De vogel

Part 12

Chapter 123,969 wordsPublic domain

Dit tooneel speelt zich af in zijn geest, zooals het gebeurd zou zijn in het voorjaar, als de mannetjes terugkomen, vóór de komst van de wijfjes. Zij zijn dan besloten, het groote liefdeduel onder elkaar vast uit te vechten. Als de wijfjes komen moet het rustig zijn en kalm, enkel vrede, liefde en teederheid.

Deze strijd duurt veertien dagen, en komen de wijfjes vroeger dan wordt de inspanning doodelijk. Dan is het eene herhaling van de geschiedenis van Roeland, die in zijn ivoren horen, kracht en leven uitblies. Zoo ook zij: zij zingen zich hun laatsten adem, hun leven uit; zij willen overwinnen of sterven.

Als het waar is, wat men zegt, dat de minnaars, twee, driemaal talrijker zijn dan de minnaressen, dan wordt de brandende hartstocht, waarmede die geweldige tweekamp gevoerd wordt begrijpelijk; en mogelijk ligt dáár de eerste vonk en het geheim, van hun genie.

Het lot van den overwonnene is vreeselijk, erger dan de dood. Hij is gedwongen te vluchten, die streek te verlaten; hij komt in verval, vergeet zichzelf bij dit volk van minder allooi, wordt één van hen, en kent nòch zijn eigen taal, nòch de hunne meer, geen enkele taal. Soms komt men zulk een banneling tegen; hij is alleen nog maar uiterlijk een nachtegaal.

Maar het verbannen van dezen verslagene is pas een voorspel. Men moet behagen, men moet hare neiging winnen. Een schoon moment, als de teederheid een nieuwen zang inspireert, die het fiere, schuwe hartje moet roeren, tot het om liefde, de vrijheid offert. De proeven, die bij andere soorten het wijfje vraagt, hebben betrekking op den nestbouw; men moet zijn kunstvaardigheid weten te bewijzen en toonen hart te hebben voor het gezin. En de uitkomst is dikwijls schitterend. Men denke aan den specht, die van ambachtsman, kunstenaar wordt; van timmerman, beeldhouwer. Van dat alles kan de nachtegaal niets! hij mist alle behendigheid. De minste van de vogels is handiger met snavel of vleugel of poot. Hij heeft alléén zijn stem. Dat hij die dus gebruike! Dáár ligt zijn kracht, daarmee zal hij onweerstaanbaar zijn. Anderen mogen hun werk toonen, zijn werk, dat is hijzelf. Hij geeft zich, hij openbaart zijn wezen, hij toont zich hoog en groot. Nooit hoorde ik hem in dit gewijde uur, of ik was er zeker van, dat hij haar hartje zou treffen, en dat niet alléén; maar dat die zang haar zou kunnen veranderen, veredelen, verheffen, haar een hoog ideaal geven en haar den wondren droom doen droomen, van den subliemen nachtegaal, die uit hun liefde zou geboren worden.

Laat ons even herhalen: wij telden tot nu toe drie zangen:

Het drama van den krijgszang, met zijn wisselingen van ergernis, trots, uitdaging, en woeste uitbarstingen van jaloezie.

Het werven: een teeder smeekend lied, maar gemengd met uitingen van ongeduld en trots; alsof het genie zich verwondert, dat het miskend blijft; een geèrgerd klagen ook, over den verloren tijd; maar dat weer gauw overgaat in een schuchter vragen.

Dan komt eindelijk het ~triomflied~: Ik heb overwonnen, ik word bemind, ik ben de koning, de god, de éenige Schepper!.... In dit laatste woord ligt al de intensiteit van leven en liefde. Want ~haar~ schepping zal de weergave zijn van _zijn_ genie, dat hij overbrengt op haar; zoodat iedere beweging, iedere aandoening, de geringste vleugeltrilling van haar, een melodie zal zijn voor hem, zichtbaar geworden in de gratie van haar zielsverrukking.

