De vogel

Part 6

Chapter 63,793 wordsPublic domain

Uit iederen vorm van associatie weten zij voordeel te trekken. De zoetste gemeenschap, het gezin, doet hen toch nooit het verbond van verdediging vergeten, noch dat van aanval. Zij gaan nog verder, zij vereenigen zich zelfs met hun meerderen, de gieren; zij roepen ze, gaan ze voor, of volgen hen, om op hunne kosten te leven. En wat het allersterkste is: zij houden zich zelfs aan hun vijand den arend, blijven in zijn omgeving, om van zijn gevechten te profiteeren, en van zijne overwinningen op eenig groot dier. Deze slimme speculanten, wachten op een afstand, tot de arend tot zich heeft genomen, wat hij nemen kon, heeft gezwolgen in bloed; dan vliegt hij weg en het overschot is voor de raven.

Hun duidelijke meerderheid boven zeer veel vogels, moet het gevolg zijn van den hoogen leeftijd, dien zij bereiken, en van hun ondervinding, in verband met hun uitstekend geheugen. In tegenstelling met de meeste dieren, bij welke de levensduur evenredig is aan den duur van hun jeugd, zijn zij na een jaar volwassen, en leven, zegt men, een eeuw.

De groote verscheidenheid van voedsel, alles nl. wat eetbaar is in het planten- en dierenrijk, alle prooi dood of levend, geeft hun een groote kennis van dingen en tijden, van oogst en jacht. Zij stellen in alles belang en merken alles op. De ouden, die veel meer dan wij het doen, met de Natuur leefden, hebben veel voordeel er van gehad, dat zij de aanwijzingen van zulk een wijzen en voorzichtigen vogel gevolgd hebben, in velerlei duistere gevallen, waar de menschelijke ondervinding nog geen licht zag.

Ten spijt van de aristocraten onder de roofvogels, is de raaf menigmaal hun gids, ondanks zijn biddersrok en zijn mal gezicht; en ondanks zijn gebrek aan kieschkeurigheid wat zijn voeding betreft, is hij tòch de meerdere in geest van de groote soorten, waarvan hij in volume ook al weer de mindere is. Maar de raaf is toch nog alléén maar, de voorzichtige om het voordeel, de wijze uit eigenbelang. Om bij de hooger staanden te komen, de helden van het gevleugelde ras, die aartskunstenaars met hun warm hart; daarvoor moeten wij geringer volume zoeken; de stof verminderen, om den geest te verheffen en de zedelijke ontwikkeling te verkrijgen. De Natuur, als veel moeders, heeft een zwak voor de kleintjes.

[Illustratie]

[Illustratie: ~2E DEEL.~]

[Illustratie: ~HET LICHT.~

DE NACHT.]

[Illustratie]

~HET LICHT.~

DE NACHT.

„„~Licht! meer Licht!~” dit waren de laatste woorden, die Goethe sprak[1]. Het woord van het stervend genie, is de kreet van de geheele natuur, die doorklinkt van wereld tot wereld. Wat deze machtige geest zeide, hij een van Gods ouderen, dat roepen ook de laagststaanden in het dierlijk leven. De weekdieren in de diepten der zee, kunnen niet bestaan waar het licht niet doordringt. De bloem zoekt het licht, wendt zich naar de zon en kwijnt in de schaduw. Onze kameraads, de dieren, verheugen zich in het licht als wij, en missen het als het gaat. Mijn kleinzoon, pas twee maanden oud, begint te schreien als de schemer valt!

[1] Ik ben bij dezen aanhef, dien ik niet wilde weglaten, verplicht, het enthousiasme van den schrijver onder een domper te zetten. Het onderzoek van later tijd leerde ons wat hem nog onbekend moest zijn:

1º. Goethe's laatste woorden hebben niet op het geestelijk licht betrekking, maar op het daglicht. Zij volgen hier:

„Gleich darauf rief er Friedrichen zu: „„Mach doch den zweiten Fensterladen in der Stube auch auf, damit mehr Licht hereinkomme.”” Dies sollen seine letzten Worte gewesen sein.” (Goethe im Gespräch).

2º. Weet men nu dat er zéér veel dieren zijn, die wel in het donker leven.

(~de Vertaalster~).

