zij zitten stil, met ernstige gezichten. Ja, ja, zoo iets kan ons ook overkomen. Wie weet of we straks ook niet....
--Schei uit! roepen ze, griezelend; en kijken, vol angstige meewarigheid, den auto na.
Zacht-schommelend op zijn veeren, daalt hij in zijn slakkegangetje de helling af. Toch moet de heer nog even remmen; anders loopt hij van zelf in de hielen der ossen. Wat 'n derisie: een auto te moeten remmen die door ossen voortgetrokken wordt!
Eventjes, als een professor die les geeft, heeft de lang-magere Bask zich met zijn roede omgekeerd. Hij schijnt een woord van diepe wijsheid uit te spreken, en de ossen, koppen naar elkander geneigd, hebben het blijkbaar begrepen.
De heer aan het stuur haalt philosophisch een sigaretje uit en steekt het op.
DE WONDERSTREEK.
Wij reizen door land van wonderen. Lourdes ligt daar ergens in de groene bergen en iets van het mirakuleuze schijnt over de gansche streek te zweven. Hier, en hier alleen, kon het mirakel zich als een tastbare werkelijkheid openbaren. En het schijnt niet vreemd, dat overal "calvaires" en heilige beelden aan de rotsen hangen en in ieder herderinnetje dat haar ganzen of haar schapen wacht, ziet men een evenbeeld der kleine Bernadette, die Onze Lieve Vrouw in 't grotje zag verschijnen.
Het is het land der mysterieuze grotten en der mirakuleuze bronnen. Hier is "le Mas d'Azil", het wereldberoemd wonder: een dorpje als een schilderij, tegen den hoogen groenen berg; en dwars doorheen den berg een grot, electrisch verlicht, die meteen openbare weg is, met in de schemerige diepte een bruischenden stroom, die schuimend over rotsblokken en reuzengroote keien rolt.
De avond daalt. Het schouwspel wordt steeds schooner en aangrijpender. De herderskudden keeren huiswaarts, in 't zacht geklingel van de belletjes; de trage, wijze ossenspannen schijnen als met goud omgoten en ginds verre, verre, o, zoo hoog en verre, kronen zich de blanke hemelkruinen van de Pyreneeën met fonkelende diademen van oranje en rose en purper. Het is het uur der heilige verschijningen. Een onuitsprekelijke vrede zweeft als een zegen over 't gansche, stille, langzaam in de duisternis wegdoezelende land. Niemand van ons spreekt meer. De wagen zelf is als verstomd en schuift onvoelbaar, in het zachte snorren van den motor, over den op en neer deinenden weg.
Het wordt weldra te donker om nog verder zonder lichten door te rijden. Ik steek de "phares" aan. Als twee helle zoeklichten schijnen zij, ver vóór ons uit, de wondere geheimen van den nacht te willen peilen.
Wat komt daar eensklaps, in dat klein, armoedig herdersgehuchtje, tusschen de fantastisch-verlichte, leemen hutjes op ons aan? Zijn het de engelen, vijf, zes, zeven kleine engelen, door een grooteren engel vergezeld? Zilverig worden hun roerloos-uitgespreide vleugeltjes van onder door de phares verlicht, terwijl hun engelenkopjes, evenals het hoofdje van de engelen-hoedster, onzichtbaar in 't grijsnevelige van den nacht versmelten.
Met een schok houd ik stil. Ik weet niet wat ik zie, noch of ik droom of waak. Maar heel kalm komen de engeltjes voorbij en zeggen iets, met vreemde, schrille stemmen.
Het is een kudde ganzen, met hun herderinnetje! Zij zwenken allemaal op zij, met van verbazing uitgestrekte halzen en wijd-uitgespreide vleugelen, zij loopen 't erf op van een boerderijtje, verdwijnen in het schemerduister, naast hun hoedstertje....
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
LOURDES.
't Is jammer dat Lourdes zelf die teere poëzie zoo komt verstoren.... Lourdes heeft het mirakuleuze ál te grof gematerialiseerd. Die basiliek, die piscines, dat Lieve-Vrouw-beeld in de grot omringd van honderden en honderden brandende waskaarsen: en dan die groote hôtels, die groote winkels, en dat overal-verspreide aanplakbordje "attention à votre porte-monnaie!" o, wat zijn we verre, vérre, van het nederig herderinnetje en haar poëtische verschijning!
