De vogel

Part 10

Chapter 103,839 wordsPublic domain

Ook is het werk duidelijk de uiting van een buitengewone en hartstochtelijke wilskracht met zeldzaam doorzettingsvermogen. En dat blijkt vooral dááruit, dat het niet als onze bouwsels, is voorbereid door een getimmerte, dat het plan vaststelt en het werk ondersteunt en regelt. Hier is de ziel van den kunstenaar zóó van het plan doortrokken; het beeld staat hem zóó zuiver en levendig voor oogen, dat zonder geraamte of getimmerte, zonder voorafbereid steunsel het luchtscheepje stuk voor stuk wordt opgetrokken; en geen stuk verstoort den gang van het geheel. Alles komt op zijn plaats, symmetrisch en in volkomen harmonie, een zéér moeielijke arbeid, bij zóó gebrekkig gereedschap, en bij de primitieve wijze van samenpersing door drukking met de borst. Dit werk vertrouwt de moeder het mannetje niet toe; maar zij gebruikt hem als leverancier. Hij zoekt het materiaal, grasjes, mos, stukjes wortel, of kleine takjes. Maar als het bouwsel klaar is, als het op het binnenste aankomt, het bed, het meubilair, dan wordt het een moeilijk geval. Men moet bedenken, dat dit leger een eitje moet bergen, dat oneindig gevoelig is voor koude; ieder plekje, dat te koud wordt, kost een lid aan het jonge vogeltje. Het wordt naakt geboren. Het buikje tegen de moeder gedrukt is voor kou beveiligd; maar het vederloos ruggetje moet warm gehouden worden door het nest. Daarom is de moeder zoo angstvallig in haar voorzorgen en zoo veeleischend, dat zij nauwelijks te bevredigen is. Het mannetje brengt b.v. paardenhaar mee; het is te hard en kan alléén dienen voor onderlaag, als een soort springveeren bed. Hij brengt hennep; dat is te koud; alleen zijde, of het zijdeachtige pluis van sommige planten, wol en katoen, worden aangenomen; en nog beter: zij trekt haar eigen donsveeren uit en legt die onder haar jonkjes. Het is treffend, het mannetje naar materiaal te zien zoeken, heimelijk en slim; hij is bang, dat wie hem opmerkt, den weg naar het nest zal uitvinden. Daarom neemt hij, als hij bespied wordt, dikwijls een anderen weg. Met allerlei kleine diefstallen kan hij de moeder helpen. Soms volgt hij de schapen om een paar pluisjes wol te krijgen.

[Illustratie]

In den hoenderhof neemt hij de donsveertjes van de leghennen. En in zijn overmoed houdt hij er zelfs een oogje op, of misschien de vrouw haar kluw of haar spinrokken onder de veranda vergeet; dat is dan al weer een paar draadjes winst.

De nestenverzamelingen bestaan nog niet lang; zij zijn ook zeldzaam, en nog niet rijk. Toch kan men bij sommigen, in die van Rouaan b.v., die uitmunt door rangschikking, en in die van Parijs, die een paar bijzondere exemplaren bezit, al de industrieën nagaan, waardoor dat uitnemende kunststuk, het nest, wordt gewrocht. Wat is er de ontwikkeling, de voortgang van? Niet van de eene kunst op de andere (niet van metselen naar vlechten b.v.); maar in ieder vak gaan de vogels, die het beoefenen, met meer of minder kunst te werk, naarmate de soort intelligent is, het materiaal meer of minder voegzaam, en naar het klimaat het eischt.

[Illustratie]

Van de grovere vogels hebben de vetganzen, de pingouïns, bij wien het jong onmiddellijk na de geboorte te water gaat, genoeg aan een gat in den grond. Maar de bijeneter, de oeverzwaluw, die hun jongen moeten grootbrengen, hollen zich een woning uit, van zéér goede en min of meer wiskunstige verhoudingen, die behoorlijk wordt uitgerust en van zachte stoffen voorzien, zoodat de jongen geen last hebben van den harden en vochtigen grond.

Van de metselende vogels, vergenoegt de flamingo zich met een pyramide van opgehoogde klei, waarop hij zijn eieren beveiligt tegenover strooming, om ze daar, rustig, staande op zijn lange beenen, uit te broeden. Dit is grof Werk, en hij is nog maar een opperman. De ware metselaar is de zwaluw, die haar huis hecht aan het onze.

