Part 9
Later op den avond vormden zich overal schilderachtige groepen. Hier zaten ruwe Boekaniers broederlijk bij elkaar, terwijl lustig de beker rondging; daar weer belichtte het vuur de bruine aangezichten van eenige vrouwen, die luisterden naar wat een oud man haar vertelde van de moedige daden van haar echtgenooten. Onder de hooge takken van een katoenboom, waaruit de in hun rust gestoorde apen en papegaaien schreeuwend wegvluchtten, lagen ginds eenige zeelui bij elkaar en luisterden naar de verhalen van een grijzen makker, die geestdriftig van de vreeselijke gevechten vertelde, die hij had meegemaakt. Op plaatsen waar de maan het helderst scheen vermaakten zich eenige dansers en danseressen bij de zwaarmoedige tonen van een fluit en guitaar en op den achtergrond zag men de donkere gestalten van enkele negers die, door den wijn en de vreugde bijna dolzinnig, op de wilde tonen van een muziekinstrument uit hun eigen land en van een daarbij onontbeerlijke trom, hun vlugge dansen uitvoerden.
In de baai lagen als zwarte monsters de lompe schepen en dit alles bescheen de maan met haar zachten, liefelijken glans. De nacht was kalm, de lucht zoel en vol aangename geuren, maar telkens werd de nachtelijke vrede onderbroken door de luide kreten: »Leve Lolonois! Leven de Boekaniers, dood aan hun vijanden," kreten die ver over de velden en diep in de bosschen weergalmden.
Lolonois zelf nam echter aan deze feestelijkheden geen deel. Hij had zich na den algemeenen maaltijd in zijn bijzondere vertrekken teruggetrokken, waar hij, gelukkig met het bezit van zijn heerlijk vaartuig, droomde van nieuwe krijgsbedrijven, die hij met »_De Vliegende Hollander_" zou verrichten.
En--zooals hij het zich droomde, gebeurde het ook.
Door de steeds stouter strooptochten echter van de Boekaniers nam de onveiligheid in de West-Indische wateren zoodanig toe, dat het de opmerkzaamheid der Europeesche regeeringen tot zich trok en de handel op dat gedeelte van Amerika geheel te niet ging. Want de Boekaniers waren niet meer tevreden met het vermeesteren van enkele schepen der Spanjaarden, maar zij vielen ook geheele vloten aan, ja, veroverden en plunderden zelfs verscheidene steden aan de Amerikaansche kust. Langzamerhand strekten zij hun rooverijen ook tot Portugeesche, Fransche en Engelsche schepen uit. Lolonois zelf bleef wel is waar aan zijn beginsel getrouw om met de heele wereld in vrede, maar met de Spanjaarden in eeuwigdurenden oorlog te leven,--doch zijn invloed ging niet zóó ver, dat hij al zijn bondgenooten die op andere schepen waren, kon bewegen om naar hetzelfde beginsel te handelen.
De regeeringen van Frankrijk en Engeland eischten eindelijk van Spanje, dat het de strooptochten der Boekaniers zou te keer gaan. Werden de West-Indische wateren niet binnen een jaar door de Spaansche regeering geheel van zeeroovers gezuiverd, dan zouden zij gedwongen worden niet alleen om de aangerichte schade te vergoeden, maar Frankrijk en Engeland zouden bovendien nog op de Spaansche Antillen verscheidene belangrijke punten in bezit nemen, om aldaar tijdelijke verblijfplaatsen op te richten voor de eskaders van hun vloten.
Die bedreiging werkte meer uit dan al het nadeel, dat de Boekaniers tot nog toe aan Spanje hadden toegebracht. Te Madrid begon men zich de zaak nu ernstig aan te trekken en men besloot, eenige schepen tot uitroeiing der Boekaniers naar de Antillen te zenden. Men wendde zich tot Engeland en Frankrijk om bijstand en verkreeg vandaar twee goed uitgeruste fregatten en vier kleinere oorlogsschepen. Zoo vertrok dan een smaldeel van zes fregatten en zeventien kleinere vaartuigen uit Cadix naar West-Indië.
De Boekaniers hadden de nauwkeurigste berichten ingewonnen omtrent de uitrusting en het aantal der schepen, tegen hen uitgezonden.
