Part 8
In die gevaarvolle oogenblikken echter legde Van Halen zulke buitengewone bekwaamheden aan den dag dat de Boekaniers opnieuw het volste vertrouwen in hem stelden en hem, tot in zijn geringste bevelen, onvoorwaardelijk gehoorzaamden.
Zij hadden een stormachtigen nacht doorgebracht en de meeste Boekaniers lagen beneden, nog vermoeid van de inspanning, toen plotseling de wacht uitriep: »Schip in zicht!"
Lolonois bracht nu al zijn manschappen op het dek. Hij zelf vloog het want in, om aandachtig het vreemde vaartuig op te nemen. Het lag Noordwaarts en zeilde naar de kust, blijkbaar met de bedoeling om te ontvluchten. Bijna vijf mijlen was de »_Christina_" er van verwijderd, zoodat het nog onmogelijk goed kon waargenomen worden, maar toch hoopte Lolonois, dat het een van de Spaansche schepen zou zijn, waar omtrent hij berichten in gewonnen had. Het kwam er nu maar op aan het in te halen, voor het de haven en de kust bereikt had.
Lolonois ging nu naar Van Halen toe en zei:
»Kapitein, het oogenblik is gekomen, dat ik uw hulp noodig heb. Zou u willen probeeren, om dat vaartuig in te halen en het opperbevel aan mij overlaten, zoodra het tot een vechten komt?"
Van Halen glimlachte en gaf dadelijk de noodige bevelen. De masten droegen in een oogenblik zooveel zeilen, als men in dien tijd nog nooit gezien had. Door een gunstig toeval ging de wind uit het Zuid-westen waaien, zoodat het vaartuig trots en bevallig, als met de vlucht van een vogel vooruit snelde. Alle Boekaniers waren in stomme bewondering bij dit nooit geziene schouwspel en Lolonois had moeite, om zijn volk bij hun werk te houden.
De kanonnen werden geladen, kisten vol kogels, vaten met kruit, geweren, sabels en enterhaken werden aan dek gebracht. De Boekaniers trokken hun overkleeren uit, bonden zich roode sjerpen om het lijf en staken dolken, degens en pistolen in hun gordels. Al die toebereidselen namen ongeveer een uur in beslag. Toen gaf Lolonois aan zijn manschappen bevel, om zich langs de borstweringen op den grond neer te leggen en liet de Spaansche vlag hijschen.
De »_Christina_" was het vreemde vaartuig nu al tot op twee mijlen genaderd. Uit het voorkomen van het schip kon men met vrij groote zekerheid opmaken, dat het een Spanjaard was, en uit den spoed, waarmee het zocht te ontvluchten, dat het rijkbeladen moest wezen. De oogen van Lolonois fonkelden. Hij wikkelde zich dichter in zijn mantel en knikte Van Halen, die elke beweging van den vreemdeling nauwkeurig waarnam, dankbaar toe.
Plotseling stuurde men op het vreemde schip Oostwaarts, om naar de Antillen te stevenen.
»Ze zijn van koers veranderd!" riep Lolonois Van Halen toe.
»Jawel, ze willen mij ontwijken. Maar het helpt hun niemendal. Ik zal ze overzeilen!" antwoordde Van Halen, die blijkbaar het grootste genoegen in deze jacht had.
Hij gaf nu eenige bevelen. Enkele kleine veranderingen aan de zeilen, een geringe ruk aan het roer en Lolonois zag met voldoening, hoe de »_Christina_" den vluchteling weer als een roofdier navloog. Wel had de Spanjaard alle zeilen bijgezet, maar van oogenblik tot oogenblik kwam de »_Christina_" toch dichter bij en met den middag kon Lolonois de manschappen op het andere schip al tellen, die met angst en toch ook met nieuwsgierigheid naar »_De Vlugge Christina_" uit zagen.
Nog wist men daar niet, waarvoor men het schip van Van Halen houden moest, want het voerde toch de Spaansche vlag, maar de Boekaniers lagen loerend achter hun verschansingen als panters achter de rotsen.
»Het oogenblik is nu gekomen, kapitein Van Halen!" zei Lolonois. »Sta nu het opperbevel aan _mij_ af."
Van Halen wenkte een Boekanier, gaf hem het roer over en ging beneden in de kajuit om daar rustig op den afloop te wachten.
Lolonois liet een kanonschot lossen. Het vreemde schip zeilde echter door.
