Chapter 5
Pas toen hij weer voor zijn lessenaar stond en daar al de dingen zag waar hij zoolang mee verkeerd had, allen dag, kleine dingen waar hij aan gehecht was zonder 't te weten, en den jongste-bediende, die aandachtig een lange punt aan zijn potlood zat te slijpen, toen pas begreep hij wat hij had gedaan. Hij had er geen plan op gehad, dien morgen, maar 't was hem te machtig geworden. Wat 'n wellust was 't geweest dien man zijn verachting in 't gezicht te spuwen. O, lang niet genoeg had hij nog gezegd! lang niet genoeg, .... er was nog zooveel, zooveel! Een oogenblik wou hij weer terug, opnieuw woedend nu hij voelde wat hij ging doen, nu hij met één blik een langen weg van misère voor zich zag: 't aan zijn meisje vertellen, aan haar vader, een nieuwe betrekking, getuigschriften.... Maar hij bedwong zich. Hij leunde een poosje soezend op zijn lessenaar .... en begon toen, kalm, gelaten, alles op te ruimen .... sorteerend zijn papieren .... opschrijvend wat er gedaan moest worden....
XIV.
't Was twee uur toen hij langzaam, aarzelend, omkijkend, zijn kantoor den rug toedraaide--voorgoed. Maar toen hij den hoek van de straat om was begon hij harder te loopen. Hij verlangde nu naar zijn meisje--hij verlangde naar haar liefkoozende omhelzing--hij had er behoefte aan begrepen en getroost te worden. En zij zou hem begrijpen, zij moest hem begrijpen, .... hij kon daar niet langer blijven, dat was toch duidelijk!.... Hij liep aldoor harder, hijgend kwam hij aan, opgewonden, zenuwachtig. Hij had zich warm geloopen, zijn gezicht was vol roode vlekken. Hij vond Margreet boven op de voorkamer, alleen. Zij schrok toen ze 'm zag. "God, Wouter! wat is er gebeurd," vroeg ze. "Wat is er?"
"Niets, lieveling, niets," zei hij, "als ik jou maar weer heb, is al het andere niets!" En hij drukte haar tegen zich aan, vol innige behoefte aan haar liefde en kuste haar op 't voorhoofd en de oogen.
"Maar wat is er dan toch eigenlijk," vroeg ze angstig, zich losmakend uit zijn armen om hem aan te kijken.
"Ik heb me'n congé genomen, ik .... ik heb ruzie gehad met oom Frits, ik ben er weg! Maar 't is niets! .... 't is allemaal niets! .... ik zal wel wat anders vinden .... ik zal...."
Maar zij luisterde niet. Hevig verschrikt viel ze in: "Wat? ben je weg uit je zaak?.... God! hoe komt dat? .... wat is er gebeurd?...."
Toen begon Wouter 't pijnende verhaal van hoe hij gezorgd en gezwoegd had, opkroppend zijn grieven, aldoor nog hopend, dat 't wel beter gaan zou, maar hoe nu zijn oom zich over hem was komen beklagen bij zijn moeder (hij zei niet wat Frits over haar had gezegd) en dat 't 'm nu vanmorgen de baas geworden was, 't opgehoopte verdriet, de verachting voor dien man, die hem bedrogen had, gemeen bedrogen, de woeste woede tegen dien ploert. Hij wond zich weer op, hij liep door de kamer, hij stampte op den grond, hij sloeg met zijn hand op de tafel van niet-in-woorden-te-uiten ergernis.
Zij luisterde met schrik in haar oogen, met open mond, niet begrijpend. En toen hij uitgewoed had en naar haar toe kwam en, in ééns heel zacht gestemd, fluisterde: "Maar, niet waar, lieveling? jij zult me wel troosten, en helpen?" toen keek ze hem aan met 'n koele verbazing, die hem diep trof. Hij werd bleek, hij stamelde: "Je begrijpt toch wel, dat 't niet anders kon, hè?"
