Part 9
Zijn werk is zéér samengesteld en vol afwisseling. Eerst onderzoekt de ervaren houtvester met zijn hamer, d. i. zijn snavel, taktvol zijn boom. Hij luistert, hoe het geluid klinkt; wat de boom zegt, wat hij in zich heeft. Het ausculteeren, in de medicijnen nog betrekkelijk nieuw, was al sedert duizend jaren het voornaamste procédé van den specht. Hij vroeg, peilde, zag met het gehoor, de leemten en holten in het weefsel van den boom. Een boom, soms uiterlijk gezond en krachtig, om zijn reusachtigen bouw al aangewezen door den hamer van de marine, wordt door den specht, oneindig bekwamer beoordeelaar, rottig en aangestoken bevonden; in het gebruik zal hij op noodlottige wijze te kort schieten: het hout zal onder de constructie bezwijken, of het schip zal een lek krijgen. Als de boom grondig onderzocht is, eigent de specht hem zich gerechtelijk toe, en vestigt er zich. Het hout is voos, dus slecht, dus bevolkt, er woont een insektenstam. Er moet aangeklopt aan de poorten der stad. De bevolking vlucht in wanorde, òf over de muren òf door de zijwegen. Er hadden schildwachten moeten zijn. Bij ontstentenis daarvan, betrekt de éenige belegeraar de wacht, van tijd tot tijd het hoofd wendend om voorbijtrekkende vluchtelingen in te rekenen; daartoe dient hem voortreffelijk, een buitengewoon lange tong, die hij uitschiet zooals een slang dat doet. Die jacht geeft hem een grage maag en de inspanning windt hem op. Hij begint te zien door schors en hout heen; hij ziet de ontsteltenis van den vijandigen stam, en woont hun volksvergaderingen bij. En soms daalt hij heel gauw van den boom naar beneden, als vreesde hij een geheimen uitgang, die de belegerden in veiligheid brengt.
[Illustratie]
Een boom, uiterlijk gezond, van binnen rottig en aangevreten, welk een beeld van verschrikking voor den patriot, die nadenkt over het lot der volkeren! Toen in Rome de republiek begon te verzwakken, voelde het Romeinsche volk zich zulk een boom gelijk en er kwam een dag, dat het sidderend den specht zag neerkomen op het Forum zelf, op het tribunaal, letterlijk den praetor in de hand. Toen was er ontroering en sombere gedachten. Men zendt om de waarzeggers, zij komen: als de vogel ongestraft vertrekt, zal de Republiek sterven, blijft hij dan bedreigt hij alléén hèm, die hem in de hand heeft, den praetor. Deze magistraat, het was Aelius Tubero, doodde den vogel onmiddellijk, hij stierf zelf spoedig daarop, en de Republiek duurde nog twee eeuwen.
Dat is niet belachelijk, maar groot, want zij duurde door dit nobel beroep op de toewijding van een harer burgers. Zij duurde door het zwijgend antwoord van een groote ziel. Deze handelingen zijn vruchtbaar, zij kweeken mannen en helden; zij bestendigen den duur der volken.
Om op onzen specht terug te komen: deze werker, deze eenzame, deze groote profeet moet ook aan de universeele natuurwet gehoorzamen. Tweemaal op een jaar verloochent hij zijn aard, werpt hij zijn strengheid af en helaas! dat ik het zeggen moet: hij wordt belachelijk. Gelukkig, wie van het menschenras het niet meer dan tweemaal in het jaar is!
Belachelijk, niet omdat hij verliefd is; maar omdat hij zijne liefde op zoo kluchtige wijze uit. Op zijn Zondags uitgedost en prachtig in de veêren, de sombere tinten opgehaald met het mooie scharlaken, draait hij om het wijfje heen, en zijn medeminnaars doen hetzelfde.