Maar het wonder van de soort is wellicht het vernuftig kartonwerk van den lijster der wijngaarden. Zijn nest, dat in die vochtige atmosfeer veel te lijden zou hebben, is van buiten van mos, en ontsnapt aan het oog, door éénheid van kleur met het loof; maar als men er in kijkt, is het een prachtig glanzend gepolijste kom, haast zoo zuiver als glas; men kon er zich in spiegelen. De rustieke kunst, eigen aan de bosschen: het timmeren, schrijnwerken, beeldhouwen, heeft zijn eenvoudigste specimen in het nest van den toekan; zijn snavel is enorm, maar zwak en dun; hij gebruikt alleen vermolmde boomen. De specht, beter gewapend, kan veel meer, dat weet men: hij is de ~ware~ timmerman, en, komt de liefde, dan wordt hij beeldhouwer.

Oneindig rijk aan geslachten en soorten, is het gilde der wevers en mandenmakers. Het zou een werk van langen adem zijn, bij hun punt van uitgang beginnende, die industrie vol verscheidenheid, in zijn loop en tot het einde na te gaan.

De vogels der waterkanten vlechten al, maar ruw en onhandig. Waarom zouden zij er ook veel werk van maken? Zoo doeltreffend door de natuur gekleed, met een vetachtig gevederte, nagenoeg ondoordringbaar, hebben zij minder rekening te houden met de elementen. Hun kunst is de jacht; altijd krap gevoed, worden zij beheerscht door een veeleischende maag.

Het zeer elementaire vlechten, van reigers en ooievaars, wordt al, hoewel in geringer mate, voorbijgestreefd door de vlechtwerkers der bosschen: de gaai, de bloedvink. Hun talrijker familie, noopt hen tot solied werken. De onderlaag is ruw, maar daarop vlechten zij een meer of minder sierlijk korfje, een samenstel van stevig verbonden takjes en worteltjes. De karkiet verbindt kunstig eenige rietstengels, waaraan de bladen door het weefsel heen gewerkt, een stevige beweeglijke basis vormen, die de bewegingen volgt van het riet. De buidelmees bevestigt haar beursvormig nest maar aan één kant, en laat dus haar jongen wiegen door den wind. Het sijsje, het puttertje, de vink, zijn knappe viltwerkers. De laatste, schuw en wantrouwig, plakt aan zijn nest als het klaar is, heel behendig stukjes grijs korstmos, waardoor men bij het zoeken geheel van de wijs wordt gebracht, en dit allersierlijkste, zoo goed verstopte nest in den regel aanziet voor een soort van uitwas, iets toevalligs en natuurlijks.

[Illustratie]

Het lijmen en het viltwerken speelt trouwens ook een groote rol bij het werk der wevers. Men doet verkeerd, die vakken te sterk af te scheiden. Het vliegenvogeltje neemt gom van de boomen om zijn nestje goed dicht te maken; de meeste anderen gebruiken hun speeksel. En wonderlijk, enkelen, bij wie de liefde het vernuft verscherpt, nemen hun toevlucht tot de kunst, waartoe hun organen het minst zijn aangelegd. Een Amerikaansche spreeuw komt er toe de bladeren met zijn snavel aan elkaar te naaien, en heel handig ook. Eenige knappe wevers gebruiken behalve hun snavel ook nog hun pootje; als de ketting klaar is, houden zij die met hun pootje vast en weven dan met hun bek. Zoo kan men hen dus met recht wevervogels noemen. Behendigheid komt er dus niet te kort; maar de gereedschappen zijn gebrekkig; zij zijn zeldzaam ongeschikt voor het werk. Daarbij vergeleken, zijn de insekten verwonderlijk doelmatig toegerust. Zij zijn de geboren arbeiders. De vogels zijn het maar tijdelijk, door den prikkel en geestdrift der liefde.

[Illustratie]

[Illustratie: VOGELSTEDEN EN REPUBLIEKEN.]

[Illustratie]

VOGELSTEDEN EN REPUBLIEKEN.

Hoe meer ik er over denk, hoe duidelijker ik besef, dat de vogels niet, als de insekten, nijvere dieren zijn. Zij zijn de dichters in de Natuur, de onafhankelijkste van alle wezens; zij leiden een prachtig avontuurlijk leven; maar over 't geheel zijn zij weinig beschermd.

