De vogel

Part 4

Chapter 43,551 wordsPublic domain

Het is duidelijk dat deze vogel-mensch, toen hij weer onder de menschen terug was gekeerd, niemand vond, die hem wilde aanhooren. Die geheel nieuwe oorspronkelijkheid van uiterst-nauwgezette waarneming; dat zeldzaam vermogen tot individualiseeren, (het eenige middel om een levend wezen naar waarheid weer te geven) juist die eigenschappen hebben zijn welslagen in den weg gestaan. Nòch de uitgever, nòch het publiek wilden iets anders dan fraaie, hooge en vage algemeenheden, getrouw aan het recept van ~Buffon~: „generaliseeren is veredelen; neem dus het algemeene woord.”

Tijd is er noodig geweest, en het is ook noodig gebleken dat dit genie vóór zijn dood een ander gelijk genie had gevormd: den nauwgezetten, energieken d'Audubon, wiens kolossaal werk het publiek verbaasd en veroverd heeft; dat werk waarin hij bewijst, dat een juiste en levendige wedergave van de individualiteit edeler en grootscher is, dan de gedwongen voortbrengselen van de generaliseerende kunst. De beminnelijkheid van den goeden ~Wilson~ op zoo onwaardige wijze miskend, blijkt schitterend uit zijn mooie voorrede. Men kan haar kinderlijk vinden, maar geen enkel onbedorven hart dat er niet door zal worden getroffen.

[Illustratie]

„Toen ik eens een vriend bezocht, vond ik bij hem zijn zoontje van acht of negen jaar, dat in de stad wordt opgevoed; tijdelijk buiten, had hij een handvol mooie bloemen verzameld, van alle kleuren.

Hij bracht ze aan zijn moeder, opgetogen en verrukt: „Lieve Mama, kijk eens wat een mooie bloemen ik geplukt heb! O, ik zou er nog veel meer in de bosschen kunnen vinden, en nog veel mooier! Mag ik er u nog meer brengen?”

Zij nam de bloemen, met een teederen glimlach, en bewonderde zwijgend die eenvoudige schoonheid, en zij zeide: „Ja, mijn jongen!” Het kind ging overgelukkig heen. Ik voelde mijzelf in dat kind, de gelijkenis trof mij diep. Als mijn geboorteland, met vriendelijke toegevendheid het weinige aanneemt, dat ik nederig aanbied; als men den wensch uit, dat ik nog meer breng, dan zal mijn hoogste eerzucht bevredigd zijn. Want, zooals mijn vriendje zeide: Onze bosschen zijn er vol van, ik kan er nog méér plukken en nog veel mooiere.”

Philadelphia 1808.

[Illustratie: ~DE STRIJD.~

DE TROPEN.]

[Illustratie]

~DE STRIJD.~

DE TROPEN.

Een dame, eene verwante van ons in Louisiana, had een kindje, dat zij zoogde. Iederen nacht werd haar slaap verontrust door een wonderlijke gewaarwording, alsof een koud glibberig voorwerp de melk onttrok aan haar borst. Eens, wéér diezelfde gewaarwording, maar zij was wakker toen: zij springt op, roept; men brengt licht, men zoekt, keert het beddegoed om, en vindt eindelijk de griezelige zuigeling; een groote slang van een zeer gevaarlijke soort. En zóó groot waren haar afschuw en schrik, dat op dátzelfde oogenblik haar zog was opgedroogd. Levaillant verhaalt, dat aan de Kaap in een gezelschap, gedurende een kalm gesprek de gastvrouw op eens verbleekte en een vreeselijken angstkreet uitte. Een slang klom tegen haar beenen op, een soort waarvan de beet binnen twee minuten den dood geeft. Men heeft ze met moeite gedood.

In Indië gebeurde het, dat een van onze soldaten zijn ransel opnam, dien hij had afgelegd, en hij vindt daarachter de gevaarlijke zwarte slang, de meest vergiftige van allen. Hij wil haar in tweeën houwen; maar een goedhartige Indiër vraagt genade voor haar, verkrijgt die en neemt de slang; hij wordt gebeten en sterft. Dat zijn de verschrikkingen van de overweldigende Natuur der Tropen. Maar de reptielen, die al zeldzaam zijn geworden, zijn niet haar grootste kwaad. De plaag van ieder oogenblik zijn de insekten. Zij zijn overal en in alles. Op alle denkbare wijzen kunnen zij ons bereiken; zij loopen, zwermen, glijden, vliegen; zij zijn ~in~ de lucht, ge ademt hen in; onzichtbaar openbaren zij zich, door brandende steken.

