De vreemde plant

Chapter 3

Chapter 34,155 wordsPublic domain

Maar hoeveel lichter Wouter zich ook gevoeld had, toen hij de kamer uit was, waar Margreet hem tegemoet was gekomen met haar lieven lach en dien blos van herkenning, den anderen dag wou hij er wéér wel heen. Maar dat ging natuurlijk niet, hij wachtte behoorlijk een week. En meneer Smit was weer even blij en hartelijk; hij moest 's komen eten! Ook Margreetje scheen niet ontstemd door de haastige herhaling van zijn bezoek. En hij kwam eten, en nog 's, en dikwijls en werd erg verliefd. En hij vroeg haar. En zij zei: ja! En de vader was verrukt; er was geen enkel bezwaar! 't Ging alles heel gewoon!....

En Wouter hield van zijn Margreet zooals een eenvoudig man als hij houdt van de vrouw, die voor hem 't ideaal is en die hem liefde gegeven en trouw beloofd heeft. Zijn gevoel was niet bizonder gedistingeerd, niet gecompliceerd, niet exotisch, hij was er trouwens de man niet naar geweest zich daarvan rekenschap te geven. Hij was eenvoudig dol op haar, de gedachte aan zijn meisje vulde hem gansch en al met warme levensvreugde, met welwillende goedheid en trots; hij droomde zich geen ander geluk dan voor haar te werken, te zorgen, voor haar en met haar te leven, zijn heele leven, o, dat 't lang mocht zijn en zonder rampen!

En zij hield ook veel van hem--heel veel! Zij vond hem een knappen jongen en zoo goedhartig. En vooral dat hij zooveel gezien had van de wereld en zoo'n prettige man was om mee uit te gaan, dat beviel haar!.... En dat hij zoo'n mooie positie krijgen zou.... En zij vond 't heerlijk om geëngageerd te zijn, zij was de eerste van haar kransje; ze was pas achttien!

V.

Een ongewone drukte dien Zondagmiddag in 't stille Rubrechtshuis. Tien menschen om de ronde tafel in de achterkamer, waar anders de oude boekhouder en zijn vrouw met hun twee kinderen alleen zaten. Druk gepraat en gelach, waar anders zoo nu en dan maar 's wat werd verteld door Wouter of door Anna om de stilte te breken en 't middagmaal een beetje te rekken, dat 't niet zoo erg gauw afgeloopen was. Druk gepraat en gelach van Smit vooral, den stevigen boekdrukker, die rechts naast mevrouw Rubrecht zat en met zijn forsche figuur en zijn joviaal gezicht, rood en baardig, de tafel beheerschte, vroolijkheid uitstralend; van oom Frits ook, die, zittend aan de andere zij van zijn zuster, zich als den voornaamsten gast en als het meest gedistingeerde element van het gezelschap beschouwde, altijd even interessant met zijn bleek gezicht en zwarte haren, zijn ietwat lijdend type, zoo door-en-door sympathiek. Hij praatte veel, coquetteerend met zijn beschaafde uitspraak en met de weeke gebaren van zijn witte handen, waarheen een paar flonkerende diamanten de blikken trokken.

Zijn vrouw, een lief, blond schepseltje, soms innemend schuchter, soms zielig-onderworpen van houding zat rechts van den boekdrukker, naast haar Wouter en dan zijn meisje, die tusschen Wouter en zijn vader geplaatst was, zoodat de gastheer--zooals dat hoort--vlak over zijn vrouw was komen te zitten. Rechts had hij zijn gewaardeerden Wim, die trotsch scheen op zijn plaats en de kleine Anna naast hem door 't gewicht van zijn figuur als verpletterde. Tusschen haar en oom Frits troonde de sport belichaamd in den jongenheer Willem Smit, wiens basstem voortdurend met de woorden: fiets, trainen, racen, football en zoo meer jongleerde. En te midden van al die drukke menschen die haar vriendelijk prezen, haar en haar keukenmeid, om 't lekkere eten, zat moeder Rubrecht, vermoeid, soms weemoedig glimlachend, soms als verbijsterd, met dofdwalende oogen, een vreemd gewas, verdwaald in een burgermansbloembed met veel geel, oranje en hardpaars.