Lolonois liet al de manschappen, die hij maar bezat, naar het Schildpadden-eiland komen, hij liet de haven nog meer versterken en bereidde zich met moed en alle krachtsinspanning tot verdediging voor. Er werd besloten dat men eerst een gevecht op zee zou beproeven en later, in geval van nood, naar het eiland terugkeeren om daar het uiterste te wagen.
De schepen werden dus uitgerust en »_De Vliegende Hollander_", nu ruim een jaar in het bezit van Lolonois, zou alleen verder gaan en de naderende vijandelijke vloot opzoeken.
Lolonois liet zijn vloot, die uit elf grootere en kleinere vaartuigen bestond, uitloopen tot op de hoogte van St. Domingo, met bevel, om hier zijn terugkomst af te wachten.
Niet ver van Jamaïca ontmoette Lolonois de met volle zeilen varende vloot. Hij draaide dadelijk bij, om de schepen goed te kunnen opnemen en hun getal en bewapening te kunnen beoordeelen. Toen hij op een mijl afstand weer onder zeil ging, gebood het admiraalschip hem door een kanonschot, om weer bij te draaien. Maar de trotsche Boekanier heesch zijn vlag en, om den vijand te bespotten, daaronder de Spaansche.
Deze moedige en trotsche uitdaging bracht leven en beweging op de vloot. Alle zeilen werden bijgezet om Lolonois terstond te achterhalen, maar hoe ook de wind de groote zeilen deed zwellen en hoe spoedig zij ook vorderde, bij het snelzeilende en kunstig gebouwde vaartuig mocht dit alles niemendal baten.
Zoo achtervolgd voer »_De Vliegende Hollander_", gerust wegens den grooten afstand van de vloot, weer naar de plek, waar Lolonois zijn vrienden had achter gelaten. Tegen den morgen van den derden dag bemerkte hij de toppen der masten, die boven de meer en meer onstuimig wordende zee uitstaken. Nu liet hij alle zeilen bijzetten en ontsnapte zijn verbaasde vervolgers als een waterspook, dat zich eenige dagen lang met hen vermaakt had.
Het beslissende oogenblik was nu gekomen. Lolonois plaatste zich met »_De Vliegende Hollander_" aan het hoofd van de vloot der Boekaniers en stelde zijn schepen in den vorm van een halve maan langs het eiland in slagorde, dat, met zijn prachtige, boschrijke bergen een heerlijken achtergrond vormde. De Spaansche admiraal verwonderde zich ten hoogste over de vermetelheid der Boekaniers, die aan zulk een overmacht met zoo'n klein aantal schepen weerstand durfden bieden en gaf dadelijk bevel tot den aanval. Een kwartier later lag hij met zijn fregat tegenover »_De Vliegende Hollander_". De andere schepen hadden ook ieder hun tegenpartij gevonden en nu volgde een losbarsting van geschut, die hemel en aarde deed sidderen.
Zóó evenwel waren de Boekaniers niet gewoon te vechten. Zij enterden, nadat zij hun vijanden eenige kogels toegezonden hadden, en toen begon een verschrikkelijke strijd! Lolonois sprong met vijfentwintig zijner getrouwste mannen aan boord van het admiraalschip. Hoewel de manschappen zich moedig verdedigden drong hij de Spanjaarden terug en eer een kwartier verloopen was daalde de admiraalsvlag en wapperde op het fregat de roode vlag der Boekaniers van den grooten mast. Lolonois en zijn razende Boekaniers leken voor de ontstelde Spanjaarden zooveel helsche geesten die uit de onderwereld opgedoken waren, om hen te verdelgen.
In dit oogenblik raakte ook een Fransch fregat in brand en een kotter van de Spaansche vloot vloog met een donderend geraas in de lucht. De Boekaniers hieven een luiden zegekreet aan: De overwinning scheen aan hun kant te wezen.
Maar er hadden zich nog verscheidene schepen van de Spaansche vloot buiten gevecht gehouden. De kapiteins van die schepen schoten nu de andere vaartuigen te hulp, een groot oorlogsschip ging naast het admiraalschip liggen en niettegenstaande den wanhopigen tegenstand der Boekaniers kwamen er vijftig dappere soldaten aan boord. Zoodra die zich in het gelid konden plaatsen richtten zij een verschrikkelijk geweervuur op Lolonois en zijn woeste metgezellen, en van het andere schip overlaadde men »_De Vliegende Hollander_" met kogels. Doordat deze met enterhaken aan het fregat geketend was, kon hij met zijn kanonnen niets uitrichten. Ook in het midden werd de strijd weer met nieuwen moed begonnen, daar een Spaansch schip in de plaats van het brandende Fransche fregat was gekomen, waardoor dit in staat was, het vuur van zijn zeilen en tuig te blusschen.