Onlangs was een beambte der archieven, in een van onze havens, bezig een portefeuille open te maken, die al een poos geleden was gebracht. Op het oogenblik, dat hij ze opent, vliegt er een verwoede vlieg uit, zij vervolgt hem, steekt hem, in twee dagen is hij dood.

En de jagers in die streken, die wel van alle menschen het meest gehard zijn, zeggen, dat er geen gevaar is en geen pijn, zóó door hen gevreesd als de steken der insekten.

In veel gevallen onaantastbaar, soms onzichtbaar, niet te weerstaan, zijn zij als de vernietiging zelve, onafwendbaar. Hoe hen te keeren, als zij komen in legioenen, dreigend ten krijg! Het is in Barbados gebeurd, dat door onbekende oorzaken gedreven, een geweldig leger mieren kwam optrekken, zich in ééne richting bewegend, in gesloten kolonnes, hun overval gericht tegen de woningen. Verloren moeite hen te dooden; geen middel ze te stuiten. Toen kwam iemand op den gelukkigen inval, loopvuurtjes aan te leggen op hun weg. Die vulkanen verschrikten hen, en keerden eindelijk den stroom.

Geen arsenaal uit de middeleeuwen met al de wonderlijke wapenen, waarvan men zich in dien tijd bediende; geen magazijn van chirurgische instrumenten, met de duizenderlei vreeselijke werktuigen, die moderne kunst uitvond, kunnen worden vergeleken met de monsterachtige wapenen der tropische insekten, hun knijpers, hun tangen, zagen, tanden, slurven, boren, al die doodende en verscheurende wapenen, waarmee zij ten krijg trekken, waarmee ze bewerken, doorboren, snijden, vaneen rijten en ragfijn verdeelen met eene vlugge behendigheid en verwoede felheid.

De machtigste werken gaan niet boven de krachten van die verschrikkelijke legioenen. Geef hun een linieschip, neen, een stad, om te verwoesten, zij doen het gemakkelijk.

Zij hebben na verloop van tijd onder Valencia bij Caracas afgronden en katakomben uitgegraven, zoodat het van steun beroofd, als in de lucht hangt.

Eenige individuen van die verslindende stammen zijn ongelukkig in la Rochelle overgebracht en hebben de stad overvallen; menig gebouw wankelt er op schijnbare grondvesten, die van binnen zijn uitgevreten. Wat zou een mensch beginnen overgeleverd aan die insekten!—Een dronkaard viel neer bij een kreng. De insekten, die het doode lichaam bewerkten, onderscheidden het niet van het levende; zij namen dat ook in bezit, kropen door alle openingen, vulden alle natuurlijke holten. Geen middel om den man te redden; hij stierf onder vreeselijke stuiptrekkingen.

In die schroeiende, blakende landen, waar door de snelle ontbinding ieder dood lichaam verderf zou brengen, waar alle dood het leven bedreigt, daar vermeerderen zich in het oneindige die vreeselijke werktuigen van de natuur, die al wat dood is, met ongehoorde snelheid doen verdwijnen. Een lichaam bezwijkt en valt neer; plotseling wordt het gegrepen, bestormd, ontleed, verscheurd. Nauwelijks blijven de beenderen over. De natuur, door haar eigen vruchtbaarheid in gevaar, roept ze, vuurt ze aan, prikkelt ze met de hitte, met de irritatie van een oneindigheid van aromatische en scherpe stoffen. Zij maakt hen tot verwoede jagers, onverzadelijke vraten.

[Illustratie]

De leeuw en de tijger zijn zachtzinnig, gematigd en sober, vergeleken bij den gier; maar wat is de gier, tegen een schepsel, dat in vier-en-twintig uur driemaal zijn eigen gewicht verslindt! De Helleensche oudheid zag het symbool van de Natuur in het edele, koele beeld van Cybele met hare leeuwen.

Indië zag zijn god ~Siva~, God van Dood en Leven in een eeuwig oogknippen, omdat zijn open blik de aarde vergruizeld zou hebben tot poeder.