Vandaar het nest, het ei, het kind. Dat alles is het in leven herschapen lied. En dáárom ook, dat hij zich niet van het nest verwijdert als eenmaal het heilig werk van het broeden is aangevangen. Hij blijft niet in het nest, maar op een tak die iets hooger ligt. Hij is er zich volkomen van bewust, dat de stem op een afstand grooter werking doet. En van zijn hoogen post, gaat deze machtige toovenaar voort haar te boeien, en haar werk vruchtbaar te maken; met haar samen volbrengt hij het groote mysterie; leggende in zijn zang al zijn wezen, zijn hart, zijn teederheid, zijn wil: een tweede bevruchting. En op dat moment moet men hem hooren, hem beluisteren, in het loover van zijn bosch; meêvoelen al de zielsbewegingen van die bevruchtende macht, de naaste misschien om ons te openbaren, te doen vatten, den verborgen God, die ons ontvlucht. Bij iedere schrede van ons, wijkt hij terug, en de wetenschap kan niet anders dan alleen nog den afstand vergrooten tusschen ons, en den sluier, waarin Hij zich aan ons oog onttrekt.

„Ziet, Hij gaat voorbij,” zeide Mozes, „ik zag Hem van achteren.”—„Is Hij het niet die voorbijgaat?” sprak Linnaeus.... „Ik zag Hem van ter zijde.” En ik sluit de oogen: ik voel Hem, en mijn ziel is bewogen, ik voel Hem mij doordringen in het tooverschoon van den nacht, met den zang van den nachtegaal.

Treed hem nader: gij hoort een minnaar; verwijder u: het is een god. Wat men hiér hoort als de trillingen van een gloeiend werven, als een zinnenbedwelmende melodie, wordt, gedragen door de lucht, vergroot en verruimd, tot een heilige zang, die het geheele bosch vervult.

Dichtbij bezingt hij het nest, de geliefde, den zoon, die moet geboren worden. Uit de verte wordt het eene andere geliefde, een andere zoon; het is dan de Natuur, tegelijk moeder en dochter, geliefde in eeuwigheid, die bezongen wordt en gehuldigd. Het is de oneindige Liefde, die in allen liefheeft, in allen zingt. Het zijn de lofzangen, de vrome en dankbare aandoeningen, die van de aarde gaan naar den Hooge.

* * * * *

„Toen ik nog maar een kind was, voelde ik dat al in de Natuur van ons Zuiden, in de schitterende sterrennachten, in de omgeving van mijn vader's huis. Later voelde ik het beter, vóóral in dien eenzamen boomgaard bij Nantes, waarvan ik hierboven sprak. Niet zoo schitterend waren daar de nachten; maar door het wazige, luwe nevelfloers, blikten er zacht en bescheiden de sterren. Op den grond nestelde een nachtegaal, op een maar heel weinig verborgen plekje, onder mijn ceder, tusschen de maagdepalm. Hij begon om middernacht, en zong door tot aan den morgenstond, en hij scheen gelukkig en trotsch, dat hij alléén waakte, en met zijn stem die groote stilte vulde. Niets verstoorde zijn zang, dan alléén tegen den ochtend de haan: een wezen uit een andere wereld, die vreemd is aan den zang der ziel; maar een nauwgezet schildwacht is hij, die zich verplicht voelt met nauwgezetheid het uur te roepen, dat de werkman zijn tijd weet.

[Illustratie]

„De Nachtegaal bleef zingen; hij scheen te zeggen als Julia tot Romeo:

„Neen het is de dag nog niet...”

