Part 13
En om af te dalen tot datgene, waarvan men zoo dwaselijk gewoon is met minachting te spreken: tot den hoenderhof—als men de millioenen eieren ziet, die in Egypte worden uitgebroed, of waarmee Normandië geheele vloten bevracht, die jaarlijks het Kanaal oversteken, dan begint men eerst goed te begrijpen, hoe in de huishouding van den Staat met kleine middelen groote uitkomsten worden verkregen.
Als er in Frankrijk nog geen paarden waren, en iemand zou ze er invoeren, dan zou het daarmede méér veroveren dan met den Rijn, België en Savoye; het paard is zeker drie koninkrijken waard.
En nu is er een dier, dat alléén paard, ezel, koe en geit is, dat al hunne nuttige eigenschappen heeft en bovendien een zeldzaam mooie wol levert; een forsch sterk dier, dat uitstekend groote koude verdraagt; men begrijpt wel, dat ik den ~lama~ bedoel, die Geoffroy Saint-Hilaire met zulk een prijzenswaardige volharding zoekt in te voeren. Maar alles schijnt daar tegen samen te spannen; de prachtige kudde van Versailles is bezweken door slechte oppassing, die van den „Jardin des Plantes” zal omkomen door beperkte localiteit en vocht.
Het bezit van den Lama is tienmaal belangrijker dan de verovering van de Krim.
Maar het zij nóg eens gezegd: voor zulk eene overbrenging is een ruim gebruik van middelen noodig en zeer zeker ook eene groote toewijding en teederheid waar het de opvoeding betreft; en dat alles vindt men niet dikwijls vereenigd.
En nu nog een woordje over een nietig feit, maar van vèr-strekkende beteekenis.
Een groot schrijver—maar die geen geleerde was—Bernardin de St. Pierre—had gezegd, dat men er nooit in slagen zou eenig dier over te brengen, wanneer men niet te gelijk de plant importeert, die het bijzonder sympathiek is. Dit gezegde had het lot van vele andere: de geleerden haalden hunne schouders op en spraken van poëzy.
Maar het was niet vergeefs gesproken voor een intelligenten liefhebber, die te Parijs een verzameling van levende vogels had bijeengebracht. Hij had een zeer zeldzame papegaai, die ondanks alle zorg hardnekkig steriel bleef. Toen heeft hij onderzocht op welken boom die soort haar nest maakt en gaf in Hâvre orde, hem dien boom te bezorgen. Levend kon hij niet worden overgebracht; hij kwam zonder blad of twijg, niets dan een levenlooze tronk. Geen bezwaar: de vogel vond in den hollen stam zijn gewone plaatsje en maakte er toen haar nest. Zij vond een maat en grondde er een gezin; kreeg eieren, broedde ze uit, en nu zijn er jongen.
[Illustratie]
De omgeving voor den banneling na te bootsen: de uiterlijke omstandigheden, de voeding, de plantenwereld, al de bijzonderheden van zijn bestaan dáár, en dat zóó bedriegelijk mogelijk, dat hij er het vaderland door vergeet, daarvoor is het niet genoeg te _weten_, daartoe is vernuft noodig en de gave der vinding. Maar eene van de moeielijkste opgaven, een van de ernstigste punten van onderzoek en nadenken voor ons, is te bepalen de maat van vrijheid en van onderwerping, van verband en van samenwerking met ons, die ieder wezen kan verdragen.
Dit is een nieuwe kunst, en men zal er niet in kunnen doordringen, zonder diepgaand moreel onderzoek, en een fijnheid en kieschheid van begrip, die nog nauwelijks in den mensch aanwezig zijn, en die er misschien nooit geheel zijn zullen, als niet de vrouw tot de wetenschap wordt toegelaten.
Deze kunst vraagt eene oneindige ~teederheid~ bij het oordeelen en het begrijpen.
[Illustratie]
[Illustratie: TOELICHTING.]
[Illustratie]
TOELICHTING.
