De vogel

Part 2

Chapter 23,857 wordsPublic domain

Met mededoogen zien wij naar den „Luiaard” den „Traaglooper” dat dier in wording, het pijnlijke beeld van den Mensch; dat geen voet verzet, zonder klagend zuchten. Den naam, dien wij voor hem uitdachten, mochten wij wel voor ons zelf houden.

Wanneer die Traagheid doelt op het steeds falende pogen tot voortgaan, vooruitkomen, handelen, dan is de ware ~Traaglooper~, de Mensch. Want het vermogen zich van den eenen kant van de aarde, naar den anderen te sleepen, de vernuftige uitvindingen, die hem daarin helpen, dat alles kon hem niet ontnemen dat hij aan de aarde is vastgeklonken, gebonden door de Tyrannie van de zwaartekracht. Slechts ééne klasse van wezens, zie ik op de aarde, die zich vrij en snel bewegen, ontkomen aan den algemeenen jammer van onmachtig verlangen. Dat zijn zij, die alleen „de aarde raken met een vleugelspits”. Zij, die de lucht zelve, draagt en balanceert; en veelal kost het hun geen andere inspanning dan het besturen van hun vlucht, naar nooddruft of gril het aangeeft.

Licht en schoon bestaan! Wat moet zelfs de minste van de vogels met verachting neêrzien op de sterksten en vlugsten der viervoeters, leeuw en tijger. Hij spot met hun onmacht, gekleefd, geklonken als zij zijn aan den grond, die trilt onder hun nutteloos gebrul, hun machteloos nachtelijk zuchten; wel getuigt dat van de Knechtschap van den zoogenaamden Koning der dieren; gekluisterd is hij zooals wij allen het zijn, aan een minwaardig bestaan, door honger en zwaartekracht ons opgelegd.

[Illustratie]

O, de fataliteit van de materie! de fataliteit van eene beweging, die ons doet slepen over de aardvlakte. Die zwaarte, waaraan geen ontkomen is, die onze voeten vóór en na herinnert aan het logge, grove element, waar de dood ons zal doen ingaan, zeggende: „Zoon der Aarde, gij behoort de Aarde! een oogenblik uit haar opgerezen zult gij weer in haar moeten verzinken, voor wèl langen tijd!”

Rekenen wij het der Natuur niet aan: het is zeker, dat wij een wereld bewonen, die nog zéér jong, zéér barbaarsch is; een proef- en leerschool in de sterrenreeksen, een aanvangshalte op den langen weg der groote inwijding. Deze aardsfeer is een kindersfeer. En gij mensch, gij zijt een kind! Maar uit deze school voor beginnelingen moet gij bevrijd worden. Schoone en machtige vleugels zullen u geworden. Gij moet hier in het zweet uws aanschijns een graad halen tot het verkrijgen der Vrijheid.

Laat ons een proef nemen. Vragen wij het vogeltje, nog in het ei, wat het worden zal; de keuze is aan hem: „Wilt ge mensch zijn, en deelen in het Koningschap over de aarde, dat verkregen wordt door Arbeid en Kunst?”

En hij zal „Neen!” antwoorden, twijfel daaraan niet! Zonder nog in rekening te brengen het zwoegend pogen, de zorg en druk, het slavenleven waarmee wij ons koningschap koopen, heeft hij maar één antwoord te geven:

„Ik, Koning geboren, koning van ruimte en licht, wat zou ik afstand doen, daar de Mensch, wenschende het allerhoogste, het uiterste van geluk en vrijheid, droomt een vogel te willen zijn en te vliegen met vleugels!”

Alleen in zijn eersten, besten tijd, in het rijke jonge bestaan, in den droom der jeugd, is de mensch wel eens zoo gelukkig zijn menschzijn te vergeten, te vergeten, dat hij slaaf is van de zwaartekracht en vastzit aan de aarde.