Maar deze eenvoudige werklui, aangelegd op ernstige bezigheid, zijn vreemd aan wereldsch kunstvertoon en aan de gracelijke bewegingen der kolibri's, en zij zien geen kans hun hulde anders te betoonen dan door vrij linksche buigingen. Echter linksch voor ons, menschen, niet voor het voorwerp, dat zij er mee huldigen. Zij behagen er mee, en dat is het eenig noodige. Heeft de uitverkorene haar keus bepaald, dan volgt er geen gevecht. Bewonderingswaardige zeden van deze eerzame en waardige arbeiders! De andere druipen teleurgesteld af, maar met fijne en vrome kieschheid blijven zij de vrijheid eerbiedigen. Maar gij denkt misschien, dat de gelukkige en zijn schoone nu hun herdersuurtje gaan genieten, zwervend in de bosschen? In 't geheel niet! Zij gaan onmiddellijk aan het werk. „Toon je talenten,” zegt zij, „en bewijs, dat ik mij niet bedrogen heb.” Welk een gelegenheid voor een kunstenaar! Zij vuurt zijn genie aan. Van timmerman wordt hij schrijnwerker en draaier, van schrijnwerker wiskunstenaar. De regelmaat der vormen, het goddelijk rhytme wordt hem geopenbaard door de liefde. En dit is nu juist de mooie geschiedenis van den beroemden Antwerpschen smid, Quintijn Matsys, die de dochter van een schilder liefhad; om hare liefde te winnen werd hij zelf de grootsche schilder van het XVIde-eeuwsch Vlaanderen.
„_Zoo werd een zwart Vulkaan door Liefde een Appel._”
Dus gebeurt het op een goeden dag, dat de specht beeldhouwer wordt. Met de strenge nauwkeurigheid, de volkomen ronding die men alleen met den passer verkrijgt, holt hij een sierlijk gewelf uit, zuiver half bolvormig. Het wordt glad gepolijst als marmer of ivoor. Ook ontbreken hygiënische en strategische voorzorgen niet. Een bochtige nauwe ingang, die naar buiten af helt, dat de regen er niet kan binnendringen, begunstigt de verdediging; kop en snavel van den moedigen inwoner volstaan om de opening te sluiten.
En welk hart zou nu zoo iets kunnen weerstaan? Wie zou zulk een kunstenaar, zulk een kloek verdediger niet aannemen; een die met zoo grooten ijver voorziet in de behoeften van het gezin? Wie zou niet met volkomen gerustheid achter dat nobel bolwerk van dezen toegewijden kampioen, het teeder mysterie van het moederschap volbrengen! Er is dus geen weerstand, en zij nestelen zich: slechts een hymne ontbreekt.—„Hymen! O Hymenaee”!—Het is niet zijn schuld, dat de Natuur aan het genie van den specht de muze der melodie ontzegd heeft; maar in zijn schelle stem herkent men ten minste de noot van den hartstocht.
[Illustratie]
Mogen zij gelukkig zijn! Moge een lief jeugdig geslacht onder hunne oogen ontluiken en groeien. De roofvogels kunnen hier niet gemakkelijk binnendringen. Maar de slang! de vreeselijke zwarte slang! als die het nest maar niet vindt! En laat er geen kinderhand komen om den ouders hun kroost te ontrukken! En dan blijve de ornitholoog, de groote vogelvriend, vooral ver van hier.
Als de wreede mensch, dat hard en gestadig werken, die teedere liefde voor het gezin en dat heldhaftig verdedigen van de vrijheid wist te eerbiedigen, dan zou zeker geen jager dezen waardigen vogel te na komen. Een jong natuurkundige, die er een had geworgd om hem te kunnen opzetten, heeft mij gezegd, dat hij den heelen dag ziek en vol wroeging geweest was, van die hardnekkige worsteling, hij voelde zich een moordenaar.
Wilson schijnt hetzelfde ondervonden te hebben: „Den eersten dag, dat ik dezen vogel in Noord-Carolina observeerde,” vertelt hij, „heb ik hem licht aan den vleugel gekwetst; en toen ik hem in mijn hand nam, gaf hij een schreeuw als een kind, maar zoo schel en akelig, dat mijn paard schichtig werd en mij bijna had afgeworpen. Ik nam hem mee naar Wilmington, en in de straten brachten zijn aanhoudend schelle kreten de menschen aan deuren en vensters, vooral doodelijk verschrikte vrouwen. Ik reed door; in de cour van het hôtel zag ik den eigenaar naar mij toe komen met allerlei verschrikte menschen, die niet begrepen wat er gaande was. En denk nu eens aan wat een alarm, toen ik opgaf wat ik voor mijn kind en mijzelf noodig had. De hôtelhouder stond daar bleek en suf, en de anderen waren stom van verbazing. Nadat ik mij een oogenblik met hunne ontsteltenis had vermaakt, vertoonde ik mijn specht, en er volgde een algemeen geschater. Ik nam hem mee naar mijn kamer, en ging even mijn paard verzorgen. Na een uurtje kwam ik terug, en toen ik de deur opende, hoorde ik dienzelfden akeligen schreeuw, nu denkelijk veroorzaakt door de teleurstelling, gesnapt te worden, in zijn poging tot vluchten.
