De vogel

Part 11

Chapter 113,918 wordsPublic domain

Een opleiding, die meer of minder werk vereischt, naar plaats en omstandigheden. De opleiding tot visscher is b.v. heel eenvoudig voor de vetgans, die slecht ter been, met moeite haar jong in de zee brengt; die opperste Moeder wacht hem, heeft zijn voedsel klaar; hij heeft den bek maar te openen. Bij de eend is die opleiding veel meer samengesteld. Ik zag dezen zomer op een vijver ergens in Normandië, een eend met haar broed, die bezig was met de eerste les. De eendjes dicht bijeen gedrongen, waren begeerig naar voedsel en vroegen maar om te leven. De moeder, gehoorzaam aan hun roepen, dook telkens naar den bodem, en bracht een wormpje of vischje mee boven, dat zij onpartijdig uitdeelde; zij gaf nooit tweemaal achtereen aan dezelfde.

Het aandoenlijkste van dit tooneel was de moeder, wier maag toch zeker ook haar eischen had; zij behield niets voor zich en scheen blij in haar offer. En het was blijkbaar haar bedoeling de kinderen te leeren doen wat zij deed: flink onder te duiken en in de diepte hun prooi te zoeken. Met een, haast lief, stemgeluid vroeg zij van hen dat bewijs van moed en vertrouwen. En ik had de voldoening te zien, hoe de één voor den ander, de kleintjes—misschien in angstig beven—onderdoken naar den duisteren afgrond. De les was afgeloopen, die opvoeding voltooid. Een hoogst eenvoudige opleiding en in een ondergeschikt vak. Nu blijft nog die hoogere school, die van het vliegen, het zingen, het bouwen. Niets zóó ingewikkeld als de opleiding van sommige zangvogels: de geduldige volharding van den vader, de leerzaamheid van de kinderen, hebben recht op ieders bewondering.

Ook strekt die opleiding zich verder uit dan het gezin. Nachtegalen en vinken, die nog jong zijn of minder geoefend, weten te luisteren en te profiteeren, als men hun een knappen meester geeft. In Rusland, in sommige paleizen, ziet men wel eens dergelijke zangscholen; men heeft daar nog den nobelen oosterschen smaak voor het gezang van den Bulbul. De kooi van den meester-nachtegaal, hangt midden in de zaal; hij is omringd door zijne leerlingen in hun respectieve kooien. Men betaalt zóóveel per uur, voor de les en het toehooren. Vóórdat de meester begint te zingen, tjilpen en kweelen zij onder elkaar: een herkennen en groeten. Maar zoodra de illustere dokter, met een krachtigen aanzet, als van een zuiver gestemde metalen klok, stilte heeft geboden, ziet ge hen eerst eerbiedig luisteren, daarna schuchter nazingen. De meester komt welwillend op de voornaamste passages terug, en verbetert zachtjes de fouten. Dan komen er enkelen, die zich vermannen, en met een paar gelukkige accoorden zich trachten aan te sluiten aan die heerlijke melodie.

Eene opvoeding, zóó subtiel, zóó samengesteld, kan die komen van eene machine, een redeloos wezen, dat alléén gedreven wordt door instinkt? Wie zou hier de ziel miskennen?

Laat ons zien, wat zichtbaar is! Laat ons, wat aangeleerd en overgenomen is, alle vooroordeelen, overboord gooien. Van welk vooropgesteld begrip, van welk dogma men uitgaat, nooit kan men God beleedigen, wanneer men een ziel toekent aan de dieren. Hoeveel grooter wordt Hij, wanneer Hij het individu, de ziel, den wil, geschapen heeft, dan wanneer Hij alléén machines construeerde!

Laat varen dien trots, en neem een maagschap aan waarvoor geen vrome ziel zich te schamen heeft. Wie zijn zij? Zij zijn uw broeders!

