Chapter 4
Dat gesprek had moeder Rubrecht wat gerust gesteld en zij nam zich voor, Wouter voorloopig niet meer te vragen naar zijn zaken. Hij was toch ook immers zoo'n degelijke, verstandige vent, hij zou wel doen wat 't beste was, altijd! Maar zij lette scherp op alles wat hij deed thuis en keek hem altijd aan als hij sprak en lachte, en ontdekte zoo langzamerhand, dat hij eigenlijk nooit meer kalm-vergenoegd, bedaard-vroolijk was, als vroeger, maar altijd opgewonden, onrustig, gejaagd soms. Hij kreeg ook iets nonchalants, iets oppervlakkigs in zijn manier van doen en van vertellen, 't was of hij er nooit heelemaal bij was. Dat verontrustte zijn moeder weer en bracht haar weer meer aan 't soezen over zijn zaken en over zijn meisje. En zij lette ook scherp op haar, maar Margreet was altijd dezelfde.
IX.
Ook de winter ging voorbij en 't was op een guren middag in Maart dat mevrouw Rubrecht een briefje uit de bus haalde met Wouter's adres er op. Dat gebeurde heel zelden; Wouter had weinig vrinden door zijn lang verblijf buiten 't land, door zijn engagement zoo kort na zijn terugkomst. 't Was een briefje van een mannehand, geadresseerd: "den heer Wouter Rubrecht ZijnEdele in handen," een glanzend-witte, vierkante enveloppe, van dat gladde stijve papier, en 't was niet goed dichtgeplakt geweest, want toen zij 't heen en weer schoof in haar handen, gissend naar den afzender, ging 't krakend open. Ze schrok er even van. Nu zou Wouter denken dat 't open gemaakt was! Kom! zij zou 't immers zelf weer dicht plakken! Maar .... nu 't toch eenmaal open was....; zou er een geheim in kunnen staan voor zijn moeder? .... zou er misschien wat in staan....
Zij gaf zich niet helder rekenschap van wat ze meende dat er in zou kunnen staan, maar voor ze 'r verder over nadacht had ze 't briefje uit de enveloppe gehaald en begon ze te lezen. 't Was van een ouden schoolkameraad van Wouter, dien hij later ook nog dikwijls gezien had, Willem Veegens. Hij vroeg geld terug, dat hij Wouter had geleend, vijftig gulden; hij had ze noodig, schreef hij, anders zou hij er niet om vragen. Toen de moeder 't briefje gelezen had, vouwde ze 't schielijk weer toe; ze schrok toen 't even kraakte tusschen haar vingers, ze keek rond of niemand haar bespiedde, ze werd bang. Maar 't kon immers niet, Rubrecht en Wouter waren naar kantoor, Anna uit om boodschappen en de meid hoorde ze in de keuken. Haastig stopte ze 't briefje in de envelop en bracht die aan den mond. Ze sneed zich in de tong met het scherpe papier. Toen sloot ze den brief en liep op haar teenen naar boven, waar ze den brief op den schoorsteen lei, op de gewone plaats.
Angstig verlangde ze naar Wouter's thuiskomst, 't duurde lang. Eindelijk, daar kwam hij de trap op. "Er ligt een brief voor je, Wouter," zei ze, langzaam, om bedaard te blijven, maar ze voelde dat ze bloosde; ze boog zich diep over haar werkdoos als om een naald te zoeken. Gelukkig was 't in de schemering, 't licht nog niet op. "Aha!" zei Wouter, "dank u." En hij liep met den brief naar 't raam, waar hij ging staan lezen, de rug naar haar toegekeerd. Zij hoorde 't papier weer kraken, zij was beklemd, angstig. Vergeefs redeneerde ze tot zichzelf, dat 't immers niets was. Wouter zou dat geld voor korten tijd hebben geleend op een oogenblik dat hij er om verlegen was, hij zou 't terug geven en daarmee uit! Zij zag dat hij den brief in zijn zak stak en nog even staan bleef, in gedachten. Hij streek eenige malen met zijn hand door zijn haar; toen draaide hij zich plotseling om: "Moedertje," zei hij, "'t zal u wel verwonderen, dat ik 't u vraag, maar .... kunt u me ook wat geld leenen?"