De voornaamste toelichting, die aan een boek moet worden toegevoegd, is ongetwijfeld de formule, waarin men den inhoud samenvat.
Dit boek heeft den vogel beschouwd, ~op zich zelf~, en maar weinig in verband met den mensch.
De vogel, van lager geboorte dan de mensch—~ovipare~—uit het ei geboren—heeft toch op hem drie dingen vóór, die zijn bijzonder gebied zijn.
I. De ~vleugel~, het ~vliegvermogen~: een vermogen bij hen alléén aanwezig en dat steeds de illusie was van den mensch. Bij de vogels vergeleken, zijn alle wezens langzaam; bij den valk en de zwaluw is het arabisch paard niet meer dan een slak.
II. Het vliegen volgt niet alleen uit de aanwezigheid van vleugels, maar bovendien uit een weergaloos vermogen van ~ademhaling~ en ~gezicht~. Men kan met recht van den vogel zeggen, dat hij is: „het kind van licht en lucht.”
III. Een electrisch zeer gevoelig wezen, voelt en vóórziet de vogel de dampkringsverschijnselen, den tijd, de seizoenen. Hetzij doordien hij in zéér nauw verband staat met de aarde, of een verwonderlijk-sterk geheugen heeft in betrekking tot plaats en richting, is hij altijd georiënteerd en vindt altijd zijn weg.
Hij bereikt door intuïtie wat nooit de mensch zou bereiken; dat is vóóral voelbaar in dien verwonderlijken krijg tegen reptiel en insekt. Daarbij gevoegd de immense arbeid van het eeuwig zuiveringsproces, door sommige soorten verricht: het opruimen van alle gevaarlijke onreinheden. Indien die krijg en dat werk één dag verzuimd werden, ware voor den mensch het bestaan op aarde onmogelijk.
Deze dagelijksche overwinning van den zoon des lichts op den dood, op wat in het duister op het leven aast, is het waardig onderwerp voor den zang, voor de ~hymne~ van immense vreugde, waarmede de vogel altijd weer den dageraad begroet.
Maar de vogel heeft nog andere talen behalve den zang. Zooals de mensch kan hij spreken en uitspreken en praten. Met ons zijn de vogels de eenige wezens die een taal hebben. De mensch en de vogel zijn de spraak van de wereld.
De vogel, die het vermogen van voorspellen heeft, nadert altijd tot den mensch en de mensch wil hem altijd kwaad. Het is niet onmogelijk, dat hij den mensch vóórziet, zooals hij zeker ééns wezen zal als hij uitgetreden is uit de barbaarschheid, waarin wij hem nu nog kennen.
De vogel herkent in den mensch het eenig, heilig en gezegend wezen, dat de scheidsrechter zal zijn van allen; dat de bestemming van deze wereld moet volmaken met een opperste weldaad: ~De aaneensluiting van alle wezens, en hunne verzoening~.
Dit vreedzaam tot elkaar komen, kan eerst na lengte van tijd gebeuren, en er is toe noodig van onzen kant, een kunst van opvoeden en inwijden, waarvan wij nu eerst beginnen den omvang te beseffen.