„Dezen zomer, wandelend in mijn tuin, zag en hoorde ik op een tak, een vogel, die naar den ondergang der zon gewend, zijn lied zong. Hij richtte zich naar het licht, en scheen in verrukking... En ik was verrukt dat te zien; onze arme vogels, die zooveel missen, konden mij nooit doen voelen, wat dit intelligent en machtig schepsel mij gaf, dat zóó klein was en toch zoo hartstochtelijk bewogen... Ik trilde bij zijn zang. Hij wierp het kopje naar achteren, de borst hoog en wijd; geen dichter noch zanger was ooìt in een zoo naïeve extase.—Toch was het de liefde niet, die tijd was voorbij; het was duidelijk de bekoring van het licht, van den dag, van de heerlijke zon!

„Hoe barbaarsch toch de wetenschap, hoe steil onze trots, die de levende Natuur zóó onze mindere rekent, en zóó den mensch afscheidt van zijne nederiger broeders!

„En ik zeide met vochtige oogen: „Arm kind van het licht, die het laat schitteren in uw zang; hebt ge zooveel reden tot zingen? De nacht, voor u vol hinderlagen en gevaar, gelijkt haast den dood. Zult ge morgen misschien het licht wel terugzien?” En zijn lot overdenkend, zag mijn geest het leven van al die wezens, die van uit de diepten der schepping zoo langzaam tot het licht komen. En ik zeide als Goethe en die kleine vogel: „Licht, Heer! meer licht!”” (MICHELET, „le Peuple” 1846).

De wereld der visschen, is de wereld van het zwijgen. Men is gewoon te zeggen: „stom als een visch.” De wereld der insekten is die van den nacht, zij zijn alle lichtschuw. Zelfs zij die als de bij, bij daglicht werken, verkiezen toch de duisternis.

De wereld der vogels is de wereld van het Licht, van den zang. Allen leven van de zon, doordringen zich met zonnelicht, het licht inspireert hen. De vogels van het Zuiden weerspiegelen het licht in hun veeren; die van ons klimaat geven het in hun zang, en velen volgen het licht van land tot land. „Ziet,” zegt Saint John, „hoe zij des morgens de opgaande zon begroeten, en hoe getrouw zij des avonds zich vereenigen om haar te zien ondergaan van onze Schotsche kusten. En de auerhaan verheft zich om haar langer te kunnen zien en balanceert zich op den hoogsten tak van den hoogsten den.”

[Illustratie]

Licht, liefde en zang zijn voor hen één. Wil men den gevangen nachtegaal hooren zingen, buiten den tijd van zijn liefdezang, dan bedekt men zijn kooi, en daarna, plotseling, geeft men hem het licht terug; hij herkrijgt dan zijn stem. De rampzalige vink, door barbaren blind gemaakt, zingt met een ziekelijke en wanhopige opwinding, als schiep hij zich met zijn stem een licht van harmonie; zijn zon is het inwendig vuur. Ik mag gaarne gelooven, dat dit de hoofdreden is, waarom de vogels zingen in de sombere klimaten, waar het licht verschijnt in plotseling doorbreken, met tintelend leven. Vergeleken met de lichte landen, waar de zon nooit verduistert, zijn onze streken, met hun door nevels en wolken omsluierd licht, dat plotseling schitterend doorbreekt, als de gedekte en afgedekte kooi van den nachtegaal. Het roept den zang te voorschijn en de harmonie, die hun licht is.

[Illustratie]

En ook de vlucht van den vogel hangt af van het licht; zoowel van het oog als van den vleugel. Bij de soorten met een fijn en doordringend gezicht begaafd, als de valk, die van hemelhoog het roodborstje in de struiken ziet; als de zwaluw, die een vliegje ziet op duizend voet afstand, is de vlucht vast, stout, bekoorlijk om te zien, door haar onfeilbare zekerheid. Anderen, men ziet het aan hun bewegingen, zijn bijzienden, die voorzichtig zijn, tasten, vreezen zich te stooten.

