Part 3
Die voorstelling veroorzaakt de vrees. Minder vreesachtige geesten zouden in den armen vogel een ander schip-in-nood zien; een onvoorzichtig zeevaarder, die even als zij door den storm verrast wordt, ver van de kust, zonder schuilplaats. Dit schip is voor hem een eiland, waarop hij wel zou willen rusten. De ~vaart~ alléén van het schip, dat voor hem wind en golven breekt, is hem al rust en beveiliging. Steeds weet hij met behendige vlucht er achter te blijven; het is zijn bolwerk tegen den orkaan. Schroomvallig en bijziend, ziet men hem haast alléén in het duister, dat met den storm komt. Hij gelijkt ons: hij vreest den orkaan; hij is bang, hij wil niet sterven; hij denkt als gij, matrozen: „Wat moet er van mijn kinderen worden?”
Maar de nacht van den storm wijkt, het wordt weer licht; ik zie een stukje hemelblauw. Gelukzalige en sereene streken, die den vrede bewaart boven de onrust van de stormen. In dat stukje blauw, drijft koninklijk, op duizend voet hoogte, een kleine vogel, maar met geweldigen vleugel. Een meeuw? Neen, de vleugels zijn zwart. Een arend? Neen, de vogel is klein. Het is de kleine arend van de zee, de hoogststaande van het gevleugelde ras, de onversaagde zeevaarder, die nooit de vleugels vouwt. Vorst van den storm, verachter van alle gevaar, de Krijgsman, of Fregat-vogel. Wij hebben hier de uiterste grens van de serie, die begint met den vogel zonder vleugels. ~Deze~ is haast niet anders meer dan een paar vleugels! Bijna geen lichaam! Nauwelijks de grootte van een haan, met geweldige vleugels tot veertien voet in lengte. Het groote vraagstuk van de vlucht is opgelost! Meer zelfs, de oplossing is overschreden; want het vliegen schijnt onnoodig. Zulk een vogel, met zulk een natuurlijk steunsel, heeft zich maar te laten dragen. Als de storm komt, stijgt hij tot de immense hoogten waar weder kalmte heerscht. Het dichterlijk beeld, onzuiver voor iederen anderen vogel, is geen beeld voor hem: hij „~slaapt op den storm~.” Wil hij wèrkelijk vliegen, dan verdwijnen de afstanden. Ontbijt aan den Senegal, middagmaal in Amerika.
En wil hij het er van nemen, zich onderweg ophouden, hij kan het; den heelen nacht kan hij doorgaan, zeker rust te zullen vinden... Waarop? Op zijne onmetelijke, onbeweeglijke vleugels, die hij ontplooid legt op de lucht, die zich met de geheele vermoeienis van de reis belasten; en op den wind, zijn dienaar, die hem wiegt.
Merkt op, dat dit wonderbare wezen nog de koninklijke eigenschap heeft, niets ter wereld te vreezen. Klein, doch sterk en onversaagd, trotseert hij alle tyrannen van de lucht. Zeker zou hij noch zee-arend, noch Condor vreezen; deze kolossale en logge beesten, zouden zich nauwelijks in beweging hebben gezet, of hij was tien mijlen verder. O, dan komt het verlangen over ons! als wij in het stralend ruim van de tropen, eenzaam dien zwarten vogel zien vliegen, op onberekenbare hoogte, bijna onzichtbaar door den afstand, eenzaam in de hemelwoestenij!
Misschien wat lager, kruist hem in lichte gratie, een witte zeiler, de tropenvogel.
Neem mij op uwe vleugels, gij luchtkoning, die geen vrees kent, geen vermoeienis; gij meester van de ruimte, snelvlieger, die den tijd vooruit vliegt. Wie is meer dan gij, los van de fatale kluisters, die het schepsel binden.
