Chapter 2
Toen nam de heer Willem Teunisse--genaamd Wim--voorzichtig tusschen iedere duim en voorste vinger een pand van zijn gekleede jas en liet zich langzaam en vol waardigheid neer op den anderen leuningstoel.
Rubrecht's aanstaande schoonzoon was boekhouder; hij was een degelijk, solied jongeling, knap in zijn vak, bescheiden tegenover oudere boekhouders, nederig en eerbiedig als hij van zijn patroon sprak; hij zou een schoonzoon worden zooals Rubrecht er zich zeker een gedroomd zou hebben, als hij ooit gedroomd had. 't Was iemand, die zijn plaats in de wereld begreep en die niet, als zoovelen tot hun ongeluk, streefde naar onafhankelijkheid, roem, eer of schatten. Zijn eer lag in de brandkast van zijn patroon, zijn roem was honderd gulden verhooging van salaris en zijn eenige schat was op 't oogenblik aan haar toilet bezig. Zoo hoorde 't! Daarbij kwam dat de heer Wim iemand was van onbesproken levenswandel, zevenentwintig jaar oud, schutter, 'n weinig mottig maar toch niet opvallend leelijk, en eigenaar van 'n miniem erfenisje en 'n gering spaarduitje, samen vormend een ruggesteuntje, dat 'n zekeren roep van welgesteldheid van hem deed uitgaan onder zijn kennissen. Deze heer had dus alle recht zich langzaam en met waardigheid te bewegen.
"Lekker weer, hè Wim," zei Rubrecht.
"Bizonder lekker weer, meneer," zei Wim, "bepaald zeer mooi weer, ziet u, haast te mooi voor den tijd van 't jaar! Wat blijft 't lang droog, vindt u ook niet?"
"Wees maar niet bang; voor we 't kwartaal afsluiten zal de regen z'n debet wel aanzuiveren," zei de oude boekhouder, en beide lachten met deftigen kraaklach om die aardigheid.
Mevrouw Rubrecht kwam weer binnen en kwam ook bij het tafeltje staan. "Ze komt dadelijk," zei ze, zenuwachtig glimlachend met 'n verstrooiden blik in 't rond. En toen tot Wim: "Vindt je die bloemen niet prachtig?--die Wouter!--goeie, royale vent, hè?--Ja, maar hij heeft nu ook 'n mooie positie!--en 't moet zoo'n lief meisje zijn, Wim--o, zoo'n lief meisje!--ja, zet nu maar niet zoo'n ongeloovig gezicht,--dacht jij misschien, dat ze wat .... wat oppervlakkig was, 'n beetje luchthartig misschien?---O, nee, Wim!--nee! dan zou Wouter nooit zooveel van 'r zijn gaan houden--heusch niet!--dat is niets voor Wouter!--Wouter is ernstig, bedaard! Hij is er de jongen niet na' om zich door 't eerste 't beste mooie gezichtje te laten inpakken!--nee! dan ken je Wouter niet!--"
"Maar mevrouw, ik...."
"Nou ja, ik weet wel, Wim, je meent 't goed .... maar, zie je, Wouter!...."
En de moeder begon met een wijden blik, die ver over de hoofden van de twee boekhouders heen aan een heerlijk lichtbeeld scheen te hangen, de moeder begon te praten over haar zoon, haar eenige, haar alles! Hij had nu een goede positie, maar hij verdiende dat ook ten volle, je moest zijn patroon, zijn aanstaanden compagnon, haar knappen broer Frits maar over hem hooren. Neen, dat stond vast, Wouter had zich een vrouw gekozen, die hem waard was! Niet dat hij dat zelf zeggen zou!--pedant was hij heelemaal niet!--Maar 't was zoo!--Wouter met zijn juisten blik, met zijn menschenkennis!