"'k Weet 't niet," zei ze,.... "nee, ik begrijp je niet, ik begrijp er niets van, niets!.... Wat wil je nu doen?.... Wat wil je nu beginnen?.... Ik heb altijd gedacht dat je zulke mooie vooruitzichten hadt .... waarom heb je 't me niet eer verteld?"
"Maar, lieveling, is 't dan niet altijd vroeg genoeg voor zulke dingen?"
Er kwam meer en meer teleurstelling in haar trekken. Zij begon zich ook op te winden: "Ik had gedacht dat we komend jaar wel zouden trouwen, .... dat je dan een mooie positie hebben zoudt!.... Wat moeten we nou doen?.... Hoe lang zullen we wel geëngageerd moeten zijn?...."
"Maar ik zal er immers dadelijk op uit gaan, .... ik zal wat anders zoeken!"
"Wat anders! .... wat bedoel je?.... Een betrekking als bediende? Zullen ze je daar ook maar dadelijk compagnon maken?"
"Nee .... nee .... maar dat hoeft toch ook niet.... Er zijn wel goede betrekkingen...."
"Zooals die van Wim bijvoorbeeld, hè?" viel ze in, met minachting in haar stem, die hoog klonk, schel.
"Greetjelief .... wind je niet zoo op .... toe, blijf kalm! .... ja, ja, bijvoorbeeld zooals Wim, of beter nog...."
Zij lachte schamper. Zij schudde haar mooi kopje met een trotsch gebaar.
"Zooals die pummel .... die .... ba! .... je meent 't toch niet?--bespottelijk! Vergelijk je mij dan ook met Anna, dat schaap...."
"Greetje! .... bedaar! .... spreek zoo niet!...." zei hij, haar handen pakkend.
Maar zij rukte zich los. "Bespottelijk!" riep zij nogmaals uit. "Stel je voor: me man is klerk! .... och nee maar, dat meen je niet!"
"Greetje, .... Greetje, .... och God! spreek nu niet zoo! .... niet op dien toon! .... dat heb je nog nooit gedaan! .... houden we dan niet van elkaar! en is dat niet 't voornaamste, 't eenige, 't eenige noodige?.... Heusch, lieveling, we zouden toch niet op den duur kunnen blijven leven zooals we nu doen. Al dat uitgaan en zoo...., dat zou op den duur toch niet gegaan zijn...., maar dat is immers allemaal niets, mijn lieve lieveling, niets, niets!" En hij sloeg zijn arm om haar heen, wilde haar tegen zich aandrukken.
Maar weer rukte ze zich los. Ze ging tegen de tafel staan leunen met een boos gezicht. Ze was rood geworden, haar donkere oogen gloeiden; heerlijk mooi was ze zooals ze daar stond.
"Greetje," fluisterde hij wanhopig.
"Och!" zei ze, "je bent 'n driftkop .... je zegt dat je van me houd, maar je denkt niet aan me, .... je doet maar net wat je in 't hoofd komt...."
"Greetje!"
"Je houdt niks van me, heelemaal niks! .... je bent 'n egoïst, ga maar weg, ga maar weg!"
"Greetje," herhaalde hij nog eens. En toen, in zijn overspanning, verlamd door de onverwachte slagen van haar woorden, viel hij neer op 'n stoel en schreide luid uit en klaagde over zijn bitter verdriet en smeekte haar toch niet zoo hard, zoo wreed voor hem te zijn. Maar zij zweeg, aldoor leunend tegen de tafel en toornig turend op den grond. Eindelijk werd hij zich weer meester, hij stond op en begon uiterlijk kalm, met een weeke stem, nu en dan nog heftig snikkend, tegen haar te praten van liefde en opoffering, van lief en leed samen deelen, van vertrouwen op elkaar.
Toen liep ze eerst naar 't raam en keek naar buiten. Zij kreeg tranen in de oogen en ze wilde niet, dat hij 't zien zou. Maar eindelijk viel ze neer op een stoel en begon ook luid snikkend te huilen. "Ga nou weg," kreet ze, "laat me nou huilen!"
"Zeg dan dat je van me houd, Gree, toe, lieveling, zeg dat dan nog alleen," bad hij.