Over haar hoofd heen spraken Smit en oom Frits elkaar toe en waren 't in den regel niet eens. Nu beweerde de boekdrukker, die zijn gastheer iets aangenaams zeggen wou, dat je in zaken de administratieve koppen toch maar niet missen kon en won zich daarmee niet alleen het hart van den ouden Rubrecht, die zat te glimmen van louter genoegen, maar ook dat van Wim, die houterig boog over zijn soep en zei, dat in een zaak als die van meneer Smit technische kennis toch wel de eerste vereischte zijn zou, maar oom Frits merkte zeer bescheiden op dat boekhouden en dat soort van bekwaamheid altijd voor geld te koop was, maar talent, meneer! talent, ziedaar 't eenige noodige, en dat was niet te koop! dat was aangeboren!.... Dan weer gaf Van Plaswijk zijn ergernis lucht over die menschen, die Wagner's muziek niet mooi vinden en toen Smit gullachend bekende tot "die menschen" te behooren--want dat hij er "geen laars" van begreep--pakte oom Frits die gelegenheid aan om een "verklaring" van die muziek te geven, een verklaring die bestond in een aaneenschakeling zonder samenhang van woorden en phrasen, die hij hier en daar gelezen had, en hij bracht zooveel kunsttermen te voorschijn dat 't den boekdrukker begon te duizelen. De goede dikkerd maakte er een eind aan door een luide en langdurige schaterbui, waarna Van Plaswijk, geërgerd en verward, over 't onderwerp zweeg en zich met den jongen Smit in de geheimen van het race-roeien begon te verdiepen. Moeder Rubrecht, 'n beetje ongerust door die luidruchtige woordenwisselingen keek angstig rechts en links zoodat Wouter medelijden met haar kreeg en haar bemoedigend toeknikte, waarvoor hij beloond werd met een blik zoo weemoedig-dankbaar, dat hij, in zijn hooge stemming, ontroerde. Tranen sprongen in zijn oogen en hij boog zich snel over zijn bord, dat zijn meisje 't niet zien zou. Maar Margreet, blozend van opgewonden vroolijkheid, zich zalig bewust van haar bekoring, stralend van trots op haar beteekenis aan die tafel, Margreet zag 't niet. Zij lachte juist helder op, om iets wat oom Frits zei; haar mooi welluidend lachen rees en daalde zonder trilling.

't Stilst was tante Amelie, 't jonge weeuwtje dat oom Frits tot den gelukkigsten man der wereld maakte. Zij antwoordde als ze werd aangesproken, met een enkel woord of een glimlach, en at heel weinig. Zij scheen wel weg te willen zinken in het geroes om haar heen.

Werd 't een oogenblik stil aan tafel, dan keken de mannen naar Wouter en zijn meisje en werden zij toegelachen en toegeknikt en geplaagd met hun verliefdheid, een geesteloos welmeenend, goedmoedig burgerlijk, vrindelijk kleinzielig geplaag met afgezaagde phrasen. Anna keek wat spijtig omdat zij niet meer geplaagd werd, zij fluisterde met Wim en gichelde om de aandacht te trekken, maar 't hielp niet.

Aan 't dessert werd getoost. Vader Rubrecht begon--zijn zwager had 'm al een paar maal gewenkt met een gebaar van meerderheid--vader Rubrecht begon kuchend en met een wijnrooden kop en zei, dat hij alleen maar even op de jongelui wou drinken, dat hij geloofde dat Margreet een lief meisje was en een lieve vrouw voor Wouter zou zijn. Hij hoopte maar dat zij, die 't zoo goed gewoon was, de eenvoudige levenswijs van de Rubrechts voor lief zou willen nemen. Hij was maar een pennelikker, zie je!--maar och, nietwaar, die menschen moeten er toch ook zijn--en hij en z'n vrouw, niet waar moeder?--hij en z'n vrouw .... úche, úche .... nou ja, enfin, hij dronk op de jongelui. "Daar gaan ze."