Het oog en de vleugel, de vlucht en het gezicht, tot zulk een graad volkomen, dat zij vermogen met één blik eindelooze verten te omvatten, immense landen, ja, koninkrijken; en niet ze te omtrekken als een landkaart, maar te zien in hun geheele verscheidenheid van détails; ze waar te nemen, te bezitten, bijna God gelijk! O welk een bron van genot! vreemd en mysterieus geluk, den mensch bijna onbegrijpelijk!.. En weet ook, dat dit zien zóó scherp en levendig is, dat het zich vastprent in het geheugen, zóózeer, dat zelfs een duif—die toch tot de lager staande dieren behoort—herkent en terugvindt alle bizonderheden van een éénmaal afgelegden weg. Wie spreekt nu nog van den wijzen ooievaar, de slimme raaf, de verstandige zwaluw!

Erkennen wij die meerderheid! Laat ons de vreugde der visie zonder afgunst aanzien; misschien gewordt zij ook ons, in een beter bestaan. Het geluk van zoo veel, zoo ver, zoo goed te zien, de oneindigheid te doordringen met blik en wiek, bijna even snel, wanneer krijgt men die?—In het leven, dat ons verwijderd ideaal is. ~Het leven in het volle licht en zonder schaduw.~

Het bestaan der vogels is er reeds een voorproef van. En voor hen zou het een goddelijke bron van kennis kunnen zijn, als zij in hun sublieme vrijheid niet de twee fataliteiten te dragen hadden, die het leven op onze aarde in een staat van barbaarschheid houden, en de vlucht naar hooger belemmeren.

[Illustratie]

De fataliteit van het lijf, die ons allen gekluisterd houdt, maar die vooral de vijand is van die levende vlam, van dat verterend vuur, den vogel; die van hem vordert, onafgebroken te zoeken, te zwerven, te vergeten, hem onherroepelijk veroordeelt, tot de onvruchtbare beweeglijkheid van te wisselende indrukken. De tweede fataliteit is de nacht, de slaap, de uren van duisternis en gevaar, als zijn vleugels verlamd zijn, en weerloos overgeleverd, hij het vermogen te vliegen verloren heeft, en zijn kracht en zijn licht. ~Licht~ wil zeggen, veiligheid voor alle leven.

~Licht~ waarborgt leven voor mensch en dier; het is de geruststellende, vredige, sereene glimlach van de Natuur, hare openheid. Zij maakt een einde aan de sombere angsten, die met de duisternis mee komen, aan vrees, maar al te gegrond, en ook aan de niet minder wreede kwellingen van de droomen, aan de troebele gedachten, die de ziel verwarren en verbijsteren.

In de zekerheid, die hij op den duur verkreeg door het maatschappelijk leven, is de mensch nauwelijks meer in staat de angsten en gevaren door te voelen van een leven in de wildernis, op de uren, waarin de Natuur zoo weinig verweer meer overlaat; waar haar wreede onpartijdigheid den weg baant voor den dood, die zoo wettig is als het leven. Zij zegt den vogel, dat ook de uil moet leven. Zij antwoordt den mensch: „Ik moet mijn leeuwen voeden...”

Leest in de reisbeschrijvingen, de angsten van de rampzalig verdwaalden in de Afrikaansche wildernissen; van den ongelukkigen slaaf, die de menschelijke barbaarschheid ontvlucht, om een barbaarsche Natuur te ontmoeten. Welk een doodsangst, als na zonsondergang de sinistere voorloopers van den leeuw gaan rondsluipen, de wolven en jakhalzen, die hem op een afstand vergezellen, hem voorafgaan al speurend, hem volgen als zijn lijkbidders. Zij mauwen u toe met hun gejank: „Morgen zal men uw beenderen zoeken.” O ontzetting! Dáár is hij vlak bij u... hij ziet u... kijkt, brult dof en diep, uit den afgrond van zijn metalen keel; hij keurt zijn levende prooi, wil haar, eischt haar voor zich! Het paard verdraagt dat niet! Het siddert en rilt onder het koude zweet—het steigert... De man, gebukt tusschen twee vuren, als hij nog kans ziet die te ontsteken, behoudt nauwelijks genoeg kracht om dat licht-bolwerk, zijn éénige kans op redding te onderhouden.

