De vogel

Part 7

Chapter 73,841 wordsPublic domain

En wel een kloek en stoutmoedig besluit, als men denkt aan den eindeloozen weg, dien zij moeten afleggen, tweemaal in een jaar, over bergen, zeeën en woestijnen, door geheel verschillende klimaten, met veranderlijke winden, onder dreigende gevaren en tragische avonturen. Voor geharde vlotte zeilers, voor de gierzwaluw, voor de lichte en levendige zwaluw, die het uithoudt tegen den valk, is het misschien eene gemakkelijke onderneming. Maar de andere soorten hebben niet die kracht, niet die vleugels; zij zijn verzwaard door overvloedig voedsel, zij leefden het verterend bestaan van liefde en moederschap; het wijfje heeft het groote natuurwerk verricht: gebouwd, gebaard, opgevoed; en hij, de man, hoe heeft hij niet al zijne kracht verzongen! Dit paar heeft een leven verbruikt: „een kracht ging van hen uit;” jaren scheiden hen reeds van de levenskracht hunner jeugd. Velen zouden kunnen blijven, maar het drijft hen voort. De zwaarsten zijn de vurigsten. De Fransche kwartel zal de Middellandsche Zee oversteken, over den Atlas trekken, over de Sahara heen, verdwijnt zij in de negerlanden; ook die verlaat zij weer, en wanneer zij eindelijk blijft aan de Kaap, dan is het omdat daar de oneindige Oceaan begint, die haar niets aan te bieden heeft dan het poolijs en denzelfden winter, die haar uit Europa verdreef.

Wat is hun zekerheid bij zulk eene onderneming? Sommigen vertrouwen op hunne wapenen, de zwaksten op hun aantal, en zij geven zich over aan hun lot! De tortelduif zegt: „op de tienduizend of honderdduizend, neemt de roover er misschien tien, en ik zal daar niet bij zijn.” Zij wacht haar tijd af; de vliegende wolk zweeft voorbij in den nacht; als de maan op is, zullen de witte vleugels niet sterk uitkomen tegen het witte licht, en zoo ontkomen zij, samensmeltend met den bleeken schijn. Ook de dappere leeuwerik, de nationale vogel van het oude Gallië, de vogel van de onverwinbare hoop, vertrouwt op het aantal; hij trekt bij dag, of liever zwerft van provincie tot provincie; vervolgd en steeds in aantal gedund, zingt hij niettemin zijn lied.

Maar waar geen aantal is en geen kracht,—wat doet de eenzame? Wat moet gij doen, arme geïsoleerde nachtegaal, die als de anderen, maar niet in gemeenschap, en zonder steun, de groote reis moet afleggen? Ach, wat zijt gij, mijn vriendje? Een stem, meer niet. Uw eenige sterkte zou u verraden. In uw donker pakje moet ge stom trekken, één met de verkleurde tinten van den herfst. Maar tóch—het blad is nog purper, het is nog niet het doffe doode bruin van het late seizoen. Waarom blijft gij toch niet? Waarom volgt gij niet liever die anderen die in hun beschroomdheid, niet verder gaan dan Provence? Daar, tusschen de rotsen, ik verzeker het u, daar zoudt gij den winter van Afrika of Azië kunnen vinden. De kloof van Ollioules is zoo goed als de Syrische valleien.

„Neen, ik moet trekken. Anderen kunnen blijven; hun zegt het Oosten niets. Mij roept mijn vroeger land; ik moet dien schitterenden hemel terug zien, de lichte ruïnes zoo weelderig begroeid, waar mijn geslacht heeft gezongen; ik moet mijn eerste liefde terug vinden, de roos van Azië, ik moet mij baden in zonnelicht.... Dáár is het levensmysterie, dáár de levenwekkende vlam, die ook mijn zang weer zal wekken; mijn stem, mijne muze, is het licht!”

En hij gaat; maar ik vrees dat hem het hartje kloppen zal als hij de Alpen nabij komt, als die witte toppen hem het gevreesde land aankondigen, waar zij hem wachten op hun rotsen, de wreede roovers van dag en nacht, gieren en arenden, al die krombekkige, geklauwde moordenaars dorstend naar warm bloed; de vermaledijde rassen, dwaselijk door den mensch bezongen; de eene helft, ~nobele~ roovers, die snel dooden en uitzuigen, de andere de ~ignobele~, die verstikken en vernielen; alle vormen van moord en dood.

