Part 5
Egypte doet nog meer voor hen: het vereert hen, en is hun welgezind. Al bestaat niet meer hun oude kultus van aanbidding, zij vinden er toch de vriendschappelijke gastvrijheid uit den tijd der Pharao's. Vraag aan den Egyptischen fellah, waarom hij hun aanvallen, hun oorverdoovende kreten verdraagt, waarom hij de onbeschaamde kraaien niet weert van de hoornen der buffels, van de bulten der dromedarissen of van de dadelpalmen, waarop zij bij scharen neerstrijken, dat de vruchten vallen. Hij zal niet antwoorden. De vogel mag daar alles. Ouder dan de pyramiden, is hij de oudste bewoner dezer landen. De mensch is er door hem. De mensch zou er niet kunnen bestaan, zonder het onafgebroken werken van ibis en ooievaar, kraai en gier. Vandaar een algemeene sympathie voor de dieren, een ingeboren teederheid voor al wat leeft, die de bekoring is, meer dan iets anders van het Oosten. Het Westen heeft andere aantrekkelijkheden: Amerika schittert met zijn zonlicht en de pracht van zijn klimaat; maar het Oosten heeft een geestelijke bekoring: de éénheid die men voelt in een wereld waar de mensch zich niet heeft afgescheiden van de natuur; waar de oude band nog hecht is, waar de dieren niet weten, waarom men den mensch vreezen moet. Men zal er om glimlachen misschien, maar het is een liefelijke gewaarwording dat vertrouwen op te merken; te zien hoe op een roep van den brahmaan de vogels in zwermen komen en eten uit zijn hand; te zien hoe op de daken der pagoden de apen hun familieleven leiden, spelen, jongen zoogen, veilig en gerust, zooals zij leven zouden in de diepste diepten der bosschen.
[Illustratie]
„Te Caïro,” zegt een reiziger, „voelen de tortelduiven zich zoo wel onder de publieke bescherming, dat zij leven midden tusschen het gewoel. Den geheelen dag zag ik hen zitten koeren op de luiken van mijn vensters, in een heel nauwe straat, bij den ingang van een rumoerige bazaar, en dat in den druksten tijd van het jaar, kort voor den Ramadan, als de huwelijksceremonieën dag en nacht de straten vullen met gedruisch en misbaar. De platte daken, hoewel de dagelijksche wandeling van de gevangenen van den harem en hare slaven, worden toch door vogels omzwermd. De arenden slapen in goed vertrouwen op de omgangen der minarets.”
De overwinnaars hebben altijd die zachtheid, die teederheid voor de levende natuur belachelijk gemaakt. De Perzen en de Romeinen in Egypte, onze Europeanen in Indië, de Franschen in Algerië, hebben dikwijls die onschuldige broeders van den mensch, de voorwerpen van aloude vereering mishandeld en gedood! Een Cambyses doodde de heilige koe, een Romein de ibis of de kat, die zooveel ongedierte opruimen. En wat is deze koe? Het symbool der vruchtbaarheid van die streek! En de ibis? De gezondheid! Roei die dieren uit en het land wordt onbewoonbaar. Datgene, wat ondanks alle rampen Egypte en Hindostan in hunne vruchtbaarheid heeft behouden, is noch de Nijl, noch de Ganges; het is, dat de dieren er ontzien worden, het is de zachtmoedigheid van den mensch.
Het woord, dat de priester van Saïs tot Herodotus sprak heeft een diepen zin: „Gij zult altijd kinderen blijven!”
En dat zullen wij ook, wij Westerlingen, met ons kunstig en subtiel redeneeren; dat zullen wij, zoolang wij niet eenvoudiger, zuiverder en dieper gaan zien in het wezen der dingen. Een kind zijn, dat is het Leven zien bij gedeelten. Mensch zijn, het voelen als een harmonische eenheid. Het kind speelt, breekt en verwerpt; zijn pleizier is vernielen. Dat is ook de kinderlijke wetenschap; zij moet dooden om te kunnen leeren; het eenige gebruik, dat zij weet te maken van een levend wonder, is het eerst te ontleden.
Geen van ons, wetenschapsmannen, is doordrongen van dien heiligen eerbied voor het Leven, die de natuur weet te beloonen door ons hare mysteriën te openbaren.