Maar even schrikkelijk is de nacht voor de vogels van ons klimaat, al schijnt dat minder gevaarlijk. Welke monsters verbergt hij, wat een afschuwelijke kansen voor hen in zijn duisternis! En al de vijanden hebben dìt gemeen, dat zij komen zonder geluid; de uil vliegt zoo stil, of hij met watten gevoerd is. De lange wezel dringt in het nest, zonder één blad te beroeren; de felle steenmarter, door het warme bloed geprikkeld, is zóó vlug dat hij in één oogenblik een heele familie vermoordt en uitzuigt. Het schijnt, dat de vogel, wanneer hij jongen heeft, begaafd is met het tweede gezicht waar het deze gevaren betreft. Hij heeft een kroost te beschermen, dat nog zwakker, nog weerloozer is dan dat van de viervoeters, wier jongen bij hun geboorte al loopen kunnen. Maar welk eene bescherming! Hij kan niet veel anders doen dan blijven en sterven; hij vliegt niet weg, de liefde verlamde zijn vleugels. Den geheelen nacht wordt de ingang van het nest bewaakt door den vader, die niet slaapt en niet waakt, uitgeput is van vermoeienis, en het gevaar alléén zijn zwak bekje kan bieden en zijn wankelend kopje. Wat moet het, als hij den gruwelijken muil zal zien van de slang, het vreeselijk oog van den nachtvogel, onnatuurlijk vergroot?

[Illustratie]

Hij vreest voor de zijnen, niet voor zich alléén. In den ongepaarden tijd spaart de natuur hem de kwellingen van het vooruitzien. Hij is niet bang, maar treurig en somber; hij zwijgt, hij maakt zich klein, en steekt het kopje in de vleugels; zijn hals verdwijnt zelfs tusschen de veeren. Deze houding van berusting en vertrouwen neemt hij iederen avond aan, te midden van gevaren en onbeschermd; het was zijn houding in het ei; die rustige moederlijke gevangenis, waar hij volkomen veilig was.

Somber is voor alle wezens de avond, zelfs voor hen, die beschermd zijn.

De Hollandsche schilders hebben het naïef gevoeld en uitgedrukt voor het vee in de weide. Het paard sluit zich dicht aan zijn makker, rust zijn hoofd tegen hem aan. De koe komt voor het hek met haar kalfje, wil terug naar stal. Want die hebben een stal, een verblijf, een plaats waar zij veilig zijn voor de nachtelijke lagen. De vogel heeft voor dak een blad, meer niet.

Maar welk een jubel dan in den morgen, als de verschrikkingen verdwijnen met het donker; als alle boschjes, alle struiken verlicht worden! Welk een gekweel en druk gebabbel bij de nesten! Het is als een wederzijdsch gelukwenschen, dat men elkaar terug ziet, dat men nog leeft. En dan komt het zingen! De leeuwerik stijgt kweelend op uit de vore en draagt den jubel der aarde mee ten hemel.

Zoo de vogel, zoo de mensch. Het is zoo over de geheele wereld. De oude Indische Veda's zijn in iederen regel een hymne aan het licht, den levensbehouder van het leven; aan de zon, die iederen nieuwen dag de aarde openbaart en doet herboren worden en behoudt. Wij herleven, wij ademen, wij doen de rondte in onze woning, wij hervinden het gezin, wij tellen onze kudden. Er is niets dood, het leven is gebleven. De tijger is ons niet overvallen; de horden der roofdieren zijn niet over ons losgebroken. De zwarte slang heeft geen misbruik gemaakt van onzen slaap. Gezegend zijt gij, o zon, dat gij ons weder een dag geeft!

Alle dieren, zoo zeggen de Indiërs en vooral het wijste dier: de olifant, begroeten de zon en danken haar in den morgenstond; in zichzelf zingen zij haar een hymne van erkentelijkheid. Maar één enkele spreekt het uit, zegt het voor allen, zingt het. Wie? Een der zwakken; hij die het meest den nacht vreest, en de grootste vreugde voelt in den ochtend; hij die leeft van het licht, wiens fijne gezichtswerktuigen, oneindig gevoelig, vèrziend en doordringend, alle détails waarnemen; hij die het nauwst verbonden is aan de lichtwisselingen, het gaan en komen van den dag.

De vogels zingen de morgenhymne, en spreken den zegen over den dag, voor de geheele natuur. Zij zijn priesters en auguren van het licht, en ook zijn schuldeloos goddelijke stem.

[Illustratie]

[Illustratie: STORM EN WINTER.

DE TREK.]

[Illustratie]

STORM EN WINTER.