[Illustratie]

Ik stel mij dan den armen kleinen zanger voor, die zijn stem verloren heeft maar niet zijn fijne intuïtie, hoe hij zonder raad of steun, verloren in die eenzaamheid, zich neerzet en wacht, om nog eens te overleggen voor hij zich begeeft in dien valstrik, de lange engpas van Savoye. Hij wacht aan den ingang, zet zich neer op een bevriend huis, dat ik wel ken, of op een boom in het geheiligde bosch van de ~Charmettes~ en hij peinst en zegt: „Ga ik over dag, dan zijn ze er allen; zij weten van onzen trek; de arend grijpt mij, 't is met mij gedaan. Ga ik 's nachts dan komt de Uhu, de uilen, het heele leger van die vreeselijke nachtspoken met oogen, die wijd opengaan in den nacht; zij pakken mij, brengen mij aan hun jongen.... Ik stakker, wat zal ik doen! Ik zal den nacht vermijden èn den dag. In de grauwe vochtige morgenuren, als de groote roofvogel, die geen nest kan bouwen, doortrokken is van den kouden, natten nevel, dan vlieg ik voorbij, onopgemerkt.... En al zou hij mij zien, ik ben al lang voorbij, vóórdat hij het zware toestel van zijn natte vleugels in beweging kan brengen”.

Goed berekend; maar toch—er kan nog zooveel gebeuren; hij kan in dat lange Savoye den Oostenwind ontmoeten, die op hem neer komt vallen en zijn kracht breekt, en zijn vleugels.... God! het is al dag geworden.... Die duistere reuzen, in October al gehuld in hun witten mantel, vertoonen op hun eindeloos sneeuwkleed een zwart punt, dat voortschiet als een pijl. Hoe dreigend en somber zien die bergen onder dat immense lijkkleed in zijn lange plooien. Die toppen zoo onbewegelijk, scheppen om en onder zich een eeuwige beweging, geweldige tegengestelde stroomen, die tegen elkander inwerkend zich woest bevechten; daar moet hij wachten. „Als ik lager ga, dan zullen die woest neerschietende bergstroomen daar in het donker, mij door hun wervelwinden meesleepen. En stijg ik naar de koude en lichte streken, dan ben ik verloren: de rijp zal mijn vleugels verlammen.”

Een uiterste inspanning heeft hem gered; het kopje naar omlaag, duikt, valt hij in Italië. Te Susa of bij Turijn blijft hij, om zijn vleugels rust te geven en te versterken. Hij is midden in de reusachtige Lombardische bloemkorf, een nest van bloemen en vruchten, waar eens Virgilius hem hoorde. Die grond is niet verouderd; nu, als toen, is de Italiaan de ~durus arator~—de moeizame ploeger,—die het land van anderen bebouwt; en nòg vervolgt hij er den nachtegaal. De nuttige insektenverdelger wordt vervolgd als een zaadeter. Laat hem dus de Adria oversteken, van eiland tot eiland, ondanks de gevleugde zeeroovers, die op diezelfde klippen uitkijken; misschien komt hij dan nog op den, voor vogels, heiligen grond, in het goede, gastvrije en weelderige Egypte, waar allen worden gespaard, gevoed, gezegend zelfs, en goed ontvangen.

[Illustratie]

Maar nog zooveel beter zou het zijn, indien niet daar in blinde gastvrijheid ook de moordenaars werden gekoesterd. Nachtegalen en tortelduiven worden er ontvangen, zeker, maar ook de arend. Op de terrassen van de Sultana's, op de balkons van de minarets—arme reiziger! Ik zie wreede schitterende oogen, die zich hierheen wenden.... en ik zie dat ge zijt opgemerkt. Blijf er niet. Het goede seizoen zal niet lang duren. De vernielende woestijnwind zal gaan blazen, en dat beteekent dood, en dorheid en het ophouden van uw schraal voedsel. Straks geen vliegje meer om kracht te geven aan wiek en stem. Denk aan het oude nest, dat ge in onze bosschen hebt achtergelaten, aan uw liefde in Europa. De hemel was er somberder, dat is zoo, maar gij schept er u een hemel. Liefde was er om u heen; zij trilden bij uw zang; en de liefste had u verkoren.... Dat is de ware zon, het schoonste Oosten. Het ééne Licht is, waar men liefheeft.

[Illustratie: VERVOLG VAN DEN TREK.

DE ZWALUW.]

[Illustratie]

VERVOLG VAN DEN TREK.

DE ZWALUW.