Wat zijn zij? Zielen in ontwikkeling, zielen nog beperkt tot enkele levensverrichtingen, maar aangelegd op een meer algemeen, en in zuiverder zin harmonisch leven, dan den mensch geworden is.

Zullen zij het bereiken? en hoe? Dit zijn God's mysteriën.—Dit ìs alleen zeker, dat Hij ook hen oproept naar hooger.

De dieren zijn—en ik spreek hier niet overdrachtelijk,—de kinderen van de Natuur, voedsterlingen van de Voorzienigheid; in Haar licht pogen zij te handelen en te denken, tastend nog, maar tastend gaan zij vooruit.

„Arm kind, nog is zij niet ontward, „De streng van uw gedachtendraad....”

Kinderzielen zeker, maar meer dan de zielen der menschenkinderen, zacht, berustend en geduldig. Zie maar, hoe in zwijgende lankmoedigheid de meesten—en ik denk vóóral aan de paarden,—een slechte behandeling verdragen, slagen en kwetsuren; ziekten dragen zij allen; allen dragen zij den dood. Zij zonderen zich af en leggen zich neer in 't verborgen. Die stille berusting werkt dikwijls meer uit dan de krachtigste geneesmiddelen. En gebeurt dat niet, dan berusten zij ook in 't sterven, en verscheiden als in slaap.

[Illustratie]

Hebben zij zoo lief als wij? Hoe zouden wij daaraan twijfelen, als wij zien hoe de vreesachtigsten plotseling tot helden worden, om hun kroost te verdedigen. De toewijding van den mensch, die voor zijn kinderen den dood trotseert, is dagelijks waar te nemen bij den tyran, en bij den ijsvogel, die niet alléén zich weert tegen den arend, maar hem zelfs onverschrokken vervolgt, als een held.

Wilt ge twee wonderbaar verwante feiten zien? Beschouw dan de vrouw, als haar kind den eersten stap zal doen, en de zwaluw, als haar jong gaat vliegen. Dezelfde angstige onrust, dezelfde aanmoedigingen, voorbeelden, raadgevingen; voorgewende zekerheid bij innerlijke angst: „Wees toch niet zoo bang... het is dood gemakkelijk”...

Maar in werkelijkheid trillen beide moeders van angst.

De lessen zijn vermakelijk. De moeder richt zich op, op haar vleugels; het jonkje let goed op, en probeert het ook te doen; dan ziet ge haar fladderen: het jonkje kijkt, en beweegt zijn vleugeltjes... Dat is alles nog niets, want het gebeurt in 't nest... De moeilijkheid begint, als het nest moet verlaten worden. Zij roept hem, toont hem een lekker hapje; ze belooft eene belooning, en lokt hem met een vliegje.

[Illustratie]

Hij aarzelt nog! Stel u in zijne plaats; er is hier geen sprake van een stap te doen in een kamer, tusschen de moeder en de kindermeid, en een val op kussens. De gierzwaluw, die haar eerste les geeft van af den hoogen toren, kost het veel moeite haar zoon aan te moedigen; zij verliest misschien zelf den moed op het laatste oogenblik. Ik ben er zeker van, dat beide meer dan eens met hun oog den afgrond meten, van hun toren naar het plaveisel. Voor mij was het altijd een grootsch en treffend schouwspel. Hij moet in zijne moeder gelooven; zij moet ~vertrouwen~ op de vleugeltjes van het kleine beginnelingetje. God verlangt van beide kanten een bewijs van geloof en moed. Dit is een grootsch uitgangspunt... En hij gelooft, hij gooit zich in de ruimte, en hij zal niet vallen. Bevend zweeft hij, gesteund door den adem der lucht, de bemoedigende kreten der moeder. Het is voorbij... Van nu af aan zal hij vliegen, onverschillig voor wind en orkaan, sterk door zijn eerste proeve: toen hij gevlogen heeft, steunende op zijn geloof.

[Illustratie: DE NACHTEGAAL.

DE KUNST EN HET ONEINDIGE.]

[Illustratie]

DE NACHTEGAAL.