Toch heeft mij iets verwonderd: van dichtbij gezien heeft deze vorst van het rijk der gevleugelden, niets van de hooge rust, die een leven in vrijheid moet meebrengen. Zijn blik is koud, hard, wreed, onrustig; zijn gedwongen houding is van een, die op straffe des doods moet uitkijken en wacht houden over de oneindigheid der wateren.
Deze vogel dwingt zich om zeer ver te zien. En dient zijn oog hem slecht, dan staat zijn vonnis op zijn zwart gezicht geschreven, dan veroordeelt hem de Natuur: hij moet sterven.
Van dichtbij gezien, blijkt het, dat hij bijna geen pooten heeft. Kort als zij zijn, en van zwemvliezen voorzien, kan hij er niet op gaan, zich niet er mee vastklemmen. Wel heeft hij den geweldigen bek, maar niet de klauwen van den echten zeearend; een valsche arend, die het echter wint van den echten in vliegvermogen en stoutmoedigheid, heeft hij toch niet zijn kracht, niet zijn onverwinbaren greep. Hij hakt, en doodt; maar kan hij grijpen?
[Illustratie]
Vandaar zijn onzeker bestaan, een leven op het toeval; eerder het bestaan van een zeeroover dan van een zeevaarder; en vandaar ook de eeuwige vraag, die men zoo duidelijk leest op zijn wezen: „Zal er eten voor mij zijn?.... zal ik van avond iets aan mijn kinderen kunnen brengen?”
De grootsche en prachtige inrichting van zijn vleugels, is op den vasten grond een gevaar en een last. Om te kunnen opvliegen moet hij veel wind hebben en een hooge standplaats, een uitsteeksel, een rotspunt. Wordt hij verrast op het vlakke zand, op banken, op lage klippen, waar hij zich dikwijls neerlaat, dan is de fregatvogel weerloos, geen dreigen en snavelstooten helpen: met stokken wordt hij doodgeslagen.
Op zee zijn die geweldige vleugels, zoo prachtig als de vogel zich verheft, geheel ongeschikt om over het water te scheeren. Want worden zij nat, dan trekt hun zwaarte hem naar beneden. Dan is zijn lot beslist! Hij behoort aan de visschen; hij voedt dat logge volk, waarmee hij zichzelf dacht te voeden; het wild eet den jager; den vanger is gevangen.
Maar hoe dan? Zijn voedsel is in het water? Tot het water moet hij altijd naderen en terugkeeren; rakelings moet hij zich steeds bewegen langs die vreeselijke, vruchtbare zee, die hem steeds dreigt te verslinden.
Zoo leeft dus in onzekerheid en vrees, dit wèlgewapend wezen, zoo schitterend gevleugeld, en uitblinkend in sterkte van gezicht, vliegvermogen en moed. Hij zou dikwijls van honger moeten sterven, als hij zich niet een leverancier verschaft had, dien hij zijn voedsel ontfutselt. Zijn uitkomst is, de helaas minder nobele handeling, een plompen en vreesachtigen vogel aan te vallen, den Jan-van-Gent, die een voortreffelijk visscher is. De fregatvogel, niet veel grooter dan hij, vervolgt hem, en stoot tegen zijn keel met den snavel, zoodat hij terug moet geven, wat hij inslokte. Dit gebeurt alles in de lucht; de visch wordt vallende gegrepen.
Ontbreekt ook dit redmiddel, dan waagt hij het zelfs, den mensch aan te vallen. „Toen wij op Ascension landden,” vermeldt een reiziger, „werden wij belegerd door fregatvogels. Een wilde mij zelfs den visch ontnemen, dien ik in mijn hand had. Andere vlogen om den ketel, waarin vleesch kookte, om het er uit te halen, hoewel de matrozen er om heen stonden.”
Dampier heeft gezien, hoe oude en zwakke of verminkte fregatvogels op de klippen stonden, blijkbaar hun invalidenhuis, en schatting hieven van de jonge Jan-van-Gent's, hun vazallen, zich voedend met wat die vingen.