"Nee, heusch, Wim," zoo ging ze al maar door, ofschoon haar aanstaande schoonzoon al lang overtuigd scheen, "'t _is_ een engel van 'n meisje!--Weet je, dat ze zoo jong haar moeder verloren heeft!--net als ik,--treurig, hè?--Haar vader heeft er heel veel van geweten!--goeie man, haar vader!--goeie man!--hij werd gevoelig toen hij er over sprak.--Mevrouwtje, zei hij, je haalt 't zonnetje uit m'n huis!.... Toen me lieve vrouw dood was, is zij hier in huis het middelpunt geworden .... zonder haar zal 't hier uitgestorven lijken.... 't Is misschien niet goed zooveel van 'n kind te houden, zei hij, maar zooals zij ook altijd met me omging, zoo innig lief, zoo aanhankelijk...."
Mevrouw Rubrecht beet zich op de onderlip en snoof een traan op.
Wim keek haar verwonderd aan.
"En weet je, wat haar vader ook zei," ging ze weer door, "dat is iets voor jou Wim!--Hij zei, dat ze zoo'n knap huishoudstertje is.... In 't laatste jaar heeft zij de kas gehouden, de huishoudkas, .... keurig, keurig! .... 't klopt altijd prompt!"
Wim glimlachte. "Aan diversen zooveel," zei hij.
"Waarom zeg je dat nu weer, Wim? Kan dat nu weer niet, dat 'n meisje zulke dingen goed doet?...."
"Zeker, zeker!" zei Wim, knikkend met zijn gewichtig hoofd, zoodat zijn glimmende gekamde haren, op en weer wipten in zijn nek, "maar uit een volle beurs is 't makkelijk kas houden!...."
"Wat bedoel je daarmee, Wim?--je dacht toch niet dat Wouter haar om 't geld....? O, Wim, wat ken je Wouter weinig, foei!"
En vader Rubrecht, die tot nu toe al maar goedig glimlachend voor zich uit had zitten kijken zonder 'n woord te zeggen, schraapte zich nu de keel en zei: "Nee, Wim, nee!--dat is niks voor Wouter!...."
"Wie zegt dat dan ook!" zei Wim, "ik denk er niet aan...."
Maar Anna was binnen gekomen. Wim stond bedaard op, liep haar drie stappen tegemoet en gaf haar een kus op iedere wang. Ze kwam ook naar de bloemen kijken en berook de mand aan alle kanten en zei dat 't jammer was dat rozen zoo weinig geur gaven, 't Was of 't haar troostte! Wat ook wel zoo geweest zal zijn, want zelf was ze maar 'n simpel muurbloempje en heel blij dat ze toch geplukt zou worden, al was 't dan maar door 'n boekhouder, die 'n weinig mottig was.
Ze leek op haar vader, ze was een leelijk meisje, met fletse oogen en iets paffigs in haar gezicht.
De moeder liep de kamer weer uit.
"Je ma schijnt in 'r schik, vandaag," zei Wim tot zijn meisje,--"maar wat is ze zenuwachtig!"
"Gelukkig, dat ze zoo is," zei Anna--wat korzel door dat ze zoo laat was--"en niet in 'n melancholieke bui zooals eergisteren nog--en zooals zoo dikwijls."
"Zoo, zoo!--Meer dan vroeger?"
De oude Rubrecht keek op, niet meer glimlachend, 'n beetje wrevelig. "Wel nee!"--bromde hij--"niet meer dan vroeger--je moet daar niet zoo over praten, Anna,--je weet, 't zit in ma's gestel!--nee! niet meer dan vroeger--niet meer dan vroeger!"
"Waar ze nu heen geloopen is?" zei Wim, op zijn horloge kijkend, "'t is half één, Wouter en z'n meisje kunnen ieder oogenblik komen."
"Ik wed, dat ze boven uit 't raam uitkijkt, of ze 'r al aankomen," antwoordde Anna. En dat scheen 't ook te zijn geweest, want 'n paar minuten later kwam moeder Rubrecht weer binnen, even maar, om blij-gejaagd te roepen: "Daar komen ze, daar komen ze!" En meteen was ze weer weg om zelf open te doen.