Hij was langs het venster naar boven geklommen, bijna tot aan de zoldering. Vlak daaronder was hij aan het sloopen gegaan. Het bed was bezaaid met groote brokken pleister; de latten van het plafond lagen bloot, wel vijftien vierkante decimeters, en er was al een gat zoo groot als een vuist in het zonnescherm, zoodat misschien na nog een uurtje, hij zich een weg gebaand zou hebben. Ik maakte een touw vast aan zijn bek en bond hem aan de tafel, toen ging ik weg om voedsel voor hem te halen; want ik wilde hem in het leven houden. De trap opgaande, hoorde ik hem weer aan 't werk, en toen ik binnen kwam, was hij bezig om de tafel te vernielen, waar hij aan vast was gelegd. Hij scheen daarop zijn woede te koelen. Hij pikte mij verscheidene malen met zijn snavel, toen ik er een teekening van wilde maken, en zijn moed en ontembare vrijheidszin maakten zulk een indruk op mij, dat ik een aanvechting kreeg hem aan zijn bosschen terug te geven. Hij bleef nog drie dagen in leven, maar weigerde alle voedsel. Met leedwezen zag ik hem sterven.”
[Illustratie]
[Illustratie: DE ZANG.]
[Illustratie]
~DE ZANG.~
Het zal weinigen ontgaan zijn, dat kamervogels, wanneer er gasten zijn en het gesprek levendig wordt, daaraan op hun manier gaan deelnemen en beginnen te kweelen en te zingen.
Dat is hun universeel instinkt, zelfs in vrijheid. Zij zijn de echo van God en van den mensch. Zij vereenigen zich met geluiden en stemmen, en paren daaraan hun poëzie en hun wilde naïeve rhytmen. In onbewuste verwantschap, ook als contrast, verhoogen zij de groote effekten in de natuur en vullen die aan: De zeevogel stelt zijn hooge schrille kreten tegenover het zware doffe slaan der golven. Met het eentonig ruischen der bladeren, die de wind beweegt, stemt zacht, het klagend koeren der tortelduiven en het kweelen van tallooze vogels; en aan de glorie der ontwakende velden beantwoordt het luid jubelen van den leeuwerik, die de vreugde der aarde meevoert ten hooge. Zoo klinkt overal vocaal-muziek uit, boven het immens instrumentaal concert der Natuur, boven die zware zuchten, die sonore geluidsgolven van dat goddelijk orgel; het is de vogelzang, die zich losmaakt van die zware basaccoorden; en de veelal vlugge, schelle tonen snijden op dien ernstigen grond, als streek een vurig violist de snaren.
Gewiekte stemmen van vuur, engelstemmen! uitingen van een intens leven, van een hooger leven dan het onze, een leven van zwerven en beweeglijkheid! In den arbeider, den eeuwig gebondene aan zijn akker, wekken zij sereenere gedachten en een droom van vrijheid.
Zooals het plantaardig leven in de lente herboren wordt met het komen der bladeren, vernieuwt zich het dierlijk leven door de terugkomst der vogels, hun liefde en hun zangen. Van dit alles weet men niet op het Zuidelijk halfrond; díe wereld is nog jong en in een staat van wording; zij moet haar stem nog vinden. De hoogste bloei van de ziel en van het leven, de zang, is haar nog niet gegeven.
Het mooie en grootsche verschijnsel op dit hooger levend deel der aarde is, dat, wanneer de Natuur haar zwijgende harmonie van bloemen en bladeren schept, haar lied van Maart en April, haar symphonie van Mei, dat wij allen dan, menschen en vogels, meetrillen in die akkoorden en het rhytme opnemen. Dan worden de kleinsten zelfs dichters, sublieme zangers soms. Zij zingen voor hun genooten, wier liefde zij verlangen... Zij zingen voor wie naar hen luisteren wil, en die eerste wedstrijd eischt van velen een ongehoorde inspanning. De mensch geeft den vogel antwoord. De zang van den een, roept den zang van den ander. Dat samengaan is ongekend in de heete zône. De schitterende kleurenweelde, die er de harmonie vervangt, schept niet zulk een band. De vogels dáár in hun juweelentooi, zijn er niet te minder eenzaam om.