Een der schepen van de Boekaniers zonk plotseling, twee werden er, ondanks den woedenden tegenstand geënterd en door de Spanjaarden genomen, zoodat het gewonnen voordeel al weer heel spoedig verloren ging.
Maar nog was alles niet verloren, nog bleven de andere Boekaniers moedig op hun plaats.
Plotseling scheidden zich twee schepen, die vreeselijk door het vuur van de groote Engelsche fregatten geleden hadden. De Boekaniers die er op waren zetten alle zeilen bij en sloegen op de vlucht. Dit besliste alles. Lolonois die met onuitsprekelijke inspanning, volharding en doodsverachting tot nog toe het Spaansche fregat had mogen behouden, bemerkte met diep leedwezen wat er plaats had. Ook zag hij, dat de Engelschen, in plaats van de vluchtenden te achtervolgen zich omwendden en naderbij kwamen, om de schepen die nog overgebleven waren, tusschen twee vuren te nemen en in den grond te boren. Hij werd door moedeloosheid overvallen, gaf het sein tot den aftocht en liet de andere Boekaniers, die zich nog met de grootste dapperheid verdedigden, weten, dat zij zich redden moesten zoo goed zij konden. Hij zelf, als de laatst overgeblevene, stak het admiraalschip in brand onder het fluiten van tallooze Spaansche kogels, waarop de naar beneden gevluchte manschappen weer aan dek verschenen, doordat zij bemerkten, dat er hulp opdaagde. Hierop liet hij de enterhaken waarmee »_De Vliegende Hollander_" aan het admiraalschip vast zat, wegnemen, het schip onder het kanonvuur van het vijandelijk fregat alle zeilen bijzetten, die het zwaar beschadigde vaartuig maar voeren kon en vluchtte weldra uit het bereik van het admiraalschip dat, in brand en geheel in wanorde, niet in staat was hem te vervolgen.
Zoodra Lolonois een eind verder in zee was en zich buiten den kruitdamp bevond, die overal op de golven lag, zag hij vol ontzetting, dat de meeste schepen der Boekaniers omsingeld waren en in gevaar, genomen te worden. Hij was echter niet in staat te helpen en zoo moest hij met een gevoel van onmacht zien, dat er drie schepen veroverd en twee in den grond geboord werden.
Behalve zijn eigen vaartuig en de drie vluchtende waren ze allemaal te gronde gegaan of in handen van de vijanden gevallen.
Verscheidene schepen van den zegevierenden vijand probeerden het nu, om Lolonois te achterhalen, maar de hevige strijd had ze allen zoo'n schade toegebracht, dat geen enkel meer zeil kon voeren. Bovendien begon de lucht meer en meer te betrekken en uit het Noordwesten dreigde een hevige storm.
De Spaansche bevelhebber gaf daarom aan zijn schepen last, dat zij hem zoo goed zij konden, moesten volgen en zeilde vooruit naar de straat, die het Schildpadden-eiland van Haïti afscheidt. Hij had hiermee de bedoeling zoowel een schuilplaats voor het naderend onweer te zoeken als om van den eersten schrik gebruik te maken, ten einde de volksplanting der Boekaniers te verwoesten. De gevangen Boekaniers moesten als gidsen dienen.
De vernieling van de vloot der Boekaniers had men van hier ook gezien en al wat maar vluchten kon trok diep de bosschen in, waarmee toenmaals het grootste gedeelte van het eiland nog bedekt was.
De Spanjaarden kwamen dus ongehinderd in de baai.
Toen verwoestten en verbrandden zij de meeste gebouwen, nadat zij alles afgeplunderd hadden. De weinige overgebleven Boekaniers weken naar eenige eilanden, om nooit weer naar hun vorige kolonie terug te keeren.