DE KUNST EN HET ONEINDIGE.

De beroemde „~pré-aux-Clercs~,” tegenwoordig „Marché Saint-Germain,” is 's zomers de vogelmarkt van Parijs. Een merkwaardige plek, om meer dan één reden. Het is als een groote menagerie, die steeds wordt vernieuwd, een eigenaardig beweegbaar museum van de fransche ornithologie.

Maar zulk een markt van levende wezens, eigenlijk gevangenen, die voor een groot deel heel erg hun gevangenschap voelen; slaven, die de koopman vertoont, en verkoopt, en meer of minder handig aanprijst: het doet indirect denken aan de Oostersche markten, waar menschelijke slaven verkocht worden. De gevleugelde slaven, al spreken zij onze talen niet, geven toch niet minder duidelijk den indruk van slavernij; sommigen, in gevangenschap geboren, hebben zich geschikt in hun lot; maar de anderen zijn stil en somber, zij droomen altijd van de vrijheid. Er zijn er die zich tot de voorbijgangers schijnen te wenden, alsof zij ze wilden aanhouden; zij verlangen niets anders dan een goeden meester. Hoe dikwijls zagen wij niet een klein slim puttertje, een aardig roodborstje, die ons droevig aanzagen; hun blik zeide heel duidelijk: „Koop mij toch!”

Op een Zondag van dezen zomer, hebben wij er een bezoek gebracht, dat wij niet licht zullen vergeten. De markt was niet rijk bezet, ook niet harmonieus; want de ruitijd, de stille tijd, was begonnen. Maar wij werden getroffen, en onze belangstelling werd in 't bijzonder opgewekt, door de naïeve houding van sommige vogels. Gewoonlijk trekken zang en vedertooi, de hoogste attributen van de vogels, alle aandacht, en men vergeet te letten op hun levendige en origineele pantomine. Er is er één, de Amerikaansche spotvogel, die een echt tooneelspelersgenie heeft, en al zijn zangen begeleidt met een zeer gemarkeerde mimiek, die hun karakter volgt, en dikwijls ironisch is getint. Onze vogels zijn in die eigenaardige kunst niet thuis; maar eenvoudig en onbewust, geven ze door hunne bewegingen duidelijk, en dikwijls op roerende wijze, te kennen wat er in hen omgaat.

Dien dag was een zwartkop grasmusch de koning; hij was een kunstenaar van hooge waarde, die van de anderen was afgezonderd in de uitstalling; hij stond boven de andere kooien, als een kleinood zonder weerga. Hij bewoog zich licht en sierlijk; een allerbekoorlijkst diertje één en al gratie. In gevangenschap groot gebracht betreurde hij geen vrijheid, en de indruk, dien hij gaf was enkel lieftalligheid en geluk. Het was blijkbaar een allerliefst en zacht wezen, en zóózeer scheen het mij, dat de zang in harmonie moest zijn met de beweging, dat ik vóór hem staande, meende hem te hooren zingen.

Lager, veel lager, een vreemde en geheel tegenovergestelde indruk: een klein kooitje, waar een iets grootere vogel, onmenschelijk nauw was ingesloten. Het was een vink; de eerste blindgemaakte, dien ik zag. Geen pijnlijker schouwspel denkbaar. Het kan alléén een natuur, aan alle harmonie vreemd, de ziel van een barbaar zijn, die zich den zang van dat slachtoffer koopt voor zulk een aanblik. Zijn verwrongen houding, het werken van zijn lichaampje, maakten zijn zang allersmartelijkst voor mij; en het ergst was, dat het menschelijke bewegingen waren: zij herinnerden aan bijzienden, of menschen op later leeftijd blindgeworden, zooals die met hun hoofd draaien of ongracelijk de schouders bewegen. Zoo doet nooit een blindgeborene. Met een wanhopig pogen, door gewoonte tot een vasten trek geworden, zocht hij, het kopje naar rechts gewend, met zijn doode oogen het licht.