Maar in den tijd van kracht, komen zij zelden op den vasten grond. Levend als wolken, zwevend op hun geweldige vleugels tusschen twee werelddeelen, in afwachting wat het lot hun brengt, bespiedt hun doordringende blik de oneindigheid der luchten en de oneindigheid der zeeën.
De voorste van het gevleugelde volk, is hij, die niet rust; de eerste van de zeilers, is hij, die niet aankomt. Aarde en zee zijn hem bijna gelijkelijk ontzegd. Hij is de eeuwige balling.
Dat wij niet benijden. Hier op aarde is geen enkel bestaan geheel vrij, geen levenskring ruim genoeg, geen vlucht ver genoeg, geen vleugel kan voldoen. Want juist van den machtigsten vleugel is men de slaaf. Andere vleugels zijn noodig, de ziel verwacht ze, vraagt ze en hoopt:
„Vleugels boven 't leven uit, en den dood voorbij!”
[Illustratie: VOGELS DER WATERKANTEN.]
[Illustratie]
VOGELS DER WATERKANTEN.
VERVAL VAN EENIGE SOORTEN.
Ik heb dikwijls, op sombere dagen, naar een nog somberder wezen gekeken; een die is als het symbool van de melancholie. Dat is die droomer van de moerassen, die peinzende vogel, die eenzaam staat bij de grijze wateren in alle jaargetijden, als spiegelend met zijn beeld ook zijn eentonige gedachten.
Zijn nobele zwarte egrette, zijn paarlgrijze mantel, koninklijk rouwkleed, wordt zonderling weersproken door zijn schraal lichaam en doorzichtige magerheid. Bij het vliegen vertoont de arme reiger niets dan twee vleugels. Stijgt hij, men ziet geen lichaam meer; hij wordt onzichtbaar. Dit luchtdier, dit lichaam zonder gewicht, voelt zijn ééne poot als te veel, hij vouwt dien dubbel; bijna altijd ziet men zijn silhouet éénbeenig als een zonderlinge hieroglyph tegen de lucht afgeteekend.
Wie geleefd heeft in de studie, in de geschiedenis van verloren rassen en verdwenen koninkrijken; hij is geneigd in dien vogel een beeld van verval te zien. Een edelman tot den bedelstaf gebracht, een onttroond vorst; ik zou mij erg vergissen als hij dat niet was. Geen enkel wezen, dat als zulk een droevige figuur door de Natuur wordt afgeleverd. Eens waagde ik het den droomer te ondervragen, en van uit de verte sprak ik tot hem deze woorden, die zijn zéér fijn gehoor duidelijk opnam: „Vriendlief, Visscher! zoudt ge mij even willen zeggen—zonder uw stelling te verlaten—waarom altijd treurig, ge heden nog treuriger zijt? Is u uw prooi ontsnapt? Heeft de visch met behendige wendingen uw oog bedrogen? of daagt de kikvorsch u spotachtig uit van af den bodem der wateren?”
Neen, geen visch of kikvorsch lachte om den reiger... Maar de reiger lacht om zichzelf en veracht zich, als zijn denken uitgaat naar den tijd, toen zijn edel ras nog groot was, naar den reiger van vroeger dagen.