't Is er nu nog de stille tijd, er komen in het najaar weinig bedevaarten of processies; maar hoe zal het er zijn in de volle drukte, wanneer daar dagelijks honderden en duizenden bedevaarders en boetelingen uit alle wereldstreken aanlanden, wanneer monseigneur de bisschop van Tarbes, in schitterend prachtgewaad, met zijn staf van kanunnikken en priesters, onder vaandels, wierook en gezang aan 't hoofd van de processies stapt, wanneer het aardig stadje aanhoudend vol lawaai is als een kermis en de hopelooze reizigers en bedevaarders van 't een hôtel naar het ander moeten jakkeren, op zoek naar een meer dan problematisch onderkomen!
Neen, het mooie, en romantische, en ook het mirakuleuze van Lourdes ligt niet in Lourdes zelf, maar overal er omheen. 't Is er verrukkelijk, waar men ook komt, en alles ziet er zoo frisch en groen uit, met witte en roode huisjes in de groene bergen. Terwijl ik even, zoover mogelijk van de bedroevend-gebanaliseerde basiliek en grot verwijderd, door de kleine, oude, sterk-stijgende straatjes van het plaatsje wandelde, weerklonk eensklaps een aller-zachtst en melodieus horengeschal. Ik hield stil en zag uit een steegje een zeer gewoon vrachtkarretje komen, waarop een man zat, die zoo heerlijk musiceerde. Ik dacht, dat hij toeristen opriep voor een mooien rit in de bergen. Neen, 't was een eenvoudige kruier, die oude vodden of dergelijke rommel opzamelde. Hij verdween tusschen de groene heuvelen en zijn behoorlijk geschalmei echode zacht-wegstervend langs de grijze rotsen. 't Was of de stoere heldenziel van Roland en 't mystisch-smachtend herderinnezieltje van Bernadette terzelfdertijd in éénen lofzang werden opgewekt. Ik had wel mee met dien man de bergen in willen gaan....
CAMBO.
De weg van Lourdes naar Biarritz valt tegen, na de verrukking van de wondertocht tusschen Carcassonne en Lourdes. Pau, het rijke, maar benauwende Pau met zijn witte prachthôtels en mooie tuinen kon ons slechts matig boeien en met weemoed keken wij voor 't laatst naar de glanzend-witte sneeuwtoppen der Pyreneeën, die wij niet meer zouden zien. Pau mocht liever "Pot" heeten. Men kan er overvloedig transpireeren, maar hoogst bezwaarlijk ademhalen. Bijna nooit schijnt er een tochtje frissche lucht over die lauwe kuip te waaien. Je krijgt een indruk van stil en gelijkmatig stikken. Zelfs onze zoo kranige motor moet er onder lijden. Hij hijgt merkbaar en vat eerst weer goed adem als wij uit dat stoombad en boven op de hoogte zijn.
Nu rijden wij volop door 't Baskisch land. Het zegt ons niet veel; het is niet mooi van kleur. Bijna al de bergen, die vol staan met groote, droge varens, hebben een donker-bruine-of-chocolade-tint en de huizen zijn wit, met rood-bruine deuren en luiken. Dat is als de kleur zelve van de geheele Baskische streek. De gezichten der menschen zijn bruin, hun kleeren zijn bruin, hun wagens en ploegen en karren zijn bruin. Zij lijken een stille, ernstige, sobere, ietwat gedrukte bevolking. Ook hun kinderen--en hier komen ze veel talrijker voor dan overal elders in Frankrijk--hebben dat stil-gedrukte over zich. Van hun taal, die men zelden luid hoort spreken, begrijpen wij geen iota.
Cambo! het dorpje waar Rostand woont. Hier moet ik wel even ophouden. Mijn dames zouden 't mij nooit vergeven als ik er zoo maar langs reed. Waar zou hij toch wonen? Waar zou zijn villa staan, die villa, dat kasteel, dat paleis, waarvan men wonderen vertelt.
--Dáár, zeg ik, op goed geluk af, naar een chaletje, dat boven op een heuvel staat, wijzend.
Mijn dames zijn verontwaardigd, vinden mij een soort van heiligschenner. De geniale dichter bewoont immers een soort van aardsch Paradijsje!
--Pardon, monsieur, vraagt een van mijn dames aan een man die juist langs komt, pourriez-vous me dire où habite monsieur Rostand?
Goeie morgen, 't is of mijn dame Turksch sprak; de man haalt zijn schouders op, begrijpt geen steek.
--Heusch, het is zoo, hoor maar, daar kraait een haan: Chantecler! herhaal ik ongestoord.
Mijn dames gunnen mij zelfs geen blik meer. Zij beschouwen mij als een láág wezen. Gelukkig komt ginds een oude cantonnier aan; die moet natuurlijk Fransch kennen; en, zoodra hij in 't bereik is, klinkt opnieuw de vraag:
--Pardon, monsieur, pourriez-vous me dire où habite monsieur Rostand?