Ziet hem zijn vlucht nemen en zweven in de ruimte! Hij beheerscht de wereld, hij zwemt in zonnelicht. Hij voelt het immense genot, met één blik een oneindigheid van dingen te omvatten, te voren slechts in détail gezien; en wat duister scheen en zonder samenhang, wordt nu verlicht en één, door 't overzien. Ha! zoo de wereld te omvatten en lief te hebben! welk goddelijk-schoon visioen! Neen, wek mij niet... wek mij nooit!... Ach, de dag komt, met gedruisch en arbeid! Zware ijzeren hamers bonzen met dreunenden metaalklank; in mijn ooren dringt het klokgelui, ik word onttroond, neergesmakt, mijn vleugels versmelten. Logge aardstof, val ik op de aarde neer, en gekneusd, gebogen, neem ik den ploeg weer op.

[Illustratie]

Toen tegen het einde der vorige eeuw, de mensch de vermetelheid had, zich over te leveren aan den wind, in de lucht te stijgen, zonder roer, zonder riemen, zonder mogelijkheid van besturen, toen liet hij het verkondigen dat hij eindelijk vleugels had, dat hij de Natuur had omgaan en de zwaartekracht overwonnen.

Maar door tragische gebeurtenissen werd dat stout vermeten gelogenstraft. Men had de vleugels bestudeerd, om ze na te bootsen; een grove namaak van het onnavolgbaar mekaniek, was het resultaat. En wij zagen sidderend hoe een arme menschenvogel, gewapend met énorme vleugels, zich van een honderd voet hooge kolom in de lucht slingerde, even bleef fladderen, en zich toen te pletteren viel.

Het mislukt en noodlottig fabrikaat stond ondanks zijn doorwrocht samenstel te ver af van dien verwonderlijken arm, die met zijne krachtige en snelle beweging, verkregen door zijn onderling samenwerkend spierstelsel, den menschelijken arm zoover overtreft. Den menschvleugel, los en onsamenhangend, ontbrak het in hoofdzaak aan den krachtigen spier, die den schouder verbindt aan de borst, en den geweldigen vleugelslag voortbrengt bij de luchtverslindende vlucht van den valk. Het werktuig is zoo één met de beweegkracht, de riem met den roeier, dat de gierzwaluw, de fregatvogel, 80 mijlen maken in het uur; zij overtreffen den orkaan, en alléén de bliksem is hun mededinger.

Maar al hadden die arme navolgers den vleugel zonder fout nageconstrueerd, er ware nog niets gewonnen. Men imiteerde den vorm, maar niet de inwendige structuur. Men geloofde, dat de vogel zijn vermogen tot opstijgen enkel aan zijn vleugels te danken had, onbekend met het geheim van het hulpmiddel, dat de Natuur in beenderen en veeren heeft verborgen.

Het mysterie, het ~wonder~ is, dat zij den vogel het vermogen gaf, lichter of zwaarder te zijn, naar zijn wil; meer of minder lucht op te nemen, in de tot dat doel ingerichte réservoirs. Om zich lichter te maken, vermeerdert hij zijn volume, door zich op te zwellen en vermindert zoodoende zijne betrekkelijke zwaarte, stijgt dus op in een middenstof, die zwaarder is dan hijzelf. Om zich neer te laten, maakt hij zich kleiner, enger, door de lucht, die hem opblies uit te drijven, dus zwaarder, zoo zwaar als noodig is. In dàt punt had men gefaald, daar school de noodlottige onwetenheid. Men kende den vogel als een schip, maar niet als een ballon. Men volgde alleen den vleugel; maar de vleugel, hoe volmaakt nagebootst, als hij dat inwendig vermogen mist, is een zeker middel tot verderf.

[Illustratie]

Maar dat vermogen, dat vlugge spel van lucht innemen en uitdrijven, dat zweven op willekeurig verwisselbaren ballast, waarop berust dat?