Hoe zwak staan die verbeeldingen der menschen tegenover de werkelijkheid! Hoe verbleeken zij bij dat laaiende vuurcentrum, waar het Leven in atomen en bij seconden sterft en ontstaat, vlamt en vonken spat. Wie zou haar bliksemvonk kunnen uithouden zonder huiverend duizelen! Het is een natuurlijk en wettig aarzelen, dat den reiziger bevangt, als hij die geweldige wouden zal ingaan, waar de tropische natuur onder dikwijls bekoorlijke vormen haar felsten strijd strijdt. En er is reden te aarzelen als men weet, dat een enkele kaktushaag voldoende wordt geacht om de Spaansche forten te beschermen: in weinig tijd is zulk een haag vol slangen. Ook bespeurt men daar een soort van weeë, sinistere muskuslucht, het bewijs dat ge u bevindt op een bodem, die niet anders is dan lijkenstof, overblijfselen van dieren met die lucht behept: tijgerkatten, krokodillen, gieren, adders en brilslangen.

En daar binnen in die oerwouden is wel het gevaar het grootst, daar waar het een krioelen is van leven, van eeuwig gisten en borrelen in den kokenden smeltkroes van de Tropische Natuur.

Daar wordt de sombere schemer drievoudig verdicht: door het zware gewelf der reuzenboomen, het warnet van ineengestrengelde lianen, en door immense grassen, dertig voet hoog, met breede prachtbladen. Er zijn plaatsen, waar die grassen te niet gaan in het oude oerslijk. En een honderd voet hooger, boven die nachtwereld uit, lichten fiere reuzenbloemen in het laaiende zonlicht.

In de lichtingen, in de nauwe doorgangen, waar het zonlicht toegang heeft, is het een onafgebroken fonkelen en gonzen: torren, vlinders en kolibri's, levend geworden edelgesteenten, dwarrelen zonder ophouden in het licht.

Verblindender nog het tafereel in den nacht: de tooverachtige illuminatie der vuurvliegen! Met duizenden van milliarden trekken zij er hun fantastische lichtlijnen, hun slingerende vuur-arabesken. Maar bij al dat schitteren en fonkelen, beweegt zich in de laagte een naargeestig volk, een vale wereld van kaaimannen en waterslangen. En aan de stammen van de reuzenboomen hangen wonderbare orchideeën, teelsels van die dompige, koortsbrengende atmosfeer, bizarre plant-vlinders, die hangende schijnen te vliegen. In die moordende eenzaamheid, zwelgen zij in die giftatmosfeer, en baden zich in de rottende miasmen, drinkende den dood, die weer haar leven is; en de weeldedronkene natuur beeldt zich uit in hun grillige kleurenpracht. Geef u niet over! Verweer u! Laat die bekoring niet komen over de loomheid van uw hersenen. Op! voort! het gevaar dringt op u aan, onder duizend vormen. De gele koorts loert van onder die bloemen, de ~vomito nero~! Over uw voeten kruipen de reptielen! Als gij toegeeft aan die loomheid staat een zwijgend leger van meedogenlooze anatomen klaar om u in bezit te nemen: en een millioen lancetten zullen uwe weefsels bewerken, tot een sierlijk en fijn kantwerk, een gaas, een ademtocht, een niets!—

Maar God, die onze gerustheid is, wat stelt Hij tegenover dien gewapenden afgrond van alverslindenden dood, van hongerend Leven? Een anderen afgrond, niet minder hongerend en dorstend naar Leven, maar niet wreed voor den Mensch. Ziet de Vogels, gij Mensch, en herleef! Zijn dit onze bevrijders? deze bezielde bloemen, deze gevleugelde safieren, topazen en smaragden? Ja, want zuiverend is hun begeeren, hun hongerig, driftig azen op deze overstelpende teugellooze vruchtbaarheid; en hun honger alléén maakt het ingaan mogelijk in deze verderfbrengende toovergaarde. Zonder hen zou de natuur, naijverig op iederen indringer, in eeuwigheid ongestoord haar eenzaam gistingsproces vervolgen, en de stoutmoedigste onderzoeker zou niet kunnen doordringen om haar te bestudeeren. Wat is hier de Mensch! Hoe zou hij zich verdedigen? Geen macht, die hier dient! De olifant, de geweldige mammouth zelfs, zouden bezwijken zonder tegenweer, onder millioenen doodelijke steken. Wie trotseert hen? De arend? De Condor? Neen, een machtiger volk, het onversaagde leger der vliegenvangers, in aantal onnoembaar. Kolibri's van alle soorten en kleuren kunnen straffeloos leven in de schittering van die eenzaamheid, waar in iedere uitwaseming verderf dreigt, tusschen giftige insekten, en moordende planten, wier schaduw reeds den dood geeft.