„Gij vraagt naar mijn droom? Vraag het Indianenhoofd, waarom hij dagen lang het hoofd op de hand gesteund, staart... staart op den boom, dien hij voor zich heeft, naar iets wat er niet is. De geheele aarde was ons rijk, het gebied van de watervogels, in die periode van overgang, toen de aarde in jonkheid het water ontsteeg. Een tijd van strijd en worsteling, maar ook van overvloed. Geen reiger toen, die niet gemakkelijk zijn kost kon ophalen. Geen wachten toen of vervolgen; de prooi vervolgde den jager; sissen, kwaken van alle kanten. Millioenen wezens van onbestemden aard, dieren tusschen vogel en pad, visschen met vleugels, bewogen zich tusschen de onzekere grenzen, der beide elementen. Wat hadt gíj toen kunnen doen, gij zwakken en laat-geborenen op den aardbol! Het was de vogel, die voor u de aarde bewoonbaar maakte. Geweldig woedde de krijg van monsterachtige schepselen, onttogen aan het moeras, met den vogel, zoon der lucht, van reusachtigen omvang. Vindt men al geen spoor van dat alles in uwe ondankbare geschiedverhalen, Gods groot geschiedboek verkondigt het van uit het binnenste der aarde; want daar bleven overwonnenen en overwinnaars; de monsters door ons gedood, en zij, die ze vernietigden.
[Illustratie]
Uwe leugenachtige verbeeldingen willen ons bevredigen met een menschelijken Hercules. Wat had hem zijn knots gebaat tegen den Plesiosouros? Wie had dien Leviathan afgewacht van aangezicht tot aangezicht? Dat eischte de vliegkracht, een sterken vleugel, die den Hercules-vogel kon neerwerpen, en weer opheffen, en teruggooien uit de lucht; den Epiornis, een arend, twintig voet hoog, met een vleugelwijdte van vijftig voet; hardnekkig jager, meester van drie elementen, de lucht, het water en het diepe moeras, die den draak rusteloos vervolgde.
Duizendmaal ware de mensch vernietigd geweest. Door ons werd den mensch het bestaan mogelijk gemaakt op eene tot rust gebrachte aarde. Maar wien zal het verwonderen, dat deze geweldige worstelingen door duizende jaren heen, den overwinnaar hebben versleten, den gevleugelden Hercules hebben afgemat tot een zwakken Perseus: verbleekte, verwaasde herinnering aan onzen heldentijd.
Toen, minderend in gedaante, in kracht, misschien in moed; uitgehongerd door de overwinning zelve, door het verdwijnen der kwaadaardige rassen en door de afscheiding der elementen, waardoor voortaan onze prooi verborgen was in de diepte der wateren, werden wij op den vasten grond, in onze bosschen en moerassen, op onze beurt weer verjaagd door de nieuw gekomenen, wier bestaan toch mogelijk was geworden door ons. De boosaardigheid van den mensch der bosschen en zijn behendigheid, was voor het bestaan van onze nesten noodlottig. Lafhartig legde hij zijn hand op ons, in de dichtheid der takken, die de vlucht belemmeren, het gezicht bemoeilijken. Een nieuwe oorlog en deze minder gelukkig. Homerus noemt het den krijg tusschen de kraanvogels en de dwergen. De zeldzame intelligentie der kraanvogels, hun wezenlijk militaire taktiek, hebben den vijand, den mensch, niet kunnen verhinderen, door duizend vervloekte kunstgrepen in het voordeel te blijven. Met hem mede werkten tijd en bodem en natuur; de aarde droogde op, het water werd onttrokken aan de moerassen en ons tweeslachtig element werd opgeheven. Het zal op den duur met ons gaan als met den bever. Vele soorten zullen uitsterven, nog een eeuw misschien en de reiger zal hebben geleefd.”
[Illustratie]
Zéér ware geschiedenis: behalve eenige soorten, die hun partij gekozen hebben en den vasten grond verlieten, zich voortaan geheel wijdende aan het vloeibaar element, behalve de duikers, de schollevaar, de wijze pelikaan en eenige anderen, schijnen de watervogels in verval. Het zorgen en de soberheid houden hen nog in stand. Die onafgebroken bezorgdheid heeft den pelikaan een bijzonder orgaan gegeven, hem onder zijn bek een beweegbaar réservoir uitgehold, duidelijk teeken van zorgende voorziendheid.
