De vogel

Part 8

Chapter 83,745 wordsPublic domain

Hij is de lente-verkondiger. De emotie van het zich vernieuwende leven, begint voor ons niet, wanneer de natuur zich dekt met het éénvormig kleed van de gewone planten; maar zij begint, wanneer wij zien hoe de eik, tusschen het harde, dorre blad van 't vorige jaar uit, zijn nieuwe loof loswringt; wanneer de iep, die rustig het ongeduld der mindere boomen om zich, liet voorbijgaan, met een luchtig groen zijn teedere twijgen gaat tinten, zijn rijzige takken, die zich in hun streng omhoog-gaan zoo fijn afteekenen tegen de lucht. Dan spreekt de natuur tot allen; haar machtige stem beroert zelfs de ziel van den wijze. Waarom ook niet? Is de natuur niet heilig? En dit verrassend ontwaken, dat alle leven oproept, zoo in het starre hart van den eik, als in zijn heerlijken hoog-opstrevenden top, waar de vogel zijn vreugde uitjubelt; is het niet, als het wederkomen van God op aarde?

Ik heb geleefd in de klimaten, waar olijf en oranje staan in hun eeuwig groen. Maar hoewel, van die keurboomen de schoonheid en bijzondere distinctie beseffende, kon ik mij toch niet gewennen aan het ééntonig, onveranderlijke kleed, dat met zijn altijd zelfde groen antwoordt op het altijd zelfde blauw van de luchten. Ik wachtte op ~iets~, op eene hernieuwing, die niet kwam. De dagen gingen, maar altijd gelijk. Geen blaadje minder, geen wolkje, nog zoo klein! „Genade!” vroeg ik, „o eeuwige natuur! Verandering voor dit veranderlijk hart, dat gij mij gaaft! Regen, slijk, storm, ik neem alles aan; maar dat van den hemel of van de aarde de gedachte aan beweging mij weer geworde! aan herleving! dat ieder jaar, het zien eener hernieuwde schepping mijn ziel verfrissche, en mij de hoop hergeve, dat er ook voor mijne ziel eene wedergeboorte komt, en dat zij met de wisselingen van slaap, van dood of winter zich nieuwe lente kan scheppen.” Mensch, vogel, de geheele natuur, zij zeggen allen hetzelfde. Door wisseling zijn wij.

Die sterke wisselingen van kou en warmte, van nevel en zon, van droefheid en blijheid, geven het karakter, het machtige eigen, aan ons Westen. De regen verveelt ons, morgen zal het weer helder zijn. Het schitterende oosten, de wonderen der tropen, bij elkaar geteld, komen niet in vergelijking met het eerste Maartsche viooltje, het eerste vogellied in April, den bloeienden meidoorn, de vreugde van het jonge meisje, dat voor het eerst weer haar licht kleedje aantrekt.

[Illustratie]

In den morgen klinkt een heldere zang, zeldzaam frisch en zuiver; het is de schallende metaalklank van den merel; en geen hart zoo droef, geen ouderdom zoo mokkend of zij hebben dáárvoor nog een glimlach. Toen ik eens op een lentedag op weg naar Lyon door Maconsche wijngaarden kwam, waarin men juist met het opbinden bezig was, zag ik een doodarm, oud blind vrouwtje, dat met een buitengewoon vroolijk accent het oude volksliedje zong:

~„Nous quittons nos grands habits pour en prendre de plus petits.”~

[Illustratie]

[Illustratie: DE VOGEL.

ARBEIDER VAN DEN MENSCH.]

[Illustratie]

~DE VOGEL.~

ARBEIDER VAN DEN MENSCH.

De gierige landbouwer,—Virgilius heeft dat juist gevoeld—gierig, en daarbij nog blind, vervolgt de vogels, die toch insektenverdelgers zijn, en verdedigers van zijn oogst.

Geen enkel zaadje voor hen, die in de regenachtige winters de wordende insecten en de larven zoeken, die ieder blaadje omkeerden en afzochten, die dagelijks duizende rupseneieren vernietigden. Maar voor de volwassen insekten zakken vol haver; en akkers vol koren voor de sprinkhanen die anders door de vogels verdelgd waren geworden.