De zwaluwen hebben zich zonder vragen van onze woningen meester gemaakt. Zij huizen onder onze vensters, onder onze daken, in onze schoorsteenen; en zij zijn in het minst niet bang voor ons. Men zou kunnen zeggen, dat zij vertrouwden op hunne onvergelijkelijke vleugels. Doch dat is het niet; want zij vertrouwen ons ook hun nest, hunne kinderen toe. En dàt is juist de reden, dat zij baas werden in onze woningen. Zij namen niet alleen ons huis maar tegelijk ons hart.

Onze grootvader had in het buitenverblijf, waar hij zijn kinderen opvoedde, een serre, die hij voor leerkamer gebruikte. Dáár nestelden de zwaluwen, zonder zich om de gangen der familie te bekommeren, vrij in hun in- en uitgaan, opgaand in de zorg voor hun broedsel; zij vlogen door het venster en kwamen door het dak, en babbelden luide met hun kameraads, luider dan de onderwijzer zelf, zoodat hij, als de heilige Franciscus, soms moest zeggen: „Zuster zwaluw, zou je niet een beetje kunnen zwijgen?”

Het nest bleef in hun bezit; waar de moeder nestelde, nestelde de dochter en de kleindochter. Ieder jaar komen zij weer; hunne generaties volgen elkaar geregelder op dan de onze. Het gezin sterft uit, verspreidt zich, het huis komt aan anderen, maar de zwaluw keert geregeld weer, zij houdt vast aan haar recht van eigendom.

En zoo is die trekster het symbool geworden van de trouw aan eigen haard. Zóó heeft zij zich daaraan gehecht dat, wordt het huis zelf gedeeltelijk gesloopt, gerepareerd door metselaars, het toch weer wordt teruggenomen en bewoond door die trouwe vogeltjes, met hun vasthoudende herinnering.

Het is de vogel, die _keert_. En niet alleen noem ik hem zoo om zijn geregelden jaarlijkschen terugkeer, maar ook om zijne bewegingen, en de richting van zijn vlucht, die zoo sterk wisselt, maar toch cirkelvormig blijft, en altijd tot het uitgangspunt terugkeert.

De zwaluw draait en zwenkt voortdurend; zij zweeft onvermoeid in kringen over dezelfde ruimte, met de sierlijkste wendingen, die in het oneindige wisselen, maar zich nooit verwijderen. Is het om haar prooi te vangen, het mugje dat op en neer danst, zwevend op de lucht? Is het om zich te uiten in de kracht van die onvermoeibare vleugels, zonder zich van het nest te verwijderen? Om 't even, die cirkelvlucht, die eeuwig terugkeerende beweging heeft ons steeds oogen en hart geboeid, bracht ons in een droom en een wereld van gedachten.

[Illustratie]

Haar vliegen zien wij, maar bijna nooit haar zwart gezichtje. Wie zijt ge tóch, die u altijd aan onzen blik onttrekt, die slechts de lucht klievende vleugels laat zien, rappe zeisen, als die van den tijd? Maar hij gaat, gaat; gij keert, keert altijd. Ge nadert mij: gaf ik u ergernis? raakt mij bijna, wilt ge mij treffen? Ge streelt mij zóó dicht, dat ik de luchtbeweging voel en bijkans den vleugelslag.... Een vogel? een geest?.... O, als ge een geest zijt, zeg het vrij en vertel mij dan: wat is het toch dat leven scheidt van dood? Morgen zijn wij dood; zal het ons gegeven zijn op vleugels terug te keeren naar het lieve thuis, waar wij werkten en beminden? Zullen wij nog een enkel woord kunnen zeggen in zwaluwentaal, aan hen, die ook dàn nog ons hart zullen vervullen? Maar wáárom willen we vooruitloopen, waarom onzen dorst lesschen aan die bittere bron? Laat ons aan dezen vogel denken, zooals het volk zich hem dacht in de goede oude volkswijsheid, die zeker dichter de natuur nadert.

Het volk zag in de zwaluw een natuurlijke klok, die de seizoenen verdeelde, de twee groote perioden van het jaar. Met Paschen en met Sint Michiel, als de kermissen zijn en de jaarmarkten, de huur ingaat en afloopt, dan komen de zwaluwen zwart en wit, en zeggen ons den tijd. Zij sluiten een tijdperk af en openen een nieuw. Men komt dan bij elkaar, maar vindt elkaar niet altijd terug; na die zes maanden wordt deze en gene gemist. De zwaluwen keeren, maar niet voor allen, want verscheidenen zijn er vertrokken op een reis, veel langer nog dan de „tour de France.” Nog verder dan „Duitschland in.”