Zij schrok hevig, zij beefde, zij moest zich fel in 't gebit bijten om niet te klappertanden. Ze kon niet dadelijk antwoorden. "U verstaat me toch wel, moeder," zei hij, dichter naar haar toekomend.
"Ja, ja! .... je wat geld leenen .... ja, zeker, Wouter, als je 't noodig hebt...."
"Ja! .... niet voor lang, ziet u, 't is maar om een paar kleine rekeningetjes te betalen, .... bij me kleermaker .... en .... en bij .... bij me barbier, .... ziet u, de volgende maand krijgt u 't terug natuurlijk...., 'n vijftig gulden bijvoorbeeld."
Hij liegt, hij wil 't me niet zeggen, suisde 't door haar hoofd.
"O, dat hoeft anders niet, Wouter .... maar vijftig gulden, dat is nogal veel!.... Maar ik kan 't je toch wel geven .... uit mijn spaarduiten, zie je! .... wacht! ik zal 't even halen!"
"O, wel nee, moesje, 't heeft geen haast!"
"Jawèl, nu is 't maar 't beste, dan merkt niemand er iets van...." En ze ging de kamer uit. Ze ging naar haar slaapkamer, waar de oude schrijftafel stond, 't eenige stuk uit het huis van haar vader, dat ze had mogen houden--'t oude ding was toch niets waard!--daar, in een van de laadjes, lag 't geld dat ze af en toe had gekregen, als Rubrecht een extratje had gehad van den patroon. Ze had 't nooit gebruikt, waarom ook? Ze had voor zich zelf geene bizondere behoeften, ze had 't altijd maar opzij gelegd voor een cadeau als de kinderen trouwden. Vijftig gulden nam ze er af. Er bleef nog zoowat evenveel liggen.
Haastig liep ze er mee terug en gaf 't geld aan Wouter. "Hier heb je ze," zei ze "stuur ze nu maar gauw aan Willem."
Wouter schrok, hij bloosde sterk.
"Aan Willem, moeder? hoe weet u dat...." zei hij zacht, "u hebt toch niet...."
"Ja, ja! .... jawèl! .... ik heb dat briefje opengemaakt .... ik weet wel, ik had 't niet moeten doen .... dan wist ik nu niet .... dan dacht ik nu dat 't voor je kleermaker en voor je barbier was...." Ze zonk in één op haar stoel en begon te snikken. Wouter knielde bij haar neer, hij streelde het zachte donkerblonde haar en de witte handen die in haar schoot lagen, terwijl ze snikkend voor zich keek. "Moedertje, moedertje," zei hij, "huil nu niet zoo .... en wees niet hard tegen me .... toe, moedertje."
Maar 't hielp niet, ze keek hem niet aan, ze staarde zoo diep treurig voor zich uit! Toen zei hij niets meer, maar lei zijn hoofd op haar knie en snikte ook.
"O Wouter," fluisterde ze toen, "Waarom vertel je me niet meer alles...., zooals vroeger altijd!.... Ik ben toch nooit hard tegen je geweest, ben ik wel?.... Waarom heb je me niet gezegd, dat je geldgebrek hadt...., dat je zaken slecht gaan....?"
"Omdat u je dat zoo zoudt aangetrokken hebben, moedertje...."
"Maar, mijn arme jongen," zei ze, een hand op zijn hoofd leggend, "ik merk 't immers toch!.... Heb je veel schuld?"
"Nee...., niet veel! .... nog zoowat een honderd gulden, maar ik zal 't heusch allemaal wel inhalen!...."
"En van wien heb je dat alles dan geleend?"
"Van Willem .... en van oom .... en ook wat van .... van Greetje."
"Van haar? Leent ze je geld? Vraagt ze dan niet waar of dat voor is?"
"Och, ze weet 't wel!...., maar ik zal 't immers allemaal wel inhalen, als de zaken maar wat beter gaan, als er maar .... als.... Och! moeder, laat me maar tobben! u kunt er toch niets aandoen...., 't zal wel weer terecht komen .... heusch!" Daar hoorde ze schellen en de meid naar beneden gaan om open te doen.