"Nee! .... nee! later .... misschien .... ga nou eerst weg! .... laat me uithuilen .... laat me alleen! .... ga nou weg .... toe, ga nou weg!"
Toen ging Wouter.
XV.
Weer zat moeder Rubrecht alleen voor 't raam in de achterkamer te mazen een wollen sok voor haar man. Alleen, want Anna was gaan wandelen met een vrindin; alleen in 't stille huis; alleen met haar droeve gepeinzen, zich met wellust overgevend aan haar mijmeringen, die in haar hingen, zwaar als wierookwalm, haar vullend gansch en al met bedwelmenden geur. Ze hoorde 't getik van de klok niet, 't eenige geluid in huis, en ze zag haar handenbeweeg zonder bewustzijn. Alleen als ze kuchte schrok ze op en keek naar de klok.
Eerst had ze aan Wouter zitten denken. Of hij vandaag al met Frits zou gesproken hebben en hoe 't zou afloopen en wat Margreet zeggen zou, als hij soms wegging bij Frits, .... ja, wat zij zeggen zou en doen, dat was 't voornaamste, daar hing alles van af. Dan voor 't eerst zou ze weten of Margreet genoeg van Wouter hield.... Maar ze had over Wouter en zijn meisje al zoo veel gedacht, al zoo lang getobd, al zoo lang, dat 't als verlamd was haar denken daarover alleen, dat ze de energie niet meer had haar gedachten scherp daarbij te bepalen, daarop te concentreeren....
En haar gepeinzen zetten uit, ze werden breeder, breeder, wegvloeiend in haar melancholie en 't was haar weer als walmden haar mijmeringen uit haar op, als vulden ze de kamer en de binnenplaats en als kronkelden ze zich over de huizen, neerhangend op de daken en op de straten en over den ganschen grond rondom....
En ze dacht weer aan haar dood.... Ze zag zich liggen geelbleek onder witte lakens in een houten kist, die stond midden in een groote kamer en die kamer midden in een groot leeg huis. En ze hoorde een klok dof brommen, aldoor den zelfden toon: bom .... bom .... bom .... En haar zware gedachten, opgeurend uit de vreemde plant in haar, drongen uit al de ramen van 't huis en overvloeiden overal de zwarte aarde rondom. En eerst als al de gedachten uit haar waren weggevloeid, dan viel de bloem af, dan liet de plant zijn takken hangen en stierf in haar leege lijf.... De klok hield op met luiden en 't was stil in haar .... stil .... dood .... Dan zullen ze, dacht ze, mijn lichaam opnemen en begraven en ze zullen een steen leggen op de aarde daar waar ik lig. En er zal sneeuw vallen overal, .... overal .... en ook de steen zal onzichtbaar zijn .... en _dan_ zal ik rusten....
Plotseling sloeg de voordeur dicht met harden slag en kwam iemand driftig de trap oploopen. En haar gemijmer spatte uiteen en was vervlogen en ze voelde een scherpsnijdenden angst. Ze herkende den stap dadelijk, 't was Wouter. Ze stond half op, haar maaswerk in haar rechter hand geklemd, met open mond kijkend naar de deur. Hij kwam binnen, bleek, ontdaan en liep op haar toe: "O, moeder, moeder! wat moet ik nou doen," kermde hij, en zij zonk neer op haar stoel en hij naast haar op zijn knieën en zij nam zijn hoofd in haar handen. Toen snikte hij 't uit, zijn groot leed. En hij begon te vertellen. Snel sprekend met 'n heesche stem zei hij zijn moeder hoe 't gegaan was, eerst bij oom Frits en toen bij haar, bij Margreet. Hoe ze hem had aangekeken en alles wat ze gezegd had. O! Ieder woord had hij gevoeld als een slag. Hij was er onder bezweken, hij had gehuild en geklaagd en haar gesmeekt niet zóó te zijn tegen hem! Eindelijk had hij zich toch overmand, zich met de uiterste inspanning tot kalmte gedwongen en met haar gepraat.... Maar niets, niets had dat gegeven allemaal! Ze was op 'n kanapee neergevallen en had gesnikt en gehuild en geroepen dat hij nu maar weg moest gaan! aldoor dat hij weg moest gaan!.... Beneden was hij haar vader tegen 't lijf geloopen, die naar boven wou komen om te hooren wat er gaande was, en hij had 't hem gezegd, en de oude man had 't hoofd geschud, hij had erg bedrukt gekeken--maar hij had hem toch op hartelijken toon beloofd, dat hij hem helpen zou en hem gezegd, dat hij dien oom al dadelijk niet best had kunnen zetten. Hij had 't wel gedacht, dat die vent 't achter de mouw had, dat had hij gezegd....