Op een ongehoorde, ongelooflijke kracht van adem. De mensch, kreeg hij zooveel lucht opeens naar binnen, zou onvermijdelijk moeten stikken. Maar de machtige elastieke longen van den vogel vullen, drenken zich met kracht en met wellust, zenden de lucht in golven naar de beenderen en de luchtcellen.

Iedere ademtocht vernieuwt de bliksemende snelheid, van seconde tot seconde. Het bloed zonder òphouden versterkt door nieuwe lucht, verleent de spieren hun onuitputtelijke kracht, een kracht bij geen ander schepsel aanwezig, en alléén den elementen eigen.

Het logge beeld van Antaeus, die zijn krachten vernieuwt, als hij de aarde, zijn moeder, beroert, geeft, hoewel zwak en grof een begrip van deze werkelijkheid. De vogel behoeft de lucht niet te zoeken om ze aan te raken en kracht te herkrijgen: de lucht vindt hem en doorstroomt hem, en onophoudelijk vernieuwt zij den gloed van zijn hel brandend levensvuur.

Dit is het wonder, en nièt de vleugel. Hadt gij den vleugel van den Condor, en volgdet gij hem, als hij van de toppen van den Andes met hun Siberische gletschers neerschiet, neervalt, op de gloeiende kusten van Peru, doorsnijdend in één minuut de temperatuur van alle klimaten, in één adem, die vervaarlijke massa lucht innemend—gloeiend of ijzig wat deert het hem?—vernietigd zoudt gij zijn!

De sterkste viervoet wordt hier door het kleinste vogeltje te schande gemaakt. „Keten een leeuw in een luchtballon,”—zegt Toussenel—„zijn dof gebrul zal zich verliezen in de ruimte.”

Hoeveel machtiger stem en adem van den kleinen leeuwerik, als hij stijgend zingt; men hoort hem en ziet hem niet meer. Het blij en lustig kweelen gaat zonder moeite, het kost hem niets; het schijnt wel de vreugd van een luchtgeest, die de aarde troosten wil.

Kracht geeft vreugd, en het vreugdevolste van alle wezens is de vogel, omdat hij zich sterk gevoelt boven zijn actie uit; omdat hij gewiegd, gedragen wordt door den adem des hemels; hij zweeft en stijgt zonder moeite, als in een droom.

Als een roes van goddelijk geluk is die onbegrensde kracht, het subliem vermogen, bij de geringe schepsels als verborgen, bij de vogels helder en levend, naar willekeur zijn kracht te kunnen putten uit de Moeder zelve, en het leven in te zwelgen bij stroomen.

Niet hoogmoedig noch onvroom is de natuurlijke drang van alle wezens te willen gelijken op de Al-Moeder, zich naar haar beeld te vormen, en met de onvermoeide vleugels der eeuwige Liefde de aarde koesterend te omgeven.

Hierop grondt zich de traditie der menschen. De mensch wil geen mensch zijn maar een vogel, een gevleugeld God. De gevleugelde geesten der Perzen zijn de cherubim van Judea.

Griekenland gaf vleugelen aan zijn Psyché, aan de ziel. De ziel heeft hare vleugelen behouden. Zij doorvloog het duister der Middeneeuwen, en stijgt met de tijden. Duidelijker en vuriger uit zich het verlangen, dat opwelt uit het diepst van de menschelijke Natuur, dat wordt tot een profetischen drang. „O ware ik een vogel!” spreekt de mensch. De vrouw is er zeker van dat haar kind een engel zal worden. Zoo heeft zij het gezien in haar droomen. Droom of waarheid!.... Gevleugelde droomen! Verrukkingen van den nacht, die wij des morgens beweenen! indien het toch zoo ware! indien gij leefdet! Als wij eens niet verloren hadden, wat wij steeds betreuren, en het misschien ons ware gegeven de eeuwigheid te doorvliegen van ster tot ster, allen te zamen vereenigd door de oneindige Goedheid als in een pelgrimstocht! Er zijn oogenblikken waarin men denkt, wanneer iets ons zegt, dat die droomen geen droomen zijn, maar aan de ware wereld onttogen, tot ons gekomen; een Licht even schemerend achter den nevel van het op aarde zijn—zekere beloften! En wat reëel scheen is de booze Droom.