"Daar is Anna," zei toen de moeder, haar tranen wegvegend, vlug, gejaagd, "we kunnen nu niet meer praten, Wouter, 't geeft ook niet .... maar beloof me één ding. (Ze stonden beiden op, zij keek hem vast in de oogen). Vraag jezelf nog 's goed af, nog 's heel goed, zie je, of Margreet wel een goeie vrouw voor je wezen zal...."
"Maar moeder, hoe kunt u zoo iets zeggen!" viel hij driftig in. Maar Anna kwam binnen en groette en bleef in de kamer en dus waren ze weer beiden alleen met hun verdriet.
X.
Den anderen morgen voor hij wegging riep Wouter zijn moeder nog even apart en zei: "Wat ik u bidden mag, moesje, geen woord aan Margreet over wat we gisteren .... bespraken. Belooft u me dat?"
"Als jij me dan belooft...."
"Ja, ja! .... ik weet wel wat u zeggen wilt, goed, goed!" En hij drukte haar zenuwachtig de hand en was weg.
En de moeder tobde en tobde en tobde....
XI.
Weer ging een maand voorbij.
De firma Van Plaswijk en Co. opende 's morgens om negen uur haar kantoor, maar in de laatste weken was Wouter er niet op tijd geweest.
Hij had zoo'n moeite met opstaan, hij was zoo moe en loom 's morgens, zei hij. 't Werd tien uur, half elf soms, voor hij wegging. Zijn moeder riep hem, na half negen om 't kwartier, maar in den regel hielp 't niet.
En iederen middag hoorde zij, die wachtte, verlangend, hem thuis komen, en de trap oploopen, zwaar en zwijgend. Zoodra hij de kamer binnenkwam en haar zag zitten, trok hij wel een vroolijk gezicht en deed blijkbaar zijn best heel opgewekt te schijnen, maar er was altijd iets schichtigs, iets gejaagds in zijn bewegingen, hij schrok dikwijls en van een treurig bericht, waar Anna mee thuis kwam, of dat zijn vader voorlas uit de krant, of als hij zelfs eens wat vertelde, al was 't een mop, waar de anderen om lachten, kreeg hij tranen in de oogen.
Eens herinnerde zijn moeder zich plotseling precies hoe hij er een jaar geleden uit gezien had; zij zag hem voor zich zooals hij haar was komen vertellen dat Margreet hem hebben wou, en toen ze hem daarop aankeek schrok ze er van, zooveel ouder was hij geworden.
Hij zei altijd dat hij goed geslapen had, als zijn moeder hem er naar vroeg, 's morgens aan 't ontbijt, maar ééns, toen 't weer 's heel laat was (zijn vader was al lang weg) en zij 't weer vroeg, heel ernstig, en hem er scherp bij aankijkend, antwoordde hij met een geluid van bitteren wrevel in zijn stem, met iets baloorigs in zijn gezicht: "Nee, eigenlijk beroerd slecht, ik heb weer tot vier uur wakker gelegen!"
"Tot vier uur wakker gelegen? weer? .... gebeurt dat dan dikwijls?" vroeg ze verschrikt.
Maar hij had zich al hersteld. "Dikwijls? wel nee, moedertje, gelukkig niet! In den regel slaap ik als een roos, te vast zelfs." En hij dronk haastig zijn kop thee uit en ging weg.
Na dien morgen sliep ook de moeder slecht. In bed dacht ze aan hem, die daar boven lag, en ze luisterde met ingehouden adem. Soms verbeeldde ze zich, dat ze wat hoorde, en dan liet ze zich zachtjes uit bed glijden en luisterde aan de open deur van haar kamer. Maar 't was altijd dan weer stil gebleven.
Tobbend leefde ze door.
XII.
Op een middag--ze zat te naaien voor 't raam in de achterkamer--kwam plotseling Frits van Plaswijk binnen.
Vreemd! Hij kwam anders nooit in de week, hij had 't te druk zei hij altijd. Hij kwam alleen nu en dan 's Zondags met zijn vrouw. Dan deed hij deftig, voornaam, en sprak over koetjes en kalfjes en lachte witjes en ging gauw weer weg.