~DE TREK.~

Een van natuur's vertrouwden, een heilige ziel, eenvoudig en diep, ~Virgilius~, zag de vogels, zooals de oude Italiaansche wijsheid hen zag, als waarzeggers en profeten van de atmosferische wisselingen:

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . „Noit leedt een landman, die bytyts paste om te kycken, By regen lantschade, of de wackre kraenevlught Streeck, eer de regen quam gevallen uit de lucht In een gezoncken dal uit 's hemels hooge streecken; . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De zwaluw snaterbeckte en vloogh rondom het meer. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De raven, keerende uit de weiden langs de dorpen, Aen 't klappen slagh op slagh de pennen tegens een. Al 't zeegevogelte, en wat, om de weiden heen Van Asiën en in Kaïstus koele plassen, Zyn aes zoeckt, valt alreede aen 't plassen en aen 't wassen, Besprengt zyn pluim, waerop geen water vat, om stryt, Of loopt naer d'oevers toe zich dompelen; dan kryt En schreeuwt d'ontruste kraey luidtkeels om regenvlaegen En springt op 't drooge zant in eenzaamheit. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Gy kunt, eer u de lucht het schoone weder geef En heldren zonneschyn niet min dit zien en stercken By regenachtigh weêr, uit zek're en wisse mercken: . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . D'Ysvogel, die op zee, zyn element moet leven, Zal zich op 't zandigh strant met uitgespreide schacht Dan baekren in de zon, die heet is in haer kracht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . de nachtuil zonder bedt Die op het ondergaen des zonnewagens let, Zal dan vergeefs, bij nacht, op 't dack nog spade klaegen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De raven schreeuwen boven Tot drywerf uit haer nest met een benaude keel. Zy ruisschen reis op reis, beholpen al geheel Met onderling vermaeck, en boven haer gewente Om hoogh op 't hooge nest, in loof van tack of ente: En 't lust haer, alzoo dra de lucht den regen staeck, Te vinden 't kleen gebroet en broeinest haer vermaeck.”

(VONDEL: Virgilius „Lantgedichten”).

In hooge mate elektrisch-gevoelig, staan de vogels meer dan eenig ander wezen in verbinding met tal van meteorologische verschijnselen van warmte en magnetisme, die voor onze zintuigen niet zijn waar te nemen. Zij voelen die bij hun ontstaan, bij hun eerst beginnen, voor zij zich ons nog openbaren. Het is een soort van physiek tweede gezicht. Is het dan niet natuurlijk, dat de mensch, minder fijn waarnemer, die pas na het gebeurde voelt, deze aankondigers raadpleegt? Zoo handelden in de oudheid de auguren; die zoogenaamde dwaasheid van de ouden, was diepe wijsheid.

In 't bijzonder zou de meteorologie er veel nut van kunnen hebben; zij had dan zekerder middelen. Maar ook zij heeft reeds een gids gevonden in het voorspellen der vogels. En had Napoleon in 1811 maar rekening gehouden met den onnatuurlijken vroegen trek uit het Noorden! Ooievaars en kraanvogels hadden hem wel ingelicht! Aan hun buitengewoon vroeg trekken, had hij dan geweten, hoe een lange en vreeselijke winter stond te komen. Zij repten zich naar het Zuiden—en hij bleef te Moscou.

De vermoeide vogel, die midden op den Oceaan, tegen den nacht neerstrijkt, op den mast van een schip, wordt door dat bewegelijk rustpunt ver uit zijn koers gebracht; toch vindt hij die gemakkelijk terug. Hij staat in zulk een volkomen betrekking tot de aarde, en is zoo juist georiënteerd, dat hij den volgenden morgen zonder aarzelen zijn weg neemt. Een kort oogenblik van beraad met zichzelf, is voldoende. Hij kiest boven dezen immensen afgrond, die grenzenlooze eenzaamheid, waarop de vore van het schip één enkel spoor trekt, de juiste lijn, die hij moet volgen voor zijn doel. Het is daar niet als op het land; geen enkel herkenningsteeken, geen merk, geen leiddraad. Alleen de luchtstroomingen, in verband misschien met die van het water, mogelijk ook onzichtbare magnetische stroomingen, zijn de loodsen van dien kloeken reiziger.