[Illustratie]

Er is één, een gekuifde, groen en blauw, in de Antillen, die zijn nest bouwt in den boom door alle wezens ontvlucht en gevreesd, het spooksel, welks blik verstijving schijnt te brengen, de vreeselijke manzanille. En wonder, er is een papegaai, die driest de vruchten oogst van dien boom der verschrikking: hij voedt er zich mee en neemt hun livrei aan: hun giftig groen schijnt te schitteren in den metaalglans van zijn triomfeerende vleugels.

[Illustratie]

Het intens en gloeiend Leven in deze gevleugelde vonken, trotseert alle gift. Hun wiekslag is zóó vlug, dat ons oog niets waarneemt. De kolibri schijnt onbewegelijk zonder eenige actie; alléén hoort men een aanhoudend gonzen: hoerr! hoerr! dan plotseling, het kopje omlaag, duikt hij neêr en boort zijn snavel als een dolk in het hart van een bloem, dan weêr naar een andere! en hij onttrekt ze met de sappen, tegelijk al de kleine insekten; dat alles gebeurt met een vlugheid van beweging, waarmee ik geen andere snelheid vergelijken kan; met een driftig, toornig ongeduld, dat soms stijgt tot razernij. Waartegen? Tegen een grooten vogel dien hij vervolgt, tot dat hij hem heeft doodgejaagd; tegen een bloem al vernield, die hij niet vergeeft, dat zij niet op hem wachtte. Hij valt op haar aan, rukt haar uit elkaar, de bloembladen vliegen.

[Illustratie]

Het is bekend, dat de planten hevige vergiften kunnen bereiden uit bestanddeelen van lucht en bodem, en dat die vaak worden opgehoopt in de bloemen. Deze vogels leven van bloemen; van die bedwelmende bloemen, wier brandend scherpe sappen in werkelijkheid vergiften zijn. En het schijnt wel, dat de inwerking van die zuren, zich openbaart in hunne schrille kreten, in hun eeuwig rusteloos bewegen, en hun driftige wendingen. Misschien dragen zij nog direkter dan het licht, bij tot de wonderbare weerschijn van hun schitterende kleuren, die soms doen denken aan staal, aan goud, aan edelsteenen, meer dan aan veeren of bloemen.

Welke uitersten, zij en de Mensch! Overal in diezelfde streken moet hij sterven, of langzaam kwijnen.

De Europeanen door de tropische kulturen, kokao en anderen, genoodzaakt zich aan den zoom dier bosschen op te houden, moeten bezwijken; de inboorlingen steeds verzwakkend, verliezen hun weerstandsvermogen en kwijnen. Daar, waar op deze aarde de mensch het meest het dier nadert, triomfeert de vogel, en zijn schitterende, weelderige tooi verdiende hem er den naam van paradijsvogel. Maar wat zouden kleuren, veêren, vormen! Dit insekten-verslindend vleugel-volk, verwinnend door zijn overweldigend aantal; in zijn sterkste soorten ook van reptielen de hardnekkige vervolger, vliegt zuiverend over de geheele aarde—voorlooper van den mensch, die hem zijn woonplaats voorbereidt. Onversaagd zwemt het in dezen doodbrengenden oceaan, krioelend, fluitend, krijschend, krassend, en het ademt zijne vreeselijke miasmen in, en trotseert ze.

Zoo zet zich het groote zuiveringswerk over de geheele aarde voort, de aloude strijd van den vogel tegen de lagere rassen, die zoolang de aarde onbewoonbaar moesten maken voor den mensch. De viervoeters, de mensch zelf, hebben maar een gering aandeel in den strijd. Het is steeds het kampen van den gevleugelden Hercules!