[Illustratie]

[Illustratie: EERSTE POGEN DER VLEUGELS.]

[Illustratie]

EERSTE POGEN DER VLEUGELS.

Wie ons Parijsch Museum van natuurlijke historie bezoekt, ongeletterd of onwetend, oververzadigd van geest of ongevoelig, hij zal een oogenblik worden bevangen door eene gewaarwording van eerbied, en zelfs schroom. Dezen indruk geeft, voor zoover ik weet, geen vreemde verzameling. Andere, zooals het schitterend Museum te Leiden, zijn misschien rijker in soorten, maar niet vollediger, niet harmonischer. Die grandiose eenheid wordt instinctief gevoeld, grijpt aan, imponeert. De achtelooze reiziger, de toevallige bezoeker, voelt zich onverwacht getroffen. Hij blijft staan en peínst.

Plotseling geplaatst tegenover dit groote raadsel, die immense hieroglyph, zouden wij zoo gaarne een karakter ontcijferen, een teeken uitvinden. Hoe dikwijls is het gebeurd, dat een werkman, een man uit het volk, verbaasd en onthutst stond door eenigen bijzonderen vorm en ons naar de beteekenis vroeg. Een enkel woord hielp hem op weg, een eenvoudige aanduiding stelde hem tevreden; hij vertrok voldaan, en beloofde terug te komen; terwijl anderen, die in die zee van onbekende voorwerpen niet begrijpend ronddoolden, ontmoedigd en vermoeid weer heengingen.

Hopen wij, dat de verlichte, en wetenschappelijk zoo hoog geplaatste administratie, weer terug zal komen tot de oorspronkelijke statuten van het Museum, die ~verklarende bewakers~ aanwezen, en alléén door hen, die de schatten, die zij hoedden begrepen, ze lieten vertolken.

En een tweede wensch is, dat men naast afbeeldingen van natuuronderzoekers, moge plaatsen, de beeltenissen van kloeke zeevaarders, onversaagde reizigers, die hun leven waagden, duizendmaal, onder moeitevollen arbeid, om ons die schatten te kunnen bezorgen. Waardevol in zichzelf, wordt de waarde daarvan onschatbaar, door den heldenmoed en zielegrootheid van hen, die voor ons die schatten hebben gewonnen. Dat allerliefste kolibrietje, gevleugeld safier, Mevrouw, voor u niet dan een simpel sieraad; weet gij, dat een Azara, een Lesson het meê brachten uit doodademende wouden? Die tijger, wiens schilderachtige huid gij bewondert, weet, dat de onversaagde Levaillant hem in de jungle heeft moeten opsporen, zich met hem heeft moeten meten in behendigheid en kracht, om hem met zijn kogel den schedel te doorboren. Die kloeke reizigers, in hun gloeiende natuurvereering, zonder middelen, zonder bijstand dikwijls, zijn hem gevolgd in zijn woestenijen, hebben hem verrast en gadegeslagen in zijn geheime schuilplaatsen; honger en dorst, ongelooflijke ontberingen hebben zij zich opgelegd zonder klagen, hun belooning vonden zij in hun werk. Liefde en dankbaarheid vervulden hen bij iedere nieuwe ontdekking. En betreurd hebben zij niets; niet eens den dood van la Perouse, van Mungo Park den dood door schipbreuk, den dood onder barbaren!

Dat zij herleven, hier te midden van ons! Heeft zich hun eenzaam leven afgespeeld ver van dat Europa, dat zij dienden, dat dan hun beeld zich bevinde te midden van eene erkentelijke menigte. Hun beeltenis, met een korte aanduiding van hunne gelukkige ontdekkingen, van wat zij waagden, wat zij verdroegen. Misschien dat menig jongeling door die heldentypen getroffen, den geest van hen vervuld, den drang zal voelen hen na te volgen.