Denken wij ons de Amerikaansche wouden, en laat ons nagaan welke de beveiligingsmiddelen zijn van de alléénlevende wezens. Vergelijken wij de veiligheidsmaatregelen van de vogels, de vindingen van hun energie, met de uitvindingen van hun buren, de menschen, die in dezelfde streken leven. Het verschil doet de vogels eer aan; het menschelijk vernuft vond slechts aanvalswerktuigen. De Indiaan vond de knots en het scalpeermes; de vogel alléén het nest.

En wat zindelijkheid, warmte, sierlijkheid betreft, wint het nest het in alle opzichten van den wigwam, en van de negerhut, die dikwijls in Afrika niet anders is, dan een holle baobab (apenbroodboom).

De negers hebben de deur nog niet uitgevonden; hun woning blijft open, en om zich tegen nachtelijke aanvallen van wilde dieren te beschermen, vullen zij den ingang op met doornen.

De vogel weet ook zijn nest niet te sluiten. Hoe zal hij zich beveiligen? een ernstige, moeilijk te beantwoorden vraag.

Hij maakt een nauwen bochtigen ingang. Kiest hij een natuurlijk nest in een boomholte, dan vernauwt hij den ingang door een vernuftig metselwerk. Verscheidenen bouwen een dubbel nest met twee woonruimten; in de alkoof broedt de moeder, in de vestibule waakt de vader als een trouwe schildwacht, gereed den aanval af te slaan als hij mocht komen.

En wat een vijanden! slangen, menschen, apen, eekhoorns, en zelfs vogels! Want dat volk heeft ook zijn roovers. Soms helpen de buren den zwakke, zijn goed terug te krijgen, en de indringer wordt met geweld verjaagd. Er is daar een zaadetende kraai, die zeer ver gaat in het recht doen. Als er een jong paar, andere nesten gaat bestelen, om met het eigen nest vlugger gereed te zijn, dan wordt hun dit niet vergeven. Acht of tien vereenigen zich, en vernielen het dievennest, dat er geen stuk van heel blijft; en de schuldigen zijn genoopt naar elders te vertrekken en van meet af aan te beginnen.

Is dat geen gevoel voor eigendom, en het heilig recht van den arbeid?

Hoe nu veiligheid te vinden, en een soort van publieke orde? Het is aardig na te gaan, hoe de vogels dat vraagstuk hebben opgelost.

[Illustratie]

Twee oplossingen doen zich voor: de eerste is vereeniging; het vormen van een staat, die alle krachten in zich zou samenvatten, zoodat door samenwerking der zwakken, een defensieve macht tot stand zou komen.

De tweede—schijnt het niet wonderbaar, onmogelijk, fantasterij?—zou moeten zijn, eene verwezenlijking van de luchtstad van Aristofanes, bewaakt tegen de zware roovers der lucht en ontoegankelijk voor de roovers van de aarde, den jager en de slang.

Deze twee moeilijkheden, waarvan de eene onmogelijkheid schijnt, zijn door de vogels tot werkelijkheid geworden.

Eerst de samenwerking, de Staat. Het koningschap staat een trap lager. Zooals de apen een koning hebben, die iedere bende aanvoert, zoo schijnen verscheiden vogelsoorten, vóóral wanneer gevaar dreigt, een hoofd te volgen.

De paradijsvogels hebben een koning. De tiran, een dapper onversaagd klein vogeltje, geeft bescherming aan grootere soorten, die hem vertrouwen en volgen. Men verzekert ook, dat de edele sperwer zijn roofinstinct onderdrukt, en enkele vreesachtige soorten, die op zijn edelmoedigheid vertrouwen onder zich laat nestelen.