De oude heer zette zich in postuur, werd nog rooder dan anders en hoestte herhaaldelijk. Wim knipte zich 'n paar stofjes van de jas, stond op, kuchte ook en was blijkbaar wat verlegen met zijn stijve figuur. Anna ging in de gang over de leuning van de trap staan kijken.
En ze kwamen. 't Moedertje kuste beiden met tranen in de oogen zoodra ze in huis waren. Vroolijk pratend kwamen ze de trap op, Anna tegemoet, die haar aanstaande schoonzuster op iedere wang een klapzoen gaf. Toen ze binnen kwamen zette vader Rubrecht zich geheel overeind, maar bij bleef bij zijn stoel staan en stak 'n hand uit. "Welkom hier," zei hij, "welkom, welkom!" En Margreetje vatte de hand en drukte haar lippen even op 'n licht plekje van 't roode gezicht. Met stralende oogen ging de oude man weer zitten. En toen kwam ook Wim haar sterk blozend begroeten.
Een kind, een mooi kind, frisch-jong, hel-blond, stralend van dartele levenslust, van dol-vermetele vroolijkheid--zoo stond daar Wouters meisje in het huis van zijn moeder. Ze was heel mooi. Ze had een slanke figuur, zacht-ronde lippen, een gezond-veerkrachtige, fiere houding. Lachend haar ongemeen bekoorlijken, welluidenden lach liet ze zich kussen, mild met lieve blikken en warme woorden. Dadelijk was ze druk aan 't praten; zij had een innemende stem, soms licht geaffecteerd, maar 't was niet hinderlijk, 't was alleen maar een beetje coquet. De bloemen vond ze "beeldig," 't mandje "dol elegant." "Wat snoezig van je, Wouter," zei ze, en opwippend op haar teenen--want ze was veel kleiner--lei ze even tegen hem aan haar mooie lijf en gaf 'm een zoen!
Wouters goedig, onbehaard gezicht glom van innig genoegen. Hij lachte kort, sprak weinig. Hij stond te wippen, keek nu eens vol trots naar zijn meisje, dan weer naar ieder van de anderen, hij trok gekke gezichten, bewegend zonder ophouden zijn wenkbrauwen en zijn mond. Er was stille triomf in zijn houding. Blijkbaar was hij blij met den indruk die zijn meisje maakte op zijn huisgenooten, blijkbaar was hij vol dolle vreugde, had hij 't wel uit willen gillen, maar hield hij zijn aandoening met veel kracht in bedwang. Hij leek op zijn moeder, wat vooral zoo sterk uitkwam doordat hij baard noch snor droeg. Toch had hij een echt mannelijk voorkomen, droog, streng, zeer gunstig, en in zijn oogen een schat van gulle goedhartigheid.
Ze stonden een poosje te praten en te lachen. Moeder Rubrecht dribbelde telkens de kamer uit en in en kwam eindelijk met een glanzend gezichtje vragen "of de kinderen kwamen koffiedrinken." Toen trokken ze naar de achterkamer met glimlachende monden, de oude vader achteraan. Hij was wat slap in zijn knieën en hij wilde niet dat Margreet dat al dadelijk merken zou.