Ze stonden allen op en klonken en Smit bleef staan en keek Wouter aan en zei: "Woutertje, jongen, dat hadt je toch niet gedacht toen je bij mij op de drukkerij kwam; weet je nog, dien eersten dag, toen ik je 'n lik om je ooren gaf omdat je die zetplank op m'n eksteroogen liet vallen." En toen draaide hij zich naar den vader en begon over Wouter te praten, zijn leerling, die nu zijn schoonzoon zou worden, en hij zei, dat hij 'm niet pedant wou maken, maar dat hij wel vertrouwde dat er voor hem 'n toekomst was in 't vak, dat 'n mooi vak was, 'n nobel vak, al zei-ie 't zelf! Hij hoopte van harte dat 't 'm voor den wind gaan zou, dat zijn zaak zou bloeien, maar dat hij--en de stem van den zwaren man begon te trillen--dat hij hem, zijn ouden baas, nooit vergeten zou. Oom Frits scheen dezen toost als een compliment aan zijn adres te beschouwen, hij bedankte allerminzaamst en begon met zijn zachte sympathieke stem vlug te praten over zijn groote plannen, waarin Wouter zoo'n belangrijke rol spelen zou. Hij beweerde Wouter oprecht te bewonderen, zoowel om zijn smaak voor het schoone (met een minzaam glimlachend buiginkje naar Margreet, die bloosde) als om zijn bekwaamheden, waartoe meneer Smit zooveel had bijgedragen (met een licht knikje aan 't adres van den drukker). Hij geloofde dat Wouter zeker nooit 't groote vertrouwen beschamen zou, dat hij--oom Frits--in hem stelde. Daarvan hing ook voor een groot deel het welslagen af van hun onderneming, waaraan trouwens hij--oom Frits--niet twijfelde.

En Wim stond ook op en dronk op zijn aanstaande schoonouders en op den hechten band, die naar hij hoopte hun kinderen steeds .... en zoo meer, en zoo meer....

Eindelijk bedankte Wouter. Hij deed 't met groote inspanning; tranen vielen op de hand die zijn glas omknelde. Hij sprak verward van dank en vertrouwen en liefde .... en 't kostte hem zooveel moeite de woorden uit te brengen dat de anderen medelijden met hem kregen. Smit wenkte dat hij 't er bij laten zou. Oom Frits wierp er geestigheden tusschen door, Willem Smit proeste 't luid uit, Margreet had 'n beetje 't land en trok Wouter zachtjes aan zijn mouw. Maar hij wilde 't toch tot 'n eind brengen. Zijn moeder tuurde voor zich uit en hoorde 't niet, toen hij eindelijk ophield met spreken en ging zitten. Zij zat in gepeins met het hoofd naar voren, zacht weenend. Maar Smit stootte haar aan, en zei met zijn ruw-vroolijke stem, nog harder dan anders, om zijn aandoening te loochenen. "Kom, mevrouwtje, laten we 's klinken!" Toen schrok ze op, glimlachte en veegde haar tranen weg.

VI.

Dadelijk toen ze 't gemerkt had, dat Wouter zoo dikwijls naar zijn ouden patroon ging, had moeder Rubrecht begrepen waarom. Maar toen 't voor 't eerst in haar opkwam: 't is om die dochter dat hij er heen gaat, was ze hevig geschrokken en een gevoel van woede was over haar gekomen en van vijandschap, jaloersche vijandschap tegen dat meisje.... Maar gauw was dat gevoel overgegaan in weemoedige smart, in melancholische onderwerping aan het noodlot. 't Moest immers komen, ze was er immers op voorbereid geweest zooveel jaren! Maar hard was 't, bitter hard! Ze was zoo blij geweest dat ze haar jongen weer bij zich had, voorgoed had ze even gedacht, en nu was 't al uit, alles uit!....