[Illustratie]
Verscheidene vlugge en behendige reizigers, waarbij ook de zwaan, houden het leven door wisseling van woonplaats. Maar zelfs de zwaan, die oneetbaar is en door den mensch ontzien wordt om zijne gratie en schoonheid, de zwaan, vroeger zoo algemeen in Italië, aanhoudend genoemd door Virgilius, is er nu zeldzaam geworden. Vergeefs zou men nu nog die kloeke vloten zoeken die met hun zeilen de wateren van den Mincio, de moerassen van Mantua bedekten; de vogels, die Phaëton beweenden in de schaduw van zijne zusters, de tot elzen geworden Heliaden; die in hun grootsche vlucht de sterren naderden, hun den naam Varus toezingend met harmonieus geluid! Die zang, in de oudheid zoo veel geroemd, is hij een fabel? Waren de organen voor den zang bij den zwaan zoo sterk ontwikkeld, hem altijd onnut? Hebben zij niet gewerkt in een tijdperk van gelukkige vrijheid, toen hij nog leefde in milder atmosfeeren en het grootste gedeelte van het jaar doorbracht in het zachte klimaat van Griekenland en Italië? Men zou het gaarne gelooven. De zwaan, teruggedrongen naar het Noorden waar hij verborgenheid en rust voor zijn liefdeleven vond, heeft zijn zang geofferd voor den kreet der barbaren en werd stom. De Muze ging, de zwaan bleef. En de kraanvogel, die als intellectueel type van deze soort het hoogste staat, die gezellig is, en orde en beleid kent en veel hulpbronnen heeft, en die zou moeten tieren en overal stand houden in zijn oud gebied, heeft twee koninkrijken verloren, Frankrijk dat hem nog maar alleén op den trek ziet, en Engeland waar hij het nu nauwelijks meer waagt te nestelen. De reiger was in den tijd van Aristoteles vol energie en wijsheid; de oudheid raadpleegde hem over de kansen van het weder als ware hij de eerste der waarzeggers. In de middeleeuwen, hoewel vervallen, behield hij zijne schoonheid, zijn vlucht, die den hemel zoekt. Hij was nog een vorst, een koninklijke vogel, en koningen zagen in hem een koningsbuit en een doel voor den nobelen valk. En zóó hardnekkig werd hij gejaagd dat hij onder Frans I reeds begon zeldzaam te worden. Deze koning hield hem om zich heen te Fontainebleau en had er reiger-kolonies. Twee of drie eeuwen gaan voorbij, en Buffon gelooft nog, dat er nauwelijks een provincie is zonder reiger-kolonie. In onzen tijd kent Toussenel er nog maar één in Frankrijk, ten minste in het Noorden; in Champagne, tusschen Reims en Epernay, verbergt het bosch een laatste schuilplaats voor het liefdeleven van den armen eenzame. Eenzaamheid! Dat is zijn vonnis. Minder gezellig dan de kraanvogel, minder familiaar dan de ooievaar, schijnt hij zich zelfs terug te trekken van de zijnen. Kort en zeldzaam slechts ontrukt hem de liefdedroom aan zijn somberheid. Het leven is hem niet veel waard. In gevangenschap weigert hij dikwijls het voedsel en sterft zonder klacht, zonder spijt.
De watervogels met hun ervaring en overleg, hun beheerschen van twee elementen hadden het in hun goeden tijd verder gebracht dan de meeste andere vogels, en verdienden door den mensch te worden ontzien. Iedere soort had een verschillende eigenaardige verdienste. De kraanvogels waren door hun mimische eigenschappen gezellig en vermakelijk. De jovialiteit van den pelikaan en zijn vroolijk humeur, de aanhankelijkheid van de ganzen, de goedigheid van den ooievaar en zijn zorg voor zijne ouders, door zooveel getuigen bevestigd, vormden tusschen die wereld en ons, banden van sympathie, die de mensch met zijn barbaarschheid niet had mogen verbreken.