Er was een zonnige stemming aan de koffietafel; Margreet was het middelpunt, zij moest zonder ophouden haar mooi kopje draaien van rechts naar links om iedereen te woord te staan. Anna was blij dat haar elegante aanstaande schoonzuster zoo vriendelijk tegen haar was, zij keek dankbaar op naar Wim--die naast haar zat--, alsof die 't helpen kon. De moeder tuurde al maar naar dat meisje, dat mooie meisje, die een fee geleek, een fee uit een sprookje en die toch Wouters meisje was, zijn vrouw zou worden. Dat was ze dus, dat was ze dus! En ze keek naar haar met groote oplettendheid, ze nam dat mooie beeld in zich op, niet in ééns, maar minutieus, bekijkend de oogen, de neus, de lippen, de kin, als iemand, die een portret teekent. Margreet bloosde onder dien blik. En de moeder, die dat zag begon om toch door te kunnen kijken met veel nauwkeurigheid en in logische volgorde te vragen naar Margreet's familie, haar ooms en tantes, haar neven en nichten, van vaders zij en van moeders zij. Voor iederen nieuwen naam had ze 'n uitroepje van verwondering of medelijden en het meisje daardoor aangemoedigd vertelde druk pratend door. Wouter lachte er om en plaagde zijn moeder een beetje met die instructie, maar Anna verdedigde haar, zeggend dat zij vrouwen nu eenmaal wat nieuwsgierig waren, ze hadden ook niet zulke gewichtige dingen aan 't hoofd als de heeren. De oude man zei ook nu en dan een paar woorden, maar werd doorgaans niet verstaan. Margreet boog zich dan naar hem toe en vroeg heel vrindelijk wat hij gezegd had. Maar dan kwam er alleen maar een grijns, die beduiden moest: Oolijkerd, je verstaat me best, je houdt je maar zoo.
Wim vroeg Wouter naar zijn zaken en Wouters gezicht betrok even, maar hij zei dat hij vandaag niet over zaken te spreken was. Zijn moeder hoorde dat, al luisterend naar Margreet en nam zich dadelijk voor, er 's middags haar broer naar te vragen, die kwam eten met zijn vrouw, ter eere van het feest.... Ook Margreet's vader en haar broer zouden komen.
Na de koffie gingen Wouter en Wim met hun meisjes wandelen; 't bleek dat Wim gedroomd had van een plan om met z'n vieren uit te gaan, maar Margreetje lachte hem, schijnbaar onwillekeurig, zoo hartelijk uit, dat hij verlegen werd en zijn Anna voorstelde dan ook maar dadelijk op weg te gaan, terwijl de anderen nog wat talmden in de voorkamer.
De oude heer bleef zijn pijp rooken en zijn krant lezen in een gemakkelijken matten stoel bij het linkerraam, achter, in de huiskamer, die uitzag op een binnenplaats, op een gekalkte blinde muur, vol vuilbruine regenstrepen. Toen zijn kinderen weg waren trok hij zijn jas uit.
Zijn vrouw was dadelijk druk in de weer met de meid, er kwamen immers menschen. Ze was erg gejaagd en toen alles klaar was te moe en te zenuwachtig om zelf wat te eten.
III.
Oom Frits--Wouter's toekomstige compagnon--was een man van talent. Toen zijn vader bankroet ging en de tijding tot hem kwam in Parijs, waar hij studeerde aan 't conservatoire, had hij zich eerst volkomen overgegeven aan zijn droefheid; hij had zichzelf diep beklaagd en zich laten beklagen door zijn vrinden; hij had zijn lange haren vóór over zijn gezicht gehaald en voor zich uitgestaard met wanhoopsblikken. Maar toen hij dan eindelijk goed begon te begrijpen, dat 't nu uit was met zijn lekker-lui leventje--zoogenaamd voor de kunst--met languit liggen op sofa's en gedichten maken op mooie meisjes en gloeiende feesten, met droomerig neerzitten voor een half-af schilderstuk, zacht tokkelend op de snaren van een viool--want hij deed aan alles: muziekmaken, dichten, schilderen--toen was 't hem of hij voor 't eerst in zijn leven goed wakker was! Zijn innerlijk ik, die al die kunst heel aardig vond, maar toch 't meest behoefte had aan lekker eten en drinken en een zacht bed dreef hem voort--weg uit Parijs .... terug naar zijn geboortestad! En hij ging aan 't zoeken! Hij schreef op allerlei advertenties; hij liep zijn oude kennissen af, smeekend om hulp, want zijn innerlijk ik versmaadde weinig middelen!