Maar plotseling had ze zich diep geschaamd over die egoïstische gedachten. En ze had ze verdrongen met al de kracht van haar liefde voor Wouter. Wat? hij ging zijn geluk tegemoet en zij zou treuren? Zij was wel in staat geweest tot die groote opoffering voor haar vader, van wien ze niet hield, en nu zou ze terugschrikken van een opoffering voor hem, haar afgod? Ze zou Wouter niet willen afstaan aan zijn geluk? Neen! haar liefde was sterk, zij zou 't hem bewijzen, zij zou hem afstaan, hem geven aan haar, .... die hem nu het liefste was (o! wreedschrijnende gedachte). Zij zou hem afstaan, haar lieveling, .... 't deed haar goed zich voor hem te kunnen opofferen.... zij zou hem afstaan aan, .... o, aan een engel natuurlijk .... aan een engel!....

Want anders!.... Maar, 't _moest_ een engel zijn, die Wouter lief had....

En Wouter had Margreet gevraagd en zijn moeder had haar gezien en ze was gekomen, dien Zondag.

't Was een groote dag, een moeilijke dag geweest voor moeder Rubrecht.

Dat was ze dus, dat was ze dus!

Zij trachtte zich de voorstelling weer voor den geest te brengen, die ze zich van Wouter's meisje gemaakt had, vóórdat ze haar gezien had, maar 't ging niet. Aldoor zag ze Margreets gezicht, aldoor hoorde ze haar lach. En dat gezicht herkende ze niet, en die lach vond geen echo in haar ziel. Toch, wat was ze mooi! wat was ze lief en vriendelijk! Ja, ja, ze was een engel! Maar was ze zooals zij zich vroeger Wouters vrouw had gedroomd? Ze wist 't niet! 't Verwarde haar, die gedachte. Ze wist 't niet! Want wat was ze, wie was ze? Waarom was ze zoo vroolijk, was dat geluk? Waarom lachte ze zóó, zóó, zoo helder, zoo zilver, was dat goedheid? Wie was ze, wat was ze? was ze gelukkig omdat ze van Wouter hield en hij van haar? Hield ze van hem? Genoeg? genoeg?

O ja, zeker hield ze van hem, want hoe zou Wouter anders zoo gelukkig zijn, hij zou 't toch wel voelen als 't niet zoo was. En hij _was_ gelukkig. Een schat van milde humaniteit straalde uit zijn oogen, warm en vol klonk zijn stem als hij liep te zingen door 't huis. Dikwijls was hij dol van uitgelaten vreugde. Hij _was_ gelukkig.

Toch soesde ze er aldoor over de nu volgende dagen en weken, terwijl het leven in het Rubrechtshuis weer zijn gewonen gang ging. Wouter was weinig thuis, 's avonds ging hij naar zijn meisje, meestal gingen ze samen uit,--'t was zomer! Soms kwamen ze ook even aan samen, soms kwam Margreet koffiedrinken of eten bij de Rubrechts. Dan was het 'r altijd een en al luidruchtige vroolijkheid; Wouter zette 't huis op stelten, ze stoeiden, ze juichten. Soms ook kwam Margreet alleen, 's middags tusschen twee en vier, correct in 't visite-uur, elegant gekleed en met haar visiteboekje in de hand. Dan was mevrouw Rubrecht blij. Ze praatte met haar tot Margreet ongeduldig werd en korte antwoorden gevend telkens bewegingen van opstaan maakte. Maar Wouters moeder wilde dan niet, dat ze zoo gauw gaan zou. Ze wilde met haar praten, vertrouwelijk met haar worden, om te weten wie ze was. Maar 't lukte niet. Er scheen iets tusschen die twee te hangen, waardoor geen echte vertrouwelijkheid, geen wederzijdsche overgave mogelijk was. Moeder Rubrecht vroeg en vroeg en vertelde veel van Wouter maar niets van zichzelf. En Margreet was altijd lief en attent en behulpzaam, blijkbaar voortdurend er op uit, Wouter's moeder voor zich in te nemen door de bekoring van haar verschijning en van haar stem en lieve maniertjes, maar aan eenige ontboezeming had ze blijkbaar geen behoefte. Als ze wegging kuste ze 't kleine mevrouwtje, twee, drie maal en glimlachend drukte ze zacht de hand, die de hare vasthield om 't afscheid te rekken. En buiten keek ze nog eens op naar het raam en lachte en knikte. Dan zonk moeder Rubrecht weer soezend terug in haar leuningstoel en staarde voor zich uit, nu en dan diep zuchtend, en bleef soms wel een half uur zoo zitten, zoodat Anna, die er niets van begreep, 'n beetje kriegel vroeg: "Maar wat is er dan toch, maatje?" "Niets, kind, niets," zei ze dan en stond schielijk op en liep de kamer uit of ze werkte door aan haar handwerk om een paar minuten later weer op te houden en weer soezend voor zich te staren. Dikwijls ook glimlachte ze dan plotseling. Dat was als ze dacht aan dingen, die Wouter gezegd had en waaruit zoo duidelijk spraken zijn goedheid en zijn geluk. Dan herhaalde ze die woorden voor Anna, met trotsche liefde warm sprekend over haar zoon, en Anna verdroot 't dat 'r moeder bijna nooit over haar en Wim sprak.