De verdraaide hals, dien hij opzwol, als om meer kracht te kunnen zetten, dook weg in de hoog opgetrokken schouders. Deze rampzalige mismaakte virtuoos, die al maar bleef zingen, had een bewijs kunnen zijn van de leelijkheid van den kunstenaarslaaf, indien het beeld niet veredeld ware geworden, door dat wanhopig pogen het licht te vinden, al zoekend naar boven, en puttend zijn zang uit de onzichtbare zon, die hij in zich bewaard heeft.

Deze vogel, dien men niet veel leeren kan, herhaalt in 't oneindige met zijn verwonderlijken metaalklank, de bijzondere melodie van zijn geboorteplaats.

De verscheidenheid van vinken-dialekten is zoo groot als de verscheidenheid van hun woonplaatsen. Hij blijft altijd zichzelf, zingt zijn geboortegrond; altijd dezelfde phrase op denzelfden toon; maar met hartstocht en in een voortdurenden wedstrijd. Zet men een mededinger bij hem, dan zal hij het honderdemalen na elkaar herhalen, tot hij er misschien aan sterft. Het verwondert mij niet, dat de Belgen hartstochtelijke liefhebbers zijn van de wedstrijden tusschen die helden van den nationalen zang: hun zangers uit de Ardennerwouden; dat zij prijzen geven, zelfs kronen, zelfs eerepoorten, aan die toegewijden, die voor een overwinning het leven laten.

[Illustratie]

Nog lager dan de vink, in een allerakeligst-klein kooitje, in een gemengd gezelschap, tusschen een half dozijn vogels van verschillende grootte, toonde men mij een gevangene, dien ik niet opgemerkt zou hebben: een jongen nachtegaal, dienzelfden ochtend gevangen. De vogelaar, sluw machiavellist, had den droeven gevangene in een vroolijk gezelschap slaafjes gezet, die al lang aan opsluiting gewoon waren: jonge winterkoninkjes, nog niet lang geleden in de kooi geboren. Hij had listig berekend, dat het zien van kinderlijk spel en vreugde, dikwijls het groote leed doet vergeten. En het was een groot, een immens leed, aangrijpender dan alle smart, die wij door tranen uitdrukken. Een stomme opgesloten smart, die niet anders verlangde dan duisternis. Hij had zich in het verste hoekje van de kooi, waar het donkerder was, teruggetrokken, half verborgen in een etensbakje; daar zat hij dik, de veeren bol en los bijna overeind staande, de oogen gesloten; hij opende ze niet eens, als hij een duw kreeg van die kleine woelwaters, die in hun dolle, onbescheiden pret, soms tegen hem aandrongen. Hij wilde niets zien, niets hooren, niet eten en niet getroost worden, dat was duidelijk. Het willens de duisternis zoeken, was in die wreede smart, een ~trachten niet te zijn~, een opzettelijke zelfmoord, dat voelde ik. In zijn geest zocht hij den dood, en hij deed zijn best te sterven, door de werking zijner zinnen te schorsen, en alle uitwendig leven stop te zetten.

En weet, dat in die houding, geen haat, geen bitterheid, geen toorn was; niets dat herinnerde aan zijn buurman, den heftigen vink, wien men een wanhopig, worstelend pogen kon aanzien. Zelfs de zorgelooze onbescheidenheid van die kindervogeltjes, die zich zoo ruw tegen hem aangooiden, dwong hem geen beweging van ongeduld af. Het was onmiskenbaar, dat hij zeide: „Wat deert hem, die niet meer is!” Al waren zijn oogen gesloten, ik las in hem. Ik voelde in hem een kunstenaarsziel, al zachtheid en licht, zonder gal noch hardheid tegen de barbaarschheid der wereld en de wreedheid van het lot. En dáárop leefde hij, dáárdoor kon hij niet sterven. Want tegelijk met die groote rouw, leefde in hem het alvermogend geneesmiddel hem ingeboren: ~het innerlijk licht~, ~de zang~. Die twee woorden hebben gelijke beteekenis in de taal van den nachtegaal.