Want dit maakt deze plaats dubbel groot: Helden vonden en verzonden deze schatten, groote mannen ontvingen, schiften, plaatsten ze tot een harmonisch geheel. Tot hen kwam dit alles, als tot een wettig centrum; hun plaats in de Maatschappij, hun genie maakten het hun mogelijk hier, als het ware, de Natuur te centraliseeren. In de vorige eeuw was het middelpunt der groote wetenschappelijke beweging een man van genie, van gewicht, drievoudig: door rang, betrekkingen en fortuin, den graaf de ~Buffon~. Alle giften van geleerden, reizigers, koningen, kwamen tot hem, deelde hij in, in het Museum. In onzen tijd boeide een nog grootscher schouwspel de aandacht der natiën aan deze plaats; twee immense geesten, neen, meer nog, twee stelsels,—Cuvier en Geoffroy, hebben er gekampt. Ieder koos partij, ieder zond proeven, vóór of tegen, naar het Museum; boeken, dieren of nieuw gevonden feiten. Zoo bleek er nog leven te zijn in die doode verzamelingen; zij trilden nog na van den strijd, bezield door de groote geesten, die al die wezens tot getuigen aanriepen bij hun vruchtbaar tweegevecht.

Ook is de schikking van die verzamelingen geen toevallige. Het zijn zeer volledige seriën, samengesteld door groote denkers. De merkwaardigste overgangen zijn er rijkelijk vertegenwoordigd. Hier kan men beter dan elders de uitspraak bevestigd zien van Linnaeus en Lamark: naar mate zich de Musea verrijken, aanvullen, minder gapingen vertoonen, zal men moeten inzien, dat de Natuur ~niet~ in sprongen werkt, maar met geleidelijke onmerkbare overgangen. Waar wij in haar gewrochten, een sprong, een leemte, een plotselingen onharmonischen overgang meenen te ontdekken, daar mogen wij ons zelf beschuldigen: die gaping is onze ~onwetenheid~.

Verblijven wij een oogenblik bij een van die plechtige momenten, als in het nog onzekere leven eene weifeling is, als de Natuur zichzelve schijnt te ondervragen en haar wil te zoeken. „~Zal ik visch of zoogdier zijn?~” spreekt het wezen; hij aarzelt en blijft visch, maar met warm bloed. Het is het goedige, zachtaardige geslacht der zeekoeien en robben. „~Zal ik vogel of viervoet wezen~,” veelomvattende vraag, verwarrende weifeling, lange en wisselende strijd. Al de ontknoopingen worden ons verhaald, de verschillende oplossingen van naïef gestelde problemen, gerealiseerd, door bijzondere wezens. Het vogelbekdier, dat van den vogel alléén den bek heeft; de arme vleermuis, onschuldig en teeder wezen in zijn familieleven; zijn onzekere vorm maakt hem leelijk en verafschuwd. Bij hem ziet men, hoe de natuur den vleugel zoekt, en niet anders vermag voort te brengen dan een afschuwelijke harige huid, maar die toch als vleugel dienst doet.

„Vogel ben ik, zie mijn vleugels!”

Maar de vleugel maakt nog den vogel niet.

Plaatsen wij ons nu in het midden van het Museum, dicht bij de klok. Daar zien wij, links, de eerste aanduiding van den vleugel bij de pingouïn van de Zuidpool, en bij zijn broeder de vetgans van het Noorden, maar bij dien een graad verder ontwikkeld. Schubbige, vinachtige vlerkjes die door den glans van hun veeren meer aan visschen doen denken, dan aan vogels. Op vasten grond is hij een zwakkeling; de aarde is hem moeilijk, de lucht onmogelijk. Beklaag hem niet te zeer. De voorziende Moeder heeft hem voor de Poolzeeën bestemd, waar hij nauwelijks te loopen zal hebben. Zij bekleedt hem zorgvuldig met een warmend overtrek van vet, en een ondoordringbaar kleed. Zij wil, dat hij het warm heeft tusschen het ijs. Hoe dat 't beste te bereiken? Zij schijnt te hebben geweifeld, gezocht. Naast de pingouïn ziet men met verrassing de proefneming van een geheel andere soort maar niet minder treffend, als moederlijke voorzorg: het is een zeer zeldzame giervogel, die ik in geen enkel ander Museum gezien heb; gekleed in een ruige pels, als een viervoet, een soort van geitenvel, maar die bij het levende dier, waarschijnlijk meer glans had, en zeker voor het water ondoordringbaar is.