Zoo was hij gekomen, als "aankomend bediende" op kantoor bij een graankooper, een eenvoudig man, dien hij zoo handig wist in te palmen door zijn slim gekozen woorden en zijn fijnbeschaafde manieren en ook door zijn leepheid in 't zaken doen, dat hij in korten tijd van "aankomend bediende" procuratiehouder werd, bij zijn patroon ontvangen, aan zijn dochter voorgesteld en .... twee jaar later de zaak van zijn schoonvader overnam. Hij had den altijd bezigen ouden man net zoolang aan het hoofd gemaald van "welverdiende rust" en "kalmen ouden dag" en zoo meer, tot hij zich teruggetrokken had op een vervelend buitentje. En toen werden 'n paar nieuwe bedienden aangesteld, de viool en 't penseel weer ter hand genomen en 't ontijdig afgebroken lekker-lui leventje voortgezet. Zijn schoonvader--die den slag niet had van 't rentenieren--ergerde zich dagelijks erger, en dat was heel gevaarlijk voor hem, want hij was een dik, volbloedig man. De gevolgen bleven dan ook niet uit .... een beroerte .... en Louise en haar Frits kregen de erfenis thuis. Nu werd de zaak aan kant gedaan, bij 't huis werd een stal gebouwd, in de opera werd een loge gehuurd. Er kwamen veel gasten, goede, welmeenende vrienden, bewonderaars van oom Frits' talenten.
Tot plotseling bleek dat de zaak toch wel wat al te vroeg aan kant gedaan was, dat er wel wat al te veel verteerd was, dat 't ook al te laat was om in te krimpen wat te veel was uitgezet.... Er kwam een nare tijd van gejaagdheid en zorg en roezemoes voor dien armen oom Frits. Maar de ramp dreigde en trof en bleef niet alleen. Alles werd verkocht, tot de viool toe, en tante Louise stierf. Kinderen waren er gelukkig niet. Zoo stond dan Frits van Plaswijk op een donkeren najaarsmorgen weer heel alleen, was hij weer even ver als twintig jaar geleden en had hij zich weer de oogen uit te wrijven om ten tweeden male te ontwaken.
Maar toen was zijn familie, vervuld van bewondering voor zijn talenten en ingenomenheid voor zijn sympathieke persoon, hem te hulp gekomen. Er was--'n idee van hem natuurlijk!--een stoomwasscherij opgericht onder zijn directeurschap. Ooms en tantes, neven en nichten namen aandeelen en zonden hun wasschen. De inrichting was kranig, vooral het kantoor van den directeur, waar niets ontbrak. Daar werden ook de bestuursvergaderingen gehouden die heel gezellig waren en altijd werden gevolgd door een fijn dinétje, voor rekening van de nieuwe maatschappij. Aan 't dessert werd dan warme hulde gebracht aan den genialen stichter van deze waschinrichting.
In 't begin ging alles goed, telkens sloten zich nieuwe familieleden en goede vrienden aan. Maar toen kwam er stremming, de neefjes en vrindjes waren op. En 't "groote publiek" bleek nog niet rijp voor Van Plaswijks ideeën. Hij besteedde een paar duizend gulden aan reclame, maar 't hielp niet veel. 't Was treurig--maar 't was eenmaal zoo! Men kon toch niet van hem eischen dat hij de menschen zou gaan vragen om hun vuil linnen?
Laat ons trachten, zoo dacht toen oom Frits, de inrichting tot nog grooter volkomenheid te brengen. En hij ging op reis naar Berlijn en naar Parijs om daar stoomwasscherijen te bestudeeren. Maar dat duurde niet lang. Een telegram van een der commissarissen deed hem hals over kop terugkeeren. Zijn boekhouder, die zijn volle vertrouwen bezat, was plotseling ook op reis gegaan om de stoomwasscherijen in Amerika te bestudeeren en hij had de kas meegenomen uit voorzorg. Later schreef hij nog een brief om hulde te brengen aan het inzicht van oom Frits, voor wiens ideeën hij Amerika volkomen rijp bevonden had.