Gaat in, in die katakomben, waar, zooals het klinkt in onze hoogmoedige taal, „de gedenkteekenen slapen van een tijd van barbaarsch bijgeloof.” Bezoek de Indische en Egyptische verzamelingen: bij iederen stap vindt ge de naïeve en toch diepe intuïtie van de mysteriën van Leven en Dood. Laat u niet misleiden door den vorm, beschouw die dingen niet als een gebouw, met kunst opgetrokken door de hand der priesters. Onder dat grillig complex, onder het drukkend heerschen van het priesterdom, zie ik in die dingen het werken van twee faktoren, die het alles doordringen met een roerende teederheid:
~Het pogen, de zielen der geliefden te redden van de schipbreuk des doods.~
~Het innig samenleven van den mensch met de natuur.~ Het vrome voelen voor het sprakelooze dier, der goden dienaar, en de beschermer van het leven der menschen.
Het intuïtief gevoelen der Ouden, zeide hun wat in onzen tijd de slotsom is van waarneming en wetenschap; dat de vogels de agenten zijn der eeuwige hernieuwing op aarde, die het proces der stofwisseling bespoedigen.
Vooral in de zengende zônen, waar alle stilstand verderf zou brengen, is de vogel, zooals Egypte het noemt: het heilbrengende vaartuig dat de doode hulsels opneemt, en ze heenvoert, daar waar het Leven is, in de wereld der reine dingen.
En de dankbare en vrome ziel der Egyptenaren heeft die weldaden gevoeld, en zij wenscht geen gelukssfeer, waar haar weldoeners zouden worden uitgesloten. Zij wil geen redding voor zich alléén. Zij verbindt de dieren aan haar eigen onsterfelijkheid. Zij wil, dat de heilige vogel haar vergezelt in het duistere rijk, als droeg hij haar op zijn wieken.
[Illustratie]
[Illustratie: ~DE DOOD.~
DE ROOFVOGELS.]
[Illustratie]
~DE DOOD.~
~DE ROOFVOGELS.~
Mijn somberste oogenblik, in de tijden, toen ik voor mijne gedachten het alibi van de Natuur zocht, was, toen ik voor het eerst den kop van den adder ontmoette. Het gebeurde in een zeer belangrijk Museum van anatomische nabootsingen. Deze kop, verwonderlijk juist gereproduceerd en zéér vergroot, zoodat hij aan den kop van een tijger of jaguar herinnerde, deed in zijn afschuwelijk voorkomen aan iets nog afschuwelijkers denken; want nu zag men in afgrijselijke naaktheid, met hoe oneindig veel voorzorgen, met welk een wreed doorzicht, deze geweldige moordmachine gewapend werd. Niet alléén, dat de tanden, groot in aantal, en vlijmend gescherpt zijn; dat zij in hun werk worden bijgestaan door een vernuftige reserve van vergif, dat op de plaats doodt; maar bovendien hebben zij voor hunne bijzondere fijnheid, waardoor zij zeer licht breken, eene vergoeding, die misschien geen ander dier heeft; die vergoeding is een magazijn van wisseltanden, wanneer er één met het bijten mocht afbreken. O, wat een zorgen om te dooden! Wat een maatregelen, dat het slachtoffer niet zal ontsnappen. Welk een liefde voor dit afgrijselijk schepsel!... Het ergerde mij en ik leed. Mijne eeuwige Moeder, de Natuur, bij wie ik troost kwam zoeken, had mij afgeschrikt met de wreede onpartijdigheid van haar Moederschap.
Ik ging somber heen, en de nevelen om mijn ziel waren dichter, dan die van dien duisterste der winterdagen. Ik was gekomen als zoon, ik ging heen als wees, en mijn vertrouwen in een Voorzienigheid voelde ik wegzinken.
Niet minder pijnlijk zijn onze gewaarwordingen, wanneer wij in de dierentuinen, die oneindige reeksen van roofvogels zien, roovers bij dag en bij nacht; vogels, maar gruwelijk van voorkomen; spookachtige verschijningen, eene verschrikking voor den dag zelf. Smartelijk treft ons de aanblik van hun wreede wapenen; nog niet eens die geweldige snavel, want die kan den dood geven met één enkelen slag; maar die pooten, die scherpe klauwen, die martelwerktuigen, die de sidderende prooi vastklemmen, en het lijden van den vreeselijken doodsstrijd rekken.