Onze handwerksgezellen volgden het leven van de zwaluwen, maar bij hun terugkeer vonden zij niet als deze, het nest terug. De voorzichtige vogel waarschuwt hen daarom in een oude, Duitsche spreuk; de volkswijsheid wil hem terughouden bij den huiselijken haard. De dichter Rückert maakte van die spreuk een liedje: „~Aus der Jugendzeit~” en als dacht hij zichzelf een zwaluw, volgde hij daarin haar rhytmische cirkelvlucht, haar steeds terugkomen. Een weemoedig liedje, dat, mogen enkelen er om lachen, velen tot tranen zal roeren.

De zwaluw, als men haar in de hand neemt en van dichtbij bekijkt is eigenlijk een vreemde en leelijke vogel, maar dat komt juist dáárvan, dat zij de vogel „~par excellence~” is, uitverkoren uit alle wezens voor de vlucht. Aan deze bestemming, heeft de natuur bij haar alles opgeofferd, den vorm heeft zij verwaarloosd voor de beweging; en zij is daarin zóózeer geslaagd, dat deze vogel, zoo leelijk in rust, de mooiste van allen is, wanneer hij vliegt. De vleugels zeisvormig, uitpuilende oogen, geen hals (om de kracht te verdubbelen), weinig of geen poot: alles is vleugel. Dit zijn de hoofdtrekken. Voeg daarbij nog een zéér wijden bek, altijd happend, die zich opent, sluit, en weêr opent in de vlucht. Zij eet vliegend, drinkt, baadt zich vliegend, en voedt vliegend haar jongen.

Haalt zij, in de rechte lijn, niet bij den valk, die door de lucht schiet als het bliksemlicht, zij is daarvoor veel vrijer van vlucht: zij draait en zwenkt, cirkelt, zigzagt, trekt een wirwar van vage figuren, een doolhof van wendingen, die zij kruist en overkruist in 't oneindige. De vijand, verward en verdwaasd, weet geen weg meer; zij vermoeit hem, put hem uit: hij geeft het op en verlaat haar, de steeds onvermoeide. Zij is met recht de Koningin van de vlucht; de ruimte behoort haar, door haar onvergelijkelijke lichte bewegelijkheid. Wie kan als zij op het hoogtepunt van snelheid, inhouden en wenden? Niemand! De oneindig gevariëerde jacht op een onophoudelijk bewegelijke prooi, vlieg, mug, kever, duizend insecten, die snorrend en zwevend nooit een rechte lijn beschrijven, is zeker de beste vlieg-cursus, en daardoor is de zwaluw de meerdere van alle vogels. Om dàt te bereiken, dat onovertroffen vliegvermogen voort te brengen, heeft de Natuur tot een ander uiterste moeten komen: het onderdrukken van de pootjes. Bij de groote kerkzwaluw, die gierzwaluw genoemd wordt, is het pootje tot niets geworden. De vleugel wint er bij; men gelooft dat de gierzwaluw tot tachtig mijlen in het uur aflegt. Door deze ongelooflijke snelheid wordt zij de gelijke van den fregatvogel. De poot, die daar heel kort is, wordt bij de gierzwaluw tot een stompje; als zij rust, doet zij het op haar buik, maar zij rust ook niet veel.

Contrast met al zijne natuurgenooten, is voor dezen vogel, alléén beweging, rust. Gooit zij zich van de torens, laat zij zich gaan door de ruimte, dan is het een aangenaam wiegen en zweven; de lucht draagt, ontspant haar. Wil zij zich vasthouden, dan zijn daarvoor haar zwakke klauwtjes voldoende. Maar in rust is zij machteloos, verlamd, en alles kost moeite; zij is weer het slachtoffer van de fataliteit der zwaartekracht; de eerste der vogels, is teruggevallen tot de kruipende dieren.