Maar samenwerking tusschen gelijken, is toch altijd het veiligste. De struisvogels, vetganzen, en nog meer anderen doen dat. Vele soorten, die zich voor den trek vereenigen, vormen bij de afreis tijdelijke republieken. Men weet van de voortreffelijke verstandhouding, den republikeinschen ernst, de prachtige taktiek der ooievaars en kraanvogels. Anderen, veel kleiner en minder gewapend, en dat in een klimaat waar de wreed vruchtbare natuur, hun zonder ophouden de vreeselijkste vijanden baart, durven zich niet van elkander te verwijderen, en bouwen hunne woningen dicht bij elkander zonder ze nog te laten samensmelten. En zoo leven zij onder een gemeenschappelijk dak in afzonderlijke cellen, als de bijen in hun korf. De beschrijving, die Paterson daarvan geeft doet denken aan een fabel. Maar het geval wordt door Levaillant bevestigd, die dikwijls in Amerika die zeldzame kolonies vond en bestudeerde. Het is de beschrijving van een immense parapluie, die aan een boom is vastgehecht, en onder zijn gemeenschappelijk dak meer dan driehonderd woningen bergt. „Ik liet hem bij mij brengen,” zegt Levaillant, „en verscheiden mannen waren noodig om hem op een wagen te zetten. Ik sloeg hem door met een bijl, en ik zag, dat de massa uit bosman gras bestond, maar zoo dicht gevlochten, dat de regen er onmogelijk door kon dringen. Deze massa is het eigenlijke geraamte van het gebouw, iedere vogel maakt zich een nest onder het gemeenschappelijk dak. De nesten zijn alle aan den rand; het bovengedeelte blijft vrij, zonder daarom nutteloos te zijn; want daar het hooger is dan de rest, krijgt hierdoor het geheel een voldoende helling, zoodat de kleine woninkjes alle goed beschermd zijn. Kort genomen, moet men zich dus een groot, onregelmatig, schuin afloopend dak voorstellen, waarvan de rand inwendig opgevuld is met dicht aanééngesloten nesten. Zoo krijgt men het juiste begrip van dit eigenaardig bouwsel.

[Illustratie]

Ieder nest heeft 3 tot 4 duim middellijn, wat voor het vogeltje voldoende is; en daar ze aan elkaar stooten het geheele dak rond, schijnen zij voor het oog een geheel te vormen; zij zijn gescheiden door een kleine opening, tegelijk de ingang; en dikwijls dient ééne opening voor drie nesten, waarvan het eene naar bínnen ligt en de twee andere ieder aan een kant. Er waren 320 cellen hetgeen 640 bewoners maakt, als tenminste in iedere cel een paartje was, waarvan ik niet heelemaal zeker ben. Toch heb ik iedere keer, dat ik op een zwerm schoot een gelijk aantal mannetjes en wijfjes gevonden.” Lofwaardig voorbeeld! hoe verdient het navolging!—Maar zou dat broederlijk zich vereenigen van die kleine wezentjes, wel een voldoende waarborg zijn? Zeker zullen ze soms met hun aantal en luidruchtigheid het monster verschrikken en van zijn weg doen afwijken; maar als de boa, sterk in zijn schubbig pantser, en doof voor hun kreten, hardnekkig blijft voortschuiflen en hun burcht aanvalt, op een tijd misschien dat de jongen nog niet vlug zijn, dan wil hun aantal niet anders zeggen dan, meer slachtoffers.

Blijft nog, de ~luchtstad~ van Aristofanes: afgezonderd van aarde en water, te bouwen in de lucht; een wonder dat alléén de twee sterkste machten op de wereld kunnen scheppen: de ~Liefde~ en de ~Vrees~, de meest intense vrees, die het bloed doet stollen. Als uit een hollen boom de donkere platte kop van een kil reptiel zich opheft en u aansist, dan siddert ge, niet waar, gij een sterke man?

Moet dan niet dat weerloos schepseltje van angst vergaan, als het zoo overvallen wordt in zijn nestje en de schrik zijn vleugels verlamt?

De luchtstad ontstond in het land der slangen. In Afrika, het land der monsters, met zijn afschuwelijke droogten, bedekken zij letterlijk den grond. In Azië, op de verschroeide kusten van Bombay, in de bosschen, waar het rottig slijk gaat gisten, krioelen zij, en groeien, opgeblazen van venijn. De Molukken zijn er vol van.

Vandaar de vinding van de ~Loxia pensilis~ (grootsnavel der Filippijnen), zòo heet die groote kunstenaar. Hij kiest een boom uit, dicht aan het water. Aan de takken hecht hij behendig afhangende plantenvezels. Hij meet het gewicht van het nest vooruit, en vergist zich nooit. Aan de vezels bevestigt hij één voor één, vrij harde grassen en doet dit, zonder steunsel, los in de lucht werkend. Het is een lastig werk en van langen duur, niet anders te volbrengen dan met oneindig veel geduld en energie.

De vestibule alleen, is al een cylinder van niet minder dan twaalf of vijftien voet lengte, die boven het water hangt met de opening naar beneden, zoodat men stijgende moet binnengaan. Het bovenste gedeelte heeft den vorm van een pompoen of opgeblazen zak, iets als de retort van een scheikundige. Soms hangen er vijf of zes van die nesten aan één bamboe.