Een tweede schot dreunde en van den romp van het andere vaartuig vlogen de splinters als vurige vonken door de lucht. Een luid geschreeuw en gejammer volgde, de Spaansche vlag werd geheschen, maar men zeilde door.
»Laadt de stukken opnieuw! Enterhaken gereed! Niet opstaan, vóór ik het beveel!" riep Lolonois en hield nu zelf het roer.
Plotseling draaide het vreemde schip bij, want het zag wel, dat aan ontvluchten toch niet te denken viel.
Een minuut later schoot de »_Christina_" op het achterste gedeelte van het vaartuig aan en Lolonois riep: »Werpt de enterhaken uit! Vuur!"
Het dek van de beide schepen werd plotseling in een dikken kruitdamp gehuld. Op hetzelfde oogenblik sprongen alle Boekaniers overeind en binnen een paar seconden zaten de schepen door enterhaken aan elkaar. Onder aanvoering van Lolonois sprongen de Vrijbuiters als razenden aan boord van den Spanjaard, waar zij met angstig geschreeuw en slecht gerichte geweerschoten werden ontvangen.
De bemanning van het Spaansche schip was in het begin _te_ zeer verrast om veel tegenstand te bieden.
Eerst toen zij de vijanden als booze geesten midden in den kruitdamp naar alle kanten om zich heen zagen houwen en steken, vermanden zich de nog ongedeerde Spanjaarden en begonnen een wanhopigen weerstand.
Er ontstond een hardnekkig gevecht van man tegen man. De Spanjaarden zagen nu, wie zij voor hadden. Zij verdedigden zich woedend. Het gelukte hun, zich te verzamelen en doordat zij, ondanks hun verlies, veel sterker in aantal waren dan de Boekaniers, begonnen die wel wat in het nauw te komen.
Lolonois was weldra met tien van zijn metgezellen door de voortdringende drommen van Spanjaarden van de andere Boekaniers gescheiden en tot op het middendek gedrongen. Ofschoon hij zich woedend verdedigde en met bovenmenschelijke kracht de áándringende vijanden van zich afweerde, scheen het toch, dat zijn goed geluk hem begeven zou. Verscheidene van zijn dapperste mannen zonken doodelijk gewond naast hem neer. Het viel hem dus hoe langer hoe moeilijker om de degenstooten van de vreeselijk verbitterde Spanjaarden van zich af te weren. Het gevecht duurde lang en de kans begon reeds twijfelachtig te worden. Te vergeefs poogden de andere Boekaniers hun kapitein te helpen. De Spanjaarden, ziende dat zij den aanvoerder omsingeld hadden, weerden de andere vrijbuiters uit alle macht. Het begon er voor de Boekaniers hachelijk uit te zien. Reeds hoorden zij roepen: »Victorie! Victorie!" Reeds werd Lolonois van alle kanten met den dood bedreigd als hij zich niet wilde overgeven. Nog vier van zijn makkers zonken doodelijk gewond aan zijn voeten ... Maar zie, plotseling nam alles een onverwachten en beslissenden keer.
Terwijl namelijk de Boekaniers op het Spaansche schip aan het vechten waren, was Van Halen in de kajuit en wapende zich. Een oogenblik later klom hij aan dek en overzag toen het gevecht en Lolonois' wanhopigen toestand. De merkwaardige en in weerwil van zijn vele misdaden toch zoo grootmoedige man had op den armen Van Halen een grooten invloed verkregen en zich binnen weinige dagen zijn geheele genegenheid verworven. En zie, nu zag Van Halen dien man omsingeld, zag Lolonois en zijn volk in gevaar en zijn geest was nog helder genoeg om te begrijpen, dat de nederlaag der Boekaniers het verlies van zijn schip zou zijn.
Plotseling kwam nu al zijn koelbloedigheid en moed weer boven. Snel nam hij zijn besluit, vloog naar de kruitkamer, droeg met bovenmenschelijke kracht een vaatje van 150 pond kruit aan dek en ging daarmee, zonder door de vechtenden opgemerkt te worden, aan boord van het vijandelijke schip.
Toen wierp hij het in de dichte drommen der Spanjaarden en schoot het met zijn geweer in brand.
De uitwerking van deze daad was verschrikkelijk.
Meer dan de helft der Spanjaarden werd op een vreeselijke wijze verpletterd of verminkt. Ook Van Halen zelf werd zoo deerlijk gekwetst, dat hij bijna onkenbaar was. Toch schoot hij onmiddellijk toe om Lolonois te ontzetten. Hij versloeg de twee mannen, die hem hadden aangepakt en voortsleepten, doorstak den derden en plaatste zich met overal gebrande en door het kruit zwart geworden kleeren naast Lolonois, die hem niet herkende en hem verbaasd aanzag.