„De plaats, die hij zich gekozen had, zóó dicht in onze nabijheid, bewees, dat hij ons niet vreesde; dat hij zich volkomen veilig voelde. En dat kon hij ook bij ons, twee kluizenaars van den arbeid, die altijd bezig waren en altijd welgezind; en die evenals die andere gevleugelde kluizenaar, vervuld waren van hun zangen en hun droomen.... Wij konden hem op ons gemak waarnemen, als hij rondvloog met zijn gezin, of een zingend duel had met een hoogmoedigen buurman, die hem soms kwam trotseeren. Ik geloof, dat hij op den duur ons bijzijn op prijs stelde, als zijn trouwe toehoorders, liefhebbers en misschien wel kenners. De nachtegaal heeft behoefte aan waardeering en bijval; hij voelt blijkbaar achting voor het oplettend oor van den mensch, en begrijpt heel goed zijn bewondering.

„Ik zie hem nog: hij was niet meer dan tien of vijftien pas van mij af en wipte van tak tot tak voor mij uit; maar altijd hield hij zijn afstand, dat hij niet binnen mijn bereik kwam, en ik hem toch kon hooren en bewonderen.

„Het is hem volstrekt niet onverschillig hoe men gekleed is; ik heb opgemerkt, dat in 't algemeen de vogels niet van zwart houden: zij zijn er bang voor. Maar ik was naar zijn zin uitgedoscht: een wit met blauw kleedje en een strooien hoed met korenbloemen.

„Ieder oogenblik zag ik zijn zwart oog op mij gericht, met een verwonderlijke beweeglijkheid; schuw maar zacht, en ook met wat fierheid; en duidelijk zeide het: „Ik ben vrij en ik heb vleugels; ge hebt niet de minste macht over mij; maar ik wil wel voor je zingen.”

„Wij hadden geweldige onweersdagen gedurende den broedtijd; en ééns sloeg de bliksem vlak bij ons in. Aangrijpend is de aanblik van de natuur, op het oogenblik dat vóóraf gaat: er is geen lucht; de visschen komen aan de oppervlakte om adem te halen; de bloem hangt en kwijnt; alles lijdt en de tranen komen. Ik zag wel, dat de nachtegaal stemde met het geheel: zijn borstje was bedrukt zooals de mijne, en hij stiet een soort van rauwe zucht uit, als een wilden kreet.

„Maar opeens rees de wind, en stortte zich in onze bosschen; de groote boomen zwiepten, zelfs onze ceder. Waterstroomen plasten, alles dreef. Wat werd er toch van het arme nestje, dat open lag, zonder andere beschutting, dan het blad van den maagdepalm? Het bleef veilig; want met de terugkeer van den zonneschijn, zag ik in de gezuiverde atmosfeer mijn vogeltje rondvliegen, vroolijker dan ooit, en vol gezang.

„Heel het gevleugelde volk bezong het licht; maar hij meer dan allen. Zijn bazuintonen waren teruggekomen. Ik zag hem onder mijn vensters, de oogen schitterend, het borstje hoog; hij was dronken van hetzelfde geluk, dat ook juichte in mijn ziel.

„Waarom niet overal die teere zieleband tusschen ons en onze gewiekte broeders; tusschen den mensch en alle Leven in de Natuur!”

[Illustratie]

[Illustratie: ~BESLUIT.~]

[Illustratie]

~BESLUIT.~

Op het oogenblik, dat ik aan het slot van dit boek zou beginnen, komt de illustre meester binnen, terug van de groote herfstjachten. Toussenel brengt mij een nachtegaal.

Ik had hem gevraagd, mij met zijn raad bij te staan, mij te helpen bij de keuze van een zingenden nachtegaal. Hij antwoordt niet, maar hij komt; hij raadt niet, maar zoekt en vindt; geeft, en vervult mijn illusie!... Dat is wèl vriendschap.

Welkom vogel! welkom, om de lieve hand die u geeft, en om onze heilige muze, het genie dat in u woont.

Wilt ge wel voor mij zingen, en met uwe groote en vredebrengende liefdemacht, de harmonie teruggeven aan een hart, verslagen door het wreed geschiedverhaal der menschheid?