Nu was hij ook--als 's Zondags--keurig gekleed, correct in zijn spannende handschoenen; zijn laarzen en zijn hooge boord glommen. Maar hij was wat rooder dan anders en hij sprak vlugger, hij scheen wat opgewonden.
"'t Bevreemdt je zeker, Marie," zei hij, na een lichten handdruk, "dat ik je zoo midden in de week kom overvallen, maar ik wou je 's alleen spreken, ik ben je 'n raad schuldig."
Zij keek hem aan zonder antwoord, met open mond, met angst verlangend naar zijn woorden.
"Ik ben je 'n raad schuldig," herhaalde hij, langzamer en streek met zijn hand langs zijn geschoren kin.
"God! wat is er, Frits," vroeg ze toen.
"Niets! .... niets! .... zusje, schrik maar zoo niet .... zóó erg is 't niet .... maar, zie je, ik weet, je adoreert je zoon, en dat vind ik heel mooi .... heel mooi .... maar ik dacht zoo, zie je, .... als je 't werkelijk goed met hem meent, dan moet je 'm nu toch 's goed onderhanden nemen!.... Zie je, ik zou 't ook wel kunnen doen! maar, och, wat zal ik je zeggen!--wij schijnen elkaar nu eenmaal niet heel goed te verstaan, Wouter en ik, .... hij kan van mij niets hooren .... en van jou wel, dat weet ik...."
"Maar wat is er dan? Wat moet ik hem zeggen?"
Zijn blik, die tot nog toe van haar afgewend was, trof nu den haren.
"Weet je van niets?" vroeg hij, 'n beetje ongeloovig, met een lachje van spot en meelij.
"Maar wat is er dan? .... wat moet ik weten?"
"Wèl!...., dat Wouter leelijk in de schuld zit!"
Haar gezicht helderde op. "Is 't zoo erg?" vroeg ze.
"Ik geloof, dat 't nog al heel erg is," zei hij, "altijd voor zijn doen, vat je."
"Krijg jij ook geld van 'm," vroeg ze.
"Nou, dat 's maar een kleinigheid," zei hij, "'n vijftig gulden!.... Maar zie je, .... weet je wie z'n schuld of 't is, dat Wouter er zoo inzit?.... Niet?.... Heb je daar heelemaal geen idee van?.... Nou, ik dan wel!"
"Wie bedoel je? Margreet toch niet?"
"Wel, natuurlijk wèl.... Ze deugt niet voor 'm!"
"Nu overdrijf je toch wel wat, Frits," zei ze, zenuwachtig grabbelend in het goed van de japon die ze aan 't verstellen was.... Hij haalde zijn schouders op. "'t Kan zijn," zei hij, "maar wat ik dan maar zeggen wou is dit: in jou plaats zou ik hem 's goed onderhanden nemen.... De jongen loopt anders in zijn verderf,--je begrijpt: onze zaak is jong, _veel_ wordt er nog niet verdiend .... en zijn salaris is .... enfin! .... niet hoog! .... maar 't is zooveel als over 't algemeen in 't vak betaald wordt voor 'n eerste-bediende. Zijn werk, moet je denken,--tot nog toe ten minste--is .... bediendewerk! .... de hoofdzaken rusten op mij! .... hij voert maar uit wat ik beplan, .... wat ik bedenk," herhaalde hij langzaam met 'n gewichtig gezicht,--"en deed hij dat nog maar altijd goed! .... maar weet je wel, dat als hij jou zoon niet was, dat ik hem dan niet zou willen houden! Hij komt 's morgens om elf uur .... hij werkt loom, laks,--vadsig zou ik haast zeggen .... zonder lust! .... 't is of hij al zijn energie uitgeput heeft in de eerste maanden, .... hij is eigenlijk net als alle andere bedienden; in de eerste maanden zetten ze hun beste beentje voor, maar daarna .... och, maar, geloof me, 't is allemaal dat meisje van 'm!...."
"Maar hij houd toch zoo innig veel van haar, en ze is ook zoo lief .... zoo goedhartig...., zoo...."