Intusschen kon Van Plaswijk's grootsche stichting 't verlies van haar boekhouder en haar kas niet lijden. Men likwideerde, de familie berustte in 't verlies en had niets dan medelijden voor hem, den man van talent, slachtoffer van zijn genialiteit en te groot vertrouwen in een medemensch!
En voor de derde maal moest Frits van Plaswijk zich wakker schudden en al de gaven, die hem tot nog toe uit den brand geholpen hadden te zamen grijpen en goed uitkijken en scherp denken. Ditmaal hield hij zijn vrienden er buiten. Hij verkocht wat hij bezat en ging ergens in een achterafbuurt wonen, heel eenvoudig. Een tijdlang zag hem niemand. Toen hij zich weer vertoonde, was 't met hangend hoofd. Hij was nu ongelukkiger dan ooit, zuchtte hij, en zijn mooie donkere oogen keken dwalend rond. Hij was verliefd, en .... hopeloos! Zij was een lief, jong weeuwtje .... ze zou hem uitlachen .... wat had ze hem noodig!.... Ze trachtten hem moed in te spreken, maar hij schudde 't hoofd. Ze vreesden, dat hij zich van kant maken zou....
Maar daar kwam opeens de blijde tijding: hij was geëngageerd! Hij was de gelukkigste mensch van de heele wereld!.... Want zij was een engel, hij aanbad haar!.... En, o gelukkig toeval! zij was ver van onbemiddeld. Nu belette ook niets hem meer een plan te verwezenlijken, dat altijd tot zijn illusies behoord had, maar in den laatsten tijd tot rijpheid was gekomen in zijn geest. Een nieuwe onderneming, die zeker slagen zou! Juist iets voor hem,--als geknipt!--Men zou er algauw meer van hooren.
Hij trouwde en openbaarde den nieuwsgierigen familiekring zijn plannen. Een groote drukkerij en uitgeverszaak zou hij oprichten. Dat was iets in den geest van den tijd. Immers door het meer en meer verbreide onderwijs groeide dagelijks het publiek voor wetenschap en litteraire kunst. 't Zou een schitterende onderneming worden. Wel had hij persoonlijk geen ondervinding van zulke zaken maar daarom zou hij zijn neef Wouter er bij halen, die er een piet in was. Hij zelf zou zich uitsluitend bezighouden met het hoogere hersenwerk, 't uitdenken van grootsche uitgeversplannen, 't confereeren met geleerden, schrijvers, illustrators, 't bijwonen van letterkundige congressen .... en wat dies meer zij.... De firma zou als eerste uitgaaf zijn eigen gedichten doen verschijnen op geschept papier............................. .....................................................................
En hij schreef aan Wouter dat zijn toekomst verzekerd was, als hij maar gauw overkwam. Want Wouter was toen in Londen. Hij zou beginnen als procuratiehouder, maar--wanneer alles goed ging--over een jaar lid van de firma worden. Wouter, die veel wist van zijn vak en er van hield, die anderhalf jaar in verschillende drukkerijen in Leipzig en Parijs gewerkt had en nu in Londen, waar hij zich gelukkig en thuis voelde--hij hield veel van Engelschen--Wouter had er eerst weinig zin in. 't Plan kwam hem te onbekookt voor en zijn ooms brieven deden hem onwillekeurig aan Holloway en Beecham denken. Maar de brieven bleven aandringen en alle bezwaren wegredeneeren--'t begon hem te duizelen--, zijn moeder ried 't hem ook aan--en ze schreef dat ze 't zoo heerlijk vinden zou haar lieveling weer voorgoed bij zich te hebben....
Zoo was hij dan toch gekomen en terstond daarop was een begin gemaakt met de toebereidselen, het inkoopen van machines, letters, het aanstellen van personeel. En alles ging uit een ruime beurs, zoodat 't Wouter wel moest bevallen.... En 't beviel hem dan ook .... zeker .... o, zeker!....