Den blik steeds op de vore, op het oogenblik gericht, blind voor de groote harmonie, die men niet straffeloos verbreekt, heeft hij altijd de wetten verlangd of toegejuicht, die hen bestreden, die toch zijne noodzakelijke helpers zijn bij den arbeid: de vogels, de insektenjagers.

En de insekten hebben weer de vogels gewroken. Toen moest de gebannene haastig terug geroepen worden. Op het eiland Bourbon b.v. was er een prijs gesteld op het hoofd van den ijsvogel; hij verdween; maar het gevolg was, dat de sprinkhanen bezit namen van het eiland; wat zij niet verslonden, werd een dorre verbrande woestenij. Zoo gebeurde het in Noord-Amerika met de spreeuwen, de verdedigers van de maïs. En de musschen zelfs, die over het graan heenvallen, maar nog meer het verdedigen, de musschen, roovers en plunderaars zoo veel verwenscht en vervloekt,—in Hongarije heeft men gezien, dat men zonder hen niet kon bestaan, dat zij alléén den geweldigen krijg kunnen volhouden met de meikevers, met de tallooze insekten, die heerschen op de lage gronden. Men heeft de ban herroepen en die dappere „~landwehr~” in zijn eer hersteld; want zijn zij al tuchteloos, zij zijn toch het heil van het land.

Het is niet lang geleden, dat bij Rouaan in het dal van Monville, de kraaien in den ban waren gedaan. Maar toen hebben de meikevers zóó geprofiteerd, en hunne in 't oneindige verveelvoudigde larven hebben zóó gewerkt onder den grond, dat een grasland, dat men mij toonde, aan de oppervlakte geheel verdroogd was. Alle worteltjes waren afgeknaagd, en men kon het geheele weiland oprollen als een tapijt.

Het inroepen van de Natuur door den mensch veronderstelt het begrip van de Natuurorde. Zóó is de orde, en dit is haar Wet: ~Het leven heeft om zich heen, in zich, zijn vijand, dikwijls zijn gast, de parasiet, die het ondermijnt en uitvreet.~ Het bewegingloos en weerloos leven, vooral zou vernietigd worden, zonder den onvermoeiden vijand van zijn parasieten, den ijverigen jager, den gevleugelden overwinnaar der monsters.

[Illustratie]

OORLOG dus overal; ~oorlog~ naar buiten, in de tropen, waar alles aan de oppervlakte komt, en oorlog naar binnen, in ons klimaat, waar het meer in 't verborgen geschiedt, geheimzinnig en in de diepte.

In de overweldigende vruchtbaarheid van de heete zône verslinden de insekten, die moordenaars van den plantengroei, alléén het teveel. Bij ons stelen zij van het noodige. Dáár voorzien zij zich in de kwistige weelde van wild opschietende planten, van verloren zaden, van vruchten, waarmee de Natuur de wildernissen bestrooid heeft. Hier, op den afgeperkten akker, besproeid met het zweet van den landman, oogsten zij van zijn oogst, verslinden zij zijn werk en de vrucht daarvan; zij vallen zijn leven aan. Men zegge niet: „maar de winter is voor ons, hij zal den vijand dooden.” De winter doodt den vijand, die toch zou sterven; hij doodt voornamelijk de kortlevenden, wier duur samenging met den duur der bloemen, der bladen, waarvan zij leefden. Maar vóór zijn bezwijken waarborgt dat voorziend atoom het leven voor zijn nakomelingschap, en hij produceert en beveiligt, diep verborgen, vast zijn toekomst, de kiem van zijne hernieuwing. Als eieren of larven, of zelfs als volkomen insekt, levend, gewapend, slapen deze onzichtbaren in den schoot der aarde en wachten er hun tijd.

De aarde zou bewegingloos zijn! Ik zie haar golven; want in haar velden werkt die zwarte mijnwerker, de mol. En hooger in de droge gedeelten heeft de rat zijn graankelders en zit in bespiegeling op zijn hoop koren, wachtend zijn tijd. Dat alles gaat leven in de lente. Van hoog, van laag, van rechts, van links komt die opeenvolging van knagers en knabbelaars, legioenen, die elkaar afwisselen; ieder in zijn maand, op zijn dag. En de natuur richt den marsch van deze overstelpende onafzienbare mobilisatie op den arbeid van den mensch.