Ik begreep dat hij niet sterven zou; want zelfs nu, ondanks hemzelf, ondanks dat verlangen, niet meer te zijn, hield hij niet op te zingen. Hij zong een stommen zang; maar ik hoorde dien duidelijk:

~Lascia ch' io pianga~!....

~La Libertà~....

(Laat mij klagen!.... De Vrijheid!....)

Ik had niet verwacht, daar dien zang terug te vinden, dien ik vroeger gehoord had uit een anderen mond, (een mond, die zich nooit meer zal openen) die toen in mijne ziel een wonde brandde, waarvan nooit de tijd het lidteeken zal heelen.

Ik vroeg aan zijn cipier of hij te koop was. De sluwe koopman antwoordde, dat hij nog niet alleen kon eten. Dat was een tastbare leugen, want hij was niet van hetzelfde jaar; maar hij wilde hem houden, om hem 's winters te verkoopen, als hij zijne stem weer terug zou hebben en een hoogen prijs waard zijn. Zulk een in vrijheid geboren nachtegaal, heeft een oneindig hooger waarde, dan een die in de kooi geboren werd; héél anders klinkt zijn zingen; want hij kende de vrijheid en de natuur, en betreurt wat hij verloor. Bij den waarachtigen kunstenaar is het beste deel van het genie: de ~smart~.... ~Kunstenaar~, ik heb het woord gezegd, en ik trek het niet terug. Het is niet bij vergelijking gesproken, zooals men twee dingen naast elkaar stelt, die veel van elkaar hebben, maar het is absoluut hetzelfde.

Naar mijne meening is de nachtegaal niet de éérste van het gevleugde volk, dien men dien naam van kunstenaar verschuldigd is, maar de éénige. Waarom? Omdat hij de éénige is, die schept; de éénige, die zijn zang verrijkt en aanvult en afwisselt; hij voegt er nieuwe zangen aan toe. Hij alléén, heeft dien rijkdom en afwisseling in zichzelf, bij de anderen is het aangeleerd en nagevolgd. Hij vat ze allen samen; zijn zang houdt ze bijna allen in. Ieder van hen, van de schitterendste zangers, levert een couplet voor den nachtegaal. Één enkele vogel bereikt als hij de hoogste effecten, maar in het naïeve, eenvoudige: dat is de leeuwerik, het kind van de zon. En ook de nachtegaal wordt bezield door het licht, en dat zóó sterk, dat in gevangenschap, als hij eenzaam is en zonder liefde, het licht alléén genoeg is om hem te doen zingen. Wordt hem, als hij eenigen tijd in het donker is gehouden, op eens het licht hergeven, dan wordt zijn opwinding een delirium: hij barst uit in hymnen.

Maar er is altijd dit verschil, dat de leeuwerik geen nachtzanger is. Zijn melodie wordt nooit een nocturne, die de avondstemming zingt, de groote effecten en de diepe poëzie van schemering en duister; het plechtig zwijgen van middernacht, de bezieling van den dageraad; een groot rijk gedicht, dat ons een hart vol teederheid ontsluiert, en het openbaart in al zijn diepten.

De leeuwerik heeft het lyrisch genie; maar de zang van den nachtegaal is het heldendicht, het drama, het woelen van innerlijken strijd. Vandaar een eigen licht: in zwarten nacht, ziet hij in zijn ziel en in zijn liefde; en soms schijnt het wel, nog boven individueele liefde uit, in den oceaan der Oneindige Liefde.