Oom Frits floot even zacht voor zich uit. "Daar niet van!" riep hij toen uit, "ze is charmant .... allercharmantst! .... als _ik_ haar had ontmoet in me jonge jaren! .... maar ze deugt niet voor hem en hij niet voor haar! .... hij is een administratieve kop, net als z'n vader!"
"Ik heb altijd gevonden, dat hij meer van mij heeft," zei ze, met innige teleurstelling in haar stem.
"Gekheid! .... hij is 'n boekhouder! .... 'n echte boekhouder! .... hij moet 'n dooood-een-voudig, 'n simpel burgerlijk meiske trouwen,--als hij absoluut trouwen wil ten minste!--en Margreet moet zien, dat ze 'n knappen rijken kerel krijgt, en dat zal haar wel lukken ook!"
Zij staarde voor zich in smartelijk gepeins en zei niets.
Hij floot weer zachtjes tusschen zijn tanden.
Eindelijk begon ze weer: "Hij zal haar nooit opgeven, hij houdt zoo dol, zoo dol veel van haar!...."
Hij haalde even zijn schouders op en floot door.
"En zij van hem! .... dat kan niet anders!" zei ze weer, met een zacht-weemoedigen glimlach.
Frits lachte even, spotachtig, en weer opschokkend zijn schouders.
"Geloof je 't _niet_," vroeg ze, angstig, "geloof jij 't _niet_, dat ze genoeg van 'm houdt?"
"Ik weet 't niet," zei hij, ongeduldig, "ik weet 't niet, maar (en hij stond op en nam zijn hoed) .... zooals gezegd, zusjelief, .... hij zal moeten kiezen tusschen mij en haar...., ik kan geen procuratiehouder hebben, die zich in de schuld steekt, dat 's te gevaarlijk!"
"Te gevaarlijk? .... zou je dan denken?...." begon ze met drift.
"Ik zou niets denken! .... zeur toch zoo niet! .... jelie vrouwen hebt geen begrip van geld, heelemaal niet! .... nu, adieu, ik moet weg, .... ik moet 'n auteur gaan opzoeken! .... adieu!...." En hij reikte haar weer de toppen van zijn gehandschoende vingers en ging heen.
En weer ging mevrouw Rubrecht na het eten haar zoon opzoeken op zijn kamer. Hij stond zijn hoed op te schuieren, hij ging weer uit met Margreet. En zij vertelde hem, zenuwachtig, moeilijk sprekend, alles wat oom Frits gezegd had. Ze vertelde 't hem in afgebroken zinnen, met opzet krasse uitdrukkingen verzachtend en toch telkens angstig naar hem opkijkend. Weer stond hij van haar afgewend te luisteren en toen ze alles gezegd had draaide hij zich langzaam om. Hij zag bleek en beet op zijn onderlip.
"Zoo!....," zei hij, quasi-bedaard, met een schorre doffe stem, "zoo! heeft hij dat allemaal gezegd? .... wel zoo! deugt ze niet voor me?...." En toen, losbarstend in dolle woede, slaande met zijn beenige kneukels op de tafel, schreeuwde hij: "Zoo'n ploert, zoo'n ellendige ploert! Dat wil hij dus ook nog!.... Werken moet ik, zorgen en zwoegen, dat hij luibakken kan, den godganschelijken dag, lanterfanten en kletspraatjes maken--maar dat is niet genoeg! nee! dat meisje moet ook weg, dat ik nog meer tijd kan geven aan zijn zaak, dat ik heelemaal, heelemaal zal leven voor zijn belangen alleen,--die verregaande egoïst!--hij stinkt van egoïsme, die vent!--hij houdt van niemand dan van zichzelf, hij trapt, hij mishandelt ons allemaal, zijn vrouw, mij, zijn andere ondergeschikten! Compagnon zou hij me maken! Jawèl! 'n Aandeel in de winst die niet bestaat, die nooit bestaan zal, zoolang hij zijn zotte plannen zal willen uitvoeren--laten uitvoeren bedoel ik!--maar ik doe 't ook niet langer! .... ik kan me brood nog wel op 'n andere manier verdienen!--ik doe 't niet langer, zeg ik, ik doe 't niet! .... zoo'n ploert, zoo'n misselijke beroerde ploert!"