Eene volmaakte verdeeling van arbeid. Ieder vooruit op zijn post, en geen die zich vergist. Allen gaan recht op hun doel af, op hun boom, op hun plant. En in zulk een schrikbarend aantal, dat er legioenen gaan op één blad. Wat zult gij nu doen, arme Mensch? Hoe zult gij u verveelvoudigen? Hebt gij vleugels om hen te volgen? oogen om hen te zien? Gij kunt er zooveel dooden als gij wilt; zij zijn volkomen veilig. Maak ze af bij millioenen, zij blijven leven bij milliarden. Waar gij denkt te zegevieren met ijzer, met vuur, vernielend ook de planten zelve, daar hoort gij van terzij het lichte ruischen van het groote atomenleger, dat van een zegepraal niet merkt en onzichtbaar voortknaagt.

Luister nu: ik geef u tweeledigen raad. Onderzoek en kies de beste. Het eerste middel, en het wordt al toegepast, is, alles te vergiftigen. Drenk de zaden in kopersulfaat, bescherm uw koren met groenspaan. Daar was de vijand niet op bedacht en het brengt hem in de war. Als hij er aanraakt is hij dood, of hij zal wegkwijnen. Maar daarbij gaat het uzelf ook niet goed; die gewaagde krijgslist kan een van de geesels worden, die onzen tijd teisteren. Gezegende tijd! De brave landman begint met vergiftigen; het gekoperde graan, bij den handigen bakker gebracht, gaat gisten door het kopersulfaat; een eenvoudig handig middel; het lichte deeg rijst, zwelt, men zal er nog om vechten!

Neen, ge kunt beter doen. Kies uw partij. Bij zóóveel vijanden is wijken geen schande. Kruis uw armen, en laat hen begaan. Ga er bij liggen kijken. Doe wat die dappere deed, den avond van Waterloo; gewond lag hij neer, maar hij richtte zich nog op en keek naar den horizont. Daar zag hij ~Blücher~ en de stofwolken van het Zwarte Regiment. Toen viel hij weer terug. Het zijn er te veel!

En hoeveel recht hebt gij niet dat te zeggen! Alléén staat gij tegenover die groote samenzwering, die alle leven bedreigt. Gij kunt ook zeggen „er zijn er te veel!” Maar gij houdt vol: „dit land ziet er toch goed uit; in dit lekkere malsche gras zou ik graag mijn beesten zien loopen.” Kom, we zullen ze er heen brengen.

Er wordt al op hen gewacht. Wat zouden zonder hen die levende wolken van insekten beginnen, die op enkel bloed azen. Het bloed van het rund is goed, maar het bloed van den mensch is beter. Ga er maar heen, er midden tusschen door, ge zult goed ontvangen worden; want gij zijt een feestmaal voor hen. Die angels, die slurven, die tangen zullen grasduinen in uw vleesch; het zal een bloedige orgie worden op uw lichaam, voor den uitzinnigen dans van die uitgehongerde massa; en ze zullen niet loslaten, tot ze niet meer kunnen. Meer dan één zult ge er zien ronddraaien en sterven op de bedwelmende bron, die zijn angel heeft doen wellen. En gewond, bloedend, met zwellingen en builen overal, zult ge geen rust gelaten worden. Er komen anderen en weer anderen, altijd en zonder einde. Want is ons klimaat ook niet zoo krachtig als de heete zônen, daar staat tegenover de eeuwige regen, die zee van lauw en zoet water, die eindeloos onze landen overgiet en er de vruchtbaarheid kweekt, waarin die begonnen en wachtende levens tot rijpheid komen, die klaar staan om op te stijgen, te groeien en zich te volmaken met de vernietiging van het hoogere leven.