Dit is dus mijn luchtstad. Geen verbeeldingsdroom, zooals die van Aristofanes, maar echt en werkelijk, en die voldoet aan de drie voorwaarden: veiligheid van de waterzijde en ook van den landkant en bovendien ontoegankelijk te zijn voor de roovers der lucht, door de nauwe toegangen, die met veel moeite beklommen worden.

En nu zoudt gij misschien tegen den sluwen vogel over zijn nest zeggen, wat men tegen Columbus zeide, toen hij zich sterk had gemaakt een ei rechtop te zetten: „Maar dat is dood eenvoudig.” En dan zou de vogel, als Columbus, antwoorden: „Waarom vondt ge 't dan zelf niet uit?”

[Illustratie]

[Illustratie: DE OPVOEDING.]

[Illustratie]

DE OPVOEDING.

Het nest is nu gereed, beschermd door alle voorzorgsmaatregelen, die de moeder kon uitdenken. Zij zet zich neer op haar voleindigd werk en verbeeldt zich den nieuwen gast, dien het morgen zal herbergen.

En moeten ~wij~ ook niet nadenken, op dit voor haar zoo heilig oogenblik, en ons afvragen wat er in dat moederhartje omgaat?

Zouden wij durven spreken van een ziel? durven zeggen, dat deze vindingrijke architekte, deze teedere moeder een ziel heeft?

Vele, zelfs zeer gevoelige en sympathieke menschen, zouden daarop een uitroep van verontwaardiging doen, en die zoo ~natuurlijke~ gedachte, als een schandelijke hypothese verwerpen.

Hun gevoel zou hen er wel toe brengen; maar hun geest, hun opvoeding ten minste, opvattingen, die men hun al vroeg heeft ~ingegoten~, verwijderen hen er van.

De dieren zijn maar machines, een soort van automaten, en denkt men in hen een vonk van gevoel of rede te zien, dan is dat niet anders dan de werking van het ~instinkt~. Maar wat is het instinkt? Een soort van zesde zintuig, waarvan geen bepaling te geven is; dat in hen is, en niet door hen zelf verkregen; een blinde kracht, die handelt, konstrueert en duizend intelligente dingen doet, buiten hun bewustzijn om, en buiten hun persoonlijkheid?

Als dat zoo is, dan moet het instinkt iets onveranderlijks zijn, en de uitwerking er van regelmatig dezelfde, noch door tijd, noch door omstandigheden gewijzigd.

Onverschillige geesten, menschen, die slecht waarnemen of van iets anders zijn vervuld, zullen dit grif aannemen. Waarom ook niet? Op het eerste gezicht schijnen verschillende handelingen van vogels, verschillende feiten, ~bijna~ regelmatig terug te komen.

Om juister te oordeelen, ware er misschien langer en nauwkeuriger waarneming, meer tijd en studie noodig, dan de zaak waard is.

Een dispuut daarover zullen wij verdagen, en liever de voorwerpen zelve bestudeeren. Beginnen wij met een eenvoudig en op zichzelf staand voorbeeld; daarbij alléén vertrouwend op onze oogen, op onze eigen waarneming; dat kan ieder, ook de meest gewone geest.

Ik geef hier in allen eenvoud, het dagboek van mijn sijsje „Jonquille,” zooals het geregeld gehouden werd bij de geboorte van haar eerste kind; een zeer nauwkeurig dagboek, en zoo goed als een authentieke geboorteakte.

„Eerst dient men te weten, dat Jonquille in de kòoi geboren was, en nooit een nest had zien maken. Toen ik bemerkte, dat zij onrustig werd onder den invloed van haar komend moederschap, zette ik dikwijls haar deurtje open, en liet haar vrij uitgaan, om in de kamer het materiaal te zoeken voor het leger van haar kleintje. Zij ging ook aan 't zoeken, maar wist het blijkbaar niet te gebruiken. Ze deed alles bij elkaar, en duwde en stopte het in een hoekje van de kooi. Het bleek dus heel duidelijk, dat de kunst van nesten bouwen haar niet was aangeboren, en dat evenmin als de mensch, de vogel iets weet, dat hij niet geleerd heeft.

„Ik gaf haar toen het nestje heelemaal klaar, d. w. z. het kleine mandje, dat er den ondergrond en de wanden voor levert. Zij zorgde toen voor het matrasje en bekleedde zoo goed het ging de wanden. Toen heeft zij zestien dagen lang haar eitje bebroed, met een volharding, een vuur, een moederlijke toewijding, verwonderlijk te zien; een paar minuten maar per dag verpoosde zij zich van haar vermoeiende taak, en dan nog maar alléén als het mannetje haar wilde vervangen.