Maar o! dat Margreet hem zoo had kunnen behandelen .... o God! o God!....
En hij snikte met lange snikken, zijn hoofd achterover tegen haar arm leggend, zij voelde 't schokken tegen zich aan.
Zij huilde ook en beklaagde hem en gaf hem lieve naampjes en deed haar best hem te bedaren. Ze stond op, terwijl hij naast den stoel bleef liggen en gaf 'm een glas water. Hij slurpte wat naar binnen. Toen werd hij kalmer en ging op een voetkussen zitten en nam z'n hoofd in z'n beide handen. Zóó voor zich uit starend klaagde hij en morde tegen zijn lot en tegen de menschen. En 't was haar of zij zelf die woorden sprak; zij voelde met weemoedig genot de overeenkomst van hun zielen. Zij liet hem lang alleen praten. Eindelijk boog ze zich over hem en zei zacht: "Wouter! .... 't gaat zoo niet, hoor! .... je moet 't afmaken."
"O, moeder, moeder! hoe kan dat nou? .... hoe kan dat nou?!...."
"Heusch, mijn jongen, 't moet, 't moet .... je zoudt niet gelukkig kunnen zijn .... geen van beiden."
"Gelukkig zijn? .... och, maar dat is immers toch onmogelijk!...."
Zij zuchtte. "Voor jou mag 't niet onmogelijk zijn," zei ze.
"Bent u gelukkig, moeder?.... bent u 't ooit geweest?"
"Nee...." fluisterde ze.
"Och, 't kan ook niet!.... 't kan ook niet! .... je houdt toch altijd je zorg! .... 't leven is nu eenmaal zoo vreeselijk wreed en hard, .... maar daarom hoeft _alles_ toch nog niet uit te zijn! .... o! laat me haar houden! .... u weet niet hoe ik van haar houd, moeder, .... u weet 't niet!"
"Je hebt al zooveel zorg door haar gehad!"
"En altijd ben ik meer van haar gaan houden!"
"Ze heeft je zóóveel verdriet gedaan .... vandaag nog!"
"En toch houd ik van 'r, meer dan ooit!"
"Maar Wouter, als ze nou toch 's niet zooveel van jou hield!"
"O, moeder! zeg dat niet .... zeg dat niet! .... 't is zoo vreeselijk!"
"Arme jongen, .... wees sterk, .... wees sterk! .... denk je dat ik 't zeggen zou, als ik 't niet zeker wist? ... o, ik weet 't, ik voel 't zoo goed, Wouter, .... ze houd niet van je zoo als jij van haar!"
"Maar, moeder! wat moet ik dan doen dat ze meer van me gaat houden!"
"Arme goeie jongen...., ik geloof niet, dat je daar iets aan doen kunt...., je kunt niet anders zijn dan je bent, en, .... nietwaar? dat zou je ook niet willen?...."
"O! moeder! .... ik ben zoo wanhopig!...."
Ze keek even rond, schichtig, alsof ze iets ging doen, wat ze niet doen mocht.--Toen boog ze zich weer over hem en fluisterde: "Wouter, 't is nog tijd nu, .... denk 's hoe vreeselijk 't zijn zou, als je al getrouwd was en je merkte dan, dat je vrouw niet genoeg van je hield...., o maar, dat is zoo verschrikkelijk!.... Ik weet 't .... ik weet 't, geloof me...., ik zelf heb pas toen ik getrouwd was ingezien, dat ik nooit zooveel van je vader zou kunnen houden als noodig was.... Toen ben ik ook wanhopig geweest...., maar 't was eenmaal zoo .... ik moest mijn leven lang oppassen...., altijd oppassen, dat hij 't niet merken zou.... Toch zal hij 't wel voelen.... Maar jij bent niet zoo als hij, Wouter!.... Jij zoudt er ziek van worden...., 't zou jou dood zijn.... O, Wouter, mijn eenige lieveling, mijn alles, alles! je doet 'n misdaad tegen je zelf als je haar trouwt!"