--Là, zegt de man, omhoog naar het chaletje wijzend, precies zooals ik zelf gedaan had....
Ik heb mijn triomf met bedaardheid gevierd. Ik heb niet gepoogd mijn ontstelde dames onder mijn onbetwistbare superioriteit te vernederen. Met haar was ik het er eens over dat de woning van den opgeblazen poëet er uiterlijk niet bizonder poëtisch uitzag: een vrij gewone Baskische villa, wit en roodbruin, als alle andere.
--Mais ce n'est pas beau! riepen mijn dames, op een toon van verwijt tot den ouden cantonnier, alsof deze het beteren kon.
--C'est bien beau quand on est là-haut, verzekerde, kalm-bewust, de man.
--Peut-on visiter la propriété? vroeg nog een van mijn dames.
--Oh, non, madame, antwoordde de man meelijdend-glimlachend het hoofd schuddend, als iemand zou doen aan wien een kind vraagt of het den hemel mag bezoeken.
Mijn lieve dames waren zeer, zeer, zéér teleurgesteld.
BIARRITZ.
Iemand die Biarritz goed kent had mij gezegd:
Het mooie, het eenig, álles-overtreffend grootsche en mooie van Biarritz is er de ongeëvenaarde woeste golfslag van de zee. Het is er, zelfs bij kalm weer, een aanhoudende, bruischende en spattende en schuimende branding van meters hoog, die de gansche kust op fantastische wijze heeft uitgehold en uitgevreten; en de groote rotsen, die ten allen kante langs den oever liggen, zijn als reuzebeesten, telkens door de wilde baren overweldigd en weer bloot gelaten, met gansche plakken en cascaden glinsterend-afstroomend en wegschuimend water, alsof de onwrikbare monsters, na elke formidabele aanranding, half-stikkend uit de diepte opdoken, den stortvloed van zich afschudden en wegspuwden, om opnieuw forsch adem te halen.
Dat schouwspel, dat eenig mooie schouwspel, mochten wij, gedurende de vier dagen van ons verblijf, geen enkele maal bewonderen. De wind zat in het oosten, en de zee was en bleef aldoor van een hopelooze, spiegelgladde eentonigheid.
Is Biarritz ook anders mooi? De moeite waard om er een tijd te blijven? Ik weet het niet. Al die cosmopolitische luxe-plaatsen lijken op elkaar. Het eigenaardige is gauw gezien, de groote hôtels zijn overal dezelfde, alsook de menschen, die de groote hôtels bewonen. Waarom zitten ze dáár op elkaar en niet elders? Ik weet het heusch niet. Er is geen reden voor. Er is geen andere reden voor dan dat het toeval of de mode gewild heeft dat ze juist dáár bij elkander kwamen. Biarritz, Nice, Monte-Carlo, Oostende, 't is allemaal, de eigenaardigheid van iedere streek en het verschil van klimaat daar gelaten, allemaal precies hetzelfde. Het karakteristieke van die plaatsen is, dat ze absoluut geen eigen karakter hebben. 't Is cosmopolitisme en, als zoodanig, eentonigheid. En het is best te begrijpen, en zelfs onvermijdelijk, dat de speciale aantrekkelijkheid van al die oorden,--in zooverre men van aantrekkelijkheid mag spreken--geheel en al buiten eenige locale stemming om gaat. 't Is er gedesoeuvreerd, geblaseerd en vooral gebanaliseerd.
Het is er, of wordt er al heel spoedig, met één woord: stom-vervelend!
EVEN IN 'T LAND VAN ALONZO.
Wie te Biarritz een poos verblijft, gaat onvermijdelijk, al was 't ook maar heel eventjes, over de grens, tot in Spanje. Dat zou niet anders kunnen. Men moet toch, thuisgekomen, mogen zeggen:
--Ik ben ook in Spanje geweest.
Wij zijn er dus ook geweest.
De auto betaalt twaalf frank inkomrecht voor één dag verblijf, twaalf frank, die niet worden teruggegeven. Het land is arm, men moet wel iets voor armen over hebben.