[Illustratie]
O, onze aardbol is nog een barbaarsche wereld; jong nog, en in een toestand van ontwerp en proefneming; nog onderworpen aan een wreede slavernij: duisternis, honger, dood, angst. Den dood zou men kunnen aannemen als een doortocht, eene inleiding, een toegang tot betere werelden. Maar het lijden! helaas! was het dan nuttig voor ons, dat dàt ons werd bestemd? Ik voel het lijden, ik zie het, ik hoor het, in alles en óveral. Om het niet te hooren, dat de draad van mijne gedachten niet breken zou, moet ik mijne ooren dicht houden, want het zou mijne energie dooden, mijn zenuwleven ondermijnen; inspanning zou mij onmogelijk worden, ik zou niet meer voort kunnen, en mijn leven en arbeid zouden onvruchtbaar blijven onder den druk van het medelijden.
En toch—is niet het lijden een waarschuwing, een prikkel om zich gereed te houden en te voorzien, om met alle middelen den ondergang te voorkomen? In de school van het lijden worden wij wakker geschud; het is de opwekking tot voorzichtigheid voor al wat leeft, tot een machtig zich verzamelen en beheerschen van de ziel, dat zij zich gespannen houdt; want zij zou zich laten gaan op hare natuur, zich laten verweekelijken door geluk en de zachte aandoeningen, die verzwakken.
„Zou men niet kunnen zeggen, dat het geluk een centrifugale werking heeft, een aantrekking die ons zieleleven los maakt en doet uitvloeien naar buiten; het verstrooit en ontbindt, en ons eindelijk, lieten wij er ons op gaan, tot de elementen zou doen wederkeeren. Maar het lijden trekt ons samen, scherpt onze aandacht op één punt, concentreert alle aandoeningen, onderhoudt het wezen, sterkt en verzekert het.
„Het lijden is als de aartskunstenaar, die ons maakt, ons vormt en ons uitbeeldt zonder mededoogen, met de fijne punt van zijn scherpen beitel, die het te wild uitgroeiende leven afsnijdt. En wat overblijft, fijner en tóch sterker, wint door het verlies zelf de gave van een rijker leven.”
Deze berustende gedachten werden mij bijgebracht door eene schrandere vrouw, eene die ook het lijden kende, en die—vóór ik zelf het deed—mijne verwarring en twijfel voelde. „Zoo de mensch, zoo de wereld,” zeide zij nog. De aarde zelf werd door lijden volmaakt. De natuur heeft haar bewerkt door de geweldige daden van hare dienaren des doods. Hunne verdwenen en uitstervende soorten, zijn de herinneringen en de getuigen van den vorigen toestand van den aardbol, toen het lagere leven krioelde, en de Natuur ~moest~ ingrijpen om die overstelpende vruchtbaarheid te besnoeien. Wij zien in gedachten de reeks van de opeenvolgende noodzakelijke vernietigingen, die de aarde toen had te ondergaan.
De dampkring, voor de ademhaling onbruikbaar, moest gezuiverd worden door de plantenwereld. Maar die planten groeiden aan in verstikkende dichtheid, zij dekten de aarde als met een vacht; toen kwamen de wegvretende insekten als redders, later weer tot een plaag geworden. Van die insekten en kruipende dieren zuiverde haar het giftig reptiel; en eindelijk toen het hoogere leven, het gevleugelde leven zijn vlucht nam, werd het in den overdadigen groei van zijn jonge vruchtbaarheid een schot gezet door de vernietigende legioenen van de machtige roovers, arend, valk of gier.
[Illustratie]
Maar deze nuttige vernielers verminderen gaandeweg, nu zij niet meer zoo noodig zijn. De groote massa van kleine kruipende dieren, in hoofdzaak de slachtoffers van de tanden der adders, heeft al veel van zijn dichtheid verloren, en ook de adder wordt zeldzaam. En daar ook de wereld van gevleugeld wild sterk gedund is, òf door den vernielenden mensch, òf door het verdwijnen van sommige insekten, waarvan de kleine vogels leefden, verminderen weêr de vreeselijke lucht-tyrannen. De arend wordt zeldzaam, zelfs in de Alpen, en de onzinnig hooge prijzen, waarmee tegenwoordig de valk betaald wordt, schijnen er op te wijzen, dat die eerste, edelste van de roofvogels bijna is uitgestorven.
Zoo neigt dus de Natuur naar minder geweld. Zegt men daarmede dat de dood ooit verminderen kan? Niet de dood, maar het lijden.