"In Godsnaam, moeder, dan maar 'n misdaad, ik kan haar niet missen!"
"Ze bedriegt je...."
"Dan wil ik maar bedrogen worden!...."
"Maar _ik_ wil 't niet," zei ze toen opééns met veel vuur, met kracht, niet een heel andere stem, "ik wil 't niet, versta je! .... je zult niet bedrogen worden .... nooit! .... nooit! .... jij bent mijn eenige troost in 't leven, mijn eenige rijkdom, en trots! .... jij _zult_ gelukkig worden, .... 't moet!.... Ik wil niet, dat zij je ongelukkig maakt, hoor-je, Wouter, ik wil 't niet!"
En plotseling stond ze op en liep de kamer uit. Hij bleef nog even zitten, z'n hoofd in z'n handen, maar toen, dof-vermoedend wat zijn moeder ging doen, liep hij haar achterna. Hij hoorde haar boven, hij liep de trap op. Daar stond ze al met 'n hoed op en 'n mantel in de hand. "Waar gaat u heen?" vroeg hij angstig. "Naar Margreet," zei ze, vlug, met vaste stem, "ik ga haar spreken."
"U wilt 't gaan afmaken!"
"Dat zal aan haar liggen," antwoordde ze, ontwijkend.
"Toe, moeder, doe dat nou niet .... doe dat nou niet...." klaagde hij.
Maar zij trok haar mantel aan en gaf geen antwoord meer, bijtend op haar lippen, strafstarend met wijde oogen....
Hij leunde tegen den deurpost met hangend hoofd, hij was heelemaal gebroken en op.
"Wat zal ik zeggen als vader thuis komt, en Anna," vroeg hij.
"Zeg maar, dat ik naar Margreet ben,--ik mag toch zeker wel naar 't meisje van mijn zoon gaan, als ik daar lust in heb?"
Haar stem was hard, brutaal scherp,--heel vreemd.
Wouter kreeg een gevoel van vrees, hij was bang voor zijn moeder--hij dacht plotseling aan waanzin, hij zag ellende overal om zich heen! Strompelend liep hij naar zijn kamertje, boven, zijn zolderkamertje, waar hij neer viel op een stoel, bevend, klappertandend. Telkens gingen er rillingen over zijn rug.
Zijn moeder ging naar beneden. Maar toen ze nog op de boventrap was hoorde ze de voordeur open gaan. Dat was Rubrecht.... Hij zou vragen waar ze heen ging.... 't Was misschien toch niet goed nu te gaan.... Maar morgen, ja! .... dat was beter, morgen ochtend zou ze gaan .... en eerst nog afwachten wat de avond brengen zou. Ze kwam weer terug.
XVI.
Zwijgend zaten ze aan tafel. Anna keek met angstige nieuwsgierigheid van Wouter naar haar moeder en van haar moeder naar Wouter. Rubrecht vroeg eindelijk goedig, weifelend, 'n beetje bedeesd: "Wat is er, Wouter, heb je weer wat met oom gehad?...."
"Ja, ja!" viel toen de moeder, weer met die vreemde scherpheid, schielijk in. "Wouter heeft ruzie gehad met Frits en hij is er weg."
Anna schrok. "Hemel!" riep ze.
De oude vader fronsde zijn grijze wenkbrauwen en bromde, terwijl hij de sauskom naar zich toe trok en zich langzaam bediende: "Ruzie, ruzie! .... kom, kom! dat moet niet, .... dat moet toch niet!.... Wat is er eigenlijk, Wouter? Heb je...."
Maar Wouter viel hem in de rede: "Vader, laten we er nu niet over spreken, nu nog niet. Later zal ik u alles wel vertellen!...."