Waarom hem geen kunstenaar te noemen? Hij heeft het temperament in den hoogsten graad; zoo sterk als de mensch het zelden heeft. Alle eigenschappen, alle fouten van het temperament heeft hij te over. Hij is vreesachtig; wantrouwend maar zonder de minste sluwheid. Aan zijne eigen veiligheid denkt hij niet; en hij trekt altijd alléén. Hij is hevig in zijn jaloezie, en in wedstrijd met een mededinger staat hij gelijk met den vink. „Hij zou zich dood zingen,” zegt één van zijn beschrijvers. Hij luistert naar zichzelf en vestigt zich bij voorkeur waar een echo is, om te kunnen hooren en antwoorden. Tot in 't uiterste nerveus, ziet men hem in gevangenschap soms lang slapen op den dag, met onrustige droomen; of wakend, oproerig en als een razende. Hij is onderhevig aan zenuwtoevallen en epilepsie.

[Illustratie]

Hij is goed, en hij is roofzuchtig; ik kan dat verklaren. Zijn hart is teeder voor wat zwak is en klein: geef hem weesjes op te voeden; hij zal er voor zorgen en die opvoeding zeer ter harte nemen. Zelfs als hij een mannetje is, en al oud, zal hij ze voeden en opkweeken. Maar van den anderen kant is hij heftig op zijn prooi, gulzig en begeerig; het is die altijd brandende inwendige vlam, die steeds om voedsel vraagt, om hernieuwing. En dat is ook de reden, waarom hij zich zoo gemakkelijk laat vangen. In den vroegen morgen, bij voorkeur in de maanden April en Mei, als hij zich heeft uitgeput met zingen den heelen langen nacht door, vangt men hem zonder moeite. Hij is dan moe, zwak en uitgehongerd, en werpt zich in blinde begeerigheid op het lokaas. Bovendien is hij zéér nieuwsgierig, en als er voor hem iets nieuws te zien is, is hij ook een gemakkelijke buit.

Maar is hij gevangen, dan moet men zijne vleugels binden of hem in een van binnen gevoerde en van boven gewatteerde kooi zetten, of hij zou zich den dood aandoen door de uitzinnige woestheid van zijn gefladder.

Maar die hevigheid is alléén uiterlijk. In den grond is hij zacht en meegaande. En dáárdoor staat hij zoo hoog en is hij een werkelijk kunstenaar. Hij is niet alleen de meest bezielde, maar ook de leerzaamste, de ijverigste, de beschaafdste.

Het is een zeldzaam aardig tafreel, zooals de kleintjes aandachtig om den vader heen staan en oplettend luisteren en profiteeren; hun stemmetjes oefenen, gaandeweg hun fouten verbeteren en hun ruwheid van beginnelingen; hoe zij hun jonge organen lenig maken.

[Illustratie]

Maar nog veel merkwaardiger is het, hem bij zijn eigen vorming waar te nemen; te hooren hoe hij zijn zang kritiseert en volmaakt; hoe hij een nieuw thema beoordeelt en instudeert. Die volharding, die ernst, hebben hun oorsprong in den eerbied voor zijn kunst, en in eene innerlijke vroomheid; zij zijn het zedelijksgevoel van den kunstenaar, zijn heiligdom. En daarom staat hij op zichzelf en kan niet verward worden met den eenvoudigen improvisator, wiens onbewust zich geven, niet anders is dan de echo van de natuur. Liefde en Licht zijn zeker de onmiddellijke aanleiding tot zingen; maar de kunst zelf, en het schoonheidsgevoel, vaag begrepen, maar zéér levendig gevoeld, zijn hem een ander voedsel, dat zijn hart sterkt en hem op nieuw bezielt. En dit zonder grens: een licht dat voert naar het oneindige.

De kunstenaar is eerst waarlijk groot wanneer hij zijn doel voorbij streeft, meer doet dan hij verwachtte; en dan ook nog iets geheel anders: wanneer hij stijgt boven zijn doel uit, het mogelijk overtreft, en nóg verder ziet. Vandaar de eeuwige weemoed, een steeds opwellende bron van melancholie; vandaar de sublieme dwaasheid, rampen te beweenen die hij nooit kende. De andere vogels verbazen zich, en vragen dikwijls wat hij toch heeft, wat hij zoo betreurt. En hij, gelukkig in de vrijheid van zijn bosschen, antwoordt hen met hetzelfde, wat mijn gevangen nachtegaal (maar zwijgend) zong:

„Lascia ch' io pianga!” (Laat mij het klagen!)