Hevig geschrokken, lijkbleek, klappertandend was zijn moeder neergezegen op den stoel. Zoo was Wouter nog nooit geweest! O God, o God, wat moest ze nu beginnen, o God, o God!
"Wouter!" zei ze herhaaldelijk, "Wouter!" maar hij hoorde 't niet.
"'k Ga er van daan," schreeuwde hij, op en neer loopend door zijn kamer, "'k ga weg, morgen nog!--dat zal 'm opfrisschen, dan zal je 'm eens zien kijken!--kan me ook wat schelen!--hij kan naar den bliksem loopen!--Margreet! Natuurlijk! Margreet deugt niet voor me!--omdat ze levenslustig is, omdat ze graag mooie dingen heeft, omdat dat wat geld kost!.... 'k Verdien 't toch! 'k Werk er toch voor! Den heelen dag, .... en nacht!"
"En nacht?" herhaalde zij, dof.
Hij keek haar even aan. "Nou ja, moeder," zei hij zachter, met tranen in zijn stem, "ik had 't u nooit willen zeggen, omdat ik weet hoe naar u 't vinden zult .... maar, ja! ik heb veel nachten hier op mijn kamertje zitten werken.... U hebt 't nooit gemerkt! .... ik trok mijn schoenen uit en deed alles heel zachtjes."
Medelijden met zich zelf overmande hem. Hij viel neer op 'n stoel en barstte in snikken uit.
Zijn moeder ging naar hem toe.
Op dat oogenblik werd er geklopt. Toen ging ze eerst naar de deur, deed die half open en vroeg naar buiten: "Wel?" 't Was Anna: "Ma, wat is er toch? Pa is er wakker van geworden en vraagt wat er is...." en toen zachter: "Wat is er, maatje, heeft-ie wat met Margreet gehad."
"Nee! .... nee! .... stil!.... Ga maar naar beneden, An, en houd je kalm en zeg aan pa ook dat er niets is.--Wouter heeft wat met oom gehad, .... maar 't komt allemaal weer terecht."
"Nee! .... 't komt niet terecht .... 'k ga er vandaan!" gilde Wouter, opnieuw woedend, doordat hij niet spreken kon door zijn snikken.
"Wouter!" zei zijn moeder met wanhoop in haar stem.
Anna ging. De moeder sloot de deur weer en kwam naar hem toe. Hij snikte voorovergebogen, met zijn arm op de leuning van zijn stoel en zijn hoofd op zijn arm. Zij streelde hem alleen maar zacht over zijn hoofd, en zei: "Arme jongen, arme, arme jongen'" En toen hij opkeek gaf ze 'm een zoen op zijn voorhoofd.
Nu niet boos meer, verteederd, begon hij weer: "Margreet opgeven! mijn lief, lief meisje! mijn alles!.... Nou ja, ik weet wel, ze denkt niet verstandig over geldzaken, ze vraagt te veel, .... maar ze is ook zoo innig levenslustig, zoo echt vroolijk, ze geniet zoo graag! .... ze is toch ook nog zoo jong! .... ik weet ook wel, ik ben zwak, ellendig zwak soms, ik geef te veel uit .... ik kan haar niets weigeren .... ik kan 't niet! .... ik kan 't niet!...." En hij snikte weer, zijn hoofd op zijn arm.
"Maar Wouter, mijn goeie Wouter, dat moet toch," zei ze, hem aldoor streelend over zijn haar, "dat moet ze toch begrijpen, .... ze houdt immers zooveel van je, .... als je haar nu zegt dat je 't niet betalen _kunt_, niet _kunt_ .... dan zal ze toch niet eischen...."
"Haar zeggen!.... Och, moeder, u kent 'r niet!...."
O, hoe goed wist ze dat zelf, de arme moeder! Ze kende Margreet niet, ze wist niet wie ze was, ze begreep niets van dien grooten levenslust, dat grage genieten.
"Maar 't moet toch," zei ze weer, wanhopig, "'t moet toch...."
"Ja," snikte hij, "'t moet ook wel! .... 't is waar! .... maar .... o God! o God! .... o, moedertje, u weet niet wat 'n zorg of 't me kost .... o God! o God!"
"Zal ik met haar spreken," opperde ze, weifelend.