Het was een familie-gebeurtenis. Wij zetten den armen gevangen kunstenaar in het raamkozijn, maar zoo, dat hij achter een gordijn verborgen was. Nu was hij alleen en tòch in gezelschap, en hij kon zich geleidelijk gewennen aan zijne nieuwe verplegers; het terrein verkennen, en zich bewust worden, dat het hier een veilig, goedgezind en vreedzaam tehuis voor hem was.

Er was geen andere vogel in de kamer. Maar ongelukkig wist het huis-roodborstje, dat vrij in mijn studeerkamer rondvliegt, er binnen te dringen. Ons gaf dat geen zorg, omdat hij den heelen dag, zonder het zich aan te trekken, velerlei vogels ziet: sijsjes, bloedvinken en puttertjes; maar het zien van den nachtegaal ontstak in hem eene uitzinnige woede.

In de onverschrokkenheid van zijn blinde drift, zonder te zien, dat het voorwerp van zijn haat tweemaal zoo groot is als hijzelf, gooit hij zich met snavel en klauwen op de kooi; hij had hem willen vermoorden. Maar de nachtegaal in doodsangst, stoot rauwe kreten uit en roept om hulp in jammertonen. De andere, teruggehouden door de tralies, maar vlakbij, met zijn nagels vast in de lijst van een schilderij, knarst en blaast met schel gepiep, en doorboort den vijand met zijn blik.

Woord voor woord, zei hij het volgende: „Koning van den zang, wat wilt ge hier!... Is het niet genoeg, dat in de bosschen uw zang alles overstemt en beheerscht; onze zangen doet zwijgen, onze geneuriede wijsjes onderdrukt, en alléén, de eenzaamheid vult?... Neemt ge mij nu ook nog het bestaan dat ik mij hier maakte, dit kunstboschje, waar ik mij in den winter ophoud? Dit boschje, waarvan de takken boekenplanken zijn, en boeken de bladeren!... Nu komt ge u indringen in wat het mijne is, deelen in de gepeinzen van mijn meester, den glimlach van mijne meesteres!... Wee mij—ik had liefde gevonden!”

[Illustratie]

In waarheid bereikt het roodborstje een intieme verstandhouding met den mensch. De ondervinding van een geheelen winter heeft mij bewezen, dat hij verre het bijzijn van den mensch verkiest boven het gezelschap van zijn soort. Als wij afwezig zijn, mengt hij zich in het gebabbel van de volière-vogels; maar komen wij terug, dan verlaat hij die onmiddellijk en zet zich nieuwsgierig vóór ons; hij blijft waar wij zijn en schijnt te zeggen: „Zoo, zijn jelui daar? Waar ben je toch geweest?... En waarom laat je het huis zoolang alleen?”

De woedende aanval van het roodborstje, die wij al gauw vergeten waren, bleef zijn schuw slachtoffer nog bij. De nachtegaal bleef nog altijd angstig fladderen; hij was niet tot rust te brengen. Men paste goed op, dat niemand in zijne nabijheid kwam. Zijne meesteres had de allernoodigste zorg op zich genomen. Het bijzondere mengsel, het uitsluitend voedsel, waarmede men deze vurige levensenergie kan onderhouden, een mengsel van bloed, hennep en maanzaad, werd zorgvuldig door haar bereid: vleesch en bloed zijn de grondstoffen, hennep is het kruid, dat de zinnenroes kweekt; het maanzaad neutraliseert die. De nachtegaal ís het éénige wezen, dat men onophoudelijk slaap en droomen moet bijbrengen.