[Illustratie]

Wonderbaar weten! Niet alleen wéét de zwaluw, dat de insecten, die hem hier ontbreken hem elders wachten, en hij zoekt ze, trekkende volgens de lengtegraden; maar op dezelfde breedte in hetzelfde klimaat weet de wielewaal van de Vereenigde Staten, dat de kersen rijp zijn in Frankrijk, en hij vertrekt zonder aarzelen, om onze vruchten te oogsten. Zij vergissen zich, die meenen, dat deze trek in zijn seizoen, op onbepaalde tijden, plaats heeft, zonder keus van den dag. Wij hebben het tegendeel kunnen waarnemen, en het zeer scherpzinnige, nauwkeurige vooruit bepalen, dat vooraf gaat: geen uur vroeger of later. Dat gebeurde, toen wij te Nantes waren, in October 1851; het seizoen was nog heel mooi, en insecten waren er voor de zwaluwen nog in overvloed; toen hadden wij de gelukkige kans, die wijze republiek in een buitengewoon talrijke en zeer levendige vergadering, te zien bijeenkomen. De conferentie werd gehouden op het dak van een kerk, de Sint Félix, die de Erdre beheerscht, en van ter zijde de Loire. Waarom juist deze dag en dit uur? Wij wisten het niet, maar wij zouden het al spoedig begrijpen. 's Morgens was de lucht helder, maar er woei een wind uit de Vendée. Mijn dennen steunden, en uit den ceder kwam een lage diepe toon. De vruchten bezaaiden den grond; wij gingen ze rapen. Gaandeweg betrok de lucht tot een zwart grijs, de wind ging liggen; alles was somber. Toen, het was tegen vier uur—kwamen op dat zelfde moment en van alle kanten, uit het bosch, over de Erdre, van de Loire, van de stad, van de Sèvre, onafzienbare legioenen bewoners aanvliegen, genoeg om den dag te verduisteren. Zij streken neer op de kerk, in dichte massa, duizend stemmen, duizend kreten, en twist en woordenstrijd. Zonder die taal te kennen, begrepen wij heel goed, dat er oneenigheid was. Misschien hadden de jongen, terug gehouden door den lauwen adem van dezen herfst, nog willen blijven. Maar de wijzen, zij, die ondervinding hadden, de beproefde reizigers, stonden op trekken. Zij wonnen het pleit; de zwarte massa, zich plotseling uitspreidend als een machtige wolk, nam de vlucht naar het Zuid-Oosten, waarschijnlijk naar Italië. Zij waren nog geen driehonderd mijlen ver (ongeveer vijf uur vliegens), of alle sluizen des hemels openden zich, om de aarde te overstroomen. Een oogenblik dachten wij aan een zondvloed. En terug in ons huis, dat schudde onder de woeste windstooten, bewonderden wij de wijsheid van die gewiekte zieners, die zoo voorzichtig het tijdstip van hun jaarlijkschen trek hadden teruggezet.

Het kon toch niet de honger zijn, die hen verdreven had.

Te midden van een nog mooie en rijke natuur, hadden zij het juiste oogenblik gevoeld, gegrepen, zonder het toch te vroeg te nemen. Den volgenden dag ware te laat geweest. Alle insekten, neergeslagen door die geweldige regens zouden zijn verdwenen, niet meer te vinden; wat den storm overleefd had, zou in den grond zijn gevlucht.

Ook is het niet alléén de honger, het verschiet van hongerlijden, dat de trekvogels tot trekken beweegt. Zouden ook al de insekteneters gedwongen zijn te vertrekken, de vogels, die van bessen leven, hadden kunnen blijven. Wat drijft hen? Is het de koude? De meesten konden die verdragen. Bij deze bijzondere redenen moet nog een andere gevoegd worden, een meer algemeene, hoogere; het is de behoefte aan _licht_.

Zooals de plant onvermijdelijk licht zoekt en zon, zooals het weekdier (wij zeiden het reeds) naar hooger zoekt en bij voorkeur in de lichtere waterlagen leeft, zoo lijdt ook de vogel met zijn zeer gevoelig oog onder de korte dagen, onder de herfstnevels. Deze vermindering van licht, die ons uit moreele redenen soms aangenaam is, is voor hem somberheid en dood.... Licht, licht, meer licht!... liever sterven, dan geen licht meer zien! Dat is de ware zin van den laatsten herfstzang, van den laatsten kreet als zij gaan trekken in October. Ik hoorde het in hun afscheid.

[Illustratie]