Eens toen mevrouw Rubrecht met Margreet alleen zat te praten, legde ze plotseling haar hand op 'n arm van 't meisje--'n schichtige beweging, Margreet schrok even en rilde licht--en keek ze haar strak aan en zei zacht: "Zeg, ik moet je 's wat vragen, je houdt toch wel genoeg van Wouter? .... als hij 's ziek werd, erg ziek, zie je, .... hoe zou je 'm dan oppassen? Wat zou je kunnen doen voor hem?"

Margreet lachte even, zenuwachtig, "Maar, mevrouwtje, waar denkt u aan! Of ik van 'm hou--dat weet u toch wel! En hij wordt niet ziek! Daar zal ik wel voor zorgen, hoor!.... En als hij 's 't een of ander heeft, dan zal ik 'm wel troetelen en verwennen; hoor, mevrouwtje, wees u maar niet bezorgd...." "Ja, ja!" zei de moeder, "ja, ja, verzorg 'm dan goed hoor, want .... want, zie je.... als hij 's stierf in jou huis, als ik niet...." Zij kwam niet verder, ze fronsde de wenkbrauwen, strak starend voor zich uit en er was even een uitdrukking van woeste woede in haar gezicht. Margreet vond 't vreemd, ze voelde zich wat onbehagelijk, maar, als een kind dat zijn moeder ziet weenen, zonder dat 't weet waarom, streelde ze enkel zacht de magere handen, die in den schoot waren gevallen, en zoende ze 't grijsbleeke voorhoofd, en fluisterde een paar lief-sussende woordjes. En gauw ging ze weer weg, vroolijk lachend, als altijd.

Maar de moeder bleef zich zelf die eeuwige vraag herhalen: Houd ze van 'm? Genoeg? genoeg? En ze kon zich maar niet duidelijk rekenschap geven van wat ze eigenlijk dacht over haar, ze bleef er over soezen, 's morgens en 's middags en 's avonds vooral, als ze om de tafel zaten onder de brandende lamp, de oude Rubrecht, Anna, Wim en zij. Dan zwierven haar gedachten over haar verleden rond en ze dacht aan haar moeder, zooals ze daar gelegen had, toen 'r vader haar opgetild had, en toen zij voor 't eerst aan den tuin gedacht had .... en aan haar trouwen dacht ze, aan de geboorte van Wouter, aan haar vurig bidden voor zijn behoud en voor zijn geluk. En zij tobde over zijn toekomst....

De oude Rubrecht rookte zijn pijp en las zijn krant, of hij zat te praten met Wim en Anna haakte aan haar sprei.

VII.

Zoo ging de zomer voorbij en het najaar.