Wel zéér verschillend van die uitgelezen schepsels in hun fonkelende pracht, is de vogel van onze landen, zoo simpel van kleed, zoo rijk van hart: hij leeft met de armen. Zeer weinigen maar, zoeken de mooie tuinen, de aristokratische lanen, de schaduw der trotsche parken. Allen leven met den landman. God gaf hen overal een plaats. Wouden en boschjes, lichtingen, akkers en wijngaarden, vochtige weiden en het riet der plassen, de bosschen van het gebergte en zelfs de besneeuwde toppen, iedere plaats gaf Hij zijn gevleugelde bevolking; geen plek is misdeeld van deze harmonie; en zoo is het, dat de mensch nergens gaan kan; niet zóó hoog stijgen, niet zóó laag dalen, of hij vindt er den vreugdezang, den zang der vertroosting.
[Illustratie]
Als de dag tenauwernood is begonnen, en in de stallen het klokje luidt voor de kudden, dan is ook de gele[3] kwikstaart klaar om hen te geleiden, en trippelt vroolijk om hen heen. Zij mengt zich onder het vee, en zoekt het bijzijn van den herder. Zij weet dat dier en mensch haar gaarne zien, en dat zij hen beveiligt voor de insekten. Zij zet zich rustig op den kop der runderen en op den rug der schapen. Zelden verlaat zij hen over dag en zij brengt ze getrouw weer thuis. Niet minder vast op haar post is de bergkwikstaart[4]; waar gewasschen wordt, vliegt zij om de vrouwen heen, loopt op haar hooge pootjes in het water en vraagt om kruimeltjes brood; en als met een zonderling mimisch instinct, wipt zij haar staartje op en neer met de beweging van de waschborden, alsof zij met meewerken haar loon wilde verdienen.
[3] In het fransch ~bergeronne~—herderinnetje.
[4] In het fransch ~lavandière~—waschvrouw.
De akkervogel, de vogel van den landbouwer bij uitnemendheid, is de leeuwerik; hij is zijn trouwe gezel; waar hij moeitevol de vore trekt, vindt hij de leeuwerik om hem aan te moedigen en te steunen, en een lied van hope voor hem te zingen.
HOOP, dat is het aloude devies van onze Galliërs, daarom hebben zij voor hun nationalen vogel den leeuwerik verkoren, den leeuwerik met zijn armelijk kleedje, maar zoo rijk van hart en zang!
Het schijnt of de natuur de leeuweriken misdeeld heeft. De stelling van hun nagels maakt hen ongeschikt om zich op een tak te zetten. Zij nestelen op den grond, vlak bij het arme haasje, en hun eenige beschutting is de vore. Welk een gevaarlijk, zorgvol leven, als zij gaan broeden! Wat een angst en bekommernis! Niet veel meer dan een graspolletje onttrekt den schat der moeder aan het oog van hond, van wouw en valk. Haastig moet zij broeden, haastig moet zij haar angstig kroost opkweeken. Wie zou niet gelooven, dat het arme schepsel de melancholie moet deelen van haar droeven nabuur de haas?
„Dit dier is somber, hem verteert de angst.” (La Fontaine).
[Illustratie]
Maar het tegendeel is waar: door eene wondere vroolijkheid en luchthartigheid, misschien wuftheid, en fransche zorgeloosheid, herwint onze nationale vogel, als tenauwernood het gevaar geweken is, onmiddellijk zijn zielsrust, zijn zang, zijn ontembare levensvreugd. En nog een wonder: al de gevaren, die hun leven steeds bedreigen, al die wreede beproevingen verharden hun hartje niet; zij blijven trouwhartig en vroolijk, gezellig en vertrouwelijk, en zij geven een, bij de vogels zeldzaam, voorbeeld van broederlijke liefde; de leeuwerik zal evenals de zwaluw, wanneer het noodig is, zijn gelijken verzorgen.
Maar zij hebben tweederlei steun en prikkel: het ~licht~ en de ~liefde~. In liefde leven zij het halve jaar; tot driemaal toe soms, doen zij zichzelf het zorgelijk geluk aan van het ouderschap, en den moeitevollen arbeid van een opvoeding vol onzekerheden. En wanneer er geen liefde voor hen is, dan blijft hun het licht tot opwekking. Een enkele zonnestraal is voldoende om hun den zang te hergeven. Zij zijn de kinderen van den dag. Als de morgen komt, als de horizont zich met purper kleurt en de zon verschijnt, dan gaat de leeuwerik op uit de vore, als een pijl, en draagt zijn vreugdehymne ten hemel.