"Goed! .... goed, jongen," bromde de oude man weer en at langzaam kauwend door, soms tusschen twee aardappelen mompelend: "Ruzie! ruzie!...."
Vóórdat 't korte maal nog afgeloopen was stond Wouter op.
Hij ging uit.
XVII.
Om twee uur 's nachts kwam Wouter thuis. Zijn moeder hoorde hem zacht stommelend de trap opkomen. Toen liet ze zich 't bed uitglijden en sloop naar 't portaal, waar ze hem opwachtte. 't Was er donker. Alleen viel langs de deur van haar slaapkamer, die ze op een kier had gelaten, een smalle streep schemerlicht op den gekalkten muur. Daar ging ze staan, zoodat hij haar zag toen hij de tweede trap opkwam. Hij huiverde van schrik. "Ben je daar, Wouter," zei ze, "Goddank!" "Moeder, u zult kou vatten, gauw naar binnen!" "Ben je bij haar geweest? hoe heeft ze je ontvangen?" fluisterde ze. "Ze heeft me heelemaal niet ontvangen," zei hij somber, .... "ze kon niet .... ze was naar bed gegaan met hoofdpijn, zei meneer...." "En wat heb jij dan gedaan den heelen avond?" "Ik? .... 'k weet niet...., 'k heb geloopen...., overal rondgeboemeld.... Toe, moeder, ga nou naar binnen! ga nou slapen!.... Vader zal wakker worden .... nacht moeder!" En hij liep langzaam door naar zijn kamertje. Zij hoorde hem naar binnen gaan, de deur sluiten, nog wat rondstommelen--toen werd alles stil....
Ze ging naar binnen en terug in 't groote bed, waar Rubrecht sliep, achterover liggend, zwaar ronkend als oude mannen doen. Huiverend trok ze haar deken om zich heen en ging scherp liggen denken aan morgen, wat ze zeggen zou. En plotseling trof 't haar met een schok dat ze Margreet haatte, met staalharden haat, en zij voelde zich sterk en vol strijdlust; zij voelde zich een tijgerin, die haar jong moest verdedigen tegen een vijand....
"Ze zal 'm niet hebben! .... nooit!" mompelde ze.
XVIII.
't Was tien uur in den volgenden morgen toen mevrouw Rubrecht--nietig vrouwtje in haar eenvoudig zwart manteltje, met haar simpel stroohoedje op--voorzichtig de voordeur achter zich dicht trok zonder slag--en, schichtig omkijkend, langs de huizen voortliep, op weg naar 't huis van Smit. Wouter was nog niet beneden gekomen, hij was loom blijven liggen in z'n bed, hij had geklaagd dat hij zoo moe was. De dikke drukker ontstelde even toen hij 't bleeke vrouwtje zag--ze was dadelijk 't kantoor binnengeloopen, "Hé, hé!" riep hij uit, en vroeg, 'n beetje angstig: "er is toch geen onraad?"
"Nee .... nee! .... maar kan ik u even spreken, meneer Smit? .... alleen?"
"Wel zeker, mevrouwtje, wel zeker," zei Smit, die een kleur kreeg, "gaat u mee, .... gaat u mee naar boven!"
Ze gingen samen naar boven en hij liet haar in de voorkamer, en gaf haar een stoel, aldoor met blijkbare verlegenheid pratend in kleine uitroepjes: "Wel! .... wel! al zoo vroeg er op uit!.... Ja! zeker over Wouter, hé? .... 'n lastig geval, mevrouwtje, jammer! .... jammer!"
"U meent dat hij bij me broer weg is .... ja! .... maar, ziet u .... dat is toch eigenlijk zoo erg jammer niet!"
"Niet?" vroeg Smit, verwonderd.
"Nee .... och, .... als twee menschen nu eenmaal niet bij elkaar passen moeten ze ook niet samen blijven, vindt u ook niet? .... en--u weet dat misschien niet--maar de zaken schijnen daar niet zoo heel best te gaan.... Ten minste Wouter verdiende niet veel! .... och! dat heeft 't 'm eigenlijk gedaan, hij had natuurlijk op beter toekomst gerekend...."