En de wereld komt langzamerhand onder de éénige Macht, die de noodwendige verhouding weet van Leven en Dood; die den dood kon regelen zóó, dat het evenwicht tusschen de levende soorten behouden wordt; ze begunstigen kan al naar hun nut of onschadelijkheid, en die den dood kon vereenvoudigen, verzachten, en—het woord zij mij toegestaan—kan moraliseeren, door haar snel en pijnloos te maken. Ook verzetten wij ons niet in ernst tegen den dood. Hij is toch maar het masker van de groote levenstransformaties. Maar ernstig verwerpen wij de gruwelijke wreedheid van het lijden; en dit nu zal in den loop der tijden van de aarde verdwijnen. De handlangers van het lijden, de gruwelijke beulen van het Leven, die het onder martelingen vernielen, worden al zeldzamer hier op aarde. In waarheid, als ik in het Museum die naargeestige verzameling van nacht- en dag-roofvogels zie, dan betreur ik niet sterk den ondergang van díe soorten. Want, al geeft het beschouwen van al die gevleugelde roovers een zekere voldoening aan den geweldenaar in ons, om onze bewondering voor kracht, tòch spreekt duidelijk uit dat somber masker hun lage aard. Geweldig bevoorrecht in hun vleugels, en den krachtigen gekromden snavel, levert hun jammerlijk gedrukten schedel het bewijs, dat er voor hen niet de minste noodzaak is, eenig intellekt te gebruiken. Hun samenstel, dat hen de vlugsten van de vluggen maakt, de sterksten der sterken, heeft hen ontheven van veel behendigheid, list en taktiek. Men is geneigd hun moed toe te kennen; maar wáár hebben ze gelegenheid dien te toonen, tegenover altijd mindere vijanden. Vijanden? Neen, slachtoffers. Als het ruwe jaargetijde, de honger, de kleine vogels tot trekken noopt, dan vliegen zij in massa dien dommen tyrannen in den bek, die onnoozelen; toch verre de meerderen, in vele opzichten, van hun moordenaars. Die kunstenaars onder de vogels, de zangers, de behendige nestbouwers, door kou en honger worden zij overgeleverd aan de gemeene roovers; aan den arend, aan den buizerd, wordt een maaltijd voorgezet van nachtegalen.
[Illustratie]
De afplatting van den schedel is het minderwaardigheidsteeken van die moordenaars. Ik vind het in de hoogst geroemden, de meest bewonderden, zelfs in den edelen valk. Edel! zijn adel betwist ik hem te minder, omdat hij in onderscheiding van den arend en de andere beulen, den dood weet te geven met één slag, afkeerig zijn prooi te martelen. Deze vraten, met hun gering hersenvolume, vormen een sterk contrast met zooveel aardige in 't oog vallende, pittige vogels onder de mindere soorten. De kop van de eersten is enkel snavel, maar de anderen hebben een gezicht. Welk een vergelijking is er te maken tusschen deze grove reuzen en het menschelijk intelligente vogeltje, het roodborstje, dat op dit oogenblik om mij heen fladdert; dan op mijn schouder zit, dan op het papier kijkt naar wat ik schrijf, zich warmt bij het vuur en nieuwsgierig uit het venster ziet of de lente nog niet haast komt.
[Illustratie]
Moest ik kiezen uit de roofvogels, dan koos ik nog minstens even graag den gier als den arend. Onder de vogels heb ik nog niets zoo grootsch, zoo imposant en indrukwekkend gezien, als onze vijf Algerijnsche gieren (in den ~Jardin des plantes~), naast elkaar gezeten als Turksche pacha's, in hun sierlijken halskraag van het teerste witte dons, en met den nobelen grijzen mantel. Een divan met ernstige ballingen, die schijnen te peinzen over 's levens wisselingen, en over de politieke feiten, die hen uit hun land hebben verjaagd.
Wat is het wezenlijk verschil tusschen den arend en den gier? De arend is tuk op bloed en levend vleesch, maar eet ook wat dood is. De gier doodt zelden, en dient het leven; want hij hergeeft het, en brengt in den grooten kringloop terug, wat in ontbinding is, en zijn bederf op andere stoffen zou overbrengen. De arend leeft bijna uitsluitend van moord, en men kon hem den handlanger van den Dood noemen; de Gier echter is de dienaar van het Leven.