Ik heb gezien, en het was niet eens in de moerassen, maar op de hoogere gronden van het westen op bekoorlijk groene heuvels, bedekt met bosch of grasland, hoe daar immense poelen van regenwater bleven staan en later toen de zonnestralen ze hadden opgezogen, bleek er de aarde bedekt met eene overvloedige productie van dierlijk leven, slakken en insekten van alle soorten, een hongerend volk, gewapend, geboren met verschrikkelijke vernielingswerktuigen. Machteloos stonden wij tegenover dezen onverwachten overval, voor die krioelende, kruipende en vliegende wereld, die gereed was ons te overweldigen! Maar wij aanvaardden den strijd met behulp van een paar onverschrokken en hongerige kippen, die den vijand ongeteld en zonder praatjes verslonden. Deze Bretonsche en Vendeesche hoenders, bezield met den dapperen geest van hun land, voeren den krijg des te zekerder, daar zij het ieder op hare wijze deden. De „zwarte”, de „grijze” en de „broedster” (dat waren hun strijdnamen) rukten en corps tegen het vijandelijke leger op, en weken niet. De „Droomer” of „filosoof” werkte liever op haar eigen houtje, en het resultaat was er niet minder om. Een prachtige zwarte kat, hun metgezel in de eenzaamheid, bestudeerde ijverig de sporen van veldmuizen, joeg op hagedissen, vervolgde de wespen, en at de vliegen, altijd op eerbiedigen afstand van de kippen.

[Illustratie]

Over die kippen nog een weemoedig woord. Aan alles komt een eind en wij moesten vertrekken. Wat zou er van haar worden? Gaven wij ze weg, dan zouden ze zeker worden opgegeten. Lang hebben wij beraadslaagd. Eindelijk namen wij een kloek besluit, en in navolging van het oud geloof der wilde stammen, dat men niet gelukkiger kan sterven, dan door hen, die men liefheeft, en dat het eten van helden, helden kweekt, hebben wij een maaltijd van haar aangericht, en ze niet zonder weeklagen verorberd.

In de lente, wanneer met schrikbarend bewegen, het groote monster ontwaakt, piepend en snorrend, en kwakend en gonzend in zijn geweldigen honger, dan is het voor ons een grootsch schouwspel te zien, hoe van den hemel de universeele redder komt afdalen—in velerlei vormen, in talrijke legioenen, ongelijk van karakter en wapenen, maar alle gevleugeld, deelende in het goddelijk privilege van den Heiligen Geest, overal tegelijk tegenwoordig te zijn.

[Illustratie]

Aan de alomtegenwoordigheid van de insekten, wat hun aantal betreft, beantwoordt die van de vogels door vlugheid, door het vliegen. Het groote moment is dan, wanneer het insekt, ontwikkeld door de warmte, den vogel tegenover zich vindt, den vogel verveelvoudigd, den vogel, die van zog verstoken juist dàn een talrijk kroost heeft te voeden, met jacht en levende prooi. Ieder jaar zou op nieuw de wereld in gevaar zijn wanneer de vogel zoogen kon, of wanneer het één individu, één maag was, die gevoed moest worden. Maar het broedsel, steeds schreeuwend, of liever, niet te verzadigen, roept zijn prooi met tien, vijftien, twintig, open snavels; en zóó veeleischend zijn zij, zoo vurig is de ijver der zorgende moeder om aan die kreten gehoor te geven, dat de mees, die twintig kinderen heeft, radeloos als zij hen niet kan stillen met drie honderd rupsen per dag, er toe komt hen de hersenen van jonge vogeltjes te brengen, die zij vermoordt in de nesten.

Van onze vensters, die op het Luxembourg uitzien, kunnen wij waarnemen hoe gelijk met den winter, de nuttige krijg van den vogel met het insekt begint. Met December beginnen de jaarlijksche werkzaamheden. Het fatsoenlijk en eerzaam echtpaar merel—men zou hen ook de „bladkeerders” kunnen noemen, werkt in paren. Als na regendagen de zon weer doorkomt, ziet men hen bij de plassen, zij lichten handig en nauwgezet de bladen op, één voor één, en geen dat niet zorgvuldig wordt onderzocht.

In die sombere maanden als de slaap van de Natuur wel haar dood gelijkt, vertoont dus de vogel alléén, ons nog een stukje leven. Op de sneeuw zelfs begroette ons de merel bij ons ontwaken. Op de ernstige winterwandelingen hadden wij altijd het goudhaantje om ons heen, met zijn rap zangetje en zijn zoet en fluitend roepen. De musschen altijd meer familiaar, zaten op ons balkon. Heel precies op de uren als zij zijn, wisten zij, dat tweemaal per dag de tafel voor hen gedekt was, zonder dat hun vrijheid er bij in zou schieten.