De veiligheid van de bewoonde streken danken zij hem. In het uiterste Afrika, aan de Kaap, is het de goedaardige sekretarisvogel, die den mensch tegen de reptielen beveiligt. Vreedzaam en zacht van uiterlijk, schijnt hij in kalme gemoedsrust die wreede en gevaarlijke gevechten te volbrengen. De reusachtige Jabiru weert zich niet minder in de wildernissen van Guyana, waar de mensch het leven nog niet heeft aangedurft.

In hunne gevaarlijke Savanna's, óf moeras, óf geheel uitgedroogd en dor, waar in het schroeiend licht een geweldig leger van onbekende ongure monsters wriemelt, staat één bewoner hoog boven hen uit; een nobele strijdbare vogel, een onverschrokken zuiveraar, aan wien de Natuur nog eenige sporen liet van het harnas, waarmee zij waarschijnlijk de vogels uit de vóórwereld zal hebben uitgerust, voor hun kamp met de draakachtige monsters: een scherpe punt op den kop en een op iederen vleugel. Met den eersten woelt en wroet hij in het slijk, en maakt er zijn vijand wakker. De beide anderen beschermen en beveiligen hem; het reptiel, dat hem omwikkelt en vastklemt, verwonden zij, en door de kracht zelve van zijn aanval wordt het doorstoken.

[Illustratie]

Deze schoone en moedige vogel, laatst geborene van die oude werelden, die nog bleef om te getuigen van die vergeten worstelingen; die geboren wordt, leeft, sterft op de modder van dien voorwereldlijken slijkpoel, heeft niets gemeens met zijn onguren geboortegrond. Een soort van zedelijk instinkt—ik weet niet welk—heft hem er boven uit. Het sterk en geweldig geluid van zijn stem, die de wildernis beheerscht, verkondigt reeds uit de verte, den waardigen ernst van dezen nobelen vogel, dezen fieren zuiveraar. De Kamichi—dit is zijn naam—is zeldzaam; geheel alléén is hij een geslacht, een klasse, die geen onderdeelen heeft.

Verachtend het ignobele dooréénleven der geslachten in die lage wereld, heeft hij slechts ééne Liefde. En zeker is in dit leven van kamp, de gade ook de medestrijdster; zij hebben samen lief, kampen samen, leven één lot. Het is het krijgsmanshuwelijk waarvan Tacitus spreekt: Sic vivendum, sic Pereundum; „één leven, één dood.” Als die teedere kameraad, die troost, die steun der Kamichi ontvalt, weigert hij het voortbestaan; hij volgt haar, overleeft haar nooit.

[Illustratie: HET ZUIVERINGSWERK.]

[Illustratie]

HET ZUIVERINGSWERK.

Des morgens vroeg, maar als de zon al boven den horizont staat; op hetzelfde oogenblik, dat de kokospalm zijn bladeren opent, openen zich ook van de veertig of vijftig Urubu's (kleine gier) die op zijn takken nachtrust hielden, de mooie robijnen oogen. Het dagwerk roept hen. In het loome Afrika wachten op hen een honderd negerdorpen; in het slaperig Zuid-Amerika, ten zuiden van Panama of Caracas moeten zij, rappe zuiveraars, de straten reinigen, schoonvegen, vóórdat de Spanjaard er zich vertoont; vóórdat de machtige zon de krengen en rotstoffen tot ontbinding bracht. Zouden zij één dag missen, het land werd ontvolkt. Als het in Amerika avond wordt, en de Urubu na volbrachte dagtaak, weer op zijn kokos terug keert, dan blinken wit, in het vroeg ochtendlicht, de minarets van Azië en Egypte; en van de omgangen, stipt als hun Amerikaansche broeders, komen gieren, kraaien, ooievaars, ibissen zwermen en beginnen hun verschillende werkzaamheden; sommige nemen hun vlucht naar de velden om slangen en insekten te verdelgen; andere strijken neer in de straten van Alexandrië of Caïro en volbrengen haastig hun gemeente-reinigingswerk. Namen zij ook maar eene korte vacantie, onmiddellijk zou de pest in het land zijn, als éénig bewoner. Zoo geschiedt op beide halfronden het groote zuiveringswerk, met een wonderbare en plechtige regelmaat. Even stipt als de zon het leven vruchtbaarheid komt geven, even stipt zijn deze zuiveraars, die de natuur in haar dienst nam, om den stuitenden aanblik van den dood aan onze oogen te onttrekken.