Om de vogels, die niet vliegen kunnen bijeen te houden, moet ik met de vorige noemen: den schipper der woestijn, den kameelvogel, de struis, in inwendige struktuur den kameel gelijk. Kon ook, zijn maar even aangeduide vleugel hem niet van den grond opheffen, hij is hem toch een machtige hulp bij het loopen, waarin hij de uiterste snelheid bereikt. 't Is het zeil, dat hij opzet, als hij zijn dorren Afrikaanschen Oceaan doorkruist.

[Illustratie]

Keeren wij terug tot de pingouïn, het eigenlijk uitgangspunt van de series; de pingouïn wiens rudimentaire vleugel, noch als zeil, noch als hulp bij het loopen kan dienen en niet anders is, dan een aanduiding en ook een herinnering van de natuur.

Maar zij maakt zich daarvan los en heft er zich—doch met moeite—boven uit, in een eerste poging tot vliegen, met twee wonderlijke typen, grotesk en verwaand. De pingouïn is dat niet; het eenvoudig, simpel wezen kan men aanzien, dat hij de eerzucht, te willen vliegen, niet kent. Maar hier zijn er, die er boven uit willen, die zoeken de gratie en sier der beweging. De ~Alk~ schijnt een vetgans, die besloten heeft met zijn toestand te breken, en hij zet een koket pluimpje op zijn hoofd, dat hem nog leelijker maakt. De onmogelijke papegaaiduiker, karikatuur van een karikatuur, de papegaai gelijkt daarop door zijn grooten bek, maar die onhandig toeloopt en de energieke kracht van den ander mist; zonder staart en met zijn lompen zwaren kop is zijn evenwicht steeds in gevaar. Toch waagt hij zich aan vliegen, met de aanhoudende mogelijkheid door zijn topzwaarte om te duikelen. Met nobelen zwier zweeft hij onmiddellijk boven den grond, bron van bewondering en afgunst voor de vetganzen en robben misschien. Ook waagt hij zich wel eens in zee: rampzalig vaartuig! het kleinste windstootje doet het schipbreuk lijden.

[Illustratie]

[Illustratie]

Maar er is geen ontkomen meer, de eerste stap is gedaan en vogels van verschillende soort zetten het pogen voort en slagen beter. Het rijke geslacht der duikers in zijn verscheidenheid van soorten, vereenigt vliegers met zwemmers. Er zijn er met volmaakte vleugels en vaste sterke vlucht, die het vermogen hebben verre reizen te doen; andere, met nog de glanzende veeren van de vetgans, duiken en spelen op den bodem der zeeën. Hadden zij de vinnen en de ademhaling zij waren volmaakte visschen. Tweeslachtig, beheerschen zij twee elementen.

[Illustratie]

[Illustratie: TRIOMF VAN DEN VLEUGEL

~DE FREGATVOGEL.~]

[Illustratie]

TRIOMF VAN DEN VLEUGEL.