[Illustratie]
~INHOUD.~
Bladzijde
VOORAF 5
~EERSTE DEEL.~
HET EI 9
DE POOL. De Vogel-visch 19
DE VLEUGELS 29
EERSTE POGEN DER VLEUGELS 41
TRIOMF VAN DEN VLEUGEL. De Fregatvogel 51
VOGELS DER WATERKANTEN 63
DE REIGERKOLONIES IN AMERIKA 73
DE STRIJD. De tropen 83
HET ZUIVERINGSWERK 97
DE DOOD. De roofvogels 109
~TWEEDE DEEL.~
HET LICHT. De nacht 129
STORM EN WINTER. De trek 141
VERVOLG VAN DEN TREK. De Zwaluw 155
HARMONIEËN VAN DE GEMATIGDE LUCHTSTREEK 167
DE VOGEL, ARBEIDER VAN DEN MENSCH 177
DE ARBEID 189
DE ZANG 203
HET NEST 215
VOGELSTEDEN EN REPUBLIEKEN 227
DE OPVOEDING 237
DE NACHTEGAAL. DE KUNST EN HET ONEINDIGE 251
VERVOLG VAN DEN NACHTEGAAL 263
BESLUIT 275
TOELICHTING 291
#In de Afdeeling „Natuurkennis” van de Wereld-Bibliotheek werden o. a. opgenomen:#
W. B. 63/66
#CHARLES DARWIN, De Reis om de Wereld,# vertaald door J. Brandt (met afbeeldingen) ƒ 0.80; 0.95; 1.10
Dr. ~A. J. C. Snijders~, deze vertaling van den heer ~Brandt~ aankondigend in _De Tijdspiegel_, wijst er op, dat het werk nog steeds actueel is, „en vooral daardoor merkwaardig, dat het niet uitsluitend beteekenis heeft voor den natuur-onderzoeker van beroep. Ook elke leek, die belang stelt in de natuur, zal bij de lezing veel genieten, en men verzuime dus niet, nu het voor een spotprijs in het Nederlandsch verkrijgbaar gesteld wordt, van deze aanbieding gebruik te maken en zich dat genot te verschaffen—-—-
„Nog steeds neemt het verhaal van ~Darwin's~ Wereldreis eene eerste plaats in onder de beste reislectuur.”
W. B. 13
#Prof. HUGO DE VRIES, Het Yellowstone Park—Experimenteele Evolutie.# (Met 4 autotypiën), 2e druk, 7e en 8e duizend ƒ 0.20; 0.30; 0.40
Als Prof. Hugo de Vries over Amerikaansche natuurverschijnselen schrijft, en een voordracht in Amerika houdt over den stand van het vraagstuk van het ontstaan der soorten, is de belangstelling natuurlijk groot. En vooral als die voor zulk een prijsje bevredigd kan worden, is het geen wonder, dat een eerste oplaag van 6000 ex. in één jaar tijds uitverkocht is. We zijn dus begonnen met het 7e en 8e duizendtal ter beschikking van gretige lezers te stellen.
W. B. 54
#Dr. H. NABER, De Ster van 1572 (Drebbel)#, met vele natuurkundige illustraties ƒ 0.20; 0.30; 0.40
Voor de meesten onzer is Drebbel een groote onbekende. Dr. Naber doet hem in dit werkje kennen als den grooten voorganger der in de geschiedenis van de natuurkundige ontdekkingen wereldberoemde grootheden; een echt genie, waard om in ons land naast Huygens gewaardeerd te worden. Een lezenswaardig boekje voor den leek; maar ook door de vele reproducties uit het nog onuitgegeven Journaal van Beckman, hoogst belangwekkend voor hen, die zelf de natuurkunde beoefenen.
Van MICHELET verscheen nog in de W. B.:
W. B. 3
#Martelaren van Rusland#; vertaling van S. J. Bouberg Wilson ƒ 0.20; 0.30; 0.40
De groote Fransche geschiedschrijver heeft in 1852 de martelaren van den Russischen bevrijdingskamp, den strijd tegen autocratie en bureaucratie geteekend, en den langen duur der worsteling verklaard uit den aanleg van het Russische volk. Dit vooral maakt dit werkje ook voor onzen tijd, nu het schijnt of we het einde der worsteling naderen, diep interessant.
WERELD-BIBLIOTHEEK.
Verschenen in de ~Eerste Jaar~-~Serie~: (Prijs in carton f 7.50; in linnen f 10.—.)
No. 1 en 2. BETJE WOLFF EN AAGJE DEKEN, Historie van Mej. ~Sara Burgerhart~. f 0.80.
No. 3. JULES MICHELET, ~De Martelaren van Rusland~. f 0.20; 0.30; 0.40.
No. 4. HENRIK IBSEN, ~De Steunpilaren der Maatschappij~. f 0.40.
Nos. 5/6. ALBERT VERWEY, ~Inleiding tot de Nieuwe Nederlandsche Dichtkunst~. f 0.40; 0.55; 0.70.