IV.
Een van Wouters eerste bezoeken na zijn terugkeer had den man gegolden die hem met de handgrepen van zijn vak vertrouwd gemaakt had, die hem, 'n jongen van zestien jaar, zóó van de lagere school, in de leer genomen had, den bekenden boekdrukker Smit. Een goedig-ruwe, luidruchtig vroolijke man, vol levenslust en werkkracht. Wouter had veel van hem gehouden, hij was een van de menschen geweest die invloed gehad hadden op zijn manier van denken en van doen, op zijn gansche optreden; hij zou hem nooit kunnen vergeten. En ook de drukker, die trotsch was op zijn vak, die er voor gloeide en 't er ver in gebracht had, hield van den leergragen jongen en was blij toen hij 'm weer zag. Vroolijk stak hij hem de groote roode hand toe. "Dat 's goed van je, dat je je ouwen baas éris op komt zoeken, hoor! .... dat 's goed! .... dat 's heel goed! .... kom 's gauw mee naar de zetterij .... kijk 's wat ik heb laten verbouwen!.... Mooi, hè?.... Ja, kijk maar 's goed rond, er is hier heel wat veranderd!.... Twee groote nieuwe persen zul je vinden in de drukkerij .... maar nou eerst mee naar boven, want je moet 'n borrel met me drinken.... En vertel nou 's, wat ga je nu doen hier?...." Zoo praatte hij door, druk, telkens hartelijk lachend tusschen zijn woorden. En dan bekeek hij Wouter weer van top tot teen. "Kerel, wat ben jij 'n mannetjesvent geworden! 'k Zou je toch herkend hebben! Waarachtig! Al had je er nog een sappeursbaard bij gehad!"
En hij de kamer uit en roepen aan de trap: "Komen jelie 's even hier, Margreet, Willem, waar zijn jelie?"
Want ze moesten ook zien wat 'n mannetjesvent Wouter Rubrecht geworden was. Eerst kwam Willem beneden, een echte sportjongen, vier jaar jonger dan Wouter, die hem ternauwernood herkende, die niet op hem gelet had vroeger, en wien hij nu ook vrijwel onverschillig was, want hij stond juist op 't punt om te gaan footballen. "Dag pa! .... bonjour meneer Rubrecht!...." En daarna Margreetje, die hem heel goed herkende en dat ook dadelijk zei met een lieven blos. Maar toen haar vader in zijn ruwe luidruchtigheid platweg vroeg: "Nou .... en .... wat zeg je van 'm .... is 't niet een knappe jongen geworden?" lachte ze maar 's en zei niets, maar bloosde nog sterker. Wouter herinnerde zich Margreet ook nog wel, maar vóór ze was binnengekomen had hij haar in zijn gedachten zóó voor zich gezien: een frisch kind van twaalf jaar met loshangende blonde haren en mooie groote kinderoogen, in een lichtblauwe katoenen jurk, stijf gestreken, met een hoog wit boezelaar er voor en twee tengere bloote armen slaphangend langs het slanke kinderlijf. Jurk en boezelaar tot op de weeke knieën en daar onderuit in helwitte kousen de stevige kuiten en dan de blinkende rijglaarzen in volle glorie!.... En inplaats van dat kind was een jonge vrouw binnengekomen--hij was even verbaasd--maar 't haar was nog even zachtblond en de oogen nog even mooi en groot en kinderlijk brutaal. Wouter werd verlegen en verward, was maar blij toen hij weer met zijn ouden baas in de drukkerij stond en naar de nieuwe machines keek en luisterde naar die vroolijke stem die hem in de ooren klonk als een oude lievelingsmelodie: "Ja, ja! jongen, werken maar, dan kom je er wel!.... Al dat geleuter van slechte tijden!.... Gekheid, hoor!.... Wat had ik toen ik begon, niets! niet dat wat op me hand ligt! ziedaar!" En hij blies op zijn vlakke hand bij wijze van illustratie.