Maar het was alles nutteloos. Drie dagen bracht hij door in hevige onrust, en in zijn wanhoop weigerde hij het voedsel. Het deed mij pijn, en ik gevoelde wroeging. Ik, die zóó de vrijheid liefheb, ik had een gevangene gemaakt en een gevangene die ontroostbaar was!.... Toch had ik mij lang bedacht, toen ik wenschte een nachtegaal te bezitten; voor mijn genoegen alleen zou ik er nooit toe besloten hebben. Ik wist heel goed, hoe drukkend het gezicht van zulk een gevangene op den geest moet werken: een gevangene, die zoo intens het verlies van de vrijheid voelt. Maar hoe hem vrijheid te geven? Het vraagstuk van de slavernij is een der moeilijkste vraagstukken; de verdrukker wordt gestraft, door de onmacht zijne fout weer goed te maken. Mijn gevangene, die, vóór hij bij mij kwam, al twee jaar in de kooi had geleefd, kon niet meer vliegen en was niet meer in staat zijn voedsel te zoeken, en al ware hem beide mogelijk, tusschen vrije vogels kon hij niet meer wezen. Hun fiere gemeenschap veroordeelt en doodt onmiddellijk wie gekerkerd is geweest en niet van smart daarover bezweek.

Wij zouden niet gemakkelijk een weg uit dit dilemma gevonden hebben, als de zang ons niet was te hulp gekomen. Een zacht, weinig gevariëerd lied op een afstand, en vóóral tegen den avond gezongen, scheen zijne zinnen te vangen. Als men naar hem keek, luisterde hij minder aandachtig en werd onrustig; maar sloeg men geen acht op hem, dan kwam hij heel vooraan in de kooi en strekte zijn slanken nek (van een bekoorlijk muisgrijs); ook richtte hij nu en dan het kopje op en zijn oog stond levendig en nieuwsgierig. Het was duidelijk, dat hij gretig deze onverwachte verkwikking genoot, en hij genoot met waardigheid en met fijne, gevoelige aandacht.

Een oogenblik later nam hij met diezelfde gretigheid zijn voedsel. Hij wilde weer leven en verslond het maanzaad—de vergetelheid....

Vrouwenzang—Toussenel heeft het gezegd—trekt hen in 't bijzonder aan. Niet het luchtige liedje van een fleurig jong meisje, maar een zachte, weemoedige melodie. Het „Ständchen” van Schubert had een groote aantrekkelijkheid voor den onze. Hij schijnt zijn eigen wezen te voelen en te herkennen in de teederheid en diepte van de Germaansche ziel. Toch is zijn stem niet teruggekomen. Toen hij bij ons gebracht werd, was juist zijn Decemberzang begonnen. Maar al die verschillende aandoeningen: het transport, de verandering van omgeving, plaats en personen, de onrust van dien geheel anderen toestand, en vóóral de woeste aanval van het roodborstje, hadden hem te zéér aangegrepen. Hij is rustiger geworden en heeft ons vergeven; maar de muze, die zoo dikwijls werd onderbroken, blijft zwijgen. Zij zal eerst met de lente weer ontwaken.

Hij is nu overtuigd, dat zij die zingt, hem zeker geen kwaad wil; hij begrijpt haar, denk ik, ongeveer als een ander type van nachtegaal. Zij mag hem vrij dichtbijkomen en zelfs haar hand in zijn kooi steken. Hij volgt heel aandachtig haar bewegingen, maar hij verroert zich niet.

Ik, die in geen muzikale verhouding tot hem sta, was er nieuwsgierig naar, of hij mij ook zou aannemen. Ik drong mij niet onbescheiden op, wetende dat op sommige oogenblikken, een blik alléén, hem zelfs verontrust. Ik bleef dus heele dagen verdiept in oude boeken en middeneeuwsche schrifturen, zonder naar hem om te zien. Maar hij keek wel naar mij, en heel nieuwsgierig ook, als ik ten minste alleen was; want was zijn meesteres tegenwoordig, dan vergat hij mij geheel, dan was ik een niets voor hem.

Zoo was hij gewoon mij te zien, zonder dat het hem onrust gaf, als een vreedzaam onschadelijk wezen, dat rustig en bedaard zijn gang ging. De haard met het vuur, en bij dat vuur die stille lezer, dat was zijn beschouwingskringetje, in de stille, haast eenzame uren, als zijn uitverkoren gezelschap niet aanwezig was.