No. 7. ~Aladdin en de Wonderlamp~. f 0.20; 0.30; 0.40.
No. 8. ~Ali Baba en de veertig Roovers~. f 0.30; 0.40.
Nos. 9/10. JUDITH GAUTIER, ~De Gedenkschriften van een Witten Olifant~. f 0.40; 0.55; 0.70.
Nos. 11/12. CH. KINGSLEY, ~De Waterkindertjes~. f 0.40; 0.55; 0.70.
No. 13. PROF. HUGO DE VRIES, Het ~Yellowstone Park~.—~Experimenteele Evolutie~. f 0.20; 0.30; 0.40.
No. 14. OKAKURA YOSHISABURO, ~De Geest van Japan~. f 0.30; 0.40.
No. 15. CHARLES DICKENS, ~Een Kerstlied in proza~. f 0.20; 0.30; 0.40.
No. 16. MOLIÈRE, ~De Schelmenstreken van Scapin~. f 0.30; 0.40.
Nos. 17/18. G. VAN HULZEN, ~Getrouwd~. f 0.40; 0.55; 0.70.
No. 19. FR. HEBBEL, ~Maria Magdalena~. f 0.30; 0.40.
No. 20. TOLSTOJ, ~Iwan de Dwaas en andere Volksvertellingen~. f 0.20; 0.30; 0.40.
No. 21. SHAKESPEARE, ~Coriolanus~. f 0.20; 0.30; 0.40.
No. 22. SCHARTEN-ANTINK, ~Sprotje~. (_Uitverkocht._)
No. 23. SALZMANN, ~Het Mierenboekje~. id.
Nos. 24/25. WELLS, ~Het voedsel der Goden~. f 0.40; 0.55; 0.70.
Nos. 26/27. SIGHELE, ~De menigte als misdadigster~. f 0.40; 0.55; 0.70.
Nos. 28/29. F. SCHMIDT-DEGENER, ~Rembrandt~. f 0.55; 0.70.
No. 30. H. DE BALZAC, ~Het gevloekte kind~. f 0.30; 0.40.
Nos. 31/32. BOISSEVAIN, ~L. R. Koolemans Beynen~. f 0.40; 0.55; 0.70.
No. 33. FALKLAND, ~Kleine Vertelsels~. f 0.30; 0.40.
Nos. 34/35. DE TOCQUEVILLE, ~Herinneringen aan den opstand van 1848~. f 0.40; 0.55; 0.70.
* * * * *
In den ~Tweeden Jaargang~ zijn verschenen: (W.B. en N.B.: in carton f 10.—; in linnen f 12.50.)
WERELD-BIBLIOTHEEK.
Nos. 36/37. BJÖRNSTJERNE BJÖRNSON, ~Boven Menschelijke Kracht~. f 0.40; 0.55; 0.70.
Nos. 38/39. DESIDERIUS ERASMUS, ~Een Twaalftal Samenspraken~. f 0.70.
No. 40. HENRIK IBSEN, ~Een Poppenhuis (Nora)~. Tooneelspel in drie Bedrijven. f 0.20; 0.30; 0.40.
Nos. 41/42. VLADIEMIR KOROLENKO, ~Schetsen en Vertellingen (uit Siberië)~. f 0.40; 0.55; 0.70.
No. 43. GERHART HAUPTMANN, ~De Verdronken Klok~. Sprookjesdrama. f 0.20; 0.30; 0.40.
No. 44. SOPHOCLES' ANTIGONE. f 0.20; 0.30; 0.40.
Nos. 45/46. THOMAS CARLYLE, ~Over Helden en Heldenvereering~. (_Nieuwe druk in bewerking._)
Nos. 47/48/49. UPTON SINCLAIR, ~De Wildernis (De Moderne Negerhut)~. f 0.60; 0.75; 0.90.
Nos. 50/51. CHARLES DICKENS, ~Londen en Parijs~. (_Uitverkocht._)
Nos. 52/53. KERN-MANNOURY, ~Het Boeddhisme~. f 0.40; 0.55; 0.70.