[Illustratie]
De arend werd om zijn kracht en schoonheid een symbool voor meer dan één krijgshaftig volk, dat als hij, leefde van doodslag. De Perzen, de Romeinen namen dat symbool aan, en de grootsche gedachtenbeelden door de macht en grootheid van die rijken opgewekt, vereenzelvigde men met den arend. Ernstige mannen, een Aristoteles, namen het dwaze sprookje over, dat hij in de zon zou kunnen zien, en dat hij om zijn jongen op de proef te stellen hen in het zonlicht liet kijken. Eens op dien weg der verdichting, was er geen houden meer aan bij de geleerden. Buffon ging het verste: hij prijst den arend om zijn matigheid. Hij verslindt niet iets geheel. Wat daar van waar is, is dit, dat wanneer de prooi wat groot is, hij zich op de plaats verzadigt en niet veel meê thuis brengt. Ook zegt hij, dat deze vorst van het luchtruim ~kleine dieren versmaadt~. Maar waarneming bewees juist het tegendeel. De gewone arend valt gaarne het vreesachtigste van alle wezens aan, de haas; de steenarend maakt het liefst jacht op eenden. De kleine arend verkiest veldmuizen, en met zulk een graagte, dat hij ze ineens opslokt zonder één snavelstoot. De witstaart-arend schijnt zelfs zijn eigen jongen te dooden, en dikwijls verdrijft hij ze, vóórdat zij zichzelf kunnen voeden. In de buurt van Hâvre was ik eens in de gelegenheid achter de waarheid te komen omtrent de nobele eigenschappen van den arend, en wat er is van zijn matigheid. Een arend, die op zee was gevangen, maar in al te goede handen was gekomen, nl. ten huize van een slager, had zich zoo gemakkelijk geschikt in het geval dat het vleesch hem gewerd zonder strijd, dat hij niets schijnt te betreuren. Arend-Falstaff, doet hij zich te goed, en denkt niet meer aan vechten en jagen, en aan het oneindig luchtruim. Ziet hij niet meer in de zon, hij ziet des te meer naar de keuken, en voor een lekker hapje laat hij zich door de kinderen aan zijn staart trekken.
Gaat rang naar kracht, dan is niet de arend de eerste, maar de vogel „Rock” uit de Duizend en Eén Nacht: de Condor, de reus van de bergreuzen, van de Cordilleras. Hij is de grootste gier, de zeldzaamste, de schadelijkste, die bijna niets anders eet dan levende prooi. Treft hij een groot dier, dan stopt hij zich zoo vol, dat hij zich niet meer bewegen kan; men doodt hem dan met stokslagen.
Om juist over die soorten te kunnen oordeelen, moet men het nest van den arend gezien hebben; een soort slordige, slecht geconstrueerde vloer; vergelijk dat grof, onhandig werk, ik zeg nog niet eens, met dat sierlijk kunststukje, het nest van de vink, maar met wat de insekten doen, met de ondergrondsche gangen van de mier b.v., waarin dit nijver insekt met een verwonderlijk inzicht een oneindige verscheidenheid weet te brengen.
De traditioneele achting voor den moed der groote roofvogels, krijgt ook een flinken stoot als men bij Wilson ziet, hoe een klein vogeltje den grooten zwarten arend vervolgt en plaagt, en hem niet met rust laat, tot hij uit zijn gebied is verjaagd. Een zeldzaam tafreel—die kleine held, die om meer indruk te maken, zijn gewicht bij zijn kracht voegt, hooger en hooger stijgt en zich uit de wolken laat vallen op den rug van den grooten roover; daar zit hij te paard en laat niet los, en gebruikt zijn snaveltje als sporen. En zonder nog naar Amerika te gaan kunt ge al in den „~Jardin des plantes~” de overmacht waarnemen, van het kleine op het groote, van den geest op de stof, in het eigenaardig samenleven van den raaf met den lammergier. De slimme raaf, de verstandigste van alle roovers, een schoolmeester gelijk in zijn zwart pakje, werkt aan de beschaving van den ruwen gast, zijn medegevangene, den lammergier.