Nu kwam Wouter wel eens niet zoo vroolijk thuis, liep hij zwijgend de trap op en keek hij bedrukt als hij binnenkwam. Als zijn moeder dan vroeg wat er was, zei hij: "Och! zaken, moedertje, zaken, de drukke tijd komt nu aan, ziet u!" of: "Ja, ja, 't is een slechte tijd voor ons vak, de menschen koopen geen boeken meer!" Maar den volgenden dag was hij altijd weer vroolijk en zong en lachte.

In 't eerst kwam Margreet ook Anna wel eens afhalen om te gaan wandelen en dan kwam Anna altijd vroolijk thuis en vol over Wouter's meisje. Maar dat kwam al minder en minder voor. 't Was dan ook najaar en 't was geen weer meer om te wandelen, zei de moeder, als Anna zich er over beklaagde. Maar ze zag ook wel, dat Anna dikwijls de kamer uitliep als Margreet er was en ze hoorde wel, dat ze koel en kort tegen haar sprak, zoodat moeder Rubrecht eens op een morgen aan Anna vroeg: "Zeg, heb je wat gehad met Margreetje?"

"Ik? Wel, nee, Ma, hoe komt u daaraan?"

"Waarom ben je dan zoo stroef tegen haar en loop je soms de kamer uit, als ze 'r is?"

"Och! zoo! .... ik weet niet!...."

"Wèl ja, .... wat is dat nou, An?--je weet 't natuurlijk heel goed, waarom wil je 't me niet zeggen?"

"Och, u kunt toch immers geen kwaad van Wouter z'n meisje hooren! Ik heb immers toch ongelijk!"

"Kwaad? Kwaad van Wouter z'n meisje? Wat dan? Wat is er dan? Ik wil, dat je 't me zegt."

"Nou, goed dan! .... ziet u, Wim en ik vinden haar wel lief, maar niets hartelijk tegen ons. Tegen u en pa is ze eigenlijk ook niet hartelijk, wèl altijd heel lief, maar...., ik weet niet, niet gewoon, zooals iedereen, ze wordt dan toch uw dochter!.... Wim zegt, dat ze trotsch is, maar dat geloof ik niet, want waarop zou in 's hemelsnaam trotsch zijn? Omdat haar pa nou boekdrukker is? Is dat dan voornamer dan boekhouder?--Maar, ziet u, weet u, wat ik ook vind? Waarom verwent Wouter haar zoo? Alles wat ze hebben wil, dat krijgt ze. Altijd opschik! Een ring met een diamant, voor haar verjaardag een vreeselijk dure broche, nu weer pas dat gouden kettinkje, zóó maar 's, omdat ze 't zoo snoezig vond! En hij gaat met haar naar de komedie, soms twee, drie maal in de week, omdat ze er zoo vreeselijk veel van houd, zegt-ie; nou ja, wie zou daar niet van houden, maar waar moet Wouter dat allemaal van betalen? Hij is toch ook maar kantoorbediende net als Wim! En waarom vraagt ze niet vast wat in hun huishouden, daar heeft ze wat aan.... Al die opschik, als je al geëngageerd bent!...." Zoo ratelde Anna door, zich meer en meer opwindend, tot haar moeder, verbaasd, haar in de rede viel: "Maar kind, zoo spreek je nooit! Hoe kom je daar allemaal aan? Je weet toch wel, dat Wouter geen onverstandige dingen doet!.... Geloof dat maar gerust, hoor! Wouter weet wel wat hij doen en laten mag...."

"Maar Wim zegt...."

"Wim moest zich liever met zijn eigen zaken bemoeien!" zei moeder Rubrecht scherp, maar 't speet haar dadelijk en op Anna toekomend zei ze zacht: "Nou ja, An, je weet wel hoe 'k 't bedoel, hè? Maar heusch, Wim is een goeie jongen, maar over Wouter z'n zaken kan hij niet meepraten.... Je weet toch ook wel dat Wouter tegenwoordig een aandeel in de winst heeft?...."

"Nou ja, die winst! daar gelooft-ie zelf niet aan!"

"Wat?.... Daar heeft-ie mij nooit iets van gezegd!...."