No. 54. Dr. H. A. NABER, ~De Ster van 1572 (Drebbel)~. f 0.20; 0.30; 0.40.
Nos. 55/56. KJELLAND, ~Vergif~. Een roman. f 0.40; 0.55; 0.70.
Nos. 57/58. DANTE'S HEL. In proza overgebracht door Dr. ~H. J. Boeken~. f 0.55; 0.70.
Nos. 59/60. WELLS. ~De 20ste Eeuw en haar waarschijnlijke ontwikkeling~. Een profetie. f 0.40; 0.55; 0.70.
NEDERLANDSCHE BIBLIOTHEEK.
(Alleen N.B.: in carton f 5.20; in linnen f 7.50.)
No. I. J. A. SIMONS-MEES, ~De Veroveraar~. Een spel van stemmingen in vijf bedrijven. f 0.20; 0.30; 0.40.
No. II. P. VAN LIMBURG-BROUWER, „~Een Ezel~” en „~Eenig Speelgoed~.” f 0.20; 0.30; 0.40.
No. III. NICOLAAS BEETS, ~Verscheidenheden~. f 0.30; 0.40.
Nos. IV/V. WILLEM KLOOS, ~Bilderdijk~. Bloemlezing met inleiding en portretten. f 0.40; 0.55; 0.70.
Nos. VI/VII. J. EIGENHUIS, ~De Wijsgeer~. (Tweede herziene druk.) f 0.40; 0.55; 0.70.
Nos. VIII/X. ~Uit het Leven en Bedrijf van den Heere Michiel de Ruiter~. Beschreven door GERARD BRANDT. Bloemlezing met inleiding door Prof. Dr. G. ~Kalff~. f 0.60; 0.75; 0.90.
Nos. XI/XII. STIJN STREUVELS, ~Reinaert de Vos~. f 0.55; 0.70.
Nos. XIII/XIV. Mevr. A. G. BOSBOOM-TOUSSAINT, ~De Prinses Orsini~. Een roman. f 0.40; 0.55; 0.70.
Nos. XV/XVI. G. VAN HULZEN, ~Wrakke Levens~. f 0.40; 0.55; 0.70.
No. XVII. J. REDDINGIUS, ~Johanneskind~. Gedichten. f 0.20; 0.30; 0.40.
No. XVIII. MULTATULI, ~Vorstenschool~. Met een woord vooraf door Mevr. ~Douwes Dekker-Schepel~ en twee portretten. f 0.20; 0.30; 0.40.
No. XIX. VICTOR DE LA MONTAGNE, ~Gedichten~. Met inleiding van E. de Bom. f 0.20; 0.30; 0.40.
Nos. XX/XXI. ~Zelfkeur~. Bloemlezing uit het werk onzer jongere schrijvers. Met portretten en biografieën, 1e bundel. f 0.40; 0.55; 0.70.
* * * * *
In den ~Derden Jaargang~ zijn verschenen:
WERELD-BIBLIOTHEEK.
Nos. 61/62. CLARA VIEBIG, ~Absolvo Te~. (Ik scheld u kwijt). f 0.55 0.70.
Nos. 63/66. DARWIN's ~Reis om de Wereld~. f 0.80; 0.95; 1.10.
No. 67. MOLIÈRE, ~Geleerde Dames~. f 0.20; 0.30; 0.40.
Nos. 68/69. GRIMM's ~Sprookjes~. 2e Verzameling. f 0.55; 0.70.
No. 70. ARISTOPHANES, ~De Ridders~. f 0.20; 0.30; 0.40.
Nos. 71/72. LUDWIG ANZENGRUBER, ~De Schandvlek~. f 0.55; 0.70.
No. 73. HENRIK IBSEN, ~Een Vijand van 't Volk~. f 0.20; 0.30; 0.40.
No. 74. LUDWIG FINCKH, ~De Rozendokter~. f 0.20; 0.30; 0.40.