Nu kregen de Boekaniers meer ruimte. Zij vereenigden zich en dreven de Spanjaarden met de grootste woede het dek af en het ruim in. Binnen tien minuten was toen de strijd geëindigd en de laatste Spanjaard in handen van de Boekaniers gevallen.
Lolonois verzamelde nu al zijn overgebleven manschappen en vroeg: »Wie was toch de man, die het vat kruit onder de Spanjaarden wierp en aanstak?"
Niemand had het in de hitte van den strijd gezien.
Opeens viel Lolonois het verminkte lichaam van Van Halen in het oog, die onder vreeselijke pijnen over den grond kroop en zich in zee trachtte te storten, om zóó aan zijn verschrikkelijk lijden een einde te maken.
Aan enkele overblijfselen van zijn kleeren herkende Lolonois huiverend den kapitein en snelde dadelijk toe, om hem te helpen. Men goot zeewater over hem heen, om zijn nog altijd rookende kleeren te blusschen. Daarna liet Lolonois hem met de grootste voorzichtigheid in de kajuit brengen en op kussens neerleggen.
Onmiddellijk gaf hij vervolgens bevel om de schepen van elkaar los te maken, het Spaansche schip op sleeptouw te nemen, de dooden in zee te werpen en naar het Zuidoosten te zeilen.
Toen ging hij zelf in de kajuit waar hij Van Halen onder de handen van een wondarts vond in een allerbeklagenswaardigsten toestand.
De arme kapitein van »_De Vlugge Christina_" lag op sterven. In zijn laatste oogenblikken had hij zijn helderheid van geest teruggekregen en hoe meer het leven voor hem ten einde liep, des te meer geraakte de ongelukkige man weer in het volle gebruik van zijn geestvermogens.
Met een gevoel van diep medelijden knielde Lolonois aan Van Halen's sterfbed neer. Hij greep zijn hand, die van zijn leger afhing en zei: »Mijn beste kapitein, in wat treurigen toestand moet ik u vinden!"
»Ach, het kruit ..." kermde Van Halen, »het kruit heeft mij zoo vreeselijk ..."
»Dus _u_ bent het dan geweest, die het kruitvaatje midden onder de Spanjaarden aanstak?"
»Had ik het niet gedaan, dan was het met u en uw volk gebeurd geweest," kreunde Van Halen.
»Hemel, hoe is het mogelijk!" riep Lolonois vol bewondering uit. »En ik kon u miskennen, u voor een krankzinnige houden! Zoo iets kan alleen een man van moed en van een buitengewonen geest bedenken! U weet niet, hoe dankbaar ik u ben, dat u ons het leven gered hebt!"
Van Halen keerde zich onder ontzettende pijnen op zijn leger om en Lolonois en de zijnen stonden om hem heen met het smartelijk gevoel, niets te kunnen doen tot verzachting van zijn lijden.
Plotseling richtte Van Halen zich op en zei:
»Mijn leven loopt ten einde, Lolonois. Nu weet ik, dat ik gek was. Ja, u hebt gelijk gehad, toen u mij voor een waanzinnige hield ... Maar de valschheid en trouweloosheid van de menschen maakten, dat ik ze verachtte en haatte ... Ja, ik haatte de menschen, omdat ze mij ... terug gestooten hadden. U bent nu in het bezit van mijn schip ... ik laat het u na ... Daar in die kast zult u papieren vinden, die u omtrent alles zullen inlichten ... O God! wat een pijn!... Ik laat u mijn schip na ... zweer mij, dat u het zult laten zinken, als u het niet meer noodig hebt ... of het in de lucht laten springen, als u overwonnen wordt ... Niemand moet een schip kunnen bouwen naar het model van het mijne.... U moogt het ook niet doen.... zweer mij dat!"
Lolonois was verbaasd over het verlangen van den stervende. Toch legde hij den eed af, dien Van Halen verlangde.
[Illustratie: De arme jonge man zonk in elkaar. (Bladz. 149.)]
»Dank, dank u ... U alleen bent waard om mijn schip te bezitten ... er bestaat geen tweede zoo op de wereld ... U zult het vaartuig lief krijgen ... het is zoo stevig, zoo vlug ... het was het dierbaarste wat ik op de wereld bezat.