"Maar .... 'm gedaan? .... wat bedoelt u?"
En zij, op den man af: "Zeg me 's rond uit, meneer Smit, hebt u wel 's gemerkt, dat Wouter schulden maakte?"
Hij dadelijk met heldere stem: "Nooit, mevrouw!.... Wouter schulden!--Dat valt me niet mee van 'm!"
"Ik dacht wel, dat u 't niet weten zoudt! .... ziet u, zoo _heel_ veel is 't nu ook niet, geloof ik, .... maar hij heeft toch geld geleend, van mijn broer, .... van vrinden, .... van Margreet!"
"Van Margreet ook?" Smit werd onrustig en warm.
"Ja, van Margreet ook! .... ik weet niet hoeveel .... maar ik denk, dat 't nog al wat zal zijn."
"Maar! .... ik begrijp er niets van!.... Waarom deed hij dat! waar was al dat geld voor?"
"Voor uitgaan .... comedies, concerten, voor cadeautjes aan haar!"
Smit stond op en liep een paar maal de kamer op en neer. "Maar dat is heel verkeerd! heel verkeerd van Wouter en van Greetje!.... Vindt u goed dat ik haar even roep?"
"Wacht u nog even, meneer Smit," zei ze vlug, met een zenuwachtige beweging van haar hand naar haar hoofd? Ze wist niet hoe ze 't hem nu verder zeggen zou, waarvoor ze gekomen was. Ze keek dwars rimpelend 't blanke voorhoofdvel angstig voor zich en zweeg.
Hij kwam weer naar haar toe, maar ging niet zitten. Blijkbaar was hij zeer ontsteld nu, hij wachtte strak op haar neerkijkend. Plotseling wierp ze met een hartstochtelijken ruk haar hoofdje achterover en hem aankijkend zei ze vlug achter elkaar, zenuwachtig vlug: "Meneer Smit, .... och God! ik zal 't je maar zeggen, ik ben gekomen om 't af te maken, ik kan 't niet langer aanzien zooals Wouter tegenwoordig leeft. De jongen lijdt, meneer Smit, hij gaat gebukt onder den last van zijn leven. En dat moet toch niet, hij is nog zoo jong, niet waar? Margreet is niet de rechte vrouw voor hem, zij houdt te veel van de weelde en die kan hij haar niet geven!.... Ik geloof ook niet, dat zij genoeg van 'm houdt, .... dat is eigenlijk de hoofdzaak! Maar hij houdt vreeselijk veel van haar, hij verafgoodt 'r letterlijk! .... daarom is 't ook zoo hard, zoo bitter hard voor hem!.... Maar 't kan toch niet langer zoo, meneer Smit, waarachtig, ik voel 't, 't kan zoo niet langer." (Ze stond op, ging een stap dichter naar hem toe en keek hem smeekend aan.) "En daarom, meneer Smit!--u houdt toch ook van Wouter, dat weet ik--doe met mij wat u kunt om 'r een eind aan te maken.... Voor Margreet kan 't zoo erg niet zijn, 't kan niet, 't kan niet, dat ze zooveel van hem houdt, dan zou ze anders zijn.... Voor hem wél, voor hem zal 't verschrikkelijk wezen, .... maar ik denk maar, ziet u, later, later zal hij wel inzien, dat 't niet goedgegaan zou zijn. En, niet waar? hoeveel vreeselijker zou het zijn, als hij, pas als ze getrouwd waren, zou merken dat ze niet genoeg van hem hield...."
Ze zweeg weer. Smit sprongen tranen in de oogen. Hij kon niet dadelijk wat zeggen. Haar stem was 't vooral die hem aangegrepen had; er was zooveel diepe smart in haar stem, ja soms klonken haar woorden als wanhoopskreten. Toch had ze zacht, bijna toonloos gesproken, zonder alle zucht naar effect. Hij voelde, dat ze heelemaal waar was, dat er geen zweem van aanstellerij, van mooi-doen was in haar.
Eindelijk opperde hij weifelend: "Ziet u 't niet wat te zwart in?...."