Als fatsoenlijke werklui houden zij op met vragen zoo gauw de lente komt! En toen hun kinderen zoover waren, dat zij vliegen konden, hebben zij ze vroolijk naar ons venster gebracht, als in dankbaarheid.

[Illustratie]

[Illustratie: DE ARBEID.]

[Illustratie]

~DE ARBEID.~

DE SPECHT.

Er zijn vele onnoozele lasterpraatjes omtrent de vogels in omloop, en daarvan is wel een van de onnoozelste, dat de ~Specht~, die gaten pikt in de boomen, daarvoor de harde en gezonde uitkiest, die hem het meeste werk geven. Voor het gezond verstand is het duidelijk genoeg, dat het arme dier, dat zich met wormen en insecten voedt, daarvoor de zieke en meest aangetaste boomen noodig heeft, waar hij minder weerstand zal vinden, en die hem bovendien rijken buit beloven. En de verwoede krijg, dien hij voert, tegen dat volk van vernielers, die anders ook de gezonde boomen zouden bederven, is een zéér gewichtige dienst, die hij ons bewijst. De staat moest hem beloonen, zoo niet met eene toelage dan toch met den eeretitel van „~Behouder der bosschen~”. Maar wat doet men? Inplaats van hem te beloonen, hebben onwetende administrateurs dikwijls een prijs op zijn hoofd gesteld.

Maar de specht zou niet de ideale arbeider zijn, als hij niet werd belasterd en vervolgd. Zijn bescheiden gilde, over oude en nieuwe wereld verspreid, dient den mensch, en is hem tot leering en verheffing. Het kleed verschilt, maar het algemeene herkenningsteeken is de scharlakenroode kap, waarmee deze brave werkman veelal zijn hoofd tooit, zijn dikken, stevigen schedel. Het gereedschap, dat bij zijn vak behoort, en dat hem dient tot houweel en bijl, beitel en boor, is zijn forsche, vierkant ingeplante bek. Zijn krachtige pooten met de sterke zwarte nagels, die stevig grijpen, maken het hem mogelijk geheele dagen in hoogst ongemakkelijke houding tegen een boom of tak te zitten, altijd maar kloppend van beneden naar boven. 's Morgens alleen is hij in beweging, dan gebruikt hij zijn ledematen op allerhande wijze, zooals alle goede werkers doen, om op gang te komen, en daarna aan 't werk te blijven. Met zeldzame toewijding klopt hij een heelen dag. Dikwijls hoort men hem nog laat in den avond, hij werkt dan na, dat is dan zooveel uur winst. Zijn geheele bouw is aangelegd op dit leven van strengen arbeid. De spieren, altijd gespannen, geven een lederachtige hardheid aan zijn vleesch. De bijzonder groote galblaas duidt op hevigheid en hardnekkigen ijver bij het werken; van drift overigens geen spoor.

De meeningen over dit merkwaardig wezen, moesten wel zeer uiteen loopen. Men heeft den grooten werker geschat, naarmate men zijn werk schatte, naarmate men zelf meer of minder werkzaam was, en naarmate men al of niet, in een rustig werkzaam leven, een vloek, of een zegen des hemels, zag.

[Illustratie]

Men heeft ook willen weten, of de specht vroolijk of ernstig is; daarop kwamen verschillende antwoorden, misschien alle juist, in verband met soort en klimaat. Ik wil gaarne aannemen, dat Wilson en Audubon hem vroolijk en beweeglijk zagen. Zij bedoelen namelijk den mooien specht met gouden vleugel, van Carolina, op de grens der tropen. Die specht komt gemakkelijk en ruim aan den kost, in die warme landen, zoo rijk aan insekten. Zijn sierlijk gebogen snavel, minder hard dan die van onze spechten, schijnt er ook op te wijzen, dat hij met minder weerspannige boomen te doen heeft. Maar de fransche en duitsche spechten, die door het omhulsel van onze oude Europeesche eiken moeten dringen, hebben een heel ander werktuig; hun snavel is vierkant, zwaar en sterk. Het is zeer waarschijnlijk, dat hun dag meer werkuren heeft. Zij zijn arbeiders, die onder slechte condities werken: meer werk en minder loon. Vóóral in tijden van droogte zijn zij er jammerlijk slecht aan toe; de prooi vlucht, trekt zich verder terug, zoekt de koelte. Daarom roept onze Fransche specht den regen: „~Plieu-plieu!~” zegt het volk. In Bourgondië noemen zij den specht „procureur van den molenaar”[2]. Want als er geen water valt, moeten specht en molenaar stop zetten en hongerlijden. Maar is het geen vergissing van Toussenel, onzen grooten vogelkenner, den voortreffelijken en vernuftigen waarnemer, als hij den specht vroolijk noemt? Wáárop grondt hij die meening? Op de koddige buigingen, waarmee hij het wijfje denkt welgevallig te zijn?