Plotseling scheen hem iets in de gedachten te komen: hij probeerde zich op te richten en toen de Boekaniers hem ondersteunden zei hij:
»Het eene schip voor het andere ... laat mij aan boord van het Spaansche schip vastbinden, als ik dood ben ... Maak dan het vaartuig leeg en laat ... mijn lijk in zee zinken ... beloof mij dat!"
Lolonois verklaarde met droefheid zich bereid, om dit verlangen na te komen.
»Hebt u nog iets anders?" vroeg hij toen.
»Neen, mijn vriend!" zei Van Halen met moeite, »niets meer ... Vaarwel ...!"
De stervende lag stil, men hoorde het reutelen in zijn keel; een siddering doorliep al zijn leden. Toen strekte zich zijn lichaam uit; op zijn mannelijk gelaat was de laatste doodstrijd te lezen en--Van Halen was niet meer.
Toen den volgenden dag alles wat maar eenige waarde had, uit het Spaansche schip was gehaald, liet Lolonois het lijk van Van Halen, in kostbare Indische stoffen gewikkeld, in de kajuit brengen en op een rustbed vastbinden. Hij zelf las aandachtig eenige plaatsen uit een gebedenboek en liet daarna alle zeilen van het schip bijzetten en al de vlaggen hijschen waarover het beschikken kon. Maar aan den top van den grooten mast wapperde de Hollandsche vlag.
Het roer werd vastgezet en naast het lijk vier brandende waskaarsen geplaatst.
Nadat de Boekaniers gaten in den bodem van het schip geboord hadden, verwijderden zij zich de een na den ander en gingen aan boord van de »_Christina_" over. Deze zette nu zeil bij en volgde langzaam het vooruitdrijvende Spaansche vaartuig, terwijl de kanonnen werden gelost, om aan den verdienstelijken zeeman de laatste eer te bewijzen.
Het Spaansche schip zonk hoe langer hoe dieper. Men zag alleen nog maar het dek bij den grooten mast en den boegspriet boven de golven uitsteken. Plotseling zonk het voorste gedeelte in het water en dook zoo langzaam dieper onder de golven. Maar het duurde nog geruimen tijd eer de toppen der masten--en die van den middelmast met de wapperende Hollandsche vlag, het laatst--geheel in zee waren gezonken.
Eenige kringen op de golven duidden het spoor aan, waar alles verdwenen was en--»_De Vlugge Christina_" zweefde eenzaam over de blauwe wateren van de Caraïbische zee.
De Boekaniers hadden het geheele tooneel aangezien met het gevoel van den zeeman, die geen schip zonder weemoed te gronde ziet gaan. Op het vaartuig van Van Halen heerschte een doodelijke stilte, als in een huis, waarvan de meester gestorven is.
Nu riep Lolonois echter zijn volk bijeen en zei: »Mannen, dit fraaie schip is thans ons rechtmatig eigendom. Wij hebben den doode de laatste eer bewezen en eerlijk schip om schip gegeven, zooals hij het verlangde. Welaan, laat ons dan trachten, met ons vaartuig nieuwe heldendaden te verrichten, nieuwe rijkdommen te veroveren. En verder, laat ons tot aandenken aan zijn uitvinder en vroegeren eigenaar den naam van het schip veranderen. Van dit oogenblik af aan zal het heeten: »_De Vliegende Hollander_!"
»Hoera!" klonk het toen uit de schorre kelen van de ruwe Boekaniers: »Hoera voor den Vliegenden Hollander!"
[Illustratie]
TIENDE HOOFDSTUK.
De zeeslag tegen de Spanjaarden.
De Boekaniers keerden nu terug naar hun algemeene verzamelplaats, het Schildpadden-eiland, tegenover St. Domingo.
Op den avond dat »_De Vliegende Hollander_" de baai van dit eiland naderde, lagen er vijf schepen te gelijk voor anker. Uit al de herbergen klonken vroolijke gezangen, overstemd door het gejuich van Boekaniers, die, van hun lange strooptochten terug gekeerd, daar hun buit in vroolijkheid weer verteerden.
Het was meer toeval dan voorzichtigheid, dat er een op wacht stond op een rots aan den ingang van de baai, juist toen »_De Vliegende Hollander_" de schuilplaats der Boekaniers naderde.
Lang ontdekte hij niets op de kalme oppervlakte van het water. De zeevogels daalden neer op de golven, de visschen spartelden heen en weer in onverstoorde dartelheid en de wolken gingen, als in vredige bedevaart, door de blauwe lucht; de geheele natuur was in die liefelijke rust verzonken die het menschenhart tot een weemoedige blijheid stemt.