Nos. 75/76. THOMAS à KEMPIS, ~De navolging van Christus~. f 0.70.
No. 77. SHAKESPEARE, ~Macbeth~. f 0.20; 0.30; 0.40.
Nos. 78/80. R. CASIMIR, ~Geschiedenis der Wijsbegeerte~. (Ontwikkelingsgeschiedenis van het menschelijk denken) I. f 0.60; 0.75; 0.90.
No. 81. BERNARD SHAW, ~Je kunt 't nooit weten~. f 0.20; 0.30; 0.40.
Nos. 82/83. BOCCACCIO's ~Decamerone~. f 0.40; 0.55; 0.70.
Nos. 84/85. KJELLAND, ~Fortuna~. f 0.55; 0.70.
Nos. 86/87. R. CASIMIR, ~Geschiedenis der Wijsbegeerte~. II. (19e Eeuw.) f 0.50; 0.65; 0.80.
NEDERLANDSCHE BIBLIOTHEEK.
No. XXII. MULTATULI's ~Max Havelaar~. (_Ingenaaid en gecartonneerd uitverkocht_). f 0.40.
No. XXIII. J. A. SIMONS-MEES, ~Atie's Huwelijk~, (vervolg op ~De Veroveraar~). f 0.30; 0.40.
Nos. XXIV/XXV. ~Zelfkeur~, Bloemlezing van onze nieuwere dichters en schrijvers, met portretten en levensbeschrijving, (2e bundel). f 0.40; 0.55; 0.70.
Nos. XXVI/XXVII. M. SCHARTEN-ANTINK, ~Catherine~, 2e druk. f 0.40; 0.55; 0.70.
Nos. XXVIII/XXXIV. ~Zeven Voordrachten over Bouwkunst~, gehouden vanwege de ~Vereeniging Architectura et Amicitia~ (met 140 afbeeldingen). f 1.40; 1.60; 1.75. J. E. V. D. PEK, ~'t Begrip en 't Wezen der Bouwkunst~. f 0.20; 0.30; 0.40. W. KROMHOUT CZN., ~Oostersche Bouwkunst~. f 0.20; 0.30; 0.40. J. H. W. LELIMAN, ~Klassieke Bouwkunst~. f 0.20; 0.30; 0.40. JOS. TH. J. CUYPERS, ~Middeleeuwsche Bouwkunst~. f 0.20; 0.30; 0.40. A. W. WEISSMAN, ~Renaissance~. f 0.20; 0.30; 0.40. H. J. M. WALENKAMP, ~Over hedendaagsche en toekomstige Bouwkunst~. f 0.20; 0.30; 0.40. H. P. BERLAGE Nz., ~Slotvoordracht-Samenvatting~. f 0.20; 0.30; 0.40.
No. XXXV. INA BOUDIER-BAKKER, ~Het hoogste Recht~. f 0.20; 0.30; 0.40.
Nos. XXXVI/XXXVII. IS. QUERIDO, ~Studiën~. f 0.40; 0.55; 0.70.
Nos. XXXVIII/XXXIX. J. EIGENHUIS, ~De jonge Dominee~. f 0.40; 0.55; 0.70.
Nos. XL/XLI. Dr. EDWARD B. KOSTER, ~Gedichten~. f 0.40; 0.55; 0.70.
Nos. XLII/XLIII. E. J. POTGIETER, ~Jan, Jannetje en hun jongste kind;—Het Rijksmuseum~; met inleiding en aanteekeningen van L. S., portret van Potgieter en 40 illustraties uit het Rijksmuseum. f 0.40; 0.55; 0.70.
No. XLIV. E. J. POTGIETER, ~Liedekens van Bontekoe;—Proza~ (Blaauwbes, Pennelikker, Marie, De Ezelinnen, Hanna). f 0.20; 0.30; 0.40.
* * * * *
In den Vierden Jaargang zijn reeds verschenen:
WERELD-BIBLIOTHEEK.
No. 88. PLAUTUS, ~Tweelingbroeders~. f 0.20; 0.30; 0.40.