Gisteren, toen ik alleen was, ben ik voor het eerst bij zijn kooi gegaan en ik heb tegen hem gesproken, zooals ik het tegen mijn roodborstje doe; hij maakte geen beweging en scheen niet angstig; hij bleef stil zitten kijken met een zachtzinnige expressie. Toen zag ik, dat de vrede was gesloten en dat hij mij had aangenomen.

Van morgen heb ik het maanzaad in de kooi gelegd, en hij verschrikte niet. Nu zal men hierop zeggen, dat de gever altijd welkom is. Maar ik leg er nadruk op, dat ons verbond pas een dag oud is, en gesloten werd vóórdat ik ooit iets gegeven had, en dus geheel belangeloos.

Zoo is dan in minder dan een maand, de meest sensitive van onze kunstenaars, het schuwste en vreesachtigste van alle wezens, verzoend geworden met het menschdom.

Wel een treffend bewijs, dat er een natuurlijke band bestaat, een oeroud verdrag, tusschen ons en de instinctive wezens, die wij onze minderen noemen.

Dit verdrag, dit eeuwig verband, dat zelfs onze ruwheid en de wreedheid van ons verstand niet konden verbreken; dit verbond, waartoe die arme onnoozelen zoo gemakkelijk terugkomen, en waartoe ook wij zullen komen, als wij éénmaal in waarheid menschen zullen zijn,—juist hiermede wilde ik mijn boek besluiten; het was het slot, dat ik zou gaan schrijven, toen de nachtegaal mij werd gebracht.

[Illustratie]

De vogel zelf is mijn levend slot geworden, in zijne verzoeningsgezindheid tot ons, zijne tyrannen.

* * * * *

De reizigers, die het eerst hun voet gezet hebben in de landen, nog nooit door menschen betreden, hebben éénstemmig verzekerd, dat geen dier: noch zoogdier, noch amphibie, noch vogel, ooit voor hen gevlucht was. Zij kwamen integendeel naderbij, om hen te bezien, met een soort van welwillende nieuwsgierigheid—waarop wij dan antwoordden met een geweerschot.

En zelfs nu, na al de wreedheden, die de mensch hun aandeed, aarzelen zij nooit, in gevaar zich tot hem te wenden.

Dè oude en natuurlijke vijand van de vogels, is de slang; van de viervoeters, de tijger. En hun beschermer is de mensch. Als de wilde hond maar in de verte de lucht krijgt van leeuw of tijger, drukt hij zich tegen ons aan.

En in zijn doodsangst voor de slang, vóóral wanneer zijn nog veêrloos broed wordt bedreigd, weet ook de vogel een roerende taal te vinden, waarmee hij onze hulp inroept, en ons dankt als wij den vijand hebben gedood.

Dat is de reden waarom de kolibri zoo gaarne nestelt in de nabijheid van den mensch. En waarschijnlijk is het dezelfde oorzaak, die in den tijd dat de aarde wemelde van reptielen, de zwaluwen en ooievaars er toe bracht, bij ons te komen wonen.

[Illustratie]

Nòg een belangrijk punt: de angst van de vogels voor de hand van den mensch wordt dikwijls aangezien voor wantrouwen. Dat wantrouwen zou zeker niet ongegrond zijn. Maar al ware het ongegrond, dan is toch in ieder geval de vogel een uiterst fijn georganiseerd wezen, dat geen aanraking verdragen kan.

Mijn roodborstje, dat tot een tamme vogelsoort behoort, dat altijd om mij heen is en zoo dichtbij mogelijk, en dat zeker in 't allerminst niet bevreesd is voor zijne meesteresse, siddert er voor door haar hand gegrepen te worden. Het gevoel, dat er langs zijne veêren gestreken wordt, het ontredderen van zijn dons, dat overeind gaat staan, als men hem pakt, het is alles even onaangenaam. En vóóral die hand, die naar voren komt en hem gaat grijpen, maakt hem zenuwachtig en hij wijkt instinctmatig terug, hij kan niet anders.