't Is anders al niet veel de moeite waard. 't Is al weer het zelfde als aan dezen kant der Pyreneeën. Aan de overzijde der Bidassoa, het grensriviertje, staat een douanier die een ander uniform draagt dan de Fransche en dat is alles. Ge zijt in Spanje. Geen speciale typen, geen nationale kleederdracht, geen apart karakter van dorpen of steden. De bruine bergen, de bruine menschen, de bruine ossenspannen, 't is nog en steeds dezelfde kleurlooze, Baskische streek. Alleen de weg vertoont een gunstig verschil met vele Fransche wegen. Alonzo is een sport-koning, zijn zomerpaleis staat hier in de buurt, te San Sebastian, en van daar uit tot aan de Fransche grens heeft hij een prachtweg laten aanleggen. Al is het ook een sterk dalende en stijgende, bochtige bergweg, men hoeft niet zoo voorzichtig te rijden: iedere bocht ligt met een schuine, hooge helling aan den buitenkant, als in een wielerbaan, zoodat men geen gevaar loopt er uitgeslingerd te worden.
Zoo komt men al spoedig in San Sebastian aan. Een tamelijk groote, moderne, banale stad, met hooge huizen en rechte straten. Een mooie baai, de Concha, waar ook het nog al onbeduidende koninklijk paleis staat, en daar omheen een massa luxe-villa's en hôtels, die allemaal gesloten zijn.
Waarom hier allen gesloten en waarom in Biarritz allen bewoond? Het is precies dezelfde streek, precies dezelfde zee, precies hetzelfde klimaat, precies hetzelfde volk, zou ik haast zeggen. Waarom? Omdat de mode, het cosmopolistisch snobbisme het zoo wil. En 't eigenaardigste is nog wel, dat het in hoofdzaak Spanjaarden zijn, Spanjaarden uit San Sebastian, die aan de mooie Concha van San Sebastian hun villa's hebben, die nu op 't oogenblik in de hôtels van Biarritz op elkaar gehokt zitten. Waarom....?
Explique qui pourra!
EEN GEOGRAFISCHE VERGISSING OF: WAAROM IK FUENTERRABIA NIET ZAG.
Over denzelfden prachtweg van den Spaanschen sport-koning reden wij naar Biarritz terug. Maar in 't voorbijgaan zouden wij 't beroemde Fuenterrabia bezoeken. Hoe of dat nu zoo in mijn hoofd zat begrijp ik niet, maar vast als een klinker in den steenweg zat het er in, dat Fuenterrabia niet in Spanje, doch in Frankrijk lag.
--La route pour Fontarabie, monsieur? vroeg ik aan den Franschen douanier, die ons op de brug der Bidassoa, voor de visitatie, even tegenhield.
--Fontarabie, mais vous en venez, monsieur! klonk het verbaasde antwoord.
--Fontarabie n'est donc pas en France?
--Mais non, mais non, monsieur. En de man deed mij uiteen hoe ik, te Pasaje, tusschen San Sebastian en Iroen, links had moeten inslaan.
--Laten we terugrijden; we willen Fuenterrabia zien! riepen eenstemmig mijn dames.
--Zou ik weer over de brug mogen zonder een tweede maal tol te betalen? vroeg ik den Franschen douanier.
De man trok een zeer bedenkelijk gezicht.
--Je n'oserais pas l'affirmer; ça dépend du douanier Espagnol. Vous pourriez toujours essayer, zei de Franschman.
Ik reed mijn wagen op zij, stapte uit, kwam over de brug, bij den Spaanschen tolbeambte.
--Señor, begon ik, in 't beetje Spaansch dat ik ken, en bracht op beleefden toon mijn verzoek uit.
--No, señor, antwoordde de Spanjaard, kalm maar beslist het hoofd schuddend.
--Ja maar, het is 'n vergissing, señor, ik dacht dat Fuenterrabia in Frankrijk lag, drong ik aan.
--'t Kan me niet schelen, señor, zei de man. Als ge weer in Spanje wilt, moet ge betalen: twaalf pesetas! En hij dokte met zijn rechterduim in zijn linker handpalm om het mij duidelijk genoeg te maken.
--Als 't zoo is, stik, señor, jij en je schooiersland, besloot ik in behoorlijk nederlandsch, en keerde terug naar mijn wagen.
--Non? vroeg mij van verre, met een glimlachende hoofdschudding, de fransche douanier.
--Non, hoofdschudde ik, berustend, tot antwoord.
--Si vous lui aviez donné quelques pesetas de pourboire, vous auriez bien passé, zei de Franschman.
Daar had ik niet aan gedacht. Mijn dames, vast besloten Fuenterrabia te zien, wilden dadelijk het fooi-middel probeeren.
--Neen, zei ik, beslist. Die onhebbelijke señor krijgt nu eens geen fooi. En de Spaansche tol krijgt ook geen tweede maal twaalf pesetas. Die gansche streek is heusch geen twaalf pesetas waard.
Maar mijn dames wilden Fuenterrabia zien.