[Illustratie]

Het opvliegen van den grond is voor haar de grootste moeielijkheid; zij moet hoog nestelen om zich weer te laten vallen in haar natuurlijk element. In de lucht neergekomen is zij vrij, meesteres; elders slavin, van alles afhankelijk, prooi van wien haar zou willen grijpen. Haar wetenschappelijke soortnaam zegt alles: ~Apus~ = voetloos. Het groote volk van de zwaluwen, met zijn zestig soorten, dat de aarde vervult, vervroolijkt en met zijn sierlijkheid van beweging en lief gesjirp bekoort, dankt al die aangename hoedanigheden aan de misvorming van weinig, heel weinig poot. Zij zijn de roem van al wat vleugels heeft, door hun volmaakt vliegvermogen; maar te gelijk de meest gebondenen aan nest en rustplaats. Bij deze geheel op zichzelf staande familie, waar de voet den vleugel niet steunt, bepaalt zich de opvoeding tot het gebruik van de vleugels alleen, een langdurige leertijd. De jongen moeten lang in het nest blijven en daardoor ontwikkelt zich in bijzondere mate de teederheid en voorziende zorg van de moeder. De bewegelijkste der vogels is door liefde gebonden. Het nest dient niet enkel voor een kort huwelijksleven, maar het is een woning, een „tehuis”, en het belangwekkend tooneel van een moeielijke opvoeding en wederzijdsche opoffering. Er woont een teedere moeder, een trouwe echtgenoote; en veel meer: jonge zusjes, die hun best doen om de moeder te helpen, als kleine moedertjes en voedsters van kinderen, nog veel jonger dan zij. Er is moederlijke teederheid, en wederzijdsche zorg en onderricht, van kleintjes aan kleineren. Het schoonste is, dat die band blijft; in gevaar zijn alle zwaluwen zusters; schreeuwt er een, alle komen; wordt er één gevangen, dan jammeren alle en spannen zich in om haar te bevrijden.

Het is bekend, dat deze bekoorlijke vogeltjes hunne belangstelling zelfs uitstrekken tot vogels, die aan hun soort vreemd zijn. Zij hebben met hun lichte vlucht minder dan eenig andere soort, van roofvogels te vreezen, en zij waarschuwen dan ook den hoenderhof als er een in aantocht is. Hoenders en duiven kruipen weg en verschuilen zich, als zij den kreet van de zwaluw hooren, die hen waarschuwt.

Neen, het volksgeloof dat de zwaluw zoo hoog stelt, is geen dwaling.

Waarom? Zij is de ~gelukkigste~, want zij heeft de meeste vrijheid:

vrij, door haar weergalooze vlucht,

vrij, door gemakkelijke voeding,

vrij, door keuze van klimaat.

Ook heb ik, hoe ijverig ik haar taal beluisterde (het is meer babbelen tegen haar zusters dan zingen) nooit anders er uit kunnen hooren dan een zegenen van het Leven, en lof van God.

~Liberta! molto e desiato bene.~—„Vrijheid! onschatbaar goed, zoo zéér verlangd!” Deze woorden gingen aanhoudend in mij om, op het groote plein te Turijn, waar wij onze oogen niet konden afhouden van de ontelbare zwaluwen, die daar rondvlogen, met kleine vreugdegeluidjes. Zij vonden daar, afdalende van de Alpen, de gemakkelijkste woningen kant en klaar, in de gaten, achtergelaten door de steigers, in de muren der paleizen. Dikwijls, en vooral 's avonds tjilpten zij luid en schreeuwden, dat men elkaar niet verstaan kon; en zij vlogen, hals over kop, dat zij haast tuimelden, den grond scherend; maar zóó vlug waren zij weer op, dat het leek een springveer hen opgooide, of een boog hen afschoot. In tegenstelling van ons menschen, die aanhoudend naar de aarde teruggetrokken worden, schijnen zij hun zwaartekracht naar boven te hebben. Nooit zag ik juister beeld van wat vrijheid is. Het was een spelen, een zich vermeien, in het oneindige.

Zelf reizigers, verheugden wij ons in deze reizigers, die zoo zorgeloos en vroolijk het zweven opnamen. Toch was de omgeving ernstig: de Alpen, die daar den horizont begrenzen, schenen naderbij, op dat uur; de dennenbosschen, donkerden zwart in de avondschemering; de lichtschijn van de gletschers verbleekte. In dubbelen rouw scheidden ons deze groote bergen van Frankrijk, waarheen ons langzamerhand onze weg zou terugleiden.

[Illustratie]

[Illustratie: HARMONIEËN VAN DE GEMATIGDE LUCHTSTREEK.]

[Illustratie]

HARMONIEËN VAN DE GEMATIGDE LUCHTSTREEK.

Waarom plaatsen de zwaluwen en zooveel andere vogels hunne woningen zoo dicht bij die van den mensch? Hoe komen zij zoo bevriend met ons, dat zij ons volgen in onze werkzaamheden, ons daarbij vervroolijkend met hun zingen? Waarom bestaat alléén in onze gematigde luchtstreek, die harmonische band, die toch de Natuur zelve bedoelt?