No. 89. C. LARSSEN, ~De Biecht eener Vrouw~. f 0.20; 0.30; 0.40.
No. 90. SHAKESPEARE, ~Othello~. f 0.20; 0.30; 0.40.
No. 91. B. SHAW, ~Mevr. Warren's Bedrijf~. f 0.20; 0.30; 0.40.
Nos. 92/93. GRIMM's ~Sprookjes~. Derde verzameling. f 0.40; 0.55; 0.70.
Nos. 94/95. RUSKIN, ~Tijd en Getij~. f 0.40; 0.55; 0.70.
No. 96. GOETHE's ~Iphigeneia~. f 0.20; 0.30; 0.40.
Nos. 97/98. E. ZAHN, ~Gezin Hochstraszer~. f 0.50; 0.65; 0.80.
Nos. 99/101. MICHELET, ~De Vogel~. f 0.60; 0.75; 0.90.
Nos. 102/103. DANTE's ~Louteringsberg~. f 0.40; 0.55; 0.70.
NEDERLANDSCHE BIBLIOTHEEK.
No. XLV. ~Mevr. Bosboom, Gorter, Busken Huet~. Drie vergeten novellen. f 0.20; 0.30; 0.40.
No. XLVI. MULTATULI, ~Aleid~. f 0.20; 0.30; 0.40.
Nos. XLVII/XLVIII. G. VAN HULZEN, ~De Ontredderden~. Eerste bundel. f 0.40; 0.55; 0.70.
Nos. XLIX/L. G. VAN HULZEN, ~De Ontredderden~. Tweede Bundel. f 0.40; 0.55; 0.70.
No. LI. J. V. D. VONDEL, ~Adam in Ballingschap~. f 0.20; 0.30; 0.40.
Nos. LVII/LVIII. ~De Gedichten van den Schoolmeester~. f 0.40; 0.55; 0.70.
No. LXIV. HEIJE, ~Bloemlezing Volksdichten~. f 0.20; 0.30; 0.40.
KEURBANDJES.
W.B. 41/42. VLAD. KOROLENKO, ~Schetsen en Vertellingen uit Siberië~.
W.B. 17/18. G. VAN HULZEN, ~Getrouwd~.
N.B. XV/XVI. G. VAN HULZEN, ~Wrakke Levens~.
W.B. 24/25. WELLS, ~Het Voedsel der Goden~.
W.B. 5/6. ALB. VERWEY, ~Inleiding tot de Nieuwe Nederlandsche Dichtkunst~.
W.B. 28/29. F. SCHMIDT-DEGENER, ~Rembrandt~.
W.B. 1/2. WOLFF EN DEKEN, ~Sara Burgerhart~.
N.B. XX/XXI en XXIV/XXV. ~Zelfkeur~ (2 bundels).
N.B. IV/V. W. KLOOS, ~Bilderdijk~, bloemlezing.
N.B. XXII. MULTATULI, ~Max Havelaar~.
N.B. XI/XII. STIJN STREUVELS, ~Reinaert de Vos~.
W.B. 9/10. JUDITH GAUTIER, ~De Gedenkschriften van een Witten Olifant~.
W.B. 11/12. CH. KINGSLEY, ~De Waterkindertjes~.
GRIMM, ~Sprookjes~, 2 deeltjes.
MARY E. MANN, ~Er was eens 'n Prins~.
W.B. 7. ~Aladdin en de Wonderlamp~.
N.B. XLII/XLIII. E. J. POTGIETER, ~Jan, Jannetje en hun jongste kind.—Het Rijksmuseum~.
#Alle deze compleet ~één gulden~, met uitzondering van ~Max Havelaar~ en ~Aladdin~, elk 80 cents.#
N.B. XXVIII/XXXIV. ~Zeven Voordrachten over Bouwkunst~, de geheele bundel: f 2.—.
* * * * *
[Decoratieve illustratie]
@#Men raadplege voorts onzen Catalogus „Het Nieuwsje van de Wereld-Bibliotheek.”#@