Als het 's avonds wat laat wordt en hij nog niet in zijn kooi is, weigert hij niet er in te worden gebracht. Maar liever dan zich te zien grijpen, draait hij zich om, en kruipt in een plooi van een gordijn of van een japon, waar hij weet, dat hij onfeilbaar gepakt moet worden.

Dat alles is geen wantrouwen!

* * * * *

De kunst van het tam maken zou niet ver gaan, als zij zich alléén maar bezig hield met het nut dat de mensch kan trekken van de tamme dieren.

Zij moet integendeel in hoofdzaak uitgaan van de beschouwing, welk nut de dieren kunnen trekken van den mensch.

Maar plicht is het, al de bewoners dezer aarde te gewennen aan een samenleven van hooger orde, dat zachtmoediger en vreedzaam is.

In de barbaarschheid, waarin wij nog altijd leven, kennen wij voor het dier eigenlijk maar ~twee~ toestanden: absolute vrijheid of absolute slavernij. Maar er zijn ook allerlei vormen van halve slavernij, die de dieren zelve heel gaarne aannemen.

De kleine Chileensche valk (cerviculo) b. v. woont heel graag bij zijn meester. Hij gaat alléén op jacht, en komt trouw iederen avond zijn vangst brengen en ze in den familiekring oppeuzelen. Hij vindt het prettig, als dan de vader hem prijst, de vrouw des huizes hem vriendelijk toespreekt en vóóral als de kinderen hem liefkoozen.

De mensch, die vroeger, toen hij nog slecht gewapend was, door de dieren werd beschermd, heeft zich langzamerhand in staat gesteld hun beschermer te worden, vóóral sedert hij kruit heeft en op een afstand de meest gevreesde schepsels neerbliksemt.

[Illustratie]

Hij heeft den vogels den onschatbaren dienst bewezen, het getal der luchtroovers aanmerkelijk te verminderen.

Hij kan hun nog een anderen dienst bewijzen, niet minder belangrijk: de onschadelijke soorten 's nachts te beschermen, te beveiligen. De nacht! Slapen! Ganschelijk overgeleverd te zijn aan de vreeselijkste mogelijkheden!....

O! wreede natuur!.... Maar gerechtvaardigd weer, omdat zij hier op aarde een plaats gaf aan het voorziend en nijvere schepsel, dat meer en meer voor de anderen een tweede Voorzienigheid zal worden.

„Ik weet een huis aan de Indre,” zegt Toussenel, „waar de open serres 's avonds alle welgezinde vogels opnemen, die er veiligheid komen zoeken voor de gevaren van den nacht; en wie zich verlaat heeft, meldt zich aan in goed vertrouwen, door tikken met den snavel. Zij vinden het goed in den nacht te worden opgesloten, want zij vertrouwen den mensch volkomen; en 's morgens vliegen zij vroolijk uit en vergelden de gastvrijheid met het schouwspel van hun vreugde, en met hun vrije zangen.”

* * * * *

Ik zal mij wel wachten het maken van huisdieren te bespreken, sedert mijn vriend Isidore Geoffroy Saint-Hilaire op zoo prijzenswaardige wijze die geheel vergeten weg weer opende. De oudheid heeft ons een prachtige nalatenschap vermaakt, en het menschelijk geslacht heeft er al dien tijd op geleefd: de hond, het paard, de ezel, de dromedaris, de olifant, de os, het schaap, de geit en de hoenderachtigen.

En welke vorderingen maakten wij in die twee duizend jaar? Welke nieuwe aanwinst van huisdieren? Maar twee, en niet eens heel belangrijk: de invoering van den kalkoen en van den goud-faisant!

[Illustratie]

Geen direkte arbeid van den mensch heeft zóóveel voor het welzijn op onze aarde gedaan, als het nederige werk van deze bescheiden helpers der menschen.