Dat komt, omdat beide partijen, de vogel zoowel als de mensch, hier vrij zijn van de drukkende fataliteit, die in de warme streken hen scheidt en aan elkaar tegenoverstelt.

De warmte, die den mensch verslapt, prikkelt integendeel den vogel, kweekt bij hem de drukke bewegelijkheid, de onrust en de woestheid, die zich uit in rauwe kreten. In de tropen is er een absolute scheiding; slaven zijn zij beide van een tyrannieke natuur, die verschillend op hen drukt. Uit die klimaten in de onze te komen, is een overgang naar de vrijheid.

De natuur, die wij dáár ondergingen, beheerschen wij hier. Ik verwijder mij gaarne van daar, zonder ééns het hoofd te wenden naar dat overweldigend paradijs, waar ik, een zwak kind, machteloos lag in den arm van die sterke voedster, die mij dronken maakte met haar al te krachtig voedsel, meenende mij te drenken.

Deze hier is voor mij gemaakt, zij is mijn wettige vrouw. En van te voren gelijkt zij mij al: zij is ernstig, werkzaam als ik, zij heeft arbeidsinstinkt, en geduld.

De wisselende jaargetijden verdeelen den grooten dag van het jaar voor den arbeider; het werk wisselt af met den rusttijd. Geen harer vruchten geeft onze natuur voor niets; maar zij geeft wat meer is dan vele vruchten: nijverheid en werklust.

Met welk genot vind ik in haar mijn beeld, de sporen van mijn wil, de scheppingen van mijn kunnen en van mijne intelligentie. Grondig door mij bewerkt, omgewerkt, vertelt zij mij wat ik deed, herschept mij voor mijzelven. En ik zie haar ook, zooals zij was, vóór haar menschelijk herboren zijn, voor dat zij mensch geworden was.

Eentonig en triest voor den eersten aanblik, lagen daar bosschen en grasvlakten, maar toch zoo verschillend van wat men in de heete luchtstreken ziet.

Het grasland, het frisch-groene kleed van Engeland en Ierland, het teeder fijne tapijt van een gras, dat zich altijd vernieuwt,—niet het ruige dek van de Aziatische steppen, de vijandige, gedoornde vegetatie van Afrika, de stekelige, wilde Amerikaansche savanna's, waar de kleinste plant houterig is, een harde struik; de Europeesche weiden, met hunne vluchtige jaarlijksche plantengroei, hunne bescheiden bloempjes met een zwakken, zoeten geur, hebben een karakter van jonkheid, of laat ik liever zeggen onschuld, dat harmonie brengt in ons denken, en de ziel verkwikt. Op deze eerste laag van een bescheiden en smeeïg gras, dat geen pretenties heeft naar hoogen groei, teekent zich, door de tegenstelling, te scherper de krachtige individualiteit der forsche boomen af; een groot verschil met den warrigen groei der tropische wouden.

[Illustratie]

Wie kan uit die dichte massa van lianen, orchideeën, tallooze parasieten, de boomen ontwarren—zelf van kruidachtigen aard—die er onder zijn bedolven. In onze oude Gallische of Germaansche bosschen, verheffen zich stoer en statig, langzaam en stevig opgebouwd, de iep of de eik, de held van het plantenrijk, met zijn knoestige armen, zijn hart van staal, die acht of twaalf eeuwen overwon, en die, neergeveld door den mensch en verbonden aan zijn arbeid, de eeuwigheid der natuurgewrochten openbaart.

Zoo de boomen, zoo de mensch. Zij het ons gegeven hem te gelijken, dien krachtigen, rustigen eik, die met zijn machtig absorbeerings-vermogen alle voedingselementen in zich concentreerde, en zoo zich opbouwde tot het ernstig, nuttig, volhoudend individu, de sterke persoonlijkheid aan wie allen in vertrouwen bescherming komen vragen; die over zooveel dierlijk leven, zijn armen beschuttend uitstrekt, en ze veilig bergt in de dichte massa van zijn loof!... En in hun dankbaarheid, vervroolijken zij dag en nacht met een blij koor van geluiden, de zwijgende majesteit van dien ouden, die van eeuwen getuigen kan. De vogels danken hem, en in het patriarchale lommer brengen zij de bekoring van hun zangen, van hun jeugd en hun liefde.

O! de levenswekkende kracht van het westelijk klimaat! Waarom leeft de eik duizend jaren? Omdat hij ieder jaar weer jong is.