„Den zestienden dag op den middag, brak de schaal van het eitje door midden, en men zag in het nestje kleine vleugeltjes zonder veeren, kleine pootjes, en iets, dat bezig was zich heelemaal los te werken uit het omhulsel. Het lichaampje was een groote buik, rond als een bal. Met wijd open oogen, uitgestrekten hals en trillende vleugels, zat de moeder op den rand van het nestje naar het kind te zien; en ook naar mij keek zij, alsof zij zeide: „~Kom niet dichtbij!~”

[Illustratie]

„Behalve een beetje lange donsjes aan de vleugeltjes en het kopje, was het diertje heelemaal naakt.

„Dien eerste dag gaf zij het alléén maar te drinken: het gaapte al met een flinken bek.

„Van tijd tot tijd ging de moeder een beetje op zij om de ademhaling vrij te laten; dan nam zij het weer onder hare vleugels en wreef het heel voorzichtig.

„Den tweeden dag heeft het gegeten, maar niet meer dan een hapje groen door den vader meegebracht, door haar ontvangen en zorgzaam bereid, en met kleine geluidjes aan het jonkje gegeven. Waarschijnlijk was het minder voeding, dan purgatie. Zoolang het kind verzorgd is, laat zij den vader aan zijn bezigheden: uitvliegen, gaan en komen. Maar zoo gauw het begint te vragen, roept de moeder met haar liefste stemmetje den verzorger; hij vult zijn bekje en komt haastig haar het hapje brengen.

„Den vijfden dag puilen de oogen al minder uit, en den zesden 's morgens, komen de veeren door langs de vleugels, en het rugje verdonkert. Den achtsten doet het kind zijn oogjes open als het geroepen wordt, en begint te stamelen. De vader durft het nu aan, het zelf te voeren. Nu kan de moeder vacantie nemen en blijft vrij lang weg. Dikwijls zet zij zich op den rand van het nestje en beschouwt liefdevol haar kind. En dat begint zich te roeren, krijgt behoefte aan beweging.

„Arme moeder, binnen kort zal hij je willen verlaten!

„Bij deze eerste verzorging van het beginnende en nog lijdzame leven, evenals bij de latere opvoeding, de aktieve—het vliegen—waarover ik nog spreken zal, was het zeer in 't oogvallend en aan alles duidelijk, dat er steeds en met groote voorzichtigheid rekening werd gehouden, met het meest onvoorziene, het onberekenbare: de individueele krachten van het jonkje. De hoedanigheid, de hoeveelheid van het voedsel, verwarming, wrijving, zindelijkheid, dat alles werd met zorg en nauwgezetheid behandeld, al naar de omstandigheden het eischten; de verstandigste en teederste vrouw, had het nauwelijks zoo kunnen doen.

„Toen ik zag hoe hevig haar hartje klopte, haar oogje schitterde, als zij haar schat bekeek, heb ik gedacht: „Zou ik anders doen bij de wieg van mijn zoontje?””

O, als dit eene machine is, wat ben ik zelf dan? en wat bewijst dan, dat ik een persoonlijkheid ben? Waarnaar zich dan te richten? En is deze wereld niet een droom, een goochelspel, wanneer men uit de meest persoonlijke handelingen, die duidelijk het gevolg zijn van rede en berekening, besluiten moet, dat er niet anders is dan redeloosheid, mechanisme en automatisme; een soort van klok die het leven speelt, en het denken!

Bedenkt, dat onze waarnemingen betrekking hadden op een wezen in gevangenschap, genoodzaakt te handelen in ongunstige omstandigheden, en zéér beperkt wat keuze van verblijf en voeding betreft. Hoeveel meer zou er voor haar te handelen zijn, te kiezen en te overleggen, in de vrijheid der bosschen, waar voorzorgen en voorzichtigheid zouden vereischt worden in gevangenschap overbodig. Ik denk hier vooral aan de veiligheid, voor de vogels in natuurstaat het eerste belang, dat boven alles hen in staat stelt hun vrijwerkend vernuft te oefenen, en het tegelijk te bewijzen.

Deze eerste inwijding in het leven, waarvan ik hier een voorbeeld gaf, wordt gevolgd door wat ik ~vakopleiding~ zou willen noemen: iedere vogel heeft een beroep.

[Illustratie]