[2] Men moet hier aan watermolens denken: een rad dat door stroomend water in beweging wordt gebracht.

Maar wie van ons, ook de meest ernstige, doet in hetzelfde geval niet hetzelfde. Hij noemt hem ook guit en potsemaker, omdat eens een specht, toen hij hem zag, vlug rond ging draaien. Voor een vogel, die maar zeer middelmatig vliegt, was dat misschien het wijste, wat hij doen kon, vooral tegenover zulk een uitstekend schutter. En dit bewijst voor zijn gezond verstand. De specht met zijn ongewild vleesch, had een gewoon jager rustig laten naderen. Maar van zulk een kenner, zulk een vurig vogelminnaar, had hij grootelijks te vreezen; zeker zou hij zijn opgezet, ter opluistering van een of ander museum.

Ik verzoek den beroemden schrijver, er nog eens goed over na te denken, hoe zulk een leven van onafgebroken arbeid moet werken op humeur en gedrag. De lengte van zulke werkdagen gaat verre de aangename maat te buiten van wat Fournier noemt: „aantrekkelijk werk.” De specht werkt op zichzelf, voor eigen rekening, en zeker beklaagt hij zich daarover niet; hij voelt het als zijn eigen belang, veel en zoolang mogelijk te werken. Stevig op zijn sterke pooten, in een lastige houding, blijft hij een dag waar hij is, en er nog over. Is hij gelukkig? Ik denk het wel. Vroolijk? Dat betwijfel ik. Treurig? In 't geheel niet. Het ingespannen arbeiden, maakt ons ernstig; maar het verbant ook de somberheid.

Hij echter, die onintelligent werk verricht, of de ongelukkigen, die moeten overwerken, zij zien slechts geluk in een leven zonder arbeid; het ingespannen bestaan van den specht, moet hun wel een vloek van het lot schijnen. De Duitsche handswerkman verzekert, dat het een bakker is, die zelf luierende op zijn kantoor, het arme werkvolk bedroog met slecht gewicht, en hen liet honger lijden. Nu moet hij voor zijn straf al maar werken, doorwerken tot het laatste oordeel, levend van insekten.

Een onnoozele en zonderlinge verklaring. Ik houd meer van de oude Italiaansche fabel: Picus, zoon van den tijd—Saturnus—was een held van strenge zeden, hij versmaadde de liefde en de begoochelingen van Circé. Om haar te ontvluchten, nam hij vleugels en ging zich verbergen in de bosschen. En nu heeft hij ook het menschelijke wezen verloren. Maar hij kreeg er meer voor terug: een goddelijk inzicht, voorspellend en voorziend; hij weet, wat nog komen moet, hij ziet wat nog niet is.

Een zeer belangrijk oordeel over de spechten hebben de Indianen van Noord-Amerika. Deze helden hebben wel ingezien, dat ook de specht een held is. Zij dragen graag den kop bij zich van de soort, die zij „de specht met den ivoren snavel” noemen, en gelooven dan, dat zijn moed en ijver in henzelf zal varen. Een zéér gegrond geloof, zooals de ondervinding bewijst. Zelfs het krachtigste gemoed voelt zich nog versterkt, met dat sprekend symbool steeds onder de oogen; „zoo wil ik zijn, in moed en volharding.”

Maar dit moet men in het oog houden, dat de specht, al is hij een held, altijd de vreedzame held van den arbeid is. Hij heeft geen andere eischen. Zijn vervaarlijke bek, zijn sterke klauwen, zijn voor heel andere dingen bestemd, dan voor den krijg. Hij is zoo geheel en al ingenomen door zijn werk, dat geen naijver hem ooit tot een gevecht zou verleiden. De arbeid absorbeert hem en vraagt de inspanning van al zijn vermogens.