"Nee, moeder!" zei hij, inééns flinker en zijn behuild gezicht afdrogend.... "Nee! nee! .... 'k zal 't zelf wel doen! .... 't moet!.... Maar .... hoe laat is 't? .... half acht al? .... ik zou haar gaan halen; we moeten op visite!"
"Schrijf 't af," zei ze, "zeg dat je plotseling verhinderd bent, schrijf haar ook 'n briefje!"
"Nee! .... nee! .... dat gaat niet! .... 'k zal me 'n beetje wasschen, zie ik er erg uit? .... ja zeker?.... Gaat u nou maar naar beneden, moeder, kalmeert u nou de menschen beneden maar vast wat, .... ik .... ik ga dan maar ongemerkt uit!...."
En zwijgend ging ze, gebukt onder haar verdriet, beklemd door afmattenden angst. Een kwartier later hoorde ze de voordeur dicht slaan. Ze schrok er van; de anderen keken haar aan en zwegen.
Later op den avond zei de vader tusschen twee trekken aan zijn pijp: "Als 't Wouter niet bevalt bij Frits, dan moet-ie maar wat anders zoeken, .... 'n jongen als hij komt overal terecht! .... er zijn kantoren genoeg!.... De goede bedienden zijn toch tegenwoordig niet opgeschept!...."
Hij kreeg geen antwoord.
En hij rookte zijn pijp maar weer door--zijn pijp, zijn eenigen kameraad!--en soesde over de krant, en zag veel woorden, die hij niet begreep, .... onafhankelijkheid .... eerzucht .... hartstocht....
XIII.
Dien avond vond Margreet Wouter stil,--maar dat was hij wel meer in gezelschap! Hij bracht haar naar huis, pratend over onverschillige dingen. 't Was niet ver, en 't was laat geworden. Hij was blij dat hij goede reden had dat andere tot morgen uit te stellen.
Den volgenden morgen, toen hij op kantoor kwam, vroeg Wouter zijn oom, of hij 'm een oogenblik alleen kon spreken en toen ze samen waren begon hij dadelijk met nagebootste bedaardheid over dat bezoek aan zijn moeder. Hij zag het spotachtig glimlachend gezicht van zijn oom en al gauw voelde hij, dat, zijn woede hem te machtig werd. Hij voelde zijn hoofd vol bloed, zijn oogen deden hem zeer.
"'t Is 'n laag idee van u," zei hij, zijn stem met groote inspanning smorend, "den invloed van mijn moeder te willen gebruiken om mij van mijn meisje af te brengen! 't Is lage zelfzucht, niets anders!.... Nee, laat me uitspreken," riep hij uit, met 'n driftig gebiedend gebaar, ziende dat zijn oom hem in de rede wou vallen, "'t Heet, dat u het voornaamste werk doet en dat ik maar zorgen moet, dat uw bevelen gehoorzaamd worden. Larie! praatjes! u verzint allerlei zotte dingen, ja, en ik moet me doodwerken om groote ongelukken te voorkomen! .... maar, wacht maar! .... 't duurt niet lang meer met u, .... want ik ga weg, vandaag nog! .... 'k kan hier niet langer werken...."
"Je gaat weg?" vroeg Van Plaswijk verschrikt, bleek wordend....
"Waarachtig!" riep Wouter. "Ik zal toch wel zorgen dat 'k aan den kost kom,--zóó schitterend is mijn positie hier toch ook waarachtig niet!.... U weet heel goed, dat de zaken beroerd gaan, dank zij al uw mooie plannen! en over 'n jaar of drie .... is alles uit!.... Dan is 't geld van uw vrouw op en dan zult u weer wat anders moeten beginnen, 't twaalfde ambacht, 't dertiende ongeluk...."
"Vlegel!" riep oom Frits, opstaand, "brutale vlegel!...."
"Ba!" zei Wouter, "als 't op scheldwoorden aankwam, dan zou ik er zooveel weten, die raak waren!.... 'k Groet u!.... 'k Zal me boel natuurlijk allemaal opruimen--u kunt 't van middag van me overnemen--of laten overnemen, want zelf zoudt u er niet veel van snappen!...."