Het is vermakelijk te zien, hoe hij hem leert spelen; hoe hij hem, om zoo te zeggen, menschelijk wil maken, en op honderderlei manieren met allerlei spelletjes zijn ruwe natuur probeert te ontbolsteren. Vooral wordt dit schouwspel vertoond, als de raaf een groot aantal toeschouwers heeft. Ik heb meenen op te merken, dat hij er voor bedankt met zijn wijsheid te pronken voor één enkel getuige. Hij houdt rekening met zijn publiek, en zoo noodig weet hij zich er door te doen respecteeren. Ik heb hem met zijn bek steentjes zien teruggooien naar een kind, dat er mee naar hem gegooid had. Het merkwaardigste spel, dat hij zijn grooten vriend opdringt, is, dat hij hem een stok laat vasthouden, waaraan hij zelf trekt aan den anderen kant. Deze schijnvertooning van een worsteling tusschen kracht en zwakheid, deze gefingeerde gelijkheid, is heel geschikt om den barbaar tot zachtheid te stemmen; hij blijft onverschillig, maar geeft aan het aandringen toe, en schikt zich met een soort van half getemde goedmoedigheid.
[Illustratie]
De raaf is niet in het minst bevreesd voor dit groote dier, met zijn onverwinbare klauwen en haaksnavel, hard als ijzer, die met één slag zou dooden. Met de zekerheid van een hoogstaanden geest, tegenover deze logge massa, beweegt hij zich om hem heen, neemt hem zijn prooi uit den bek. De ander bromt, maar te laat. Zijn goeverneur, veel vlugger van beweging, heeft met zijn schitterend zwart, staalglanzend oog, de beweging al gemerkt; hij springt op zij, desnoods één of twee takken hooger, en hij bromt ook, een vermaning schijnt het.
Dit lustig personage heeft bij zijn fratsen een bijzonder voorrecht: het kontrast van zijn ernstig rouwkleed. Ik placht er dagelijks een te zien in de straten van Nantes, op het poortje van een gangetje; in halve gevangenschap troostte hij zich in zijn gekortwiekten toestand door een loopje te nemen met honden. De straathonden liet hij gaan. Maar als zijn ondeugende blik viel op een eleganten rashond, die zijn moedwil waardig was, dan sprong hij hem handig van achteren op zijn rug en gaf hem twee korte pikken met zijn zwarten snavel; jankend vluchtte dan de hond weg, en rustig, gewichtig en voldaan, betrok de raaf weer zijn post. Nooit zou men gedacht hebben, dat zoo'n biddersfiguur op die manier zijn tijd kortte.
Men zegt, dat in de vrijheid, sterk door hun gemeenschapsgevoel en hun groot aantal, zij in hun stoute stukken zoo ver gaan, dat zij, als de arend afwezig is, de vermetelheid hebben zijn eieren te rooven uit het nest. En wat moeielijker te gelooven valt, men beweert, zwermen raven gezien te hebben, die terwijl de arend tegenwoordig was en zijn gezin verdedigde, hem met hun gekrijsch verdoofden, hem aanvielen, er uit trokken en een jong meenamen!
Zooveel moeite en gevaar voor zulk een povere buit! Indien het waar was, zou men moeten veronderstellen, dat de wijze en voorzichtige republiek te dikwijls geplaagd en vervolgd door den tyran van de streek, de uitroeiing van zijn stam had besloten, en meende met een alles trotseerende toewijding het besluit te moeten uitvoeren.
Hun wijsheid blijkt uit tallooze voorbeelden, vooral uit de weloverlegde keus van een verblijf. De raven, die ik heb waargenomen te Nantes van een van de heuvels van de Erdre, trokken 's morgens over mijn hoofd weg, en kwamen 's avonds terug. Zij hadden blijkbaar een huis in de stad en een huis buiten. Overdag betrokken zij observatieposten op den toren van de kathedraal, speurende naar de smakelijke beten, die de stad hun had aan te bieden. Verzadigd, trokken zij dan naar de bosschen terug, of naar de goed beveiligde rotsen, waar zij graag den nacht doorbrengen. Het zijn gezeten burgers, geen zwervers. Zeer gehecht aan hun gezin, vóóral aan hun gade, waarvan zij de zeer getrouwe echtgenoot zijn, moest hun eenige verblijfplaats hun nest wezen. Maar de vrees voor de groote nachtvogels, noopt hun, twintig of dertig te gelijk zich 's nachts bij elkaar te houden, een aantal voldoende voor een gevecht, als dit noodig mocht blijken. Hun haat en afschuw is de uil; als zij dien overdag vinden, nemen zij wraak voor zijn nachtelijke misdrijven: zij jouwen hem uit en zitten hem na, tot zij hem, gebruik makende van de verwarring, waarin zijn benarden toestand hem brengt, gemakkelijk kunnen dooden.
[Illustratie]