[Illustratie]
[Illustratie: DE REIGERKOLONIES IN AMERIKA.]
[Illustratie]
DE REIGERKOLONIES IN AMERIKA.
(ALEXANDER WILSON).
Het verval van den reiger is minder merkbaar in Amerika. Hij wordt er niet zoo vervolgd. Er is daar afzondering en eenzaamheid voor hem. Hij vindt er nog zijn dierbare moerassen, zijne duistere en bijna ondoordringbare wouden. In gedempter licht is hij gezelliger. Tien tot vijftien gezinnen nestelen er te zamen of op geringen afstand. De groote ceders werpen het duister over de vale wateren; daar vinden zij hun rust en hun welbehagen. In de hoogte van die boomen maken zij met stokken een ruim terras, dat zij met kleine takjes bedekken; dat is de plaats voor het liefdeleven van het gezin. Hier het rustig broeden, het uitkomen, het leeren vliegen, en de ouderlijke lessen, die den jongen visscher zullen vormen. Zij behoeven niet angstig te zijn, dat de mensch hen in die schuilhoeken zal komen bestoken; zij wonen—vooral in de Carolina's—niet ver van de zee, in lage modderige terreinen, zeer gezocht door de gele koorts.
Een moeras, een oude zee- of rivier-arm, een door de terugtrekkende wateren vergeten poel, een mijl breed, vijf of zes mijlen diep. De toegang is niet bemoedigend: vooraan oude boomstammen, zuiver rechtopgaand en zonder takken, vijftig of zestig voet hoog, kaal tot aan den top, waar zij hun somber groen vereenigen en ineenstrengelen, het water dekkend met angstig duister. En welk een water! Een dikke, gistende massa, van bladeren en verwezen organismen laag op laag dooreengemengd, vuilgeel gekleurd, waar bovenop een groen en schuimig mos drijft. Ga verder: wat vaste grond schijnt, is een moeras, waarin ge wegzakt. Bij iederen stap verspert een laurier u den weg; om voorbij te komen, moet ge worstelen met zijn takken, met boomstronken en altijd zich verjongende laurieren. Zeldzaam dringt wat licht door die duisternis; in deze gevloekte oorden heerscht het zwijgen van den dood. Behalve nu en dan een paar korte, weemoedige tonen van kleinere vogels, of de schorre kreet van den reiger, is alles stom, verlaten. Maar laat de wind zich verheffen, dan steunt en zucht de droeve reiger in de boomtoppen. Komt de storm, dan zwiepen en stooten die groote, naakte ceders, die kolossale masten; het geheele bosch loeit en brult en gromt als waren het wolven en beren en roofdieren van alle soort.
Dus zagen omstreeks 1805 met verbazing, die reigers, zoo veilig gevestigd, rondom hun ceders te midden van de moerassen een vreemde verschijning zwerven, een mensch. Een enkele maar had de kracht hen daar te bezoeken, een die geduld had en moed, een rustig maar gehard reiziger, vriend en bewonderaar der vogels, ~Alexander Wilson~.
Indien dat reigervolk het karakter van den bezoeker had gekend, zouden zij hem zeker te gemoet zijn gevlogen met kreten en wiekgeklepper, als vriendengroet en broederlijke hulde.
In die vreeselijke jaren, toen de mensch den mensch vernietigde op ontzettender wijze dan ooit te voren was geschied, leefde er in Schotland een man des vredes.