Heilige poëzie, frisch als de dageraad, rein en blij als een kinderziel! Deze machtige vèrklinkende zang geeft het teeken aan de maaiers. „Het is tijd!” zegt de vader, „hoor je de leeuwerik niet?” De vogel volgt hen, wekt hen op tot den arbeid; op de heete middaguren noodigt hij hen te gaan slapen en houdt de insekten weg. Over het rustend hoofdje van het halfsluimerend meisje giet hij stroomen van harmonie.
„Geen orgaan,” zegt Toussenel, „kan het tegen den leeuwerik opnemen,” wat rijkdom en verscheidenheid in den zang betreft; geen vogel heeft die soepele toon, dat fluweelig timbre; geen zang draagt zóó ver en houdt zóó aan, en verwonderlijk is de buigzaamheid en kracht der stembanden. De leeuwerik zingt een uur lang aan één stuk door, zonder ook maar den duur van één seconde af te breken; en hij zingt terwijl hij verticaal naar boven stijgt tot een hoogte van duizend meter, stijgt door de wolken heen; en er gaat geen enkele noot verloren gedurende dit immens trajekt. Zou één nachtegaal dat kunnen?
[Illustratie]
Deze zang van het licht is een weldaad voor de wereld, en men vindt den leeuwerik bijna in ieder land, dat de zon verlicht. Zooveel verschillende streken, zooveel verscheidenheid in de soorten: huisleeuwerik, akkerleeuwerik, boomleeuwerik, bergleeuwerik, woestijnleeuwerik zelfs; leeuweriken in de zoutsteppen van Midden-Azië en leeuweriken op de door den Noordenwind gezengde vlakten van het afschuwelijk Tartarije. Het is als eene vergoeding, door de vriendelijke natuur gegeven; een teedere vertroosting van God's vaderzorg.
Maar de herfst is gekomen. Terwijl de leeuwerik achter de ploeg zijn oogst van insekten binnenhaalt, komen de gasten uit de Noordelijke landen. De lijsters zijn juist op tijd voor den wijnoogst; en trots op zijn kroon, komt ook het onzichtbaar-kleine goudhaantje. Het komt uit Noorwegen, uit de nevels, en onder een reusachtigen denneboom zingt de kleine toovenaar zijn mysterieus liedje, totdat de geweldige koude hem noopt af te zakken en zich te mengen onder het lagere volk, de „Klein-Jantjes,” die bij ons thuis hooren, en ons bekoren met hun licht vlietend zangetje.
Het wordt guurder, de vogels zoeken de menschen. De brave bloedvinken, zachtmoedig en steeds trouw gepaard, vragen met zacht en droevig gekweel om onderstand. De heggemusch verlaat haar boschjes en waagt het tot aan de huisdeur te komen, met een klagelijk trillend, eentonig stemmetje.
„Als in de eerste Octobernevels, even voordat de winter begint, de arme zijn schamele provisie van dood hout komt sprokkelen, vliegt een klein vogeltje op hem af, aangetrokken door het geluid van den bijl. Hij vliegt om hem heen, als om hem te verwelkomen, al maar zachtjes kweelend een zoet liedeke. Dat is het roodborstje, afgezonden door een goede fee tot den eenzamen arbeider om hem te zeggen, dat er nog zijn in de Natuur, die belang in hem stellen.
„Als de houthakker de sintels, die hij den vorigen dag met asch bedekte, heeft bijeengezocht, als dan de spaanders en doode takken knappen en sprankelen in de vlam, dan komt ook het roodborstje gevlogen, en viert, al zingend, het vuurtje en de vreugd van den houthakker.
„Als de Natuur den slaap ingaat, en zich dekt met den mantel van sneeuw, als men geen stemmen meer hoort, dan soms den schreeuw van de vogels uit het Noorden, die hoog in de lucht hun snelle driehoeken trekken; of misschien den Noordenwind, hoe hij loeit en in de schoorsteenen buldert van de hutten op het veld, dan komt er weer een fluitend wijsje, een zacht moduleerend gekweel, dat in naam van den scheppenden arbeid protesteert tegen die geluidloosheid, den rouw en stilstand.”
[Illustratie]
Open uw venster! och, geef hem wat kruimpjes, een paar korreltjes zaad! Als hij vriendelijke gezichten ziet zal hij binnenkomen; hij is gevoelig voor een vuurtje; dan gaat het arme schepseltje door dien korten zomer heen, weer versterkt, den winter in.