"Niet?.... Nou, 't kan zijn, dat ik 't overdrijf!.... Enfin, spreekt u er hem dan ook maar niet over!.... 't Zijn ook eigenlijk mijn zaken niet!...." En Anna liep de kamer uit.

Moeder Rubrecht was erg geschrokken. Ze had een gevoel alsof haar beenen opzwollen, ze kon ze haast niet verzetten, ze moest gaan zitten. 't Bonsde in haar keel, haar lippen brandden. En in haar gilde een stem: Daar is het! daar heb je 't al! Den heelen dag was 't haar onmogelijk helder te denken. Ze was angstig, gejaagd, ze gaf verstrooide antwoorden. Wouter at dien dag bij zijn meisje, hij kwam laat thuis. Zijn moeder was al naar bed toen hij thuis kwam. Maar zij sliep niet. Zij hoorde hem de voordeur sluiten, de trap opkomen, naar zijn kamertje gaan. 't Was vlak boven haar kamer. Zij hoorde hem stommelen op zijn kamertje. Maar al gauw werd het stil, hoorde ze alleen 't geronk van den ouden man, die naast haar lag, achterover in zijn slaapmuts. Toen draaide ze zich om, duwde 't kleine gezichtje weg in 't kussen en ze bad weer.

Toen week de angst, ze werd kalmer, ze voelde zich wegzinken in doffen weemoed.

Eindelijk sliep ze in.

VIII.

Den volgenden dag liep Wouter, die druk was geweest aan tafel, na het eten naar zijn kamer. Zijn moeder ging hem daar opzoeken. Hij liep heen en weer, zijn gezicht stond ernstig. "Wouter," zei ze, toen ze de deur achter zich gesloten had, op gedempten toon, "gaat 't slecht in de zaken?"

Hij keek haar even aan, quasi-verwonderd, maar toen keek hij een anderen kant op. "Hoe komt u daaraan, moedertje, en waarom komt u me dat zoo geheimzinnig vragen?" zei hij met een heldere stem.

"Ik weet niet, hoe 'k er aan kom, jongen," zei ze,--want Anna had haar gevraagd vooral niet te vertellen, wat zij gezegd had--"maar ik maak me soms zoo ongerust!"

"Maar daar is geen reden voor!" zei hij, haar aldoor niet aankijkend, "ben ik dan niet opgewekt .... niet vroolijk? .... doe ik dan als iemand wiens zaken beroerd gaan?...."

"Nee .... nee! .... maar, zeg, Wouter, zeg 't me nu maar .... Zou je denken, dat 't niet ging op den duur?"

"Och, wel jà .... wel jà!...."

"Waarom kijk je me niet aan?"

Toen keek Wouter haar plotseling strak aan en ze zag, dat zijn gezicht bleek was en heel ernstig. Hij kwam naar haar toe en lei zijn handen op haar schouders, wat haar goed deed, wat ze voelde als een bescherming, als een zegen. "Moeder," zei hij, en zijn stem trilde nu even, "er is heel veel in onze zaak, wat ik anders wenschen zou, maar ik ben jong, ik kan 'n boel doen, ik zal er wel komen!.... Maar vraag er me nu niet zoo dikwijls meer na', want dat benauwt me zoo! Heusch, vraag me er nu niet meer na'!...."

"Maar .... wat?...."

"Sst! stil nu, moedertje, ik kan u dat toch onmogelijk allemaal uitleggen. Laten we nu maar samen naar beneden gaan en een kopje thee drinken, hè? Want ik moet weg, ik ga van avond met Greet naar de komedie...."

En hij troonde haar mee en sprak over 't stuk, dat ze zouden geven dien avond; hij was vroolijk, hij plaagde Anna met haar nieuwe kapsel en sjouwde zijn moeder in haar stoel van het raam naar de tafel en maakte zijn vader, die, achter, zijn middagdutje genoot, bijna wakker door zijn luidruchtigheid. Maar toen hij 'n kop thee had gehad, zoende hij zijn moeder hartelijk op beide wangen en liep vlug weg.