Lolonois had nauwelijks zóóveel zijner manschappen gered, als tot den dienst van zijn vaartuig noodig waren. De anderen hadden den dood in den strijd gevonden en lagen op den bodem der zee. Vervolgd en bedreigd, zag Lolonois in, dat het voor hem niet geraden zou zijn, nog langer in Amerika te blijven. Hij verliet dus de Antillen en zeilde naar Bahia, waar hij de schade aan zijn schip herstelde. Eer hij daar nog geheel mee gereed was, werd hij met gevangenschap en dood bedreigd, want door een toeval was zijn naam ontdekt. Hij lichtte dus de ankers en koos zee, hoewel hij twee van zijn manschappen, waarvan hij de terugkomst niet kon afwachten, aan wal moest achterlaten.
En sedert zwierf Lolonois, uit nood en verbittering nu een werkelijk zeeroover, op schier alle zeeën rond. Hij leerde zijn vaartuig voortdurend beter kennen en hoe langer hoe meer waardeeren; hij bedreef met dit schip ongehoorde daden en werd de schrik van iederen eerzamen koopvaarder. De buitengewone vlugheid van zijn vaartuig stelde hem in staat ieder schip in te halen, iederen vervolger te ontvluchten, en met een bijna spookachtige snelheid zich op plaatsen te bevinden, waar men hem somtijds honderden mijlen van verwijderd waande.
Was reeds bij het leven van Van Halen die snelheid van het schip een raadsel geweest, nu vereenigden zich met dat onbegrijpelijke nog de vreemde naam en de vrees voor de bloedige wreedheid der bemanning.
En zoo ontstond onder het zeevolk van die tijden langzamerhand gemakkelijk de legende van het spookschip »_De Vliegende Hollander_".
Want geen mensch was toenmaals bijgelooviger dan de zeeman: Hoevele natuurverschijnselen deden zich ook aan hem voor! Verschijnselen die tháns door de wetenschap verklaard worden, maar vroeger wel aan den invloed van goede of booze geesten moesten worden toegeschreven.
Het eenzame, stille van den nacht maakte des zeemans gemoed ontvankelijk voor allerlei fantastische indrukken. In den wind, die door het want suisde, klonken hem de stemmen van bovenaardsche wezens tegen, nu eens lispelend, jolig en blij, dan weer weemoedig, huilend, snerpend.
Uit de grillige wolkgevaarten, uit het schuim der golven, in dartelend gespeel met het licht der maan, of dreigend uit den pikdonkeren nacht opstijgend en weer wegdompelend in de diepte, tooverde zijn verbeeldingskracht hem nu eens de liefelijkste en dan weer de afgrijzelijkste gedaanten voor den geest, en bracht hem al het wonderlijke in herinnering, dat hij van zijn jeugd af reeds had hooren verhalen.
Wat hij destijds bij zulk een verhaal voor zijn verbeelding zag, meende hij nu werkelijk te zien en vandaar ook dat er toen maar weinig zeelui waren die niet zwoeren bij hun ziel en zaligheid, dat zij op hun reizen een of meermalen het spookschip »_De Vliegende Hollander_" waren tegen gekomen.
De manschappen waren slechts vier in getal: de kapitein, de bootsman, de kok en één matroos, allen stokoude grijsaards die stadig in de kajuit om elkanders ziel zaten te dobbelen tot op den jongsten dag, terwijl hun schip rusteloos voortsnelde, in zijn vaart verlicht door vlammen, die langs de masten en de raas rondflikkerden.
De zeilen waren grauw als aarde, en de vlaggen waren vaal als de verbleekte kleuren van doodskransen. Leeg was het dek, geen stuurman stond aan het roer. De vaart van het schip geleek een vlucht; het te ontmoeten was als een vloek en voorspelde onheil aan den bodem, dien dat te beurt viel.
Gelijk een stormvogel vloog het voort, ook zelfs bij volkomen windstilte, en allen die het aanschouwden ging een ijskoude rilling door de leden.
Zóó ijlde het spookschip de wateren over en zóó moest het _blijven_ voortijlen tot in eeuwigheid.
[Illustratie]
»IN DE VACANTIE."
Bibliotheek voor Jongens en Meisjes.
Prijs per deel ingenaaid [f] 1,--, in prachtband [f] 1,50.