Toussenel ergert zich met reden, dat geen dichter nog het roodborstje bezong. Maar het vogeltje is zijn eigen dichter; als men zijn liedje kon opschrijven, zou het heel juist de poëzie van zijn nederig bestaan weergeven. Het roodborstje, dat ik nu bij mij heb en dat in mijn studeerkamer vrij rondvliegt, gaat bij ontstentenis van toehoorders voor den spiegel en kweelt daar zacht, zonder mij te storen, al zijn gedachtetjes voor het illusoir roodborstje, dat tegenover hem verschenen is.
[Illustratie: HET NEST.]
[Illustratie]
~HET NEST.~
ARCHITEKTUUR DER VOGELS.
IK heb, terwijl ik dit schrijf, eene belangrijke verzameling nesten van fransche vogels voor mij, door een vriend bijeengezocht. Dit stelt mij in staat te beoordeelen wat anderen over dit onderwerp schreven; het te waardeeren of misschien te verbeteren; konde maar onze begrensde taal een denkbeeld geven van die zeer bizondere kunst, veel minder verwant aan de onze, dan men op het eerste gezicht geneigd is te gelooven. Daarom is het alles waard, de voorwerpen zelf in handen te hebben, te zien en te betasten; dán pas begrijpt men hoe verkeerd het is, te willen vergelijken; men wordt daarbij onjuist en onwaar. Het zijn dingen uit een wereld, die op zichzelf staat; moet ik zeggen ~boven~ of ~beneden~ de werken der menschen? Het één noch het ander; maar absoluut verschillend; de verwantschap is een uiterlijke.
Bedenken wij eerst, dat dit allerbekoorlijkst voorwerp, het fijnste en subtielste wat men zich denken kan, alléén bestaat door kunst, behendigheid en berekening. Het materiaal is gewoonlijk zeer rustiek en niet altijd datgene, wat de kunstenaars het liefst gebruikten. De gereedschappen zijn gebrekkig. De vogel heeft niet het behendig pootje van den eekhoorn, of de tanden van den bever. Hij heeft niets anders dan snavel en poot, en een poot is heel iets anders dan een hand.—Het moet ons dus wel schijnen, of het nest een onoplosbaar vraagstuk voor hem is. Degenen, die ik vóór mij heb, zijn meest alle gemaakt van dooreengewerkte stukjes mos, kleine buigzame takjes, of lange plantenvezels; maar het is nog minder dooreengewerkt dan saamgedrukt; een soort van vilt; een samenstel van allerlei materiaal, met volharding en inspanning dicht saamgeperst; een groot werk, dat veel vlijt en energie vereischt en waarbij snavel en poot onvoldoende zijn. Het eigenlijke werktuig, is het lichaam zelf van het vogeltje, zijn borstje waarmeê het perst en drukt, tot het materiaal dicht en soepel is en zich voegt in het geheel. En het lijfje van het vogeltje is weer het werktuig, dat van binnen aan het nest de ronding geeft; door zich aanhoudend te draaien en te wenden, en van alle kanten den wand terug te drukken, slaagt het er in het nest zijn cirkelvorm te geven. Het nest is dus het individu zelf, zijn vorm, en zijn onmiddellijk overgebrachte inspanning; ik zou hier wel ~lijden~ willen zeggen, want het resultaat kon alléén verkregen worden, door een onafgebroken herhaalde drukking van de borst. Ieder enkel grassprietje is, om zijn buiging aan te nemen en te houden, duizendmaal en duizendmaal gedrukt moeten worden door het borstje; zeker met een pijnlijke beklemming van de ademhaling en mogelijk hartkloppingen.
[Illustratie]
Hoe anders de woonplaats van den viervoet. De meesten worden behaard geboren, waartoe zouden zij een nest behoeven?[5] Degenen, die bouwen of holen graven, doen het dan ook meer voor zichzelf dan voor hun jongen. De marmot is een handig mijnwerker in haar schuins hellende, onderaardsche gang, die haar beveiligt voor den wind. De eekhoorn richt zich behendig zijn aardig torentje op, dat hem voor den regen zal vrijwaren. De groote waterbouwkundige, de bever, die het wassen van het water voorziet, bouwt zich meerdere verdiepingen, die hij naar willekeur kan bewonen: alles voor het individu.
[5] Een van de uitzonderingen hierop is het konijn, dat naakte, hulpelooze jongen voortbrengt. (_Noot van den V._).
Maar de vogels bouwen voor het gezin; zorgeloos hebben zij geleefd, tusschen de bladeren gewoond, gemakkelijke buit voor hun belagers; maar zijn zij niet meer alléén, dan maakt het vooruitzicht en de hoop op het ouderschap hen tot kunstenaars. Het nest is eene schepping der Liefde.
[Illustratie]