[Illustratie]

En zij schijnen het gewicht van hun optreden te gevoelen. Nader hen, zij vluchten niet. Wanneer hun confraters, de raven, die hen dikwijls vooraan gaan en hun een prooi aanwijzen, hen gewaarschuwd hebben, dan plotseling schiet de wolk van gieren neer. Van aard eenzelvig en gemeenschap-schuwend, gaan zij toch bij honderd gelijk aan den maaltijd, en zij laten zich door niets verstoren. Onderlinge strijd komt niet voor, en geen voorbijganger veroorzaakt onrust. Onverstoorbaar doen zij hun werk, met een plechtige gulzigheid, en zij doen het netjes en zindelijk; het kreng verdwijnt, de huid blijft liggen. In een oogenblik is een afschuwelijke rottende massa, voor den mensch niet te genaken, opgeruimd, en opgenomen in de eeuwig nieuwe en heilzame levensstrooming. Maar vreemd! hoe beter zij ons dienen, hoe meer wij hen schuwen! Wij willen in hen niet zien, wat zij zijn; hen niet kennen in hun ééne rol, die van weldoenden smeltkroes van de natuur; een smeltkroes van levend vuur, die alles opneemt, wat het hooger leven zou kunnen schaden. En daarvoor zijn zij verwonderlijk goed toegerust; zij nemen op, verteren, vervormen, zonder dat het hun verveelt, zonder oververzadigd te worden, ja zelfs zonder ooit voldaan te zijn. Zij zouden een nijlpaard verslinden, en hongerig blijven. Voor de meeuwen, die de gieren zijn van de zee, is een walvisch niet meer dan een fatsoenlijk brokje. Zij bewerken hem beter dan de knapste walvischvaarder, en in korten tijd is hij verdwenen. Zoolang er wat overblijft, blijven zij ook; probeer op hen te schieten, zij komen onvervaard terug, terwijl het geweer blijft dreigen. Een gier laat nooit zijn prooi los. Levaillant schoot er een, die op een nijlpaard aasde; doodelijk getroffen, scheurde hij er nog stukken af. Had hij gevast? In 't geheel niet: men vond in zijn maag zes pond van het vleesch.

Het is een werktuigelijke gulzigheid, eerder dan roofzucht. Hun uiterlijk is triest en somber, maar de natuur sierde de meesten van hen met een teeder en vrouwelijk tooisel: het fijne witte dons om hun hals.

Heerschers over den dood zijn zij, maar over den kalmen dood, den natuurlijken dood, niet den moord. Zij zijn als de elementen, ernstig, rustig, niet te beschuldigen; in den grond onschuldig, zelfs verdienstelijk. En met dat geweldig levenselement, dat alles opneemt en verwerkt, zijn zij toch, meer haast dan eenig ander wezen, onderworpen aan algemeene invloeden, beheerscht door atmosfeer en temperatuur. In 't bizonder zijn zij vochtmeters, levende weerglazen. Het vocht van den morgen verzwaart hun wichtige vleugels; dan kan de zwakste prooi ongehinderd hen voorbijgaan; en zóózeer zijn zij aan de dagelijksche verschijnselen in de natuur onderworpen, dat die van Amerika, zooals gezegd is, zittend in reeksen op de takken van den kokospalm, letterlijk het uur afwachten, waarop de bladeren zich sluiten, en lang vóór den nacht inslapen; en dan, éérst als de zon reeds hoog boven den horizont staat, openen zich gelijk met de bladeren van den boom hun witte zware oogleden.

Deze voortreffelijke handlangers van de weldoende chemie, die het leven hier op aarde bewaart en in evenwicht houdt, werken voor ons op plaatsen waar wij nooit konden doordringen. Wel wordt men in de steden hun tegenwoordigheid gewaar en de diensten, die zij daar bewijzen; maar niemand kan hun weldaden weten in de woestenijen waarvan een pestbrengende wind zou uitgaan, waren zij er niet. In het ondoordringbaar woud, in de diepe moerassen onder de giftige schaduw van de wortelboomen, waar, heen en weer gegooid door de zee, de lijken liggen te rotten van twee werelden; daar deelt dat reusachtig zuiveringsleger den arbeid met watervloed en insekten. Verderf voor de wereld der menschen, indien dat geheimzinnige, ongeziene werk een oogenblik werd gestaakt!

Amerika heeft wetten, welke die weldoeners van den mensch beschermen.