~DE FREGATVOGEL.~

Sparen wij ons de opsomming der tusschenliggende soorten. Ik ga onmiddellijk over tot den witten vogel, daar boven in de wolken; een vogel, dien men overal ziet, in het water, op het land, en op de kale of door de zee bedekte klippen, tusschen de golven; een vogel dien men gaarne ziet, gezellig en gulzig. De kleine gier der zeeën zou ik hem willen noemen. Ik spreek van de myriaden van meeuwen—gewiekte golfjes—die boven alle kusten, de lucht scheuren met hun kreten. Noem mij vrijer wezens! Nacht of dag, noord of zuid, zee of kust, prooi levend of dood, het is hun alles goed. Alles hun gading, overal thuis, zweven zij zonder rust, het witte zeil op, tusschen lucht en water. De wind, die steeds wisselt en draait, is altijd hun wind, die hen brengt, waar zij wenschen te zijn. Zijn zij niet de elementen zelf, lucht en zee, die vleugels namen en opvlogen! Ik weet het niet: hun grijs oog, koel en star (dat men nooit met die uitdrukking in onze musea terug vindt) is als de grauwe, wezenlooze zee van het Noorden in zijn ijzige onpersoonlijkheid. Wat zeg ik? nog bewogener is die zee. Lichtend, phosphorizeerend, wekt zij dikwijls leven in zich. Vader Oceaan, norsch en in zichzelf als hij is, broedt achter zijn bleek aanschijn dikwijls nog veel gedachten uit. Zijn zonen, de meeuwen, schijnen minder dier dan hij. Zij vliegen rond, speurend met hun doode oogen, een doode prooi. Zij verzamelen zich en verhaasten in massa de vernietiging van de reusachtige kadavers, die voor hen op de zee drijven. Niet wreed van uiterlijk, vervroolijken zij den reiziger met hun spel en de vlugge verschijning van hun slanke vleugels. En zij spreken hem van verre landen, van kusten, die hij verliet, van vrienden, verloren of te vinden. En zij voorzeggen hem ook de stormen. Menigmaal raden hem hunne ontplooide zeilen, de zijne in te halen.

[Illustratie]

Want geloof niet, dat zij hun vleugels vouwen, als de storm komt. Integendeel, juist dan nemen zij hun vlucht. De storm is hun oogsttijd: hoe verschrikkelijker de zee, hoe minder de visschen zich onttrekken aan dien stouten visscher. In de golf van Biscaye waar de zeeën, opgestuwd uit het Noordwesten over den Atlantischen Oceaan komen opgehoopt, opgeheven tot een ontzaglijke hoogte en met geweldige schokken, werken rustig en onverstoorbaar de meeuwen.

„Ik heb hen een oneindig aantal kringen zien beschrijven,” zegt de heer Quatrefages, „hen zien neervallen tusschen twee golven en met een visch weer opstijgen. Sneller met den wind, trager tegen den wind, maar altijd cirkelend met hetzelfde gemak, zonder schijnbaar één vleugelslag meer dan in de mooie kalme dagen. En toch stortten zich de golven over de kusten als omgekeerde watervallen, hoog als het plate-forme van de Notre-Dame, en het opvliegend schuim hooger dan Montmartre—zij bleven onverschillig en bedaard.”

Die bedaardheid ontbreekt den mensch. De matrozen ontstellen, wanneer in het avonddonker, bij 't plotseling invallen van den nacht, over de zeeën, een naargeestig klein figuurtje rond het schip komt zwerven, een somber zwarte vogel. Zwart is eigenlijk niet het rechte woord, zwart zou nog vroolijk zijn; de ware tint is een soort van rookerig bruin, dat men haast niet onderscheidt. Een schim uit de hel, een booze droom; die op de wateren loopt, speelt tusschen de golven, den storm met voeten treedt. Die ~Stormvogel~ (ook „Sint Pieter”) is de schrik van den zeeman, die in hem een levende vervloeking ziet. Van waar komt hij? Hoe verschijnt hij op eens op zulk een afstand van allen vasten grond? Wat wil hij? wat zoekt hij, zoo geen schipbreuk? Ongeduldig is zijn vlucht; hij kiest reeds de lijken, die hem zijn maat, de wreede, kwaadaardige zee, zal overleveren.

[Illustratie]