[Illustratie]
Het was een arme wever te Glasgow, die in zijn vochtig somber verblijf droomde van de natuur, van de oneindigheid der vrije wouden, en van het gevleugelde leven vóóral. Zijn gedwongen zittend bestaan, werkte dat verlangen naar vliegen en zweven in licht, op tot extase; en ware niet de goddelijke gave van het vliegen in dit leven slechts een hoop en een droom voor het volgend leven, ~Wilson~ had zichzelven vleugels gegeven. Eerst trachtte hij bevrediging te vinden in boeken met gravuren, die vogels heetten voor te stellen. Lompe, linksche karikaturen, die een verkeerd begrip geven van den vorm en in 't geheel geen begrip van de beweging; en wat is een vogel zonder de gratie van de beweging! Dat hield hij niet uit. Hij nam een kort besluit; alles verlaten, zijn land en zijn werk. Als een nieuwe Robison Crusoë, wilde hij door vrijwillige schipbreuk zich tot banneling maken in de eenzame wildernissen van Amerika, en dáár zelve zien, opmerken, beschrijven, teekenen. Maar er viel hem in, dat hij noch teekenen, noch schilderen, noch zelfs schrijven kon. En deze sterke geduldige man, die voor niets terugschrikte, leert schrijven, heel vlug en heel goed. Een gemakkelijk schrijver, een zeer nauwgezet kunstenaar, een zekere en subtiele hand, scheen hij bij zijn moeder en leermeesteres, de Natuur, minder te leeren, dan zich te herinneren. Zóó gewapend, werpt hij zich in de wildernis, in de bosschen, in de ongezonde Savanna's; vriend van buffels en dischgenoot van beren, levende van rauwe vruchten en slapend onder de schitterende hemeltent. Waar hij een zeldzamen vogel ziet, blijft hij, kampeert hij, maakt hij zich thuis. Waarom niet? Er is niets dat hem terugroept, geen te huis, geen vrouw, of kind. Toch heeft hij een gezin: de groote familie, die hij observeert en beschrijft. Ook heeft hij vrienden: zij, die nog niet leerden den mensch te wantrouwen en die zich op zijn boom neerlaten en met hem spreken. En daar doet gij wel aan, gij vogels, gij hebt daar een trouwen en zekeren vriend; hij zal u nog meer vrienden verwerven, die u zullen begrijpen. Was hij niet zelf vogel, in zijn voelen en denken!
[Illustratie]
Er zal wel eens een jager komen en door uw wildernissen dringen; en als hij een der uwen zal zien, schitterend van kleuren in zijn vlucht, zal die vederenpracht hem verlokken; maar hij zal aan ~Wilson~ denken—den vriend van ~Wilson~ dooden! Als die naam hem in de gedachte komt, zal hij zijn geweer laten zakken.
Ik zie ook niet in, waarom men het vermoorden van vogels tot in het oneindige zou voortzetten; ten minste wat de soorten betreft, die in onze musea zijn en in de musea door Wilson beschreven en door d'Audubon, zijn bewonderenswaardige leerling; diens prinselijk boek, dat èn het geslacht, èn het ei, èn het nest èn het bosch, en zelfs het landschap geeft, is een worsteling met de Natuur. Deze groote onderzoekers hebben allen dezelfde eigenaardigheid. Hunne indrukken zijn zóó subtiel, zóó nauwkeurig, dat algemeenheden hun niet voldoen: zij observeeren het ~individu~. De natuur bemoeit zich niet met onze klassificatie's, zij schept een wezen en vermoeit zich niet over de grenzen, waarbinnen wij onze soorten opsluiten. Zoo kent Wilson ook niet de vogels in 't algemeen, maar een individu: van díen leeftijd met zúlke veeren in déze omstandigheden. Hij kent hem, heeft hem gezien en weêr gezien; hij zal u zeggen, wat hij doet, wat hij eet, hoe hij zich gedraagt; een ondervinding, een anecdote uit zijn leven: „ik heb een specht gekend,—ik heb dikwijls een wielewaal gezien—”
Als hij zoo spreekt, kunt gij op hem vertrouwen; het wil zeggen, dat hij een geregeld verkeer met hen heeft onderhouden, een soort van vriendschappelijken en familiaren omgang. Het ware te wenschen, dat wij hen kenden met wie wij omgaan, zooals ~Wilson~ den vogel Qua kende en de reigers van Carolina.