[Illustratie]

[Illustratie: VERVOLG VAN DEN NACHTEGAAL.]

[Illustratie]

VERVOLG VAN DEN NACHTEGAAL.

De perioden zonder zang hebben toch hun vruchtbaarheid voor den nachtegaal; hij keert tot zichzelf in en overdenkt. Hij bestudeert de zangen, die hij gehoord heeft, of die hij zelf probeerde; hij wijzigt en verbetert ze met volkomen smaak en takt. De valsche noten van den onbekwamen meester, vervangt hij door harmonische varianten, vernuftig gevonden. Een onvolledige melodie, die men hem geleerd heeft, die hij nog niet nazong, herhaalt hij; maar nu is zij zijn eigene; aangepast aan zijn genie, werd zij tot een echte nachtegaalszang.

„Laat u niet ontmoedigen,” zegt een oud en naïef schrijver, „als de jonge vogel de les niet herhaalt, en maar blijft doorkweelen; ge zult spoedig merken, dat zijn geheugen de lessen, in herfst en winter ontvangen, heeft vastgehouden; ~de lange nachten zijn de rechte tijd tot overdenken~; in de lente zal hij zijn lessen herhalen.”

Het is een boeiende bezigheid, in den winter de gedachten van den nachtegaal te volgen. In zijn donkere kooi, met een groen kleed omhangen, voelt hij zich misschien aan zijn bosschen herinnerd. Tegen December begint hij hardop te droomen, te praten; hij beschrijft in bewogen klanken, wat in zijn geest voorbijtrekt; de dingen van vroeger, die hij lief had. Misschien vergeet hij dan, dat hij niet heeft weten weg te trekken: hij meent in Afrika, in Siberië te zijn, in de landen met sterker zonlicht. Misschien ziet hij die zon; hij ziet ook weer de rozen bloeien. Voor hààr begint hij zijn hymne—de Perzische dichters zeggen: „De hymne van de liefde, die niet zijn kon.”

O Sonne, o Meer, o Rose!....

RÜCKERT.

Ik geloof vast, dat die nobele, pathetische zang, met zijn verheven accent, niet anders is, dan hijzelf; zijn leven van liefde en tweestrijd, zijn nachtegalendroom. Hij ziet zijn bosschen, zooals de geliefde ze voor hem herschept; hij ziet haar levendig, teeder wezen, en al de sierlijkheid en gratie van het gevleugelde leven, die wij in het onze missen. Hij spreekt tot haar; zij antwoordt. Hij zingt een dubbele partij: op den vollen, sonoren, mannelijken toon, volgt het antwoord in teedere geluidjes. En wat dan verder nog? Ik betwijfel niet, dat ook de extase van zijn leven hem voorzweeft: de innigheid van het nest, de kleine woning, die zijn zaligheid geweest zou zijn.... Hij voelt zich dáár; hij sluit de oogen om het visioen te doorleven. Het ei breekt open, zijn Kerstwonder is geboren. Zijn zoon, de toekomstige nachtegaal is volwassen en vol melodie. Hij luistert in de somberheid van zijn donkere kooi in verrukking naar het toekomstige lied van zijn zoon.

Dat alles, wel te verstaan, in eene poëtische verwarring, waarbij allerlei hindernissen en gevechten, het liefdefestijn komen verstoren en onderbreken. Geen volmaakt geluk op deze aarde: er komt een derde. De gevangene in zijn alléén-zijn, begint zich op te winden, te ergeren; hij is duidelijk in een tweegevecht met den onzichtbaren tegenstander, met den _anderen_, den onwaardigen mededinger, dien hij ziet, dien zijn geest hem voorspiegelt.