* * * * *
Serie A. Jongensboeken:
1. JAEPIE-JAEPIE, Vierde druk, door C. Joh. Kieviet--Geïllustreerd door A. Rünckel.
2. KAREL VERMEER, Tweede druk, door Ch. Krienen--Geïllustreerd door W. K. de Bruin.
3. FRANS VAN DORENTIL, Vierde druk, door C. Joh. Kieviet--Geïllustreerd door A. Rünckel.
4. TOCH NAAR ZEE, door N. W. C. Kuyk--Geïllustreerd door Frans van Noorden.
5. DE AVONTUREN VAN VIER PRETMAKERS, Derde druk, door Ch. Krienen--Geïllustreerd door Joh. Braakensiek.
6. TWEE ECHTE JONGENS, Derde druk, door Ch. Krienen--Geïllustreerd door C. van der Sluis.
7. JONGENSLEVEN, door Mevr. van Woerden-Pop.--Geïll. door J. H. Isings Jr.
8. HET JONGENSKAMP, Tweede druk, door Chr. van Abkoude--Met 6 fraaie platen.
9. DE CLUB DER JONGE KANINEFATEN, Tweede druk, door N. W. C. Kuyk--Geïllustreerd door W. K. de Bruin.
10. OP DE VLOOT VAN ADMIRAAL VERHUELL, Tweede druk, door J. G. Kramer--Geïllustreerd door J. H. Isings Jr.
11. VAN EEN DIEFJESMAAT EN EEN SCHOOLJONGEN, door Joh. H. Been--Geïllustreerd door O. Geerling.
12. MIJN JONGENSJAREN, Tweede druk, door Koen van Dam--Geïllustreerd door Joh. Braakensiek.
13. INSTITUUT SPARRENHEIDE, Tweede druk, door Chr. van Abkoude--Geïllustreerd door Jan Rinke.
14. UIT DE VLEGELJAREN VAN HENKIE SNIP, Tweede druk, door N. W. C. Kuyk--Geïllustreerd door O. Geerling.
15. JAN BLOEMER, door A. M. v. d. Linden-v. Eden--Geïllustreerd door O. Geerling.
16. DE KLEINE HAMBURGERS OP REIS, door E. Gaehtgens--Geïllustreerd.
17. LANGS DEN WATERKANT, door Cor Bruijn--Geïllustreerd door Frans van Noorden.
»ONS GENOEGEN."
Bibliotheek voor Jongens en Meisjes.
Prijs per deel ingen. [f] 0,65, gecart. [f] 0,90, in prachtband [f] 1,10.
* * * * *
Serie A. Jongensboeken:
1. WILLEM VAN DEN MOLENAAR, Vierde druk, door P. Elzer--Geïllustreerd door A. Rünckel.
2. MARC EN ZIJN OOM, Derde druk, door L. van der Meer--Geïllustreerd.
3. DE TWEE BROEDERS, Vierde druk, door C. Joh. Kieviet--Geïllustreerd door A. Rünckel.
4. BERT EN BRAM, Derde druk, door Chr. van Abkoude.--Geïllustreerd door A. Rünckel.
5. VRIENDSCHAP, Derde druk, door W. Brouwer--Geïllustreerd door A. Rünckel.
6. WILLEM'S VERJAARSGESCHENK, Tweede druk, door Chr. van Abkoude--Geïllustreerd.
7. DE KAPITEIN VAN MURAT, Derde druk, door W. P. de Vries--Geïllustreerd door Jan Rinke.
8. BOB-ZONDER-ZORG, Derde druk, door Chr. van Abkoude--Geïllustreerd door W. K. Prins.
9. DERTIEN JAAR KRIJGSGEVANGEN, Tweede druk, door J. G. Kramer--Geïllustreerd door J. H. Isings Jr.
10. EEN ONGELUKSVOGEL, Derde druk, door Chr. van Abkoude--Geïllustreerd door W. K. de Bruin.
11. FRANS BRANDER, door W. Brouwer--Geïllustreerd door Jos. Rovers.
12. PETER DE VERSPIEDER, Tweede druk, door J. Gunst--Geïllustreerd.
13. EEN AMSTERDAMSCHE JONGEN, Tweede druk, door H. W. Sonnega--Geïllustreerd door C. Jetses.
14. DE VOETBALCLUB, Tweede druk, door Chr. van Abkoude--Geïllustreerd door O. Geerling.
15. VOLHARDING BEKROOND, Tweede druk, door W. Brouwer--Geïllustreerd door Frans Lazarom.
16. VAN TWEE VRIENDEN, door B. Knoop--Geïllustreerd door Frans van Noorden.