Reeds wilde de man naar beneden gaan en zich bij zijn luidruchtige makkers voegen, toen hij opeens in het Noordwesten een zeil ontdekte, dat zijn opmerkzaamheid trok.
Het was »_De Vliegende Hollander_" die het voorgebergte om zeilde en nu snel naderde.
Toen de Boekanier den vreemden vorm van het schip zag en door zijn groote snelheid verrast werd, vermoedde hij eenig gevaar en schoot onmiddellijk een kanon af, dat tot het geven van een alarmsein boven op de rots geplaatst was.
De donder van het zware geschut klonk krachtig over de wateren en weergalmde tot ver in het dal.
Eenige minuten lang heerschte er een diepe stilte. Toen klonk een verward geschreeuw en gejoel. De Boekaniers grepen allen naar de wapenen, vlogen de booten in en roeiden naar boord van hun schepen, die binnen weinige oogenblikken strijdvaardig waren. Een groot aantal bejaarde mannen stroomden intusschen haastig naar den smallen ingang van de baai, om met een ijzeren boom den doortocht te versperren. De overige bewoners vluchtten met hun kostbaarheden naar een versterkt gebouw aan den oever, waar zij de kanonnen laadden, vast besloten zich tot het uiterste te verdedigen.
Inmiddels werden de schepen naar de linkerzij van den ingang der baai gevoerd om daar voor anker te liggen. Terwijl den verwachten vijand dus aan den éénen oever het vuur van zes kanonnen uit het fort zou treffen, konden zij hem van terzijde met het geschut van hun vaartuigen beschieten.
Boven op de rotsen stonden een paar aanvoerders om den gewaanden, snel naderenden vijand vandaar in oogenschouw te nemen en door teekens aan de Boekaniers in de sterkte en op de schepen bevelen te geven. Met verwondering ontdekten zij alleen een enkel klein vaartuig, maar de vlugge bewegingen, het sombere, krijgshaftige voorkomen van het schip en zijn vreemdsoortige bouw brachten hen in de hoogste verbazing.
»_De Vliegende Hollander_" naderde nu den smallen ingang van de baai. Hier lagen een paar zandbanken, die voor een vreemden schipper allergevaarlijkst konden worden, doordat men ze zelfs bij eb en stil weer niet zien kon. Een ervaren zeeman die met de plaatselijke gesteldheid door en door bekend was, kon ze alleen vermijden. Maar »_De Vliegende Hollander_" gleed als een zwaan over de gevaarlijke plaats heen en liep rustig tot voor den ingang van de baai.
Tot op dit oogenblik hadden de Boekaniers bedaard den loop der zaken afgewacht, maar zoodra het vreemde schip aan den ingang der baai gekomen was, richtten zij een geladen kanon naar een plaats in zee, een kabellengte van het vreemde schip verwijderd, en schoten het af. Een kogel plofte in zee en de golven sisten en spatten hoog op, vlak voor den boeg van »_De Vliegende Hollander_".
Dat was een dreigende en duidelijke waarschuwing om stil te houden. Onmiddellijk kwam er nu beweging in de masten en raas van het vaartuig, het roer werd gewend en al die manoeuvres gemaakt, waardoor het binnen een minuut stil lag. Toen zag men een vlag in den wind fladderen en spoedig werd het vuurroode doek met den witten dolk als de vlag der Boekaniers herkend. Nu vreesden zij voor verraad en beraadslaagden over de maatregelen die genomen moesten worden.
Intusschen kwam van achter het vreemde vaartuig een kleine, nette boot te voorschijn, die als een notedop op de golven danste, naar den ingang van de baai roeide en daar verdween. De mannen die boven stonden konden haar nu niet meer zien, maar wachtten geduldig af, wat er beneden zou voorvallen.
Opeens drong er een luide en algemeene kreet tot hen door. Was het een oorlogskreet? Maar neen, er viel geen enkel schot. Het was dus een kreet van blijdschap, die zoo lang aanhield.
Zij verlieten nu hun hooge standplaats en ijlden in de grootste spanning naar het strand, om in de algemeene vreugde te deelen. Maar pas halfweg vlogen hun al boden te gemoet, die van blijdschap haast niets konden stamelen dan den beroemden en geliefden naam van Lolonois.
Zoodra de Boekaniers op het strand aankwamen, zagen zij, dat vlaggen wapperden van al de schepen. De boom die den doorgang versperde was weggenomen en honderden Boekaniers sprongen en dansten als razenden op het smalle rotspad langs den oever heen en weer.
Nu verscheen er een boot, waarin twaalf roeiers uit alle macht werkten om het nieuwe schip naar binnen te slepen. En zie, daar vertoonde zich de boegspriet en toen de geheele, zwarte romp van het fraaie schip met al zijn kanonnen. Alles begon te juichen en te jubelen zonder einde, toen Lolonois, de dappere, aangebeden Lolonois plotseling op het dek kwam en vroolijk den hoed zwaaide om de opgewonden Boekaniers te begroeten.
Zoodra het schip binnen de baai was, donderden al zijn kanonnen een welkomstgroet en nadat de kogels er uitgenomen waren beantwoordden de stukken van het fort en van de vijf andere schepen deze saluutschoten. Het vreugdegeschreeuw uit honderden kelen klonk schaterend door de lucht en onder zóó'n geestdriftige ontvangst wierp »_De Vliegende Hollander_" het anker uit.
Ja, onbeschrijfelijk was de geestdrift, waarmee Lolonois, de vorst der Boekaniers, die men dood waande, door zijn onderhoorigen werd ontvangen. Dit ruw en onverschrokken volk was van blijdschap buiten zich zelf; de genegenheid voor den buitengewonen man maakte die dapperen aan kinderen gelijk. Zij drukten zijn handen en kusten zijn kleeren, zij omvatten zijn knieën en vielen hem te voet. Wie ver af stonden moesten zich vergenoegen met door teekens hun vreugde te uiten. Vaders hielden hun knapen in de hoogte, om hem te zien, moeders brachten hun kleinen mee, om den grooten man aan te wijzen. Door uitgelaten blijdschap waren al die menschen, in weerwil van hun vele misslagen, in beminnelijke wezens veranderd.
Lolonois stond midden in den kring van zijn vrienden. Hij kon met zijn schepelingen het strand niet verlaten, want ook zij werden met gejuich begroet. Eindelijk wenkte hij tot stilte. Het gedruisch ging eensklaps in een diep stilzwijgen over. Hij sprak toen allen aan:
»Vrienden en wapenbroeders! Ik ben ontroerd, ik voel mij zoo gelukkig, dat ik weer bij u ben. Weest allen hartelijk gegroet! Ik vergeet gevaren en rampen, omdat ik zoo vriendelijk door u ontvangen word. Ik dank u. De Hemel sta mij toe, nog lang bij u te mogen zijn, om als uw trouwe broeder lief en leed broederlijk met u te deelen. Zijt mij nogmaals van harte welkom, en weest allen, van den grijsaard tot den jongste onder u, van avond mijn gasten. Gij zult allen de mijnen en ik zal de uwe zijn.
Lang leven de Boekaniers! Dood en verderf over de hoofden van hun vijanden!"
Een storm van vreugdegedruisch verhief zich nu weer en hield niet eerder op, vóór dat Lolonois in een van de grootste huizen der volksplanting, waar men hem heen geleidde, verdwenen was.
Op de »_De Vliegende Hollander_" begon nu een groote bedrijvigheid. Al de manschappen waren bezig, de kostbare wijnen van Van Halen te lossen, nu Lolonois het voornemen had, om alle bewoners van de volksplanting 's avonds te onthalen. In de huizen waren al de vrouwen in de weer, op kosten van Lolonois een maaltijd toe te bereiden. Verscheidene booten voeren af en aan, om de kostbaarheden uit het schip aan wal te brengen, want nadat zijn tochtgenooten hun aandeel ontvangen zouden hebben, wilde Lolonois alles onder de gezamenlijke Boekaniers verdeelen.
Verscheidene mannen namen in het versterkte huis de kisten in ontvangst en begrootten den rijken inhoud er van, waarna zij de waarde zorgvuldig noteerden. Het veroverde Spaansche schip had aan de regeering behoord en een lading in gehad van een half millioen aan goud en zilver.
De verdeeling was binnen weinige uren afgeloopen. In dien tusschentijd had men op een fraai grasperk onder reusachtige katoen- en palmboomen lange tafels aangericht en groote vuren ontstoken. Allerlei huisraad had men er bijeen gehaald: banken, stoelen, zelfs die van de schepen, zoodat allen ruimschoots konden zitten. Op den achtergrond schaarden zich de negers, die er door nieuwsgierigheid heen gelokt waren en nu ving de maaltijd aan. Lolonois liet wijn uitdeelen, zooveel als ieder maar verkoos; niet één gevoelde zich ontevreden